ECLI:NL:RBOVE:2026:2074

ECLI:NL:RBOVE:2026:2074

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 08-127989-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Aanranding en verkrachting van een dertienjarig slachtoffer en het bezit van kinderporno. Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast een 38v-maatregel in de vorm van een contact- en locatiegebod ten aanzien van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-127989-25 (P)

Datum vonnis: 14 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.H. Staring, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [moeder van slachtoffer] , namens haar dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] als benadeelde partij door mr. E.W. Baan, advocaat in Enschede, is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 31 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juli 2024 tot en met

21 september 2024:

feit 1: de minderjarige [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar was, heeft verkracht met geweld, dwang en/of bedreiging;

feit 2: de minderjarige [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar was, heeft aangerand met geweld, dwang en/of bedreiging;

feit 3: kinderporno heeft vervaardigd, verworven, in zijn bezit gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 21 september 2024 te Markelo, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- zijn, verdachtes, vinger(s) tussen/in (de schaamlip(pen) van) de vagina van die

[slachtoffer] te brengen en/of vervolgens die [slachtoffer] te vingeren,

- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) te zoenen

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [slachtoffer] bij haar hoofd vast te pakken en/of

- ( meermalen) voorbij te gaan aan de verbalen en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] ;

2

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 21 september 2024 te Markelo, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- die [slachtoffer] (meermalen) te zoenen,

- zijn, verdachtes, vinger(s) bij en/of op (de schaamlip(pen) van) de vagina van die

[slachtoffer] te brengen en/of te leggen en/of

- de borsten van die [slachtoffer] te betasten

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [slachtoffer] bij haar hoofd vast te pakken en/of

- ( meermalen) voorbij te gaan aan de verbalen en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] ;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 21 september 2024 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbare seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten een telefoon (merk: Xiaomi), waarop te zien is dat:

die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger en/of hand, door die persoon

(afbeeldingsnummer 2, 4 en 5 uit de toonmap; pagina’s 123 en 124 van het procesdossier)

die persoon het eigen geslachtsdeel en/of de eigen borsten met een vinger en/of hand aanraakt

(afbeeldingsnummer 3 uit de toonmap; pagina 123 van het procesdossier)

en/of die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij

- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is

(afbeeldingsnummers 1 en 3 uit de toonmap; pagina 123 van het procesdossier).

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie zich samengevat op het volgende standpunt gesteld. De ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 kunnen wettig en overtuigend bewezen verklaard worden. De verklaring van [slachtoffer] (over de feiten 1 en 2) is betrouwbaar en vindt voldoende steun in het dossier. Subsidiair kan op zijn minst het seksueel binnendringen onder feit 1 worden bewezen, met vrijspraak van de ten laste gelegde dwang, geweld of bedreiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich samengevat op het volgende standpunt gesteld. Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verklaring van [slachtoffer] kan niet worden gebruikt voor het bewijs, nu deze verklaring onbetrouwbaar is en het dossier ook geen steunbewijs bevat voor de inhoud van haar verklaring.

Feit 3 kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, met uitzondering van het vervaardigen en het in Goor verwerven van die visuele weergaven. Daarnaast bevat het dossier slechts wettig en overtuigend bewijs voor het in bezit hebben van die visuele weergaven op 21 september 2024 en niet in de gehele ten laste gelegde periode.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

3.3.1.1 De feitelijke gang van zaken: het contact tussen verdachte en [slachtoffer]

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en [slachtoffer] sinds de zomervakantie van 2024 (chat)contact met elkaar hebben via de applicaties Snapchat en TikTok. In die chats sturen zij onder meer hartjes en complimenten over en weer, zeggen ze tegen elkaar dat ze van elkaar houden en bespreken ze hoe ze onopgemerkt met elkaar af kunnen spreken op

21 september 2024. Aan de hand van de inhoud van die chatberichten - zoals specifiek weergegeven in de bewijsbijlage - concludeert de rechtbank dat verdachte en [slachtoffer] een affectieve relatie met elkaar hadden, althans op zijn minst een wederzijdse interesse in elkaar op dat vlak.

Op 18 en 20 september 2024 spreken verdachte en [slachtoffer] met elkaar af in een bos, gelegen in het natuurgebied De Borkeld in Markelo. Op 21 september 2024 spreken zij weer met elkaar af, dit keer in de ouderlijke woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] . De ouders van [slachtoffer] zijn op dat moment op vakantie, maar zij zien via de beelden van de beveiligingscamera’s dat verdachte en [slachtoffer] samen de woning betreden. Op die dag, omstreeks 21:00 uur, treft de politie verdachte en [slachtoffer] aan in de woning van de ouders van [slachtoffer] . Nadat ze door de tante van [slachtoffer] zijn ontdekt, houdt verdachte zich schuil in één van de slaapkamers, waarvan hij de deur op slot heeft gedraaid. Terwijl hij daar verblijft zoekt hij op zijn telefoon ‘strafbaar als je afspreekt met een minderjarige’. Na herhaaldelijk aandringen van de ter plaatse gekomen oom van [slachtoffer] en de politieagenten, komt verdachte - nadat bijna een halfuur is verstreken - uiteindelijk de slaapkamer uit.

