uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in bovengenoemde zaken tussen
[belanghebbende 1] (belanghebbende 1) en [belanghebbende 2] (belanghebbende 2),
wonende te [woonplaats], tezamen: belanghebbenden
en
de directeur van GBTwente, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D. Prook).
Inleiding
Belanghebbenden zijn gezamenlijk eigenaren van de onroerende zaken [adres 1] (woning 1, ZWO 25/736) en [adres 2] (woning 2, ZWO 25/737). Zij verhuren de woningen.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarde van
woning 1 per waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 196.000,- en de waarde van woning 2 vastgesteld op € 261.000,-.
De heffingsambtenaar heeft tevens de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Almelo voor genoemde woningen voor belastingjaar 2023 opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar het tegen de beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarden gehandhaafd.
Belanghebbenden hebben GBTwente op 14 februari 2024 per e-mail laten weten dat zij ‘bezwaar’ maken tegen de uitspraak op bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft dit doorgestuurd naar de rechtbank met het verzoek om het ‘bezwaar’ als beroepschrift te behandelen.
Belanghebbenden hebben op 10 maart 2025 en op 1 oktober 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbenden in de beroepsfase voor wat betreft woning 2 een compromisvoorstel gedaan waarbij de WOZ-waarde wordt verlaagd tot € 246.000,-. Belanghebbenden hebben dit voorstel niet geaccepteerd.
De heffingsambtenaar heeft twee verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft beide beroepen op 12 maart 2026 ter zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende 2, mede als woordvoerder van belanghebbende 1, en namens de heffingsambtenaar mr. D. Prook, bijgestaan door
[naam], WOZ-taxateur.
Feiten
1. Belanghebbenden zijn gezamenlijk eigenaren van de (verhuurde) woningen:
woning 1, een rijwoning, bouwjaar 1975, met een gebruiksoppervlakte (gbo) van 114 m² en een berging van 14 m² staat op een kavel van 158 m²;
woning 2, een hoekwoning, bouwjaar 1972, met een gbo van 121 m² en een berging van 11 m² staat op een kavel van 299 m².
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de woningen moet worden bepaald met behulp van de zogenoemde vergelijkingsmethode als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.
4. Ter voorlichting aan belanghebbenden merkt de rechtbank op dat het de heffingsambtenaar op grond van vaste rechtspraak vrij staat om in elke fase van het geding de vastgestelde waarde met nieuwe gegevens - lees: feitelijke, rond de waardepeildatum gerealiseerde verkoopprijzen - van andere referentiewoningen te onderbouwen.
5. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woningen niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Daartoe heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de in beroep overgelegde verweerschriften van 17 juni 2025 (woning 1) en 23 juni 2025 (woning 2) en de bijbehorende taxatiematrixen, opgesteld door [naam], WOZ-taxateur. In deze matrixen wordt geconcludeerd tot een taxatiewaarde van woning 1 per 1 januari 2022 van € 196.000,- en een (lagere) taxatiewaarde van woning 2 per 1 januari 2022 van € 246.000,-.
Bij genoemde waardebepalingen is rekening gehouden met de verkoopprijzen van de volgende rij- respectievelijk hoekwoningen te [plaats]:
Woning 1 ([adres 1])
[adres 3], bouwjaar 1975, met een gbo van 114 m², een berging van 14 m² en een kavel van 158 m², op 1 november 2022 (transactiedatum in matrix) verkocht voor
€ 205.000,-;
[adres 4], bouwjaar 1975, met een gbo van 114 m², een berging van 10 m² en een kavel van 158 m², op 17 november 2021 (transactiedatum in matrix) verkocht voor
€ 205.000,-;
[adres 5], bouwjaar 1975, met een gbo van 114 m², een berging van 14 m² en een kavel van 158 m², op 13 augustus 2021 (transactiedatum in matrix) verkocht voor
€ 205.010,-.
Woning 2 ([adres 2])
[adres 6], bouwjaar 1972, met een gbo van 121 m², een berging van 8 m² en een kavel van 198 m², op 2 juni 2021 (transactiedatum in matrix) verkocht voor € 258.000,-;
[adres 7], bouwjaar 1972, met een gbo van 121 m², een berging van 11 m² op een kavel van 159 m², op 17 september 2021 (transactiedatum in matrix) verkocht voor € 250.000,-;
[adres 8], bouwjaar 1972, met een gbo van 121 m², een berging van 8 m², een overkapping van 20 m² en een kavel van 158 m², op 2 mei 2022 (transactiedatum in matrix) verkocht voor € 290.155,-.
