ECLI:NL:RBOVE:2026:2063

ECLI:NL:RBOVE:2026:2063

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 11843005 \ CV EXPL 25-1461
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Geschil tussen partijen omtrent nakoming van verplichtingen uit tussen partijen gesloten overeenkomst. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 11843005 \ CV EXPL 25-1461

Vonnis van 14 april 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap [partij A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: mr. P.F.M. Verstegen,

tegen

de besloten vennootschap [partij B] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij B] ,

gemachtigde: mr. A.A. Bos.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 augustus 2025 met producties

- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele vordering tot onbevoegdheid kantonrechter met producties

- akte overlegging productie van [partij A]

- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens [partij A] en [partij B] zijn pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[partij A] en [partij B] zijn aannemingsbedrijven. [partij B] richt zich in het bijzonder op het aannemen van stukadoors- en afbouwwerken en de handel in bouwmaterialen.

[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) is een aan [partij B] gelieerde vennootschap.

STO is een leverancier van steenstrips die rechtstreeks op de muur kunnen worden geplakt.

Op 21 maart 2023 sluiten [partij A] en [partij B] een overeenkomst van onderaanneming voor het leveren en aanbrengen van steenstrips STO Brick GL kleur 308 en isolatiemateriaal voor een woning van een opdrachtgever van [partij A] voor een bedrag van € 56.191,60. Volgens de op 9 mei 2023 door [naam 1] van [partij B] (hierna: [naam 1] ) aan

[naam 2] van [partij A] (hierna: [naam 2] ) gemailde afrekenstaat is voor het plakken van 160 m2 steenstrips een bedrag van € 12.000,- aangehouden.

De opdrachtgever van [partij A] mailt op 16 juni 2023 aan [partij A] :

(...) Vandaag heb ik foto’s van gevel gevraagd en ik heb nu geen goede gevoel, want wat ik heb gezien is niet helemaal in order. Zelfs mannen van uitvoerder waren niet blij met kwaliteit van strips die ze moeten gebruiken. Volgens hun zijn de strips niet recht maar krom en scheef. Dit heeft volgens mij veel invloed op hun werk en zoals je kan ook zelf zien lijk het niet helemaal top. Bijvoorbeeld uitzettingsvoegen (dilatatievoegen) tussen strips zijn echt groot en dat moest echt anders, echt strak. (…)

[naam 2] reageert hierop bij mail van 16 juni 2023 aan [naam 1] :

wat moeten we hier nu weer mee. Kun jij STO regelen dat ergens staat dat die strips zo zijn.

In de mail van [naam 3] , senior accountmanager bij STO, van 29 juni 2023 aan [partij A] en [partij B] staat voor zover van belang:

(…) Immers het is een gebakken handwerk product in een extreem lange lengte (…). Elk gebakken product wordt geleverd met toleranties en hoe groter, dan wel hoe langer het product, hoe meer de toleranties zichtbaar zijn. (…)

We hebben na melding ter controle de charge van de geleverde steenstrips laten checken in onze productie in Duitsland (zie onderstaand mailbericht). Hier kregen we de volgende uitslag: (…) De geleverde strippen liggen dan ook ruim binnen de gestelde toleranties en voldoen hiermee aan de eisen van de relevante specificaties.

Het is in onze optiek niet zinvol om uit een andere charge andere/nieuwe steenstrippen te bestellen. Ook hier zullen de toleranties zich openbaren en zeker het gevelbeeld niet positiever beïnvloeden. Wel zou een verbetering van het gevelbeeld tot stand kunnen komen door bij verdere applicatie de enkele excessen uit te sorteren, te versnijden en elders te verwerken, dan wel om te draaien (…).

Op 10 juli 2023 mailt [naam 2] aan onder andere [naam 1] :

We gaan het een en ander als volgt oppakken.

1. Rechterzijde van de voorgevel wordt in zijn geheel verwijderd. De ondergrond wordt hier hersteld en opnieuw de steentrips aangebracht.