De verklaring van [slachtoffer]

Diezelfde avond op 21 september 2024 vertelt [slachtoffer] in de politieauto aan de ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant] onder meer dat zij vaker met verdachte heeft afgesproken, dat zij hebben gezoend en dat zij door hem is gevingerd.

In haar studioverhoor op 1 oktober 2024 verklaart [slachtoffer] dat verdachte haar heeft toegevoegd op Snapchat en dat ze op die manier in contact zijn gekomen. Zij verklaart dat ze op 18 en 20 september 2024 met verdachte heeft afgesproken. Dit was op een bankje in het bos in De Borkeld. Daar hebben zij meermalen gezoend (zonder tong). Tijdens hun afspraak op

20 september 2024 heeft verdachte ook onder haar kleren aan haar borsten gezeten. [slachtoffer] verklaart dat hij haar shirt omhoog deed en aan haar borsten ging zitten. Vervolgens ging verdachte met zijn hand verder naar onder toe en stopte hij een vinger in haar vagina, terwijl ze aan het zoenen waren.

De verklaring van verdachte

Verdachte ontkent dat hij ooit seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] . Hij verklaart dat ze contact hadden via Snapchat. Hij heeft met goede bedoelingen meermalen met [slachtoffer] afgesproken, omdat zij ergens mee zat en dat met hem wilde bespreken. Dit was een keer in het bos in De Borkeld en op 21 september 2024 bij haar thuis. Verdachte wilde [slachtoffer] helpen. Hij herkent zichzelf op de afbeeldingen van 18 en 20 september 2024 die zijn aangetroffen op de telefoon van [slachtoffer] (pagina’s 80-81 en 84 procesdossier). Verder verklaart verdachte in zijn politieverhoor dat hij van de periode, nadat hij Snapchat heeft gedownload (vlak voor juli 2024), niets meer weet en dat hij zich niet kan herinneren wat hij toen allemaal heeft gedaan.

3.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank

Ter discussie staat of verdachte seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] .

Het wettelijk kader: bewijsminimum en steunbewijs

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader.

Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer, in dit geval de verklaring van [slachtoffer] .

Om tot een bewezenverklaring te komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Voor bewijs van misbruik is het dus niet nodig dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar de verklaring van [slachtoffer] moet wel op (andere) onderdelen steun vinden in bewijsmiddelen die op zichzelf staan. Voordat de rechtbank aan die beoordeling toekomt, moet de rechtbank allereerst een andere vraag beantwoorden namelijk of de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en (als uitgangspunt) voor het bewijs kan worden gebruikt.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] niet betrouwbaar is, omdat zij door verbalisant [verbalisant] , en later ook door haar ouders, is gestuurd in de totstandkoming van haar verklaring(en). [slachtoffer] zou haar verklaring tijdens het studioverhoor onder druk van haar ouders hebben afgelegd. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring tijdens het studioverhoor op

1 oktober 2024 op essentiële punten gelijkluidend is aan hetgeen zij op 21 september 2024 in de politieauto aan verbalisant [verbalisant] heeft verteld. Haar verklaringen zijn consistent waar het gaat over de seksuele handelingen die zich hebben afgespeeld tussen haar en verdachte. In haar eerste (korte) verklaring verklaart [slachtoffer] over het zoenen en het vingeren. Dat de verbalisant - bij wie ze deze eerste verklaring aflegde - geen zedenrechercheur is en geen open vragen heeft gesteld, doet niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Nadat [slachtoffer] , een dertienjarig meisje, met een smoes van haar logeeradres naar de ouderlijke woning was vertrokken, is zij daar - geruime tijd later - door een gealarmeerde tante aangetroffen, terwijl de negentienjarige verdachte zich elders in de woning had verstopt en ingesloten. Dat was ook de situatie die de politie aantrof. Gelet op de omstandigheden van die avond heeft de politie logischerwijs ad hoc moeten handelen, waarbij de begrijpelijke keuze is gemaakt aangeefster ter plaatse te doen horen door een (vrouwelijke) verbalisant die die avond met noodhulp was belast. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] in het studioverhoor in grote lijnen herhaalt wat zij in haar eerste verklaring heeft verklaard. [slachtoffer] vult daar aan dat verdachte ook haar borsten heeft betast. In het studioverhoor verklaart [slachtoffer] gedetailleerd over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zo verklaart zij over de manier waarop verdachte haar broek losmaakte, hoe hij zijn vinger in haar vagina bracht en wat zij hierbij voelde. Zij weet ook nog te vertellen wat voor soort broek zij op dat moment aan had. Daarnaast verklaart zij gedetailleerd over hoe het betasten van haar borsten en het zoenen is gegaan. Daarbij maakt zij de handelingen niet groter dan dat ze zijn. Zo verklaart zij dat er zonder tong is gezoend en dat verdachte slechts één vinger bij haar naar binnen heeft gebracht, wanneer daarnaar wordt gevraagd.

Verder koppelt [slachtoffer] de seksuele handelingen aan een tijd (18 en 20 september 2024) en een plaats (het bos in De Borkeld in Markelo) die door verdachte bevestigd worden. Verdachte heeft ter zitting immers verklaard dat zij in De Borkeld hebben afgesproken. Ook komen de door [slachtoffer] genoemde data overeen met de data die zijn gekoppeld aan de afbeeldingen op haar telefoon waarop verdachte zichzelf ter zitting heeft herkend.

Bovendien blijkt zowel uit de aangifte van haar moeder als uit het getuigenverhoor van haar tante dat [slachtoffer] - een meisje met lichte LVB-problematiek en een stoornis in het autismespectrum - tijdens het afleggen van haar eerste verklaring nog niet begreep dat de verrichte seksuele handelingen strafbaar waren. Zij vroeg zich af wat daaraan verkeerd of fout was. Dat [slachtoffer] het kwalijke van hun contact niet inzag volgt ook uit het laatste chatbericht dat zij naar verdachte heeft gestuurd, nadat zij samen in de woning zijn aangetroffen, waarin ze haar excuses aan hem aanbiedt. De rechtbank komt tot de conclusie dat [slachtoffer] aanvankelijk over de seksuele handelingen heeft verklaard zonder dat zij zich realiseerde dat zij verdachte daarmee kon belasten. Dit maakt de (eerste) verklaring van [slachtoffer] authentiek en oprecht en daarmee wint die verklaring aan geloofwaardigheid.

Op grond van de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] op de hiervoor genoemde punten betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs is.

Steunbewijs

De verklaring van [slachtoffer] vormt daarmee het uitgangspunt van de bewijsvoering. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] ook voldoende is ingebed in een concrete context die bovendien bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt daarover, met inachtneming van het hierboven geschetste kader over het bewijsminimum, het volgende.

De verklaring van [slachtoffer] vindt onder meer steun in de chatberichten die verdachte en [slachtoffer] onderling uitwisselden. De rechtbank hecht daarbij in het bijzonder belang aan het gedrag en de berekenende houding van verdachte die uit de chatberichten naar voren komt in aanloop naar de afspraak met [slachtoffer] op 21 september 2024. In deze chatberichten van 21 september 2024 is te lezen dat hij [slachtoffer] onder druk zet om een smoes voor haar ouders te verzinnen, zodat ze die avond met elkaar kunnen afspreken. Hij blijft hier gedurende de dag op aandringen. Ook laat hij aan [slachtoffer] weten dat hij erg bang is voor de camera’s bij de woning van haar ouders en als haar ouders hem op de camera’s zien hij “de pineut” is. Hij vraagt ook aan [slachtoffer] of [naam 1] - zijn kickboks-leraar en de oom van [slachtoffer] - bij [slachtoffer] in de buurt woont. Verder vraagt hij aan [slachtoffer] of ze niet op een andere plek kunnen afspreken in plaats van bij haar thuis.

Ook het gedrag van verdachte tijdens de afspraak met [slachtoffer] op 21 september 2024 ondersteunt haar verklaring. Wanneer de moeder van [slachtoffer] om 19:59 uur een Whatsappbericht aan verdachte stuurt met de vraag of hij nog contact heeft met [slachtoffer] , antwoordt verdachte ontkennend, terwijl hij op dat moment samen met [slachtoffer] in de woning is. Daarbij komt dat verdachte zich direct opsluit in een andere slaapkamer, op het moment dat de tante van [slachtoffer] zich kenbaar maakt in de woning. Daar verricht hij de Google-zoekopdracht ‘strafbaar als je afspreekt met een minderjarige’ op zijn telefoon. Pas na een half uur slagen de oom van [slachtoffer] en de politie erin om hem naar buiten praten.

Uit al het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte zijn contact met [slachtoffer] op verschillende manieren probeerde te verhullen. Als verdachte slechts voor een goed gesprek met [slachtoffer] naar de afspraken in het bos en de woning zou zijn gekomen, zoals hij heeft verklaard, zou hij logischerwijs niets te verbergen hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bovengenoemde handelingen van verdachte de verklaring van [slachtoffer] - dat er seksuele handelingen tussen hen hebben plaatsgevonden - ondersteunen.

