RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/345517 / ES RK 26-993
beschikking van 7 april 2026
inzake
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker,
advocaat: mr. J.W. Haafkes,
en
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
belanghebbende.
1. Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 2 maart 2026;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 19 maart 2026;
- een op 21 maart 2026 binnengekomen brief van mr. Haafkes met bijlagen;
- een op 23 maart 2026 binnengekomen reactie van mr. Kuipers-Ten Voorde.
De mondelinge behandeling heeft op 23 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten;
- [naam], namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
2. De feiten
Partijen zijn op 24 juni 2021 te Hengelo (O) met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2022,
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2024.
3. Het verzoek
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, als voorlopige voorziening:
I. [minderjarige 1] toe te vertrouwen aan de man;
II. als voorlopige verdeling van de zorg, een regeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] en
[minderjarige 2] iedere week van maandag tot en met woensdagmiddag 12.30 uur bij de man
verblijven en vanaf woensdagmiddag 12.30 uur tot vrijdagmiddag 12.00 uur bij de
vrouw verblijven en waarbij de weekenden om en om worden gedeeld tussen partijen;
III. als verdeling van de zomervakantie en feestdagen een regeling vast te stellen waarbij
de kinderen:
- in een 2-2-1-1 regeling bij hun ouders verblijven tijdens de zomervakantie;
- de Eerste Kerstdag en Eerste Paasdag bij de man verblijven en de Tweede
Kerstdag en Tweede Paasdag bij de vrouw verblijven; en
- de overige vakanties en feestdagen volgens de normale regeling verdeeld worden.
4. Het verweer
De vrouw zicht wendt tot uw rechtbank, met het verzoek bij beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding, te bepalen dat:
I. De kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw;
II. Het verzoek van de man terzake de zorg- en contactregeling af te wijzen en te bepalen dat onder regie van de hulpverlening bezien zal worden of contact mogelijk is;
III. De Raad voor de Kinderbescherming te gelasten een onderzoek te verrichten naar de
wenselijke zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen;
IV. De man gehouden zal zijn een bijdrage in de kosten van de kinderen aan de vrouw te
voldoen van € 466 per kind per maand met ingang van datum van dit verzoekschrift althans
een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als uw rechtbank juist acht;
V. De man gehouden zal zijn een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen
van € 772 bruto per maand althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum
als uw rechtbank juist acht.
5. De beoordeling
Toevertrouwing en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Het standpunt van de man
De man is van mening dat [minderjarige 1] aan hem dient te worden toevertrouwd en dat de eerder tussen de ouders overeengekomen zorgregeling moet worden hervat. De ouders hebben vanaf december 2024 tot en met februari 2026 een co-ouderschap uitgevoerd; deze regeling is door de vrouw eenzijdig en zonder gegronde redenen stopgezet. Volgens de man heeft de vrouw haar zorgen en stellingen op geen enkele manier onderbouwd. Er is dus geen enkele redenen om de goed lopende co-ouderschapsregeling, met een gelijke verdeling van zorg, te beëindigen.
Het standpunt van de vrouw
De vrouw heeft naar voren gebracht dat de man haar in november 2024 heeft mishandeld. Er is volgens haar sprake geweest van agressie, fysiek en verbaal geweld door de man zowel jegens de kinderen als jegens de vrouw. De kinderen hebben aan de vrouw verteld dat de man hen heeft geslagen. De vrouw heeft haar zorgen stelselmatig bij de man geuit. Veilig Thuis en de politie zijn door de vrouw benaderd. Veilig Thuis heeft te kennen gegeven een onderzoek in te stellen en ook de gemeente hierbij te betrekken. De vrouw heeft gezien de door haar geschetste situatie de rechtbank verzocht om te bepalen dat de kinderen voorlopig worden toevertrouwd aan haar. Ook heeft zij verzocht dat er voorlopig geen zorg- en contactregeling wordt vastgesteld, maar dat dit zal geschieden onder regie van de ingeschakelde hulpverlening (wijkteam [plaats]) mede met inachtneming van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming in deze. Mocht er op korte termijn contact kunnen plaatsvinden, dan acht de vrouw het van belang dat dit contact onder begeleiding van een hulpverlener plaatsvindt.
Het (mondelinge) advies van de raad
De raad kan zich vinden in het verzoek van de man om [minderjarige 1] aan hem toe te vertrouwen en [minderjarige 2] aan de vrouw. Kennelijk hebben de ouders hier in het verleden afspraken over gemaakt. De raad ziet geen reden om nu hiervan af te wijken. Het is uiteraard niet de bedoeling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daadwerkelijk wonen bij de ouder bij wie ze staan ingeschreven. Het is in het belang van de jongens dat zij samen kunnen opgroeien.
De raad stelt vast dat de ouders zichzelf lijken te verliezen in details. Het is van belang dat zij een streep trekken onder het verleden en zich op de toekomst gaan richten. De raad heeft de ouders geadviseerd om zich via de wijkcoach te melden voor een traject bij Curess. De raad acht het van belang dat de oorspronkelijke zorgregeling wordt hervat. Het is goed voorstelbaar dat Curess een aantal keren meekijkt bij de opstart van de contacten. Mogelijk kunnen zij de man wat tips geven. Het traject bij Curess moet ervoor gaan zorgen dat de ouders leren om op een normale manier met elkaar te communiceren. De raad ziet geen aanleiding om een raadsonderzoek aan te bieden.
De overweging van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de lezing van partijen over verschillende incidenten die zich hebben voorgedaan uiteenloopt. Op de uitgebreide visies van partijen over hetgeen is voorgevallen en de verschillende belevingen van partijen zal de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure niet ingaan. De rechtbank heeft zorgen over het welzijn van de kinderen. Zij zijn al geruime tijd betrokken bij de strijd tussen hun ouders en maken hier zelfs onderdeel van uit. De rechtbank acht het van groot belang dat ouders elkaar rust en ruimte gunnen van waaruit zij ieder weer verder kunnen gaan met hun leven. De rechtbank begrijpt dat de juridische strijd de ouders ook enorm verdeeld houdt. De rechtbank zal in deze procedure aan de ouders (voorlopig) duidelijkheid geven. Hierdoor zullen de ouders en daarmee ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2], hopelijk in een rustiger vaarwater komen.
De rechtbank ziet op grond van hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht geen aanleiding om de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de toevertrouwing en de zorg- en contactregeling toe te wijzen. Ook het instellen van een raadsonderzoek acht de rechtbank op dit moment niet nodig. Er zijn zeker zorgen over de manier waarop de man zich in de afgelopen maanden richting de vrouw en de kinderen heeft gedragen. Anderzijds is gebleken dat de meldingen van de vrouw bij de huisarts, de politie en VTT tot nu toe niet hebben geleid tot acuut handelen van de betrokken instanties. De rechtbank acht het voor de kinderen van belang dat de situatie voor hen zo snel mogelijk weer normaliseert. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben recht op een rustige en stabiele opvoedingssituatie waarbinnen zij met hun beide ouders een fijn contact kunnen hebben. De rechtbank zal daarom als volgt beslissen.
De rechtbank zal [minderjarige 1] toevertrouwen aan de man en [minderjarige 2] toevertrouwen aan de vrouw. Zij acht hierbij relevant dat de ouders in december 2024 een regeling hebben afgesproken waarbij zij de zorg voor de kinderen evenredig hebben verdeeld. Aan deze regeling is geruime tijd uitvoering gegeven. Ook stelt de rechtbank vast dat [minderjarige 1] sinds zijn geboorte staat ingeschreven op het adres van de man en dat [minderjarige 2] sinds 2025 staat ingeschreven op het adres van de vrouw. De rechtbank acht het gezien deze aanvankelijk tussen partijen overeengekomen uitgangspunten passend dat [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de man en dat [minderjarige 2] wordt toevertrouwd aan de vrouw. De rechtbank sluit hierbij aan bij het door de raad gegeven advies tijdens de mondelinge behandeling.
