ECLI:NL:RBOVE:2026:2071

ECLI:NL:RBOVE:2026:2071

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 12087458 \ CV EXPL 26-233
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Enschede

Samenvatting

Eiser vordert conform de vaststellingsovereenkomst betaling van loon vanaf 14 januari 2026 tot 1 juli 2026, en betaling van de winstuitkering over 2025, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert eiser afgifte van correcte loonstroken op straffe van een dwangsom. Eiser stelt dat Newes gehouden is om de afspraken in de vaststellingsovereenkomst na te komen. De kantonrechter wijst toe de vorderingen van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 12087458 \ CV EXPL 26-233

Vonnis in kort geding van 10 april 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G.H.B. Abbink,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEWES B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo (O),

gedaagde partij,

hierna te noemen: Newes,

gemachtigde: mr. M. Vriezekolk.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de mondelinge behandeling van 13 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van mr. Abbink,- de pleitnota van mr. Vriezekolk.

2. De feiten

[eiser] was sinds 1 december 2002 in dienst bij Newes. De functie van [eiser] was [functie] met een loon van € 5.907,00 bruto per maand.

Op 15 december 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij is afgesproken dat het dienstverband met wederzijds goedvinden op 1 juli 2026 zou eindigen. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen onder meer de volgende afspraken gemaakt:

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

In het kader van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst heeft Newes een bedrag van in totaal € 19.630,00 netto (€ 16.000,00 aan beëindigingsvergoeding en

€ 3.630,00 voor vergoeding van de juridische kosten) betaald aan [eiser].

Nadat [eiser] op 15 december 2025 was gestopt met zijn werkzaamheden, is de toegang tot zijn zakelijke e-mail overgegaan op een collega. Deze collega heeft in de e-mailbox van [eiser] een e-mail van de partner van [eiser], gericht aan [eiser], gevonden met de volgende tekst:

´Helemaal goed jij kleine vervalser van me!’

Als bijlage bij de e-mail waarop de partner van [eiser] met deze woorden heeft gereageerd, heeft de collega een brief aangetroffen op briefpapier van Newes. Deze brief was ondertekend door mevrouw [naam] en bevatte een verlofoverzicht van door [eiser] opgenomen verlof met een totaal van 82,50 verlofuren, tegen een uurloon van

€ 30,50, totaal € 2.503,88.

Newes was niet bekend met deze brief. Bovendien was [naam] op het moment van het ondertekenen van de brief arbeidsongeschikt en dus niet werkzaam. Op basis daarvan is bij Newes het vermoeden ontstaan dat [eiser] deze brief zelf heeft opgesteld zonder medeweten van Newes.

Newes heeft [eiser] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 12 januari 2026. Dat gesprek is op verzoek van [eiser] verplaatst naar 14 januari 2026. Tijdens dat gesprek heeft de gemachtigde van [eiser] een toelichting gegeven.

Op 14 januari 2026 is [eiser] door Newes op staande voet ontslagen.

[eiser] is het niet eens met het ontslag op staande voet en heeft daartegen bezwaar gemaakt.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - conform de vaststellingsovereenkomst betaling van loon vanaf 14 januari 2026 tot 1 juli 2026, en betaling van de winstuitkering over 2025, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] afgifte van correcte loonstroken op straffe van een dwangsom. [eiser] stelt dat Newes gehouden is om de afspraken in de vaststellingsovereenkomst na te komen.

Newes concludeert tot afwijzing van de vorderingen, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en [eiser] om die reden geen recht meer heeft op betaling van loon na 14 januari 2026. De winstuitkering over 2025 heeft Newes verrekend met de door haar - in een separate verzoekschriftprocedure - verzochte gefixeerde schadevergoeding. Tot slot stelt Newes dat zij reeds de correcte specificaties van alle bedragen heeft verstrekt.

4. De beoordeling

Bevoegdheid rechter en toepasselijk recht

Het betreft hier een rechtszaak met een internationaal karakter, omdat [eiser] in Duitsland woont. De kantonrechter is daarom verplicht om te onderzoeken of hij bevoegd is, en zo ja, welk recht van toepassing is.

Niet is gebleken dat partijen een bevoegde rechter hebben aangewezen ex artikel 25 Brussel I bis-Verordening (nr. 1215/2012). Op grond van artikel 21 lid 1 Brussel I kan Newes worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar zij gevestigd is. Newes is gevestigd in Hengelo. Dat betekent dat de kantonrechter in Enschede bevoegd is deze zaak te behandelen.

Vervolgens is het de vraag welk materieel recht van toepassing is. Het uitgangspunt is dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen (artikel 3 lid 1 Rome-I Verordening). Niet is gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt. Artikel 8 lid 2 Rome-I bepaalt dat in dat geval de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, dat is in dit geval Nederland. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst door Nederlands recht wordt beheerst.

Kort geding

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De kantonrechter oordeelt dat uit de aard van de vordering blijkt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft.