Bovendien volgt uit het onderzoek van de telefoon van verdachte dat hij seksueel getint (chat)contact had met ene ‘ [naam 2] ’, die door de politie op een leeftijd van onder de veertien jaar wordt geschat, alsook met een sekswerker aan wie verdachte de contactgegevens van haar veertienjarige dochter vroeg. Ook beschikte verdachte op zijn telefoon over afbeeldingen en video’s van minderjarigen, veelal in de leeftijdscategorie van [slachtoffer] , die seksuele handelingen verrichten en/of ondergingen.

De verklaring van verdachte, dat hij geen seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, acht de rechtbank op basis van het voorgaande ongeloofwaardig. Verdachte sprak met [slachtoffer] af om seksueel contact met haar te hebben. Dit terwijl hij wist dat [slachtoffer] minderjarig en kwetsbaar was, nu haar moeder hem dat op 6 september 2024 via Whatsapp meldde en hij [slachtoffer] al langer kende omdat hij haar in het verleden kickboks-les heeft gegeven. Daarbij komt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft hij ter zitting een andere verklaring afgelegd dan in zijn eerdere politieverhoor. Na ter zitting geconfronteerd te zijn met de afbeeldingen die op de telefoon van [slachtoffer] waren aangetroffen, en waarop hij zichzelf herkende, bekende verdachte toch vaker dan slechts een enkele keer met haar te hebben afgesproken en dat dit in De Borkeld was. Verdachte lijkt dus alleen die punten te bekennen waar hij niet onderuit kan komen en geeft geen openheid van zaken.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de (betrouwbare) verklaring van [slachtoffer] over het seksueel binnendringen en de overige seksuele handelingen in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de ten laste gelegde seksuele handelingen (het zoenen, het betasten van de borsten en het vingeren) tussen verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.

Vrijspraak van dwang, geweld en/of bedreiging

Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil zijn verricht, is de rechtbank van oordeel dat het dossier op dat punt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Gelet op de inhoud van de eerder genoemde chatberichten en de beschreven verstandhouding tussen verdachte en [slachtoffer] , is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van dwang, geweld of bedreiging bij het verrichten van de seksuele handelingen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging onder de feiten 1 en 2.

Conclusie

Concluderend acht de rechtbank het onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de ten laste gelegde dwang, geweld en/of bedreiging.

Feit 3: kinderporno

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 maart 2026, voor zover inhoudende, de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025 (pagina’s 116-124).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de voor feit 3 opgegeven bewijsmiddelen en de voor feit 1 en 2 in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 18 tot en met 21 september 2024 te Markelo, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten

- zijn, verdachtes, vinger(s) tussen/in (de schaamlip(pen) van) de vagina van die

[slachtoffer] heeft gebracht te brengen en/of vervolgens die [slachtoffer] te gevingerden,

- de borsten van die [slachtoffer] te betasten en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) te gezoenden

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [slachtoffer] bij haar hoofd vast te pakken en/of

- (meermalen) voorbij te gaan aan de verbalen en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer];

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 18 tot en met 21 september 2024 te Markelo, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft te gezoenden,

- zijn, verdachtes, vinger(s) bij en/of op (de schaamlip(pen) van) de vagina van die

[slachtoffer] gebracht te brengen en/of te gelegdgen en/of

- de borsten van die [slachtoffer] te heeft betasten

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [slachtoffer] bij haar hoofd vast te pakken en/of

- (meermalen) voorbij te gaan aan de verbalen en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer];

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met op 21 september 2024 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard, en/of met onmiskenbare seksuele strekking waarbij een persoon, die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten een telefoon (merk: Xiaomi), waarop te zien is dat:

die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger en/of hand, door die persoon,

(afbeeldingsnummer 2, 4 en 5 uit de toonmap; pagina’s 123 en 124 van het procesdossier),

die persoon het eigen geslachtsdeel en/of de eigen borsten met een vinger en/of hand aanraakt

(afbeeldingsnummer 3 uit de toonmap; pagina 123 van het procesdossier),

en/of die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is

(afbeeldingsnummers 1 en 3 uit de toonmap; pagina 123 van het procesdossier).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 247, 248 en 252 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

feit 2

het misdrijf: aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft samengevat het volgende gevorderd. Aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. De bijzondere voorwaarde die ziet op het vermijden van contact met minderjarigen dient - gelet op de praktische uitvoerbaarheid daarvan - anders geformuleerd te worden, namelijk dat verdachte zijn contacten met minderjarigen met de reclassering bespreekt. Daarnaast dient aan verdachte te worden opgelegd de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, in de zin van een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer] en haar woonadres. Bij iedere overtreding van die maatregel dient een hechtenis van veertien dagen te volgen, met een maximum van zes maanden. De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden bevolen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de geringe ernst van het feit onder 3, het blanco strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. In het geval de feiten onder 1 en 2 bewezen worden verklaard, dient ook rekening te worden gehouden met de eendaadse samenloop van die feiten.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