De rechtbank zal de door de man verzochte zorg- en contactregeling als voorlopige regeling vaststellen. Het is in het belang van de kinderen dat het contact met hun vader weer wordt hervat. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders zich bereid verklaard om zich via de wijkcoach aan te melden voor een (ouderschaps)traject bij Curess. De rechtbank acht het positief dat de ouders hiervoor openstaan. Het zal hen hopelijk helpen om op een rustige manier met elkaar te overleggen. De rechtbank begrijpt dat het voor de moeder en de kinderen spannend kan zijn dat het contact op zo korte termijn weer wordt opgestart. Zij zal daarom bepalen dat de hervatting van de omgang wordt begeleid door Curess. De ouders zullen zich hierbij moeten houden aan de aanwijzingen die door Curess worden gegeven. De rechtbank verwacht dat de vastgestelde voorlopige regeling vervolgens kan worden uitgevoerd. Eventuele knelpunten bij de uitvoering hiervan kunnen de ouders bij Curess in het kader van het ouderschapstraject bespreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de raad te verzoeken een onderzoek in te stellen, zoals door de vrouw is verzocht.
De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen
De behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Partijen verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van de kinderen. De rechtbank zal daarom de behoefte van de kinderen vaststellen.
De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige kinderen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.
Partijen zijn het niet eens over het moment waarop zij hun samenleving hebben verbroken. De man gaat uit van december 2023 terwijl de vrouw heeft benadrukt dat partijen van april 2024 tot eind december 2024 nog hebben samengewoond. De rechtbank zal voor de berekening van de behoefte van de kinderen uitgaan van de inkomensgegevens van partijen uit 2023 nu duidelijk is geworden dat vanaf december 2023 van een structurele samenleving van partijen geen sprake meer is geweest.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 2] is geboren (kort) na verbreking van de (duurzame) samenleving van partijen. Daarna hebben partijen nog een aantal maanden als gezin samengeleefd. De rechtbank ziet daarom – net als de partijen – geen aanleiding om de behoefte van [minderjarige 2] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding op een andere wijze te berekenen dan de behoefte van [minderjarige 1].
De rechtbank stelt vast dat de man in 2023 verschillende bronnen van inkomen heeft gehad. Hij was in loondienst werkzaam bij [bedrijf 1] N.V. Volgens de jaaropgaaf 2023 bedroeg zijn jaarinkomen € 46.066. Daarnaast ontving hij een ZW-uitkering van bruto € 7.020,- per jaar. Tot slot heeft de man in 2023 aan zijn eenmanszaak [bedrijf 2]
€ 5.113,- onttrokken. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedraagt op grond hiervan € 3.693,- per maand.
De vrouw heeft geen inkomensgegevens over 2023 overgelegd. De rechtbank rekent daarom met de door de man geschatte inkomensgegevens, die tijdens de mondelinge behandeling niet zijn betwist. De rechtbank rekent met een jaarinkomen van € 38.880,- bruto. Daarnaast rekent de rechtbank met door de vrouw te ontvangen inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw bedraagt op grond hiervan € 2.856,- per maand.
Het gezinsinkomen van partijen bedraagt aldus € 6.549,- netto per maand.
Volgens de tabel “Eigen aandeel kosten van kinderen” is bij een besteedbaar inkomen van € 6.000,- per maand of meer de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.460,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 730,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 864,- per kind per maand.
De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.
De draagkracht van de man
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen uit van de navolgende gegevens.
De rechtbank gaat uit van de huidige situatie. Op dit moment is de man in loondienst bij ICT Recht. Zijn inkomen bedraagt blijkens de overgelegde arbeidsovereenkomst
€ 6.350,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De man ontvangt bovendien een vaste maandelijkse inkomenstoelage van € 750,-. De rechtbank acht het redelijk om in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure rekening te houden met zijn privé-onttrekkingen uit 2025 van € 47.406,- omdat de man in 2025, net als op dit moment, zijn werk in loondienst bij ICTRecht combineert met zijn eigen onderneming.
De man heeft recht op de alleenstaande ouderkop, kindgebonden budget (AOK en KGB) en inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Het NBI van de man bedraagt op grond hiervan € 9.220,- en zijn draagkracht is € 3.562,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de salarisspecificatie van februari 2026 waarin een brutoloon van € 4.751,- per maand staat vermeld. De vrouw heeft recht op de alleenstaande ouderkop, kindgebonden budget (AOK en KGB) en inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw bedraagt op grond hiervan € 4.244,- en haar draagkracht is € 1.124,- per maand.