2. Linkerzijde van de voorgevel wordt nagelopen en hersteld.

3. Steenstrips worden uitgesorteerd

4. Koppen worden gezaagd NIET geknipt.

5. Hoeken worden er eerst opgezet de steenstrips worden d.m.v. draad in de juiste lagen geplakt.

6. De steenstrips die te weinig zijn worden door STO bijgeleverd.

7. STO levert ook nieuwe hoek strips die niet haaks zijn. (…)

[naam 1] mailt op 14 juli 2023 aan [naam 2] :

Hierbij nog even ter bevestiging t.a.v. [naam 4] ;

- Werkzaamheden op regie a €52,50 per uur

- Productie bewaken en controleren op gewenste resultaat (+/- 6 m2 per persoon)

- Zichtlijnen met draad plakken, daartussen met waterpas, rekening houdende met de juiste voegbreedte van de stoot- en lintvoegen

Zoals besproken zal ik de opdracht nazien en de posten aanpassen o.b.v. regie.

[naam 2] antwoordt daarop:

Ik mis het uitzoeken. Ik begrijp dat ze dat niet willen ivm tijd. Maar ze kunnen tijdens het plakken wel zien of een strip erg afwijkt of niet dan gooi je die er uit.

[partij B] heeft in totaal negen facturen gestuurd met betrekking tot voormelde werkzaamheden:

- 36 F230472 d.d. 27 juli 2023 ten bedrage van € 5.040,-

- 36 F230495 d.d. 4 september 2023 ten bedrage van € 4.200,-

- 36 F230496 d.d. 4 september 2023 ten bedrage van € 4.200,-

- 36 F230519 d.d. 12 september 2023 ten bedrage van € 3.360,-

- 36 F230528 d.d. 19 september 2023 ten bedrage van € 4.200,-

- 36 F230546 d.d. 26 september 2023 ten bedrage van € 2.940,-

- 36 F230558 d.d. 2 oktober 2023 ten bedrage van € 4.200,-

- 36 F230572 d.d. 10 oktober 2023 ten bedrage van € 2.940,-

- 36 F230587 d.d. 17 oktober 2023 ten bedrage van € 1.680,-.

Op 6 oktober 2023 is een bedrag van € 10.000,- voldaan.

Op 13 november 2023 mailt [bedrijf 2] namens [partij B] aan [partij A] :

Zoals besproken hebben wij van onze leverancier STO een foutieve kleur mortel ontvangen.

(…)

Om schade aan de steenstrips, de mortelweefsellaag en evt. de kozijnen te voorkomen kiezen wij ervoor om de voegmortel niet mechanisch te verwijderen.

Als oplossing willen wij het kleurverschil laten oplossen door de [bedrijf 1] .

De GevelGoeroe herstelt de voeg handmatig gebruikmakend van dezelfde cementpigmenten als de juiste lichte voeg nr.27.

(…)

Op 1 februari 2024 mailt [bedrijf 2] namens [partij B] aan [partij A] :

(...)

Wij zijn momenteel bezig aan de achterzijde van de woning om de voegen te verwijderen en opnieuw met de juiste kleur te voegen. Onze verwachting is dat deze werkzaamheden eind week 6 (8 febr.) gereed zullen zijn.

De voegen aan de voorzijde zullen eind week 7 worden bijgekleurd door de [bedrijf 1] .

Graag wil het volgende voorstellen. (…)

De openstaande bedragen van dit werk is in totaal € 30.919,70 euro. (Openstand tussen 100 en 150dgn). (...)

Te voldoen € 15 979,70 (voldoen voor aanvang herstel voegkleur door [bedrijf 1] echter uiterlijk 14 febr 2024)

(...)

Het antwoord van [partij A] luidt als volgt:

(...)

Ik ga pas over tot afwikkeling als het werk gereed en goedgekeurd is. Voor nu heb ik bijna de gehele opdrachtsom al betaald terwijl het werk verre van gereed is.

(...)

Ik hoop dat jullie de boel oplossen ipv te vragen naar betaling van de interne schijnfacturen opgesteld door [naam 5] . Dat ik geen exit wil met [partij B] moge duidelijk zijn, dat het me niet om geld gaat is ook duidelijk maar de kosten in verhouding met de geleverde prestatie is onbegrijpelijk.

Daarop antwoordt [partij B] de volgende dag:

(...)

De facturen zijn allemaal na schriftelijk akkoord van pas gefactureerd.

Deze bonnen vroegen wij aan na gedane werkzaamheden.

Bij niet akkoord was er geen enkele drempel om eventueel bediscussieerbare zaken aan ons door te geven.

(...)

[partij B] schort vervolgens haar werkzaamheden op.