Verdachte, destijds bijna twintig jaar oud, heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en het meermalen aanranden van de dertienjarige [slachtoffer] . Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] , een kwetsbaar meisje dat zich op dat moment niet bewust was van het kwalijke van de seksuele handelingen die tussen hen plaatsvonden. Dat [slachtoffer] een kwetsbaar meisje was, wist verdachte. Verdachte heeft desondanks misbruik gemaakt van de ongelijkwaardige relatie die hij met haar had, waarin per definitie sprake was van een groot overwicht op de minderjarige [slachtoffer] . Hij heeft van zijn overwicht gebruik gemaakt om haar zo ver te krijgen seksuele handelingen met hem te verrichten en toe te laten dat hij die bij haar verrichtte. Daarbij stelde hij zijn eigen seksuele behoeften boven de belangen van [slachtoffer] . Slachtoffers van dergelijke feiten lijden dikwijls lange tijd onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Uit de slachtofferverklaring, die ter zitting namens [slachtoffer] door haar moeder is voorgedragen, komt op indringende wijze naar voren dat [slachtoffer] nog altijd kampt met de psychische gevolgen die de bewezen verklaarde strafbare feiten met zich mee hebben gebracht en de deuk die zij daardoor heeft opgelopen in haar zelfvertrouwen. Zo heeft [slachtoffer] EMDR-therapie gevolgd voor traumaklachten die tot op de dag van vandaag nog steeds niet helemaal zijn weggenomen. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft geen berouw getoond richting [slachtoffer] , nu hij het seksuele misbruik blijft ontkennen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderporno. De rechtbank acht ook dit feit zeer kwalijk, vooral in combinatie met de strafbare feiten die verdachte jegens de minderjarige [slachtoffer] heeft gepleegd. Met het downloaden van die kinderporno heeft verdachte de vraag naar en de productie van kinderporno in stand gehouden en niet stilgestaan bij de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte opgestelde reclasseringsrapport van 3 september 2025. Daarin is te lezen dat verdachte niet heeft willen meewerken aan de totstandkoming van het rapport, waardoor de reclassering zich geen beeld heeft kunnen vormen van de risico- en beschermende factoren op de verschillende leefgebieden. Met de beschikbare informatie heeft de reclassering ook geen oordeel kunnen vormen over de risicotaxatie en de eventuele toepassing van het jeugdstrafrecht. Op basis van het proces-verbaal zijn er signalen van seksuele preoccupatie en seksuele deviantie. Het niet hebben van herinneringen kan een proceshouding zijn, maar kan ook duiden op het niet nemen van verantwoordelijkheid of een destructieve vorm van coping. Dit maakt dat reclasseringsinterventies noodzakelijk worden geacht bij een bewezenverklaring. Verdachte heeft zich op eigen initiatief gemeld voor een forensisch ambulante behandeling bij Transfore. Een reclasseringstoezicht kan dienen als stok achter de deur op het moment dat er een inhoudelijk behandelaanbod wordt gedaan gericht op het verkrijgen van inzicht (diagnostiek), het behandelen van de onderliggende problematiek en het voorkomen van recidive. De reclassering adviseert om bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen in de vorm van een meldplicht, diagnostiek en behandeling, vermijden van contact met minderjarigen en digitale omgevingen die verband houden met seksueel kindermisbruik, dagbesteding en een contact- en locatieverbod jegens [slachtoffer] .

Verdachte heeft ter zitting toegelicht dat hij in een vrijwillig kader een behandeling is gestart bij Transfore, die zich nog in een beginfase bevindt. Verdachte volgt nu emotieregulatie therapie om daarna tot een delictanalyse te kunnen komen. Van daaruit kan het behandelplan verder worden ingericht. Gelet op zijn ontkenning van de feiten 1 en 2 concludeert de rechtbank dat deze delictanalyse in vrijwillig kader louter betrekking zou hebben op feit 3.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt voorop dat, gezien de ernst en de zorgwekkende combinatie van de gepleegde feiten, alsook de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient als signaal naar verdachte en naar de samenleving ter afschrikking. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de inhoud van het advies van de reclassering reden om een substantieel deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering. De bijzondere voorwaarden dienen onder meer als stok achter de deur, zodat verdachte gemotiveerd blijft om de (reeds in een vrijwillig kader gestarte) behandeling bij Transfore af te ronden en ook om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Verder weegt de rechtbank de berekenende proceshouding van verdachte, zowel tijdens het onderzoek door de politie als tijdens de terechtzitting, in zijn nadeel mee. De rechtbank weegt bij de strafoplegging ook mee dat verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde dwang, geweld en bedreiging onder 1 en 2. Met name vanwege dat laatste komt de rechtbank tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatie- en gebiedsverbod. Ook de voorwaarde ten aanzien van het vermijden van (fysiek) contact met minderjarigen zal de rechtbank niet opleggen, nu het vermijden van contact met minderjarigen (en het toezicht daarop) maatschappelijk bezien vrijwel onmogelijk is. Om die reden ziet de rechtbank ook af van het herformuleren van de bijzondere voorwaarde naar een verplichting elk contact met een minderjarige te bespreken met de reclassering.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Gelet op het beperkte inzicht van verdachte ten aanzien van de ernst en de impact van zijn handelen op het slachtoffer, ziet de rechtbank reden om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht te gelasten.