Woning 1
6. Belanghebbenden voeren aan (i) dat de woning ten onrechte is vergeleken met als referentiewoningen: hoekwoningen en/of woningen met of zonder aan- of uitbouw. Ook verschillen de oppervlakten van de kavels.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
De heffingsambtenaar heeft de woning in beroep opnieuw laten taxeren. Het resultaat is neergelegd in eerdergenoemde taxatiematrix. Hierin zijn als referentiewoningen opgenomen drie rijwoningen te [plaats] in dezelfde woonwijk.
In de matrix zijn alle woningen en de bijbehorende bergingen afzonderlijk gewaardeerd. Met de taxatiematrix zijn gegevens verstrekt over onder meer correctiepercentages van de zogenoemde Koudv-factoren, de grondstaffel en de grondwaarde. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, zoals gbo, kaveloppervlakte, ligging en kwaliteit, is bij de herleiding van de vastgestelde waarde in voldoende mate rekening gehouden. De verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn daarmee een goed uitgangspunt bij het bepalen van de waarde van de woning. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Belanghebbenden voeren aan (ii) dat de heffingsambtenaar de woning ten aanzien van de factor ‘Voorzieningen’ te hoog heeft gewaardeerd. De voorzieningen zijn gedateerd en eenvoudig.
9. De rechtbank overweegt als volgt. In de taxatiematrix in beroep is met de eenvoudige staat van keuken, badkamer en toilet rekening gehouden door de voorzieningen te waarderen als ‘matig’(2) in plaats van ‘gemiddeld’ (3).
Belanghebbenden hebben niet met verifieerbare gegevens deze waardering van de taxateur gemotiveerd betwist, laat staan aannemelijk gemaakt dat de waardering nog verder neerwaarts moet worden bijgesteld.
10. Belanghebbenden voeren aan (iii) dat de heffingsambtenaar de woning ten aanzien van de factoren ‘Onderhoud’ en ‘Kwaliteit’ te hoog heeft gewaardeerd:
de staat van onderhoud is heel slecht: er is sprake van veel achterstallig/oud schilderwerk en houtrot. Belanghebbenden hebben met een aanvulling op 1 oktober 2025 een aantal foto’s toegezonden. Op die foto’s is te zien dat de kozijnen in zeer slechte staat verkeren en dat sprake is van houtrot. De kozijnen zijn aan volledige vervanging toe. Bovendien is de dakgoot aan de achterzijde van de woning lek; deze moet worden vervangen;
ook is de kwaliteit van de woning heel slecht. De woning is slecht geïsoleerd en heeft een hoog energielabel. Op de bovenverdieping is sprake van enkel glas. De kozijnen, de beglazing en de gevelplaten aan de achtergevel/tuinzijde moeten worden vervangen. In de kozijnbeplating zit asbest. Pas op 3 juni 2025 heeft een inpandige opname plaatsgevonden.
11. De rechtbank overweegt als volgt. In de taxatiematrix is de staat van onderhoud van de woning gewaardeerd als ‘gemiddeld’ (3).
Volgens de heffingsambtenaar is de staat van het schilderwerk inderdaad matig. De algehele staat van onderhoud van de woning is echter niet zódanig slecht dat de woning als geheel ten aanzien van de factor Onderhoud als ‘onder gemiddeld’ moet worden gekwalificeerd.
De kwaliteit van de woning is per 1 januari 2023 ook gewaardeerd als ‘gemiddeld’ (3). In de taxatiematrix in beroep zijn verkoopcijfers opgenomen van drie gelijksoortige rijwoningen met hetzelfde bouwjaar (1975), gelegen in dezelfde woonwijk.
Gelet op de overeenkomsten met de vergelijkingsobjecten qua type, bouwjaar (1975) en buurt/omgeving en de bevindingen van de taxateur tijdens de inpandige opname, volgt de rechtbank de heffingsambtenaar in zijn standpunt dat de woning qua onderhoud en kwaliteit ‘gemiddeld’ is, daarbij de staat van de kozijnen en de gevelplaten alsook de aanwezigheid van enkel glas in aanmerking genomen. De beroepsgronden slagen niet.
12. Belanghebbenden voeren aan (iv) dat de woning qua ligging te hoog is gewaardeerd. De ligging is heel slecht.
13. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbenden hebben de beweerdelijk slechte ligging van de woning op geen enkele wijze onderbouwd, reden waarom de beroepsgrond niet slaagt.
14. Belanghebbenden voeren aan (v) dat de vastgestelde WOZ-waarde te hoog is gelet op de stijging van de WOZ-waarde van de woning ten opzichte van voorgaande jaren.
De WOZ-waarde staat niet meer in redelijke verhouding tot de huuropbrengsten. Belanghebbenden hanteren huurprijzen onder de sociale huurgrens van € 630,- tot € 750,- per maand. Bovendien zijn huurwoningen (zoals deze) moeilijk verkoopbaar.
15. De rechtbank overweegt als volgt. De wet WOZ schrijft voor dat de WOZ-waarde van woningen ieder jaar opnieuw wordt vastgesteld aan de hand van eerdergenoemde vergelijkingsmethode (als er geen actueel eigen aan-/verkoopcijfer van de woning is). Door een vergelijking te maken met rond de waardepeildatum daadwerkelijk gerealiseerde verkoopcijfers van vergelijkbare woningen is geborgd dat de WOZ-waarde een daadwerkelijke relatie met de actuele woningmarkt heeft. Een vergelijking met de WOZ-waarde van een voorgaand jaar of voorgaande jaren is niet een vergelijking met recent rondom de waardepeildatum gerealiseerde verkoopcijfers en is daarom niet relevant.
Ook beoogde en gewenste huuropbrengsten en/of de vraag of een woning in verhuurde staat wel of niet goed verkoopbaar is, zijn voor de waardebepaling op grond van de wet WOZ niet relevant, omdat de Wet WOZ uitgaat van de juridische fictie dat een (verhuurde) woning onverhuurd en direct opleverbaar is voor een potentiële koper. De beroepsgrond slaagt niet.
16. Belanghebbenden voeren aan (vi) dat [adres 9] te [plaats] per 1 januari 2022 een veel lagere WOZ-waarde (€ 140.000,-) heeft ondanks de veel betere staat van onderhoud en ligging.
17. Voor zover belanghebbenden zich op het gelijkheidsbeginsel beroepen overweegt de rechtbank als volgt.
Voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in WOZ-zaken geldt dat de heffingsambtenaar bij de waardering van woningen gelijke gevallen gelijk dient te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk in de mate van hun ongelijkheid. De mate van ongelijkheid tussen de woningen komt tot uitdrukking in de verschillende WOZ-waarden die zijn vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet in WOZ-zaken voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel in WOZ-zaken aannemelijk zijn dat het gaat om identieke woningen waarbij de onderlinge verschillen tussen de woningen verwaarloosbaar zijn, en moeten ten minste twee identieke woningen worden opgevoerd (de ‘meerderheidsregel’).
18. Belanghebbenden hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen ofwel van identieke woningen, die ongelijk zijn beoordeeld.
Volgens de heffingsambtenaar is de WOZ-waarde van het in de beroepsgronden van 10 maart 2025 genoemde object [adres 9] binnen de wijk de laagste WOZ-waarde, omdat die waarde op het eigen koopcijfer is gebaseerd. Bij dit object gaat het echter om de verkoop van een woning met gedateerde voorzieningen en onderhoud aan een bestaande huurder. De WOZ-waarde van die woning zal worden bijgesteld, omdat de verkoopprijs van die woning niet op de vrije markt is tot stand gekomen, waarbij kopers kunnen overbieden hetgeen steeds meer gangbaar is geworden in een overspannen woningmarkt.
De heffingsambtenaar heeft ook voor het overige genoegzaam toegelicht dat niet sprake is van identieke woningen in vergelijking met de woning van belanghebbenden waarbij onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van woning 1 aannemelijk gemaakt dat een WOZ-waarde van € 196.000,- per 1 januari 2022 niet te hoog is.