De raadsman van [partij A] stelt [partij B] bij brief van 21 februari 2024 in gebreke en sommeert haar de tekortkomingen te herstellen bij gebreke waarvan zij het werk door derden laat afmaken en de kosten op [partij B] zal verhalen. Hierin is tevens vermeld:

(...)

Overige gebreken

De steenstrips op een deel van de voorgevel zijn afgekeurd. Dit stuk dient verwijderd te worden en weer opnieuw te worden opgebouwd volgens het systeem dat STO voorschrijft.

Na herstel leek u de verkeerde voegkleur te hebben aangebracht op de voorgevel. U heeft ook deze fout erkend.

U heeft zonder overleg de voegen van de achtergevel voor de helft mechanisch verwijderd. (...)

In haar brief van 18 juni 2024 schrijft [partij A] aan [partij B] :

(...)

Als het werk echter niet binnen vijf dagen na heden is hervat en niet binnen acht dagen na aanvang gereed is, zal cliënte de stand van het werk door een onafhankelijke deskundige laten vastleggen en het werk vervolgens door een derde laten herstellen en verder laten uitvoeren. De door [partij A] te maken kosten en haar schade zullen op [partij B] worden verhaald. (...)

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

[partij A] vordert samengevat, na wijziging van eis, een verklaring voor recht dat [partij B] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en een veroordeling van [partij B] tot betaling van de herstelkosten van € 16.263,90, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.

[partij A] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [partij B] heeft gebrekkig werk geleverd door de steenstrips slordig aan te brengen. Partijen hebben vervolgens afspraken gemaakt over het uit te voeren herstel. Voor deze werkzaamheden, uit te voeren op regiebasis, is een richtprijs van € 11.200,- afgesproken, zodat [partij A] ten hoogste

€ 12.320,- (€ 11.200,- + 10%) verschuldigd is. [partij B] heeft echter veel meer in rekening gebracht. Daarbij komt dat [partij A] extra kosten ten bedrage van € 9.940,- heeft moeten maken, onder meer omdat zij de steigers langer heeft moeten huren voor het herstel. Na verrekening zou zij nog slechts een bedrag van (€ 12.320 -/- € 9.940 =) € 2.380,- aan [partij B] verschuldigd zijn voor de herstelwerkzaamheden, aldus [partij A] .

Verder bleek [partij B] in november 2023 voegmortel met de verkeerde kleur te hebben aangebracht. [partij B] weigerde uiteindelijk verder te gaan met herstel met een onterecht beroep op opschorting. Nu [partij B] ondanks sommaties heeft geweigerd het gebrek te herstellen, heeft [partij A] haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De kosten van de door haar ingeschakelde derden bedragen € 16.377,90. Daarbij komen de kosten van steigerhuur en begeleiding van € 2.306,-. Per saldo heeft zij dus een vordering op [partij B] , aldus [partij A] .

[partij B] voert verweer. Volgens haar is het niet [partij A] die nog een vordering op haar heeft, maar heeft zij een vordering op [partij A] . In reconventie vordert zij dan ook dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 24.615,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en een bedrag van € 1.021,15 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Volgens [partij A] is de kantonrechter niet bevoegd de reconventionele vordering te behandelen. Mocht anders worden geoordeeld, dan dient deze vordering te worden afgewezen, aldus [partij A] .

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in reconventie

Bevoegdheid kantonrechter

[partij A] stelt dat de door [partij B] ingestelde vordering in reconventie de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,- overschrijdt. De kantonrechter dient zich volgens haar daarom onbevoegd te verklaren en de reconventionele vordering dient doorverwezen te worden naar een andere kamer van de rechtbank.

Hierin wordt zij niet gevolgd. Op grond van artikel 97 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een zaak in reconventie in afwijking van de artikel 93 tot en met 96 Rv behandeld en beslist door de rechter die de zaak in conventie behandelt als de samenhang tussen partijen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Tijdens de mondelinge behandeling waren partijen erover eens dat de vorderingen met elkaar samenhangen en daarom is de kantonrechter bevoegd om ook over de reconventionele vordering te beslissen.

in conventie en in reconventie

Tussen partijen was sprake van een overeenkomst van (onder)aanneming van werk (artikel 7:750 BW) op grond waarvan [partij B] voor een bedrag van € 56.191,60 een bepaald gevelsysteem (met steenstrips) zou leveren en aanbrengen op de woning van de opdrachtgever van [partij A] . Het werk zou worden betaald in termijnen (aan de hand van de door [partij B] gemailde afrekenstaat). Na klachten van de opdrachtgever (zie onder 2.4) is besloten de reeds aangebrachte steenstrips (deels) te verwijderen en de nog aan te brengen strips zodanig te sorteren/uit te zoeken dat een zo strak mogelijk resultaat zou worden bereikt, waarbij (alleen) deze werkzaamheden op regiebasis zouden worden verricht. Partijen zijn het er ook over eens dat [partij B] de verkeerde voegkleur heeft gebruikt.

