RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/334949-24 (P)
Datum vonnis: 16 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- en verblijfsplaats.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] door hun advocaat mr. M.L. de Jong is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval in de nachtelijke uren, met gebruikmaking van geweld en bedreiging met geweld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 13 september 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] ) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 10.100,00 euro, althans enig geldbedrag, en/of sieraden, te weten een horloge, een gouden ketting, een gouden armband met diamanten, een gouden ketting met diamanten en een gouden ring, en/of een telefoon en/of een tas van het merk Louis Vuitton, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Op 13 september 2023 ontving de politie omstreeks 05:21 uur een melding van een gewapende woningoverval aan de [adres 1] in [plaats 1] . Twee van de in totaal drie aanwezige bewoners werden bedreigd met vuurwapens en mishandeld. De overvallers namen sieraden, een telefoon en geld mee.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.
Verklaring aangevers
Op 13 september 2023, omstreeks 05:00 uur, was [slachtoffer 1] bezig met het klaarmaken van zijn loempiakramen op het terrein bij zijn woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Hij zat op zijn hurken toen hij een arm om zijn nek voelde en een pistool tegen zijn hoofd. Degene die hem vast had vroeg meerdere malen om geld. [slachtoffer 1] ging staan en samen liepen ze naar zijn bus. Op dat moment zag [slachtoffer 1] een tweede overvaller. [slachtoffer 1] haalde zijn portemonnee uit de bus en gaf die aan de eerste overvaller. De overvaller haalde er € 100,00 uit. Vervolgens werd [slachtoffer 1] de woning in gedwongen. Zijn echtgenote, [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] , bevond zich op dat moment in de badkamer. Zij hoorde haar man hard praten, voelde dat er iets niet in orde was en heeft zichzelf daarom in de badkamer opgesloten.
Eenmaal binnen werd het [slachtoffer 1] duidelijk dat er in totaal vier overvallers waren. Alle vier de overvallers hadden een deel van hun gezicht bedekt, zodat alleen hun ogen zichtbaar waren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het allemaal in het zwart geklede donkere mannen waren. Twee van de overvallers namen [slachtoffer 1] mee naar zijn slaapkamer op de begane grond en pakten daar spullen. De derde overvaller ging naar de slaapkamer van [slachtoffer 2] , de zoon van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] , op de eerste verdieping. Hij richtte een vuurwapen op [slachtoffer 2] en dwong hem mee te komen naar beneden. De overvaller pakte [slachtoffer 2] bij zijn arm en liep met hem de trap af. Beneden zag [slachtoffer 2] zijn vader en de andere overvallers. [slachtoffer 2] zag bij drie van de overvallers dat zij een donkere huidskleur hadden en benoemt dat zij donker gekleed waren.
Vervolgens werden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] meegenomen naar de garage. Daar dreigden de overvallers hen dood te schieten als zij hun geen geld zouden geven. Er werd een pistool op de borst van [slachtoffer 1] gericht, hij werd geduwd en er werd twee keer met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen, waardoor hij achterover viel. De polsen en enkels van [slachtoffer 2] werden vastgebonden met een internetkabel. Uiteindelijk lukte het hem om zich los te maken, waarna hij kans zag de garagedeur te openen en te vluchten. Terwijl hij wegrende, voelde hij dat er iets niet goed was met zijn voet, waardoor hij viel. Ook [slachtoffer 1] wist te ontkomen. Beide mannen werden door buren opgevangen.
Nadat de overvallers weg waren, werd duidelijk dat zij € 10.100,00 aan contanten, een horloge, een gouden ketting, een gouden armband met diamanten, een gouden ketting met diamanten, een gouden ring, en een telefoon hadden meegenomen.
Letsel aangevers
Als gevolg van de overval liep [slachtoffer 1] een barstwond op aan zijn hoofd, een lijnvormige blaar en roodheid bij zijn mond (bijna een tand door de lip) en een kneusverwonding met zwelling op de rug van zijn linkerhand.
[slachtoffer 2] liep een circulaire kneusverwonding op aan zijn polsen en letsel aan zijn achillespees. Als gevolg van het letsel aan zijn achillespees viel hij tijdens zijn vlucht en liep hij meerdere (grote) schaafwonden op.
Vondst portemonnee [slachtoffer 1]
Naar aanleiding van de woningoverval heeft een andere zoon van de familie [slachtoffer 1] een bericht op facebook geplaatst met het verzoek om eventuele informatie over de woningoverval met hem te delen. Daarop reageerde diezelfde dag [naam 1] . Hij had die ochtend in de afvalcontainer achter zijn woning aan de [adres 2] een portemonnee gevonden met daarin het rijbewijs van [slachtoffer 1] . Uit de politiesystemen kwam naar voren dat schuin achter de woning van de familie [naam 1] , aan de [adres 3] , de zus van verdachte woont. Haar woning grenst met de achterzijde van de woning aan het terrein waar de portemonnee van [slachtoffer 1] werd gevonden. Uit de politiesystemen bleek dat verdachte in het verleden wel eens op dit adres verbleef. Verdachte was bekend bij de politie, omdat hij en zijn partner [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in die periode verdachte waren in het onderzoek (genaamd Veelvraat) naar de overval op het veilinghuis in [plaats 2] .
Verklaring [naam 2]
is gehoord als verdachte in het onderzoek Veelvraat. Tijdens dat verhoor is zij ook gehoord over de woningoverval aan de [adres 1] te [plaats 1] . Zij verklaarde dat zij op
13 september 2023 om 05:20 uur bij de moeder van verdachte thuis was, aan de [adres 4] in [plaats 1] . Van daaruit heeft zij verdachte, op zijn verzoek, opgehaald bij de rotonde ter hoogte van de [adres 5] en de [adres 6] in [plaats 1] . Verdachte stapte daar uit een kleine grijze auto waarin minimaal twee anderen, vermoedelijk mannen, zaten. Zowel die mannen als verdachte waren in het zwart gekleed. Verdachte droeg een zwart joggingpak. Hij stapte bij [naam 2] in de auto en ze zijn samen naar het huis van de zus van verdachte aan de [adres 3] in [plaats 2] gereden. De kleine, grijze auto reed achter hen aan en stopte ook op de parkeerplaats bij de [adres 3] , iets verder dan waar [naam 2] en verdachte stopten. [naam 2] weet niet waarom de kleine auto achter hen aanreed. Op de parkeerplaats stapte verdachte uit en korte tijd later weer in de auto, terwijl [naam 2] in de auto op hem wachtte. [naam 2] dacht die nacht dat zij verdachte moest ophalen uit zijn werk, maar heeft geen idee waar hij vandaan kwam toen zij hem moest ophalen.
Onderzoek naar telefoons
De telefoon van [naam 2] werd in het kader van het onderzoek Veelvraat in beslag genomen. De gegevens uit die telefoon ondersteunen haar verklaring. Zo komt naar voren dat [naam 2] op 13 september 2023 van 04:41 uur tot 05:17 uur aan de [adres 4] in [plaats 1] was en van 05:35 uur tot 05:56 uur aan de [adres 3] in [plaats 2] . Verder werd duidelijk dat haar telefoon op 13 september 2023 twee keer verbinding maakte met de telefoon van verdachte. Om 05:20 uur belde [naam 2] verdachte en om 05:21 uur belde verdachte haar.
Uit de historische mastgegevens werd duidelijk dat het telefoonnummer van verdachte op
13 september 2023 om 05:20 uur gebruik heeft gemaakt van de zendmastlocatie aan de [adres 7] in [plaats 1] . Het adres van de [adres 1] valt in het theoretische dekkingsgebied van die mast. Ook de telefoon van verdachte werd onderzocht in het kader van het onderzoek Veelvraat. De gegevens uit zijn telefoon bevestigen dat verdachte op 13 september 2023 om 05:20 uur werd gebeld door [naam 2] en om 05:21 uur naar het nummer van [naam 2] belde. Verder werd duidelijk dat verdachte op 13 september 2023 om 08:13 uur op zijn telefoon heeft gezocht naar een horloge gelijkend op het horloge dat in de nacht van
12 op 13 september 2023 werd weggenomen van [slachtoffer 1] en dat hij via Google op verschillende manieren zocht naar het nieuws in [plaats 1] . Hij maakte daarbij gebruik van zoektermen als ‘overval [plaats 1] ’, ‘112 [plaats 1] ’, ‘nieuws [plaats 1] 112’ en ‘ [plaats 1] nieuws’. Tussen 08:10 uur tot 09:18 uur bezocht verdachte voorts vier keer een website met nieuws over de hulpdiensten in [plaats 1] en om 12:52 uur bezocht hij een website met nieuws over de overval in [plaats 1] . Ook in de nacht daarop, op 14 september 2023, werden om 00:43 uur en om 01:41 uur, websites met nieuws over de overval bezocht. Uit het dossier volgt dat verdachte vergelijkbaar zoekgedrag vertoonde na de overval op het veilinghuis in [plaats 2] op 14 november 2023, waarvoor hij (in eerste aanleg en in hoger beroep) is veroordeeld.
Verklaring verdachte
De historische zendmastgegevens plaatsen verdachte op 13 september 2023 om 05:20 uur in [plaats 1] , in de nabijheid van de woning van de familie [slachtoffer 1] . Verdachte heeft over zijn aanwezigheid in [plaats 1] wisselend verklaard. Ter zitting heeft hij voor het eerst verklaard dat hij in de nacht van 12 op 13 september 2023 ruzie had met [naam 2] . Hij had tegen haar gezegd dat hij moest werken, terwijl hij in werkelijkheid werd opgehaald door een andere dame, te weten [naam 3] (hierna: [naam 3] ) uit [plaats 3] . Volgens verdachte heeft [naam 3] hem in Groningen opgehaald, waarna hij met haar naar de woning van zijn moeder aan de [adres 4] in [plaats 1] is gegaan. [naam 2] zou achter hem aangereden zijn en zou hem steeds gebeld hebben, vermoedelijk vanaf de parkeerplaats bij de woning van zijn moeder. Op enig moment kreeg verdachte een bericht van vrienden. Zij zouden iets voor hem hebben. Hij heeft [naam 3] volgens zijn zeggen weggestuurd en is vanuit het huis van zijn moeder bij zijn vrienden in de auto gestapt, waarna zij gingen rijden. Zijn vrienden lieten hem een horloge zien. Verdachte heeft dat horloge in de auto opgezocht op zijn telefoon en daarna gezegd dat hij geen interesse had. Hij had er geen goed gevoel bij en heeft [naam 2] gebeld met het verzoek om hem te komen ophalen. Bij de rotonde ter hoogte van de [adres 5] en de [adres 6] in [plaats 1] is hij uit de auto van zijn vrienden gestapt en bij [naam 2] in de auto gestapt. Samen zijn ze vervolgens naar het huis van de zus van verdachte aan de [adres 3] in [plaats 2] gereden, om daar een oplader voor zijn vrienden op te halen. Zijn vrienden reden achter hen aan naar de [adres 3] en vertrokken weer nadat verdachte hen een oplader had gegeven. [naam 2] en verdachte zijn daarna naar de woning van [naam 2] in Groningen gereden. Onderweg heeft verdachte websites bezocht met nieuws over [plaats 1] , omdat hij dacht dat er mogelijk iets was gebeurd.
Bewijsoverweging
De vraag die de rechtbank in deze zaak dient te beantwoorden, is of verdachte een van de mannen is die de familie [slachtoffer 1] in de nacht van 12 op 13 september 2023 met geweld heeft overvallen. Zij komt, gelet op de bewijsmiddelen die zij in onderling verband en samenhang beziet, tot het oordeel dat dit het geval is.
Uit het dossier volgt dat verdachte past binnen het door aangevers gegeven signalement van de overvallers. Aangevers spreken over jonge mannen met zwarte/donkere kleding en een donkere huidskleur. Verdachte was ten tijde van de overval 26 jaar oud, heeft een donkere huidskleur en droeg op de vroege ochtend van de overval volgens zijn vriendin een zwart joggingspak. Uit de verklaring van zijn vriendin en het onderzoek naar de telefoons van verdachte en zijn vriendin, blijkt bovendien dat verdachte ten tijde van de overval in [plaats 1] was en dat hij die nacht rond 05.20 uur uit een auto stapte waarin in ieder geval twee andere donker geklede mannen zaten.
Uit de verklaring van zijn vriendin (die ondersteuning vindt in het onderzoek naar haar telefoon) blijkt dat verdachte vervolgens met haar naar de woning van zijn zus aan de [adres 3] in [plaats 2] is gereden. In de ochtend van 13 september 2023 is in de nabijheid van deze woning de portemonnee van [slachtoffer 1] in een afvalcontainer teruggevonden. Verdachte heeft die ochtend op internet gezocht naar een horloge dat lijkt op het horloge van [slachtoffer 5] dat is weggenomen en naar nieuws over de woningoverval in [plaats 1] . Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte, zoals hiervoor al overwogen, op eenzelfde manier naar informatie zocht na een andere overval, waarvoor hij is veroordeeld.
De voornoemde feiten en omstandigheden tezamen schreeuwen naar het oordeel van de rechtbank om een verklaring. De hiervoor bedoelde verklaring, die verdachte pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft afgelegd, past echter niet in de bewijsmiddelen en wordt door de rechtbank niet als geloofwaardig beschouwd. Integendeel, deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te verhullen, voor zover deze verklaring inhoudt dat hij niets te maken heeft met de overval en dat hij eerst met [naam 3] in de woning van zijn moeder was en vervolgens is opgehaald door vrienden die hem een horloge wilden laten zien, alvorens [naam 2] hem kwam ophalen en hij met haar naar [plaats 2] is gereden.
De kennelijke leugenachtigheid blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden. Ten eerste volgt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij om 08:10 uur heeft gezocht naar een horloge gelijkend op dat van [slachtoffer 1] . Dat is in strijd met zijn verklaring dat hij naar het horloge zocht bij zijn vrienden in de auto, voordat hij [naam 2] belde om hem te komen ophalen. Uit de telefoongegevens blijkt immers dat verdachte [naam 2] één keer heeft gebeld en dat was om 05:20 uur. Daarnaast blijkt uit de gegevens uit de telefoon van [naam 2] dat zij tussen 05.17 uur en 05.35 uur van [plaats 1] naar [plaats 2] is gereden. Het zoeken naar het horloge in de telefoon zou in de tijdlijn van de verklaring van verdachte dus vóór 05.20 uur hebben plaatsgevonden, terwijl uit zijn telefoon blijkt dat dit op een aanzienlijk later tijdstip, om 08.10 uur, plaatsvond.
Ten tweede is de verklaring van verdachte strijdig met de verklaring van [naam 2] over haar locatie, die wordt ondersteund door de locatiegegevens uit het haar telefoon. Verdachte heeft verklaard dat hij in de woning van zijn moeder was samen met [naam 3] en dat [naam 2] hem vanuit Groningen is gevolgd en vervolgens op de parkeerplaats bij de woning van zijn moeder is gaan staan, waarbij zij hem steeds belde. Uit de telefoongegevens van [naam 2] , bezien in samenhang met haar verklaring, volgt echter dat [naam 2] van 04:41 uur tot 05:17 uur bij zijn moeder thuis verbleef en ook dat zij verdachte in de nacht van 13 september 2023 slechts één keer heeft gebeld. Door [naam 2] is ook niet verklaard over een ruzie tussen haar en verdachte, dat zij hem is gevolgd vanuit Groningen of de aanwezigheid van een andere vrouw.
Ten derde strookt de verklaring van verdachte niet met de verklaring van [naam 2] wat betreft de kleding die hij die nacht aanhad. [naam 2] verklaarde dat verdachte een zwart jogging pak aan had, terwijl hij zelf ter zitting heeft verklaard dat hij een wit overhemd, een zwart colbert en een zwarte pantalon droeg.
De als leugenachtig geduide verklaