RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/294848 / FA RK 23-938
beschikking van 16 maart 2026
in de zaak van
[de vader] ,
verder te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
verzoeker,
advocaat: mr. C. Niens (voorheen: mr. M. Veurman),
en
[de moeder] ,
verder te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. C.H. Tjabringa.
1. Het verdere procesverloop
Op 20 april 2023, 6 december 2023 en 15 april 2024 heeft de rechtbank
tussenbeschikkingen gegeven in deze zaak. Bij beschikking van 15 april 2024
is een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] wekelijks een begeleid omgangsmoment met de vader heeft. De omgang wordt begeleid door Halte-Z en duurt een half uur of een uur. De omgangsbegeleider vanuit Halte-Z kan in samenspraak met de ouders de omgang verruimen als [minderjarige] hierbij gebaat is. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over het gezag en de omgang aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject bij Halte-Z.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
- een terugkoppeling van de gemeente Olst-Wijhe, binnengekomen op
29 augustus 2024;
- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), binnengekomen op 29 augustus 2024;
- een F9-formulier van mr. Veurman, binnengekomen op 12 september 2024;
- een F9-formulier van mr. Tjabringa, binnengekomen op 20 september 2024;
- een F9-formulier van mr. Tjabringa, binnengekomen op 13 mei 2025;
- een F9-formulier van mr. Veurman, binnengekomen op 13 mei 2025;
- een F9-formulier van mr. Veurman, binnengekomen op 19 mei 2025;
- een terugkoppeling van de gemeente Olst-Wijhe, binnengekomen op
10 juni 2025;
- een aanvulling op de terugkoppeling van de gemeente Olst-Wijhe, binnengekomen op 12 juni 2025;
- een brief van de raad, binnengekomen op 18 juni 2025;
- een bericht van mr. Veurman, binnengekomen op 23 juni 2025;
- een bericht van mr. Tjabringa, binnengekomen op 23 juni 2025;
- een rapport van de raad, binnengekomen op 13 oktober 2025;
- een F9-formulier van mr. Veurman, binnengekomen op 15 oktober 2025;
- een F9-formulier van mr. Tjabringa, binnengekomen op 16 oktober 2025.
De mondelinge behandeling is op 23 februari 2026 met gesloten deuren voortgezet.
Daarbij waren aanwezig:- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] op 22 maart 2024 erkend.
Voor de overige feiten wordt verwezen naar voornoemde tussenbeschikking van
15 april 2024.
3. De verdere beoordeling
De rechtbank moet nog beslissen over het gezag en de (definitieve) zorg-/omgangsregeling met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022, verder te noemen: [minderjarige] .
Het gezag
De afgelopen periode hebben de ouders een hulpverleningstraject bij Halte-Z (voor omgangsbegeleiding) en Pactum (voor ouderschapsbegeleiding) gevolgd. Tevens hebben de ouders gesprekken gehad met de jeugdconsulent van de gemeente Olst-Wijhe. De rechtbank heeft meerdere terugkoppelingen over deze trajecten ontvangen. In de terugkoppeling van de gemeente van 10 juni 2025 staat – kort gezegd – dat de moeder emotieregulatie problemen ten opzichte van de vader ervaart. De moeder wordt geadviseerd traumabehandeling te starten. Ook systeemtherapie kan helpend zijn, als vervolgstap, om zicht te krijgen op ongezonde familiepatronen en deze te doorbreken. Halte-Z ziet geen zorgen over vaders ouderschap. De vader sluit goed aan bij [minderjarige] en waar hij vragen heeft over het ouderschap neemt hij contact op met Halte-Z. De jeugdconsulent ziet geen reden waarom de vader niet samen met de moeder het gezag zou kunnen hebben.
Vervolgens heeft de raad een aanvullend onderzoek gedaan. In het aanvullend raadsrapport van 13 oktober 2025 adviseert de raad de rechtbank om de vader met het mede-gezag over [minderjarige] te belasten. Hoewel er nog veel stappen te zetten zijn, hebben beide ouders zich actief ingespannen om te komen waar zij nu staan. Ook voor het traject bij Pactum zetten de ouders zich in. De raad meent dat het passend is om de juridische situatie aan te laten sluiten bij wat in de praktijk al het geval is: [minderjarige] heeft twee sterk betrokken ouders, die zich inspannen om te komen tot wat het beste is voor haar. Tevens heeft de vader de afgelopen periode laten zien dat hij handelt in het belang van [minderjarige] , aldus de raad.