Gebrek?

Volgens [partij A] is, na de klachten van haar opdrachtgever, op 20 juni 2023 gezamenlijk (door haar, [partij B] , een vertegenwoordiger van de opdrachtgever en STO) geconstateerd dat het werk gebreken vertoonde. Zij, [partij A] , mocht er namelijk, net als haar opdrachtgever, op vertrouwen dat het beeld van de gevel overeen zou komen met het (door STO) aan de opdrachtgever getoonde monsterbord, maar dit bleek niet het geval. [partij B] heeft ten onrechte nagelaten te waarschuwen dat het monsterbord niet representatief is en dat dit type steenstrip een grote maattolerantie heeft, aldus [partij A] (zie punt 25 van haar dagvaarding).

Volgens [partij B] is er geen sprake van een gebrek. De steenstrips waren niet slordig aangebracht en vielen ruim binnen de toegestane toleranties. Voor zover het gevelbeeld afweek van een aan de opdrachtgever van [partij A] getoond monsterbord levert dat geen gebrek harerzijds op. De door haar uitgevoerde werkzaamheden waren dan ook geen herstelwerkzaamheden.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het door [partij A] gestelde gebrek niet komen vast te staan. [partij A] stelt zich (kennelijk) op het standpunt dat zij jegens haar opdrachtgever gehouden was een met het monsterbord van STO overeenkomend gevelbeeld te leveren. Veronderstellenderwijs aannemend dat zij zich terecht op dit standpunt stelt, dan is daarmee niet zonder meer gegeven dat [partij B] zich jegens [partij A] verbonden had een met voormeld monsterbord overeenkomend gevelbeeld te leveren, dan wel dat [partij B] [partij A] had moeten waarschuwen dat het monsterbord niet representatief was en de steenstrips een grote maattolerantie hebben. Uit de door [partij A] overgelegde correspondentie met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst met [partij B] kan worden opgemaakt dat de opdrachtgever van [partij A] de (tot twee keer toe gewijzigde) keuze voor het type steenstrip heeft afgestemd met [partij A] , die deze keuze heeft doorgegeven aan [partij B] . Meer of nader overleg tussen [partij A] en [partij B] met betrekking tot deze keuze van de opdrachtgever is in deze procedure gesteld noch gebleken. Waarom [partij B] [partij A] (desalniettemin) had moeten waarschuwen dat de wensen van haar opdrachtgever (een strak gevelbeeld) niet of minder strookten met het uitgekozen type steenstrip valt niet in te zien. Het enkele feit dat [partij B] de (door haar van STO betrokken) steenstrips heeft geleverd, is daarvoor onvoldoende.

Richtprijs?

Volgens [partij A] zijn partijen een richtprijs overeengekomen. [partij B] heeft immers niet alleen een uurprijs, maar ook de te realiseren productie (6 m2 per persoon) benoemd, waarmee een richtprijs van € 11.200,- is afgegeven, aldus [partij A] . [partij B] heeft dit betwist.

Of een richtprijs – waarvan ook sprake kan zijn bij een overeenkomst op basis van regie – is bepaald, hangt af van wat partijen over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. Daarbij zijn zowel door de aannemer als door de opdrachtgever gedane uitlatingen en gedragingen van belang. Het doen van een mededeling over de prijs, bijvoorbeeld in een offerte of een begroting, betekent niet zonder meer dat sprake is van een richtprijs.

De kantonrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een richtprijs is bepaald, althans dat [partij A] daar redelijkerwijs vanuit mocht gaan. [partij A] , op wie in dit verband stelplicht (en bewijslast) rusten, heeft weliswaar gesteld dat als uitgangspunt is besproken dat per mandag 6 vierkante meters zouden kunnen worden “afgehandeld” (dus: uitzoeken/sorteren, zagen/knippen én plakken), maar deze stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat in de hiervoor onder 2.8 vermelde mail achter de zin “productie bewaken en controleren op gewenste resultaat” is vermeld “(+/- 6 m2 per persoon)” is daarvoor onvoldoende. [partij A] ’s verwijzing naar haar productie 10 – volgens haar een bouwverslag van week 28 van 2023 – baat haar niet. Dit is geen verslag van een bouwoverleg, maar een, getuige de vermelding van een factuur van week 41, geruime tijd ná week 28 van 2023 opgemaakt stuk, met daarin (kennelijk) de herinnering van een niet nader genoemd persoon aan een gesprek met niet nader genoemde personen in week 28.

Daarbij komt dat, naar op zichzelf niet in geschil is, de nader overeengekomen werkwijze meer tijd in beslag zou nemen én voor de reeds uitgevoerde, ongedaan te maken werkzaamheden niet betaald zou worden. Dat (desalniettemin) aansluiting zou zijn gezocht bij het in de afrekenstaat opgenomen bedrag voor het plakken van steenstrips (€ 12.000,-), waarbij de richtprijs zelfs lager zou uitvallen dan dat bedrag, valt niet in te zien.

Opschorting

[partij B] heeft voor haar werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van steenstrips de hiervoor onder 2.9 vermelde facturen gestuurd. Van het in totaal in rekening gebrachte bedrag van € 32.760,- is op 6 oktober 2023 € 10.000,- betaald. Volgens [partij B] had zij op het moment dat zij haar herstelwerkzaamheden (aan de voegen) opschortte een opeisbare vordering tot betaling van een bedrag van € 22.760,- voor de werkzaamheden met betrekking tot de steenstrips.

[partij A] heeft de opeisbaarheid van voormelde vordering niet betwist, maar zij heeft gewezen op haar opeisbare tegenvordering tot herstel vanwege het gebrek in het uitgevoerde voegwerk. Volgens haar mocht zij haar betalingsverplichting daarom opschorten. Dit betoog faalt. Vaststaat immers dat [partij A] al vóórdat het gebrek in het voegwerk was geconstateerd (in november 2023) ten onrechte een groot deel van de haar in rekening gebrachte bedragen voor het aanbrengen van de steenstrips onbetaald had gelaten. [partij A] was dan ook niet bevoegd om naar aanleiding van het (terechte) beroep door [partij B] op opschorting van haar herstelverplichting haar betalingsverplichting op te schorten.

Geen verzuim [partij B]

Het voorgaande betekent dat [partij B] niet in verzuim is komen te verkeren. [partij A] was dan ook niet bevoegd de vordering tot nakoming om te zetten in een vordering uit hoofde van vervangende schadevergoeding. Dit betekent ook dat, daargelaten wat er verder zij van de door [partij A] gevorderde aanvullende schadevergoeding van € 9.940,- (in verband met “extra kosten”) en € 2.306,- (in verband met “begeleiding”), zij daarop geen aanspraak kan maken.

Overeenkomst is tussentijds beëindigd

In het licht van het feit dat [partij A] na haar (onbevoegde) omzettingsverklaring het werk door derden heeft laten afmaken, ziet de kantonrechter aanleiding een en ander aan te merken als een opzegging door [partij A] . Dit stond haar (naar overigens niet in geschil is), vrij, gelet op het bepaalde in artikel 7:764 lid 1 BW.

Op grond van artikel 7:764 lid 2 BW is de afrekeningsmethodiek voor de vaste aanneemsom: de aanneemsom verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Op de opdrachtgever rusten de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van de besparingen, maar op de aannemer rust een belangrijke mededelingsplicht. Bij opzegging van een regieovereenkomst omvat de door de opdrachtgever verschuldigde vergoeding de door de aannemer gemaakte kosten, verrichte arbeid en winst over het gehele werk.

Nu partijen zich nog niet hebben uitgelaten over de afrekening, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte te doen; allereerst [partij A] , vervolgens [partij B] , waarbij laatstgenoemde zich ook mag uitlaten over de door [partij A] als productie 31 overgelegde reactie van de door haar ingeschakelde deskundige Afbouw Gevelsupport B.V.

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie:

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026, waar [partij A] zich bij akte kan uitlaten als hiervoor onder 4.15 is opgenomen,

houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op

14 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?