Woning 2
20. De heffingsambtenaar heeft belanghebbenden op 20 juni 2025 voor wat betreft woning 2 een compromisvoorstel gedaan tot verlaging van de WOZ-waarde van
€ 261.000,- tot € 246.000,-. Belanghebbenden hebben dit niet voorstel geaccepteerd.
21. Zij voeren aan (i) dat de heffingsambtenaar de woning heeft vergeleken met woningen die niet goed vergelijkbaar zijn: rijwoningen en/of met woningen met of zonder aan- of uitbouw. Ook verschillen de kavels van qua oppervlakte en qua ligging. De woning heeft last van de bewoners van de naastgelegen woning, omdat die een grote boom in hun tuin verwaarlozen.
22. De rechtbank overweegt als volgt.
De heffingsambtenaar heeft (ook) woning 2 in beroep opnieuw laten taxeren. Het resultaat is neergelegd in eerdergenoemde taxatiematrix. Alle in de taxatiematrix opgenomen referentiewoningen zijn hoekwoningen met een vergelijkbaar bouwjaar en gelegen in [locatie]. De verkoopprijzen van die woningen zijn daarmee een goed uitgangspunt bij het bepalen van de waarde van de woning.
Overlast als gevolg van een grote boom in de tuin van buren leidt niet tot een onder gemiddelde ligging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
23. Belanghebbenden voeren aan (ii) dat woning 2 voor wat betreft diverse Koudv-factoren niet juist is gewaardeerd.
De voorzieningen zijn gedateerd en matig en ook de staat van onderhoud is heel slecht. Er is sprake van achterstallig/oud schilderwerk en houtrot. Belanghebbenden hebben ter onderbouwing daarvan bij de aanvullende beroepsgronden van 10 maart 2025 foto’s toegezonden. Op de foto’s (pagina’s 7 en 8) is te zien dat de kozijnen in zeer slechte staat verkeren en dat op veel plekken sprake is van houtrot. Volgens belanghebbenden zijn de kozijnen toe aan volledige vervanging. Daarnaast is de dakgoot aan de achterzijde van de woning lek, doordat de buren de boom in hun tuin verwaarlozen en het dak en de dakgoot niet schoonmaken, zodat overtollig regenwater blijft staan. Ook de kwaliteit van de woning is heel slecht. De woning is slecht geïsoleerd, heeft een hoog energielabel en heeft deels enkel glas.
24. De heffingsambtenaar heeft in beroep op 3 juni 2025 een inpandige opname laten verrichten. De voorzieningen bleken eenvoudig, maar in voldoende staat. In de taxatiematrix in beroep zijn de voorzieningen van woning 2 gewaardeerd als ‘matig’.
Ten aanzien van het onderhoud heeft de taxateur geconstateerd dat de staat van de kozijnen aan de achterkant matig was; deze waren toe aan onderhoud. De kozijnen zijn gerenoveerd in 2025. Volgens de heffingsambtenaar was de algehele staat van onderhoud van de woning ‘gemiddeld’.
Ook de kwaliteit van de woning was ‘gemiddeld’. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft in de taxatiematrix in beroep drie hoekwoningen opgenomen als vergelijkingsobject, gelegen in dezelfde woonwijk ([locatie]) en uit dezelfde bouwperiode.
De heffingsambtenaar heeft bij deze waardering is rekening gehouden met de staat van de kozijnen en de aanwezigheid van enkel glas.
25. De heffingsambtenaar heeft belanghebbenden op 20 juni 2025 een compromisvoorstel gedaan waarbij de WOZ-waarde is verlaagd tot € 246.000,-. De heffingsambtenaar heeft deze waarde onderbouwd met de in beroep overgelegde taxatiematrix. Hierin zijn de voorzieningen gewaardeerd als ‘matig’ (2).
26. De rechtbank ziet, gelet op de door de heffingsambtenaar gegeven toelichting, geen aanleiding om te oordelen dat de in de taxatiematrix gegeven waardering van de woning qua voorzieningen, staat van onderhoud en kwaliteit onvolkomen of gebrekkig is en rekenkundig tekort schiet. Belanghebbenden hebben de stelling dat de waardering van woning 2 qua voorzieningen, onderhoud en/of kwaliteit verder naar beneden moet worden bijgesteld als matig (2) of slecht (1) ook niet met verifieerbare gegevens nader onderbouwd.
