RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/773
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights, uit Amstelveen en Den Haag,
hierna: de stichtingen,
(gemachtigde: mr. D. Delibes),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,
hierna: het college.
1. Inleiding: feiten en procesverloop
Met het besluit van het college van 24 december 2024 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (hierna: Fbe) een omgevingsvergunning verleend voor een flora- en fauna-activiteit. De omgevingsvergunning ziet – kort gezegd – op het doden van reeën binnen het gehele werkgebied van de Fbe (de provincie Overijssel) in het belang van de verkeersveiligheid en het voorkomen van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, voor de periode vanaf 1 januari 2025 tot 1 september 2029.
Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden die (onder meer) inhouden dat het college op basis van de reewildbeheerplannen en reewildwerkplannen jaarlijks een toestemmingsbesluit neemt voor het gebruik van de omgevingsvergunning.
Met het toestemmingsbesluit van 21 januari 2025 heeft het college toestemming gegeven om in de periode van 1 januari 2025 tot 1 oktober 2025 van de omgevingsvergunning gebruik te maken.
De stichtingen hebben tegen de omgevingsvergunning en het toestemmingsbesluit bezwaar gemaakt.
Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 17 maart 2025 (ZWO 25/768) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.
Met de besluiten van 28 mei 2025 heeft het college de bezwaren van de stichtingen afgewezen.
Tegen deze besluiten hebben de stichtingen beroep ingesteld (ZWO 25/1792 en ZWO 25/2224).
Gedurende de beroepsprocedure heeft het college met het toestemmingsbesluit van 30 december 2025 (opnieuw) toestemming verleend voor het gebruik maken van de omgevingsvergunning van 24 december 2024. De rechtbank gaat er op basis van het dossier vanuit dat de toestemming geldt voor de beheerperiode in 2026.
Op 25 februari 2026 zijn de stichtingen pas op de publicatie van dit besluit gestuit, zo stellen zij.
Op diezelfde dag hebben de stichtingen de voorzieningenrechter verzocht gedurende de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen, waarbij door de
stichtingen ook is verzocht het verzoek gelijktijdig te behandelen met de beroepszaken op de zitting van 26 februari 2026. Dat verzoek is wegens strijd met de goede procesorde afgewezen door de meervoudige kamer.
Op 9 maart 2026 hebben de stichtingen desgevraagd kenbaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2025 geen bezwaar te hebben gemaakt.
Het college heeft 18 maart 2026 op het verzoekschrift gereageerd. De stichtingen hebben op 27 maart 2026 op de reactie van het college gereageerd.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de stichtingen.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. Om die reden doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Beoordeling door de voorzieningenrechter
De stichtingen hebben in hun verzoekschrift aangegeven dat zij zich in de beroepsprocedure op het standpunt stellen dat de Omgevingswet geen grondslag biedt voor de wijze van vergunningverlening die het college hanteert, waarbij een omgevingsvergunning wordt verleend en de toestemming om van de vergunning gebruik te maken in separate besluiten wordt gegeven. Bij vergunningverlening dient al vast te staan dat aan de materiële vereisten uit artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving is voldaan. In de beslissing op bezwaar is volgens de stichtingen door het college ook in zoverre erkend dat de motivering van de vergunning feitelijk wordt gevormd door de beheer- en werkplannen en dat de later goedgekeurde plannen de eerdere motivering hebben vervangen. Daarmee wordt volgens de stichtingen de omgevingsvergunning materieel telkens aangevuld dan wel gewijzigd via de toestemmingsbesluiten. Zij betwisten die systematiek.
Vervolgens beargumenteren de stichtingen in hun verzoekschrift dat het toestemmingsbesluit van 30 december 2025 ook niet kan worden gezien als een zelfstandig besluit met een eigen wettelijke grondslag, maar moet worden aangemerkt als wijziging of aanvulling van de omgevingsvergunning van 24 december 2024. Indien deze systematiek in beroep onrechtmatig wordt geoordeeld, zouden inmiddels onomkeerbare handelingen hebben plaatsgevonden, als niet een voorlopige voorziening zou worden getroffen. Immers, met het toestemmingsbesluit kan opnieuw feitelijk uitvoering worden gegeven aan het doden van reeën.
Door de stichtingen wordt om die reden verzocht de omgevingsvergunning van 24 december 2024 te schorsen tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure en te bepalen dat deze schorsing mede omvat het daarop voortbouwende goedkeuringsbesluit dat is gepubliceerd op 30 december 2025.
Door de stichtingen is in hun reactie van 27 maart 2026 (verder) verwezen naar de inhoud van hun beroepschrift als onderbouwing van het verzoekschrift. Gezien de complexiteit van de zaken, het feit dat er al een zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden en dat binnen afzienbare tijd uitspraak zal worden gedaan op het beroep van de stichtingen, zal de voorzieningenrechter zich in deze uitspraak beperken tot hetgeen in het verzoek naar voren is gebracht en wat daarover is betoogd in het beroepschrift.
De voorzieningenrechter beperkt zich in deze procedure tot de vraag of er op dit moment aanleiding bestaat bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat (voorlopig) in 2026 geen reeën mogen worden gedood. In wat daarover is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Over de wijze van vergunningverlening heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 17 maart 2025, in het kader van het treffen van een voorlopige voorziening in bezwaar, al een voorlopig oordeel gegeven. De voorzieningenrechter zag in de gehanteerde werkwijze geen reden om tot schorsing van de besluitvorming over te gaan. Zoals ook door de stichtingen in het beroepschrift wordt aangegeven, herhalen zij hun standpunt ten aanzien daarvan, zij het in het beroepschrift met een korte aanvulling en uitleg waarom zij zich niet kunnen verenigen met de uitspraak van de voorzieningenrechter. Op basis van het huidige verzoek- en beroepschrift is de voorzieningenrechter echter niet gebleken van feiten en omstandigheden die het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment vereisen. Dat sprake is van een nieuw toestemmingsbesluit maakt daarin geen verschil. De stichtingen hebben geen argumenten aangedragen waarom dit besluit onrechtmatig zou zijn. Bij de beoordeling van het eerdere verzoek om voorlopige voorziening in bezwaar is bovendien het destijds geldende toestemmingsbesluit al betrokken. Dat besluit, en wat daarover toen door de stichtingen werd aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter er niet toe geleid de besluiten te schorsen. Daarmee kon het college feitelijk uitvoering blijven geven aan de besluiten. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen redenen om tot een andere afweging te komen.
Wat partijen verder hebben aangevoerd ten aanzien van de connexiteit en de mogelijk zelfstandige rechtsgang tegen het toestemmingsbesluit van 30 december 2025, zal de voorzieningenrechter niet nader bespreken, gezien hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.5.
3. Conclusie en gevolgen
Het verzoek is gelet op wat hiervoor is overwogen kennelijk ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar:
De griffier is
niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.