RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11830238 \ CV EXPL 25-2375
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE [gemeente],
uit Diever,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente [gemeente] ,
gemachtigde: mr. A.D. van den Muijzenberg,
tegen
[gedaagde] ,
uit [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend zonder gemachtigde.
1. De zaak in het kort
[gedaagde] was eigenaar van een chalet in het recreatiepark [recreatiepark] . De staanplaats huurde hij van de eigenaar van [recreatiepark] . In 2022 heeft de Gemeente [gemeente] [recreatiepark] gekocht. In deze procedure vordert de Gemeente [gemeente] betaling van de huur van de staanplaats van het jaar 2023. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij de huur niet hoeft te betalen omdat hij geen huurovereenkomst met de Gemeente [gemeente] heeft gesloten. Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat er wel huurovereenkomst is, voert [gedaagde] aan dat hij op grond van de RECRON-voorwaarden recht heeft op vergoedingen die verrekend moeten worden met de gevorderde huur. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de volledige huur moet betalen. De vorderingen van de Gemeente [gemeente] worden grotendeels toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van 21 juli 2025;
de conclusie van antwoord met producties;
de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier worden bewaard;
de op de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Van den Muijzenberg.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen.
3. De feiten
[gedaagde] was eigenaar van een chalet op recreatiepark [recreatiepark] (hierna: [recreatiepark] ). De staanplaats huurde hij van de eigenaar van [recreatiepark] .
Op 30 december 2022 heeft de Gemeente [gemeente] [recreatiepark] gekocht.
Op 17 februari 2023 heeft de Gemeente [gemeente] [gedaagde] een factuur gestuurd van € 1.999,00 voor de huur van de staanplaats voor het jaar 2023.
In juli 2023 heeft de Gemeente [gemeente] , in verband met haar plannen [recreatiepark] te herontwikkelingen voor woningbouw, de huur van de staanplaats opgezegd tegen 1 januari 2024.
Op 15 augustus 2024 heeft [gedaagde] , nadat hij meermaals door Gemeente [gemeente] is verzocht om over te gaan tot ontruiming, bericht dat de staanplaats is ontruimd.
De huur van de staanplaats voor het jaar 2023 heeft [gedaagde] niet betaald.
4. Het geschil
Wat vordert de Gemeente [gemeente] ?
De Gemeente [gemeente] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.999,00 en de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2023. De Gemeente [gemeente] vordert ook veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten en de buitengerechtelijke incassokosten van € 299,85, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De Gemeente [gemeente] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] in 2023 gebruik heeft gemaakt van de staanplaats en daarom de huur voor dat jaar verschuldigd is.
Wat vindt [gedaagde] daarvan?
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van de Gemeente [gemeente] . Samengevat neemt [gedaagde] het standpunt in dat hij geen huur is verschuldigd omdat hij geen huurovereenkomst heeft gesloten met de Gemeente [gemeente] en als dat wel het geval zou zijn, voert hij een verrekeningsverweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de Gemeente [gemeente] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, verder ingegaan.
5. De beoordeling
Er is een huurovereenkomst tussen de Gemeente [gemeente] en [gedaagde]
De stelling van [gedaagde] dat hij geen huur aan de Gemeente [gemeente] is verschuldigd omdat hij geen een huurovereenkomst met haar heeft gesloten, slaagt niet. Daartoe is het volgende redengevend.
[gedaagde] heeft toegelicht dat er in 2022 een huurovereenkomst was met de vorige eigenaar van [recreatiepark] . Hij heeft niet betwist dat daarop de RECRON-voorwaarden (versie 2016) van toepassing waren. Verder staat het vast dat de Gemeente [gemeente] op 30 december 2022 eigenaar is geworden van [recreatiepark] en daarmee van de staanplaats waarop het chalet van [gedaagde] stond. Met de koop van [recreatiepark] is de Gemeente [gemeente] in de rechten en plichten getreden van de verkoper, dat wil zeggen de vorige eigenaar van [recreatiepark] . Meer specifiek betekent dit dat de bestaande huurovereenkomsten, en dus ook de huurovereenkomst van de staanplaats waarop het chalet van [gedaagde] stond, inclusief de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde RECRON-voorwaarden, op de Gemeente [gemeente] zijn overgegaan. In artikel 2, vierde lid (onder “G. Bepalingen”), van de notariële akte tussen de verkoper van het recreatiegebied en de Gemeente [gemeente] is in dat kader bepaald dat de Gemeente [gemeente] de bestaande huurovereenkomsten zal respecteren. Anders dan [gedaagde] meent, is er dus wel een rechtsverhouding geweest tussen hem en de Gemeente [gemeente] . Artikel 3 lid 1 van de RECRON-voorwaarden bepaalt bovendien dat de overeenkomst telkens automatisch voor één overeenkomstjaar wordt verlengd. Dat er na afloop van de huurovereenkomst van 2022 geen expliciete huurovereenkomst is gesloten, maakt dus niet dat de beoordeling anders uitvalt.
Het verrekeningsverweer slaagt niet
Dat [gedaagde] in heel 2023 gebruik heeft gemaakt van de staanplaats staat vast. Hij is dan ook in beginsel verplicht om voor dat gebruik huur te betalen aan de Gemeente [gemeente] . In dat kader heeft [gedaagde] aangevoerd dat het door de Gemeente [gemeente] gevorderde bedrag aan huur niet klopt. Hij beroept zich op artikel 12 van de RECRON-voorwaarden en voert aan dat hij recht heeft op een tegemoetkoming in onder andere de verplaatsingskosten van een kampeermiddel (lid 5, lid 6 en lid 9) en gratis gebruik van de staanplaats voor de laatste zes maanden (lid 7). De daaruit voortvloeiende bedragen moeten volgens [gedaagde] verrekend worden met de openstaande huur.
Artikel 12 van de RECRON-voorwaarden gaat over ‘herstructurering’ en de aanspraken die een huurder in dat geval heeft. Volgens de Gemeente [gemeente] zijn die voorwaarden niet van toepassing omdat zij de huuropzegging heeft gebaseerd op artikel 11 lid 1 sub d van de RECRON-voorwaarden. Daarin is bepaald dat huur kan worden beëindigd als de bedrijfsvoering ophoudt te bestaan. [gedaagde] betwist niet dat de huur is opgezegd, maar stelt dat de door de Gemeente [gemeente] gebruikte grondslag onjuist is. Volgens hem wordt een deel van [recreatiepark] nog steeds verhuurd zodat er sprake is van herstructurering in de zin van de RECRON-voorwaarden.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat er sprake is van herstructurering. De definitie van ‘herstructurering’ is volgens artikel 1 lid 1 sub p van de RECRON-voorwaarden: ‘een andere inrichting aan (een deel van) het terrein geven’. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de Gemeente [gemeente] [recreatiepark] heeft gekocht met het doel er een nieuwe woonwijk te realiseren. Het staat ook niet ter discussie dat [recreatiepark] op dit moment is onderverdeeld in drie gebieden waarbij in deelgebied I en II nog (oude recreatie)woningen staan die door de Gemeente [gemeente] (tijdelijk) worden verhuurd, al dan niet aan dezelfde bewoners als toen [recreatiepark] nog een recreatiepark was. Deelgebied III is het gebied waar de staanplaatsen stonden en is inmiddels leeg. Dat er in deelgebied I en II nog steeds verhuur plaatsvindt, is een overblijfsel van het recreatiepark en maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van het anders inrichten van (een deel) van [recreatiepark] in de zin van de definitie van herstructurering. De Gemeente [gemeente] heeft namelijk een geheel andere bedoeling met de verhuur dan de verhuur die plaatsvond onder de vorige eigenaren van [recreatiepark] . De verhuur destijds had recreatie tot doel. Alhoewel er toen voor een deel al sprake was van permanente bewoning, werd dit gedoogd en was dat niet de bestemming en het doel. Dat is nu wel het geval.
Het voorgaande oordeel dat geen sprake is van herstructurering, leidt ertoe dat [gedaagde] geen beroep toekomt op artikel 12 van de RECRON-voorwaarden en de vergoedingen die daaruit zouden kunnen voortvloeien. De stelling van de Gemeente [gemeente] dat een verhuurder bij de huuropzegging vanwege bedrijfsbeëindiging geen vergoeding aan een huurder is verschuldigd, heeft [gedaagde] niet tegengesproken. Het gevolg daarvan is dat er geen bedragen zijn die verrekend zouden kunnen worden met de gevorderde huur. Het verweer van [gedaagde] in dat kader slaagt dus niet.