De op te leggen 38v-maatregel

De rechtbank zal zoals hiervoor overwogen geen contact- en locatieverbod opleggen als bijzondere voorwaarde gekoppeld aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om naast het opleggen van voormelde gevangenisstraf - ter beveiliging van de maatschappij - een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, in de vorm van een contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer] en haar woonadres. Aan de wettelijke vereisten op grond van artikel 38v Sr voor oplegging is voldaan. Deze maatregel zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaren. Daarbij wordt voor elke overtreding de vervangende hechtenis bepaald op veertien dagen met een totale duur van maximaal zes maanden.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel ook dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich naar aanleiding van dit vonnis belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] . De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte, zoals uit het dossier blijkt, telkens heimelijk contact met [slachtoffer] heeft opgenomen, waarbij hij dat tegenover haar moeder verhulde en ontkende. Die omstandigheid, alsmede verdachtes proceshouding, wekken gerechtvaardigde vrees voor herhaling.

7. De schade van de benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] ( [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.684,68 (vijfduizend zeshonderd vierentachtig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de reiskosten naar de psycholoog die de ouders van [slachtoffer] als verplaatste schade hebben geleden. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,-- gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - gelet op de bepleite vrijspraak van de feiten 1 en 2 - primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 684,68, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 1 september 2025.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, nu vaststaat dat [slachtoffer] geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de feiten onder 1 en 2. Ter onderbouwing van het geestelijk letsel zijn een behandelplan en afsprakenoverzicht van Ambiq overgelegd. Daaruit volgt dat [slachtoffer] traumaklachten ervaart waarvoor zij specialistische therapie, in de vorm van traumabehandeling middels EMDR-therapie, heeft gevolgd. Ondanks de afgeronde behandeling, ervaart [slachtoffer] nog steeds (trauma)klachten, waardoor mogelijk opnieuw een traumabehandeling moet worden overwogen.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd tot een bedrag van € 2.500,--. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.500,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 21 september 2024.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van € 3.184,68. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding (ad € 2.500,--) zal worden gestort op een ten behoeve van de minderjarige

[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2010) te openen bankrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen - tot de minderjarige de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt - alleen met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken. De rechtbank zal voorts bepalen dat de raadsvrouw van de benadeelde partij binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte stelt van de gegevens van de rekening die voor de benadeelde partij is geopend.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten onder 1 en 2 is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling voor de duur van 31 dagen worden toegepast, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

feit 2

het misdrijf: aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaar, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland te [plaats] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en hij houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering;

- zich laat behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Diagnostiek kan onderdeel zijn van de behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- zich, op welke wijze dan ook, onthoudt van:

1) het (op digitale wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;2) gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;3) gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd.

Verdachte bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken, werkt verdachte mee aan - onaangekondigde - controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. Verdachte werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover verdachte in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of verdachte kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van verdachte. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft maar een externe partij is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is;

- openheid van zaken geeft over zijn dagbesteding. De dagbesteding wordt niet gewijzigd zonder toestemming van de reclassering;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als

bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];

- beveelt dat de verdachte zich niet in of bij de woning van [slachtoffer] , gelegen aan de [adres 2] , [adres 2] mag bevinden;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet

worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens

[slachtoffer] ;

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

schadevergoeding (feiten 1 en 2)

- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.184,68 (bestaande uit € 684,68 materiële schade en € 2.500,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 3.184,68 (drieduizend honderd vierentachtig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 voor de materiële schade en 21 september 2024 voor de immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

€ 3.184,68 (drieduizend honderd vierentachtig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 voor de materiële schade en 21 september 2024 voor de immateriële schade, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 31 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding (ad € 2.500,--) zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] te openen rekening met een BEM-clausule. De raadsvrouw van de benadeelde partij stelt hiertoe binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte van de gegevens van de bankrekening die voor de benadeelde partij geopend is;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige, te weten € 2.500,-- aan immateriële schade, niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. H. Stam en

mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ONRBC24259, proces-verbaalnummer 2024444906, onderzoek Fortuna, gesloten op 23 april 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feiten 1 en 2

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 maart 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 20 en 21 september 2024 met [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) afgesproken.

Ik herken mezelf op de afbeeldingen van 18 en 20 september 2024 die in de telefoon van [slachtoffer] zijn aangetroffen (pagina’s 80-81 en 84 procesdossier). Op

20 september 2024 hebben we in het bos in De Borkeld afgesproken.