De standpunten van de ouders
De vader kan zich vinden in het advies van de raad. Volgens de vader hebben de ouders een langdurig traject gevolgd, waarbij de vader zich heeft aangepast aan het tempo van de moeder. Het traject heeft goede resultaten opgeleverd. De vader heeft nu structurele omgang met [minderjarige] . De vader wil een volwaardige ouderrol voor [minderjarige] vervullen. Van een afwijzingsgrond is geen sprake. Volgens de vader handelt hij in het belang van [minderjarige] .
De moeder kan zich niet vinden in het advies van de raad. Zij stelt – kort gezegd – het volgende. Het doel van het traject bij Pactum was het verbeteren van de communicatie en de samenwerking tussen de ouders. De moeder ervaart echter nog steeds spanning voor de gesprekken met de vader. Zij “blokkeert” tijdens die gesprekken. De moeder heeft er onvoldoende vertrouwen in dat het dominante gedrag van de vader is gestopt en de ouders daadwerkelijk in staat zijn om samen beslissingen te nemen. De moeder wil niet dat hetgeen nu is opgebouwd teniet wordt gedaan door het verzoek tot gezamenlijk gezag toe te wijzen.
Het wettelijk criterium
De moeder is alleen belast met het gezag over [minderjarige] . Op grond van artikel 1:253c, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c, lid 2 BW slechts afgewezen indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vader voortaan samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] belasten. Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders samen beslissingen moeten nemen over hun kinderen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat zij vanaf nu samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat er enorme stappen zijn gezet in het contact tussen [minderjarige] en de vader en de samenwerking tussen de ouders. Beide ouders hebben zich de afgelopen periode ingezet voor het hulpverleningstraject bij Halte-Z, Pactum en de gesprekken met de jeugdconsulent van de gemeente Olst-Wijhe. Dit heeft ertoe geleid dat er structureel contact is tussen [minderjarige] en de vader. Dat verdient een groot compliment. De communicatie tussen de ouders behoeft echter nog verbetering. Zo heeft de moeder het gevoel dat zij blokkeert tijdens de gesprekken met de vader. Ook kampt zij nog steeds met de angst dat de vader [minderjarige] zal meenemen naar het buitenland zonder toestemming van de moeder, zo heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verklaard. Duidelijk is dat het idee van gezamenlijk gezag nog veel spanning en stress bij de moeder oproept. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen. De rechtbank acht de (communicatie-)problemen tussen de ouders niet zodanig ernstig dat het gevaar bestaat dat na toewijzen van het gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Zo is niet gebleken dat de vader belangrijke beslissingen aangaande [minderjarige] heeft tegengehouden of zal tegenhouden of frustreren. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat hij handelt in het belang van [minderjarige] en dat hij goed kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Dit wordt bevestigd in de overgelegde stukken van de raad en de gemeente Olst-Wijhe. Het vertrouwen dat de moeder nodig heeft in een goed verloop van de gezamenlijke gezagsuitoefening zal gaandeweg moeten groeien. Waar nodig kan de jeugdconsulent de ouders daarbij blijven ondersteunen. Verder doet de huidige ongelijkwaardige verhouding tussen de ouders geen recht aan de rol die de vader in het leven van [minderjarige] speelt. Beide ouders zijn betrokken in het leven van [minderjarige] en zij willen allebei het beste voor haar. Gezamenlijk gezag past daarbij. De rechtbank is van oordeel dat er ook geen andere gronden aanwezig zijn die met zich brengen dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het eenhoofdig gezag van de moeder wordt gehandhaafd. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag dan ook toewijzen.