Het beroep op huurvermindering slaagt niet
Tot slot heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling toegelicht dat hij de huur niet heeft betaald omdat de Gemeente [gemeente] na de overname van [recreatiepark] geen onderhoud meer heeft verricht. Ook de faciliteiten, zoals de wasmachines en een postsysteem, zijn verdwenen. De kantonrechter begrijpt uit deze stelling dat [gedaagde] een beroep doet op huurprijsvermindering in de zin van artikel 7:207 BW. Op grond van dat artikel kan een huurder, in geval van vermindering van huurgenot als gevolg van een gebrek, aanspraak maken op evenredige huurprijsvermindering van de dag waarop hij de verhuurder van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven of waarop het gebrek al in voldoende mate bekend was bij de verhuurder om tot maatregelen over te gaan. Een gebrek is volgens artikel 7:204 lid 2 BW kort gezegd een staat, eigenschap of andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor het gehuurde niet het genot kan verschaffen die de huurder bij het aangaan van de overeenkomst ervan mag verwachten. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht en bewijslast van het gebrek, dat er als gevolg van het gebrek verminderde huurgenot is en dat de verhuurder behoorlijke in kennis is gesteld of bekend was met het gebrek, op de [gedaagde] als huurder.
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet aan zijn stelplicht voldaan. Artikel 17 lid 1 van de RECRON-voorwaarden verplicht de Gemeente [gemeente] weliswaar om ‘het terrein en de centrale voorzieningen in een goede staat van onderhoud te houden’, maar dat [gedaagde] de Gemeente [gemeente] eerder dan de mondelinge behandeling over de slechte staat van het onderhoud en de voorzieningen en zijn, ten gevolge daarvan, verminderd huurgenot behoorlijk in kennis heeft gesteld of dat de Gemeente [gemeente] ermee bekend was, heeft hij onvoldoende gesteld. Ook het dossier bevat daartoe geen aanknopingspunten. Dit betekent dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op huurprijsvermindering.
De tussenconclusie: [gedaagde] moet de huur plus de wettelijke rente betalen
Voorgaande beoordeling leidt ertoe dat [gedaagde] de huur van de staanplaats voor het jaar 2023 moet betalen. De vordering van de Gemeente [gemeente] tot betaling van € 1.999,00 zal dan ook worden toegewezen. Omdat [gedaagde] de factuur voor de huur niet binnen de vervaltermijn van 1 april 2023 heeft betaald, zal de kantonrechter de wettelijke rente zoals de Gemeente [gemeente] ook heeft gevorderd vanaf die datum toewijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen
De Gemeente [gemeente] vordert € 299,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die de Gemeente [gemeente] heeft gemaakt om, in een poging een gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [gedaagde] te ontvangen.
De vordering van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de geldende extra vereisten voor de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten. Dat is niet het geval. De Gemeente [gemeente] heeft [gedaagde] aanmaningen verstuurd die niet voldoen aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. In de brieven is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
[gedaagde] zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom moet hij de proceskosten van de Gemeente [gemeente] betalen. De proceskosten zijn de kosten die de Gemeente [gemeente] heeft gemaakt om deze procedure te voeren. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die de Gemeente [gemeente] maakt om [gedaagde] ertoe te brengen aan de veroordelingen in dit vonnis te voldoen. De proceskosten van Gemeente [gemeente] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
385,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(1/2 punt × € 217,00 + de kosten van betekening)
Totaal
€
1.072,95
Zoals is opgemerkt, vallen onder de proceskosten ook de nakosten. Dat betekent dat als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na datum van dit vonnis aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend, hij ook de kosten van betekening aan Gemeente [gemeente] moet betalen.
De door de Gemeente [gemeente] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de kantonrechter ook toewijzen. De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is [gedaagde] verschuldigd als hij de proceskosten niet binnen veertien na de datum van dit vonnis heeft betaald.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De toegewezen vorderingen zullen, zoals de Gemeente [gemeente] heeft gevorderd en waartegen [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als [gedaagde] niet aan de veroordelingen voldoet, ook als door een van de partijen hoger beroep zou worden ingesteld (artikel 233 Rv).
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Gemeente [gemeente] te betalen een bedrag van € 1.999,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 april 2023, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.072,95, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening van dit vonnis als [gedaagde] niet binnen deze termijn aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van € 1.072,95 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis en over het bedrag van de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.