Het klopt dat ik de chatgesprekken in het dossier met [slachtoffer] heb gevoerd onder de naam ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 2] ’.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 15):

Ik, verbalisant [verbalisant] , was op 21-09-2024 in dienst. Aan het einde van de avond kregen wij het verzoek om te gaan naar de [adres 2] om hier in gesprek te gaan met [slachtoffer] .

Op de vraag of [slachtoffer] al vaker heeft afgesproken met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) knikte ze ja. Tijdens een andere afspraak heeft ze met [verdachte] gezoend. Op de vraag of ze ook verder zijn gegaan dan zoenen was [slachtoffer] eerst een tijd stil. Bij het opnieuw stellen van de vraag knikte [slachtoffer] ja. Hierop vroeg ik of [verdachte] wat bij haar had gedaan. Na een tijdje knikte ze ja. Ik vroeg of [verdachte] haar gevingerd had. Dit bevestigde ze door weer ja te knikken.

3. Het proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer] van

4 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 41-46):

A: Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) had mij toegevoegd op Snapchat. En zodoende hebben wij contact gekregen. En toen heeft die met mij afgesproken. En daarna wou die nog een keer afspreken.

V: Heeft die jongen ook een naam?A: [verdachte] .

V: En waar heb je met hem afgesproken?A: Bij De Borkeld. Dat is een bos.

V: En je vertelde mij ook dat hij jou zoende. En is dat dan één keer of vaker gebeurd?A: Vaker, ja.

A: We zaten dus op een bankje en toen zoende die mij. En toen deed die het nog een keer.A: Op mijn lippen.V: En was dat met of was dat zonder tong?A: Zonder.

V: Want wanneer was dat dat jullie hadden afgesproken bij dat bankje?

V: Dat was de eerste keer dat jullie aan het zoenen zijn hè.

A: Dat was volgens mij woensdag vorige week, of die week daarvoor.V: Dus die woensdag voor de zaterdag dat de politie kwam (de rechtbank begrijpt: 18 september 2024) dat was dat jullie voor het eerst hadden gezoend? A: Ja.

V: En wanneer hebben jullie nog meer gezoend, welke dag?A: Volgens mij vrijdag (de rechtbank begrijpt: 20 september 2024).

A: Ook weer bij De Borkeld.

A: Hij heeft aan mijn borsten gezeten.

A: Ging die bij mijn vagina ging die. Met zijn vinger.

V: Aan je borsten. En hoe ging dat precies?A: Hij deed mijn shirt omhoog en toen ging die eraan zitten.V: Waar ging hij dan aan je borsten zitten? Was dat op of onder je kleren?A: Onder.

A: Toen ging die naar onder toe. En daar ging die verder.V: En was dat op of onder jouw kleren?A: Onder.A: Toen trok die zijn vinger ergens in of zo.A: Toen zoende die mij weer.V: Klopt het dan dat die jou zoende en tegelijkertijd met zijn vinger in je vagina zat?A: Ja.

V: En was dat dan met één vinger of was dat met meerdere vingers?

A: Eén vinger.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 75-78):

De telefoon van [slachtoffer] , een iPhone 11, werd inbeslaggenomen op 21 september 2024 en de data uit het toestel werd veiliggesteld door team digitale ondersteuning.

Gebruiker van het toestel

De telefoon van [slachtoffer] werd in beslag genomen om de inhoud daarvan te laten onderzoeken. Uit de data van het toestel bleek dat deze de naam ‘iPhone van [slachtoffer] ’ had. Ik zag dat er meerdere gebruiker accounts in het toestel stonden met daarin de naam ‘ [slachtoffer] ’.

TikTok

Ik zag het volgende gesprek tussen [slachtoffer] en het account ‘ [gebruikersnaam 1] ’ in TikTok.

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Snapchat

Ik zag het volgende gesprek tussen [slachtoffer] en het account ‘ [gebruikersnaam 2] ’ in Snapchat.

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

5. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 87-99, 102-103 en 106-108):

De telefoon van [verdachte] , een Xiaomi Poco x5 pro 5g, werd in beslaggenomen op

21 september 2024 en de data uit het toestel werd veiliggesteld door team digitale ondersteuning.

Gebruiker van het toestel

Ik zag dat er meerdere gebruiker accounts in het toestel stonden met daarin de naam ‘ [gebruikersnaam 1] ’.

Snapchat

Ik zag het volgende gesprek tussen ‘ [gebruikersnaam 2] ’ en ' [gebruikersnaam 3] ’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) op Snapchat.

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

TikTok

Ik zag een gesprek tussen ’ [gebruikersnaam 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 4] ’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) op TikTok. Een aantal berichten in het gesprek zijn hieronder weergegeven:

[afbeelding]

[afbeelding]

Onderzoeksvraag 2: Contact en communicatie met [moeder van slachtoffer]

Ik zag het volgende gesprek tussen [verdachte] en [moeder van slachtoffer] , de moeder van [slachtoffer] , op Whatsapp.