De zorgregeling
In het aanvullend rapport van de raad van 13 oktober 2025 adviseert de raad een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] eens in de twee weken het weekend van vrijdag 10.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader is. De vader draagt zorg voor het halen en brengen van [minderjarige] . Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, haalt de vader [minderjarige] uit school op. De raad benadrukt dat het voor jonge kinderen belangrijk is om frequent contact te hebben met de niet-verzorgende ouder, om de gehechtheidsrelatie met deze ouder te stimuleren en te waarborgen. Een regeling waarbij [minderjarige] eens in de maand bij de vader is, is in de optiek van de raad te summier. Volgens de raad doet een regeling van die aard ook geen recht aan het contact en de verbinding die er op dit moment is tussen [minderjarige] en de vader. Verder adviseert de raad de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, waarbij voor de zomervakantie wordt geadviseerd om in eerste instantie, totdat [minderjarige] naar school gaat, een 2-2-1-1 weekverdeling aan te houden. De volgorde van de weken kan worden gewijzigd.
De standpunten van de ouders
De vader kan zich vinden in het advies van de raad. Het liefst zou de vader [minderjarige] vaker zien, maar hij begrijpt dat geen van beide ouders [minderjarige] wil missen. De vader is blij dat hij structureel omgang heeft met [minderjarige] . [minderjarige] is het middelpunt van zijn leven geworden. Anders dan de moeder stelt, zorgt de vader zelf voor [minderjarige] als zij bij hem verblijft en kan de vader haar een stabiele plek bieden. Verder wil de vader graag een vast belmoment met [minderjarige] in de week dat zij niet bij de vader is.
De moeder kan zich niet vinden in het advies van de raad. Zij wil dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader wordt teruggebracht naar eens per maand. Ter onderbouwing stelt de moeder – kort gezegd – het volgende. Wanneer [minderjarige] bij haar vader is, wordt zij regelmatig door anderen verzorgd. De vader werkt namelijk in de weekenden. Daar komt bij dat de vader niet alleen op Texel, maar ook in Zandvoort gaat werken. De moeder vindt het belangrijk dat er bij de vader een vaste, stabiele plek voor [minderjarige] is. Volgens de moeder is dat nu niet het geval. [minderjarige] is onrustig als ze terugkomt van een omgangsweekend met de vader.
Het wettelijk criterium
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het niet in het belang van [minderjarige] is om eens in de twee weken een weekend bij de vader te verblijven, zoals nu het geval is. De moeder stelt dat zij zorgen heeft over de stabiliteit, de rust en de verzorging van/voor [minderjarige] als zij bij de vader is. De vader heeft deze stellingen echter gemotiveerd betwist en ook de raad en de betrokken hulpverleningsinstanties hebben geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] wanneer zij bij de vader verblijft. Voor de door de raad geadviseerde zorgregeling ziet de rechtbank dan ook, ondanks hetgeen de moeder heeft aangevoerd, onvoldoende contra-indicaties. De rechtbank zal daarom de zorgregeling vaststellen conform het advies van de raad. Dit betekent dat [minderjarige] eens in de twee weken het weekend van vrijdag 10.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader is. De vader draagt zorg voor het halen en brengen van [minderjarige] . Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, haalt de vader [minderjarige] uit school op.
Het staat de ouders vrij om samen andere afspraken te maken over de zorgregeling. Zolang er echter geen overeenstemming is, is de door de rechtbank opgelegde zorgregeling leidend.
De rechtbank zal de verdeling van de vakanties en feestdagen en de belmomenten
met [minderjarige] niet bij beschikking vaststellen, nu de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de ouders hierover in onderling overleg afspraken kunnen maken met behulp van de jeugdconsulent. Beide ouders hebben verklaard dat zij vertrouwen hebben in de gesprekken met de jeugdconsulent. De ouders kunnen met de jeugdconsulent ook bespreken hoe zij willen omgaan met de situatie dat een van de ouders met [minderjarige] op vakantie naar het buitenland wil.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders
hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat dit het uitgangspunt is in familiezaken.
4. De beslissing
De rechtbank:
belast de vader samen met de moeder met het gezag over:
5. [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022
stelt de volgende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast:
[minderjarige] is eens in de twee weken het weekend van vrijdag 10.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader. De vader draagt zorg voor het halen en brengen van [minderjarige] . Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, haalt de vader [minderjarige] uit school op;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de ouders ieder hun eigen proceskosten betalen;
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Bruggen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. C. Ruiter, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.