De draagkrachtvergelijking
Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 4.686,- (€ 3.562,- +
€ 1.124) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 1.728,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:
[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte
Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag van € 1.314,- per maand (€ 3.562,- : € 4.686,- x € 1.728,-). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 414,- per maand (€ 1.124,- : € 4.686,- x €1.728,-).
De zorgkorting
Zoals hiervoor is overwogen is het de bedoeling dat er op korte termijn weer uitvoering wordt gegeven aan een zorgregeling waarbij de ouders de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] evenredig verdelen. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting voor de zorg voor [minderjarige 2] en de vrouw heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting voor de zorg van [minderjarige 1]. De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van de vastgestelde voorlopige regeling geldt een zorgkortingspercentage van 35. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen € 1.728,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 604,- per maand.
De zorgkorting voor [minderjarige 2]
Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige 2] van € 355,- per maand (€ 657,- minus de zorgkorting van € 302,-).
De zorgkorting voor [minderjarige 1]
De door de vrouw aan de man te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige 1] bedraagt -/- € 95,- per kind per maand (€ 207,- minus de zorgkorting van € 302,-). Dit betekent dat de vrouw voor [minderjarige 1] geen bijdrage aan kinderalimentatie aan de man hoeft te voldoen.
De rechtbank vindt het verder redelijk dat de man € 95,- aan de vrouw bijdraagt voor [minderjarige 1] om het tekort aan de zijde van de vrouw te dekken.
De rechtbank heeft berekend dat de man draagkracht heeft om deze bijdrage aan de vrouw te voldoen: € 657,- minus € 562,- (65% zorgkorting over € 864,- ) = € 95,-.
Ingangsdatum
De rechtbank zal bepalen dat de man de voorlopige bijdragen met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw dient te voldoen.
De partneralimentatie
Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.
De rechtbank moet eerst het bedrag vaststellen dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Zolang partijen getrouwd zijn, zijn ze verplicht om elkaar ‘het nodige’ te verschaffen.
De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan op basis van de zogeheten ‘Hof-norm’ worden gesteld op € 3.053,- netto per maand (€ 6.549 minus kosten kinderen
€ 1.460 x 60%). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt haar behoefte € 3.612,- per maand. Het NBI van de vrouw bedraagt € 3.938,- per maand. Van dit inkomen dient haar bijdrage in de kosten van de kinderen van € 414,- te worden afgetrokken en dient de bijdrage die zij ontvangt aan KGB van € 306,-. te worden opgeteld. Dan resteert een beschikbaar netto inkomen van € 3.830,- per maand. Dat betekent dat geen aanvullende behoefte resteert.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afwijzen, omdat de vrouw volledig kan voorzien in haar eigen (aanvullende) behoefte.
Aanhechten behoefte- en draagkrachtberekeningen
De rechtbank heeft een berekening van de behoefte van de kinderen, van de vrouw en de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
6. De beslissing voor de duur van het geding
De rechtbank:
vertrouwt de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2022,
toe aan de man.
vertrouwt de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2024;
toe aan de vrouw
stelt een zorgregeling vast tussen de man en de kinderen, die inhoudt dat:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen iedere week van maandag tot en met woensdagmiddag 12.30 uur bij de man verblijven en vanaf woensdagmiddag 12.30 uur tot vrijdagmiddag 12.00 uur bij de vrouw, waarbij de weekenden om en om worden gedeeld tussen partijen.
De hervatting van de omgang zal plaatsvinden onder begeleiding van Curess, waarbij partijen zich zullen houden aan de aanwijzingen van Curess.
Tijdens de zomervakantie zullen de kinderen in een 2-2-1-1 regeling bij hun ouders verblijven. Op Eerste Kerstdag zullen de kinderen bij de man verblijven en op Tweede Kerstdag zullen de kinderen bij de vrouw verblijven. De overige vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
beslist dat de man vanaf heden voorlopig een bedrag van € 355,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2];
beslist dat de man vanaf heden voorlopig een bedrag van € 95,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1];
beslist dat de man vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. T. Hermans en in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann, griffier.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]