[afbeelding]

[afbeelding]

Op het moment dat [moeder van slachtoffer] dat aan [verdachte] vraagt en op het moment dat [verdachte] antwoordt, zijn [verdachte] en [slachtoffer] samen.

Onderzoeksvraag 4: Zoektermen 21 september 2024

Ik zag dat er op 21 september 2024 om 21.02 uur op Google is gezocht naar: ‘strafbaar als je afspreekt met een minderjarige’. Op dat moment zou [verdachte] zichzelf hebben opgesloten in de woning van [slachtoffer] .

Onderzoeksvraag 5: Heeft [verdachte] contact met minderjarigen?

Ik zag dat [verdachte] meerdere gesprekken heeft gehad met meisjes die in het gesprek aangaven onder de 16 jaar te zijn. [verdachte] vroeg in die gesprekken om foto’s zoals: “een maximale foto van wat je kunt en wilt?”. Ik trof een Whatsappgesprek aan van [verdachte] met [naam 2] . [naam 2] is een meisje met een geschatte leeftijd van onder de 14 jaar. Ik las dat [verdachte] tegen [naam 2] zei: “mooizo, ik heb liever paar geile fotootjes”.

Verder trof ik meerdere gesprekken aan van [verdachte] met prostituees. [verdachte] betaalt voor seksueel beeldmateriaal. Ook geeft hij seksuele opdrachten. In een gesprek met een prostituee ‘ [naam 3] ’ vraagt [verdachte] naar haar minderjarige dochter.

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

6. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 11):

Op 21 september 2024, omstreeks 20.30 uur, kregen wij, verbalisanten, van de meldkamer het verzoek om richting de [adres 2] te gaan. Aldaar zou

de melder, de oma van [slachtoffer] van 13 jaar oud, [slachtoffer] met een twintigjarige jongen alleen thuis in een slaapkamer op de zolder hebben betrapt.

Op dezelfde dag, omstreeks 21.00 uur, kwamen wij ter plaatse en spraken daar voor de woning met [naam 4] , namelijk de tante van [slachtoffer] . Wij, verbalisanten, hoorden [naam 4] zeggen dat zij de woning om 20.16 uur was binnengegaan. Eenmaal boven zag [naam 4] dat [slachtoffer] alleen in haar kamer zat en dat de deur van de kamer ernaast dicht was. [naam 4] hoorde dat [verdachte] in die kamer zat, maar [verdachte] had de kamerdeur van binnen op slot gedraaid.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van

10 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 54):

Mijn vrouw (de rechtbank begrijpt: [naam 4] ) heeft toen [slachtoffer] naar beneden gehaald en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) had zich vervolgens opgesloten op de zolderkamer. Toen ik aankwam was de politie al aanwezig. Ik stond om 21:25 uur boven om de deur los te breken. Ik denk dat ik rond 20:30/21:00 uur ongeveer bij de woning was. In de tussentijd heb ik met mijn vrouw gepraat en heb met de politie overlegd wat we zouden gaan doen. De politie heeft hem uiteindelijk eerst naar buiten proberen te praten. Ze hebben mij toen gevraagd om mee te lopen naar boven, omdat ik hem al langer kende. Ze vroegen of ik met hem wilde praten. Ik heb hem toen drie keer gewaarschuwd om naar buiten te komen. Uiteindelijk kwam hij dus naar buiten.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 116-118):

In het opsporingsonderzoek contra:

Verdachte: Naam: [verdachte]Voornamen: [verdachte]

zijn op 21 en 22 september 2024 de navolgende in beslag genomen voorwerpen verkregen.(Óp het rood gearceerde goed is kinderpornografisch matenaal aangetroffen)

[afbeelding]

Beoordeling kinderpornografisch materiaal Op 3 januari 2025 heb ik, verbalisant, nader onderzoek ingesteld in de aan mij overgedragen bestanden. Ik trof daarin in totaal 19 visuele weergaven (12 foto’s en 7 video’s) aan.Ik, verbalisant heb de inhoud van alle in het onderzoek betrokken digitale gegevensdragers en voorwerpen visueel gecontroleerd op de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal.

Beoordeling aangetroffen visuele weergaven Ik heb vastgesteld dat in de selectie visuele weergaven voorkwamen die volgens de bovengenoemde criteria kinderpornografisch zijn.

Bevindingen aangetroffen materiaal Over het aangetroffen materiaal merk ik, verbalisant, het volgende op:Het algemene beeld van de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen, is dat deze voornamelijk bestaat uit meisjes, met een kennelijke leeftijd van ongeveer 14 jaar oud. De afbeeldingen zijn vooral poserend materiaal. In de video’s zijn vaak seksuele gedragingen zichtbaar.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?