De heffingsambtenaar heeft de waardering van de voorzieningen, staat van onderhoud en kwaliteit van de woning aldus voldoende onderbouwd. De beroepsgronden slagen niet.
27. Hetgeen belanghebbenden voor het overige nog hebben aangevoerd ter betwisting van de aannemelijkheid van de in het compromisvoorstel verlaagde WOZ-waarde van de woning slaagt niet.
28. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat een waarde van de onroerende zaak van € 246.000,- niet te hoog is.
29. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, omdat de WOZ-waarde in de uitspraak op bezwaar te hoog is bepaald.
Beroep op schending van de redelijke termijn
30. Belanghebbenden hebben in hun beroepschrift verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Zij voeren aan dat de wettelijke termijn voor de procedure is overschreden met 12 maanden. De heffingsambtenaar heeft hun ‘bezwaar’ (lees: beroepschrift) van 10 februari 2024 pas een jaar later naar de rechtbank doorgestuurd. Hierdoor hebben zij nog altijd geen uitsluitsel over de WOZ-waarden per 1 januari 2022, terwijl de WOZ-waarde van belang is voor de aangiften inkomstenbelasting en gemeentelijke heffingen. Volgens belanghebbenden hebben zij hierdoor onnodig kosten moeten maken.
31. De rechtbank overweegt als volgt. Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt geldt als redelijke termijn een tijdvak van twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn werd op grond van oude rechtspraak van de Hoge Raad verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij het financiële belang bij de procedure zeer gering is.
32. Sedert 14 juni 2024 geldt nieuw recht van de Hoge Raad. Belanghebbenden hebben niet gesteld dat het financiële belang bij de procedure meer dan € 1.000,- (netto fiscaal voordeel door een verlaagde WOZ-waarde) bedraagt en - en dat klemt - zij hebben hun beroep op immateriële schadevergoeding (i) niet gedaan vóór 14 juni 2024 op welke datum (ii) bovendien de redelijke termijn zou moeten zijn verstreken voor een geslaagd beroep op immateriële schadevergoeding. De rechtbank volstaat - en kan volstaan - daarom met de constatering dat de redelijke termijn van 24 maanden sedert maart 2023 inmiddels (iets) meer dan 12 maanden is overschreden.
Het overgangsrecht uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 is niet van toepassing. Belanghebbenden hebben daarom geen recht op een immateriële schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
33. Het beroep in de zaak ZWO 25/736 is ongegrond. De uitspraak op bezwaar van 10 februari 2024 en de hierin voor woning 1 vastgestelde WOZ-waarde blijven in stand.
34. Het beroep in de zaak ZWO 25/737 is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar ten aanzien van woning 2 vernietigen en de WOZ-waarde voor woning 2 vaststellen op € 246.000,-.
De heffingsambtenaar moet in de zaak ZWO 25/737 proceskosten vergoeden aan belanghebbende. Deze proceskosten bestaan uit reiskosten voor het bijwonen van de zitting (100 km x 0,23 = € 23,-).
Van proceskosten wegens door een derde verleende professionele rechtsbijstand is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende 2 om vergoeding van verletkosten af, omdat niet is onderbouwd dat belanghebbende 2 vrij heeft moeten nemen van arbeid in loondienst respectievelijk puur als gevolg van de zitting op die dag schade heeft geleden door het niet kunnen verrichten van arbeid of het mislopen van een opdracht, zoals ook het besteden van tijd aan (het willen/moeten voorbereiden van) de procedure volgens vaste rechtspraak niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Afgezien van bovengenoemde reiskosten moet de heffingsambtenaar in deze zaak het griffierecht (€ 53,-) vergoeden aan belanghebbende (gelet op de samenhang van zaken in het griffierecht administratief in rekening gebracht onder ZWO 25/736).
Beslissing
De rechtbank:
ZWO 25/736 WOZ:
verklaart het beroep ongegrond;
ZWO 25/737 WOZ:
verklaart het beroep in de zaak ZWO 25/737 gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2024;
stelt de WOZ-waarde voor woning 2 ([adres 2]) vast op € 246.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre (ten aanzien van woning 2) in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting ad € 23,- aan belanghebbende 2;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht ter hoogte van € 53,- aan belanghebbenden zal vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. van Westerlaak, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.