In dit kort geding stelt [eiser] dat Newes gehouden is om het loon op grond van de vaststellingsovereenkomst door te betalen tot 1 juli 2026. Newes stelt daarentegen dat de vaststellingsovereenkomst met recht door haar is vernietigd, en zo niet, dat het

naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een beroep doet op artikel 28 van de vaststellingsovereenkomst (waarin staat dat partijen afstand doen van hun recht om de ontbinding en/of de vernietiging van de overeenkomst in te roepen) en dat [eiser] na het ontslag op staande voet van 14 januari 2026, geen aanspraak meer kan maken op betaling van loon.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelijktijdig met dit kort geding doet de kantonrechter uitspraak in een verzoekschriftprocedure tussen partijen. De kantonrechter oordeelt in die verzoekschriftprocedure onder meer dat:

het ontslag op staande voet terecht is gegeven, zodat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 14 januari 2026;

dat de vaststellingsovereenkomst die partijen voorafgaand aan het ontslag op staande voet hebben gesloten, in stand blijft;

dat [eiser] aan Newes de gefixeerde vergoeding van € 10.640,25 moet betalen.

Het hiervoor bedoelde oordeel van de kantonrechter dat de vaststellingsovereenkomst in stand blijft, betreft dus ook de afspraak dat [eiser] recht heeft op doorbetaling van het loon tot 1 juli 2026 (de overeengekomen einddatum).

De kantonrechter is echter van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW, dat [eiser] ook na 14 januari 2026 nog aanspraak maakt op zijn maandelijkse loon (en vakantietoeslag). De kantonrechter oordeelt in de verzoekschriftprocedure immers dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen daarom al is geëindigd op 14 januari 2026. Nu het aan [eiser] zelf te wijten is dat de arbeidsovereenkomst eerder is geëindigd dan op 1 juli 2016 en het recht op loon in de vaststellingsovereenkomst – anders dan bijvoorbeeld de beëindigingsvergoeding – gekoppeld is aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst, is het onaanvaardbaar dat Newes ondanks het einde van de arbeidsovereenkomst toch loon moet doorbetalen aan [eiser]. De gemaakte afspraak op dit punt is dan ook niet langer van toepassing en [eiser] kan hierop dan ook geen beroep doen. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter dan ook aannemelijk dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure de loonvordering van [eiser] zal afwijzen.

Conclusie: geen recht op loon na 14 januari 2026, wel recht op winstuitkering 2025

Nu [eiser] na 14 januari 2026 geen aanspraak meer maakt op betaling van zijn loon, wordt dat gedeelte van de vordering afgewezen. De vordering tot betaling van de winstuitkering over 2025 is daarentegen wel toewijsbaar. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat Newes verplicht is deze te betalen en het oordeel van de kantonrechter hierboven ziet slechts op de doorbetaling van het loon (na einde van de arbeidsovereenkomst).

Deze vergoeding ziet bovendien op het jaar 2025 en toen bestond de arbeidsovereenkomst nog. Newes heeft overigens ook erkend dat de winstuitkering over 2025 aan [eiser] betaald moet worden, maar stelt deze te hebben verrekend met de haar toekomende gefixeerde schadevergoeding. In de hiervoor genoemde verzoekschriftprocedure is weliswaar geoordeeld dat Newes recht heeft op betaling van de gefixeerde schadevergoeding, maar uit artikel 29 van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen blijkt dat de bevoegdheid tot verrekening door hen is uitgesloten.

Newes moet de winstuitkering over 2025 aldus aan [eiser] betalen en de vordering op dit punt zal dan ook worden toegewezen.

Geen afgifte van loonstroken wat betreft december 2025 en januari 2026

De vordering tot afgifte van de loonstroken over december 2025 en januari 2026 wordt afgewezen, want [eiser] heeft die loonstroken reeds bij dagvaarding overgelegd en beschikt daar dus al over. Niet is komen vast te staan dat die loonstroken onjuist zijn. Uit de loonstroken blijkt immers dat [eiser] tot en met 14 januari 2026 zijn loon heeft ontvangen.

Wel afgifte specificatie beëindigingsvergoeding

Niet is gebleken dat Newes reeds een specificatie heeft verstrekt van (het reeds betaalde deel van) de beëindigingsvergoeding, terwijl in de verzoekschriftprocedure wel is geoordeeld dat Newes verplicht is om deze vergoeding te betalen. Dit gedeelte van de vordering is dan ook toewijsbaar. De kantonrechter oordeelt dat deze veroordeling niet op straffe van een dwangsom wordt uitgesproken, nu is gebleken dat Newes steeds correcte loonstroken heeft verschaft.

De proceskosten worden gecompenseerd

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt Newes tot betaling aan [eiser] van de winstuitkering over het boekjaar 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Newes om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan

[eiser] een specificatie van de betaalde beëindigingsvergoeding te verstrekken,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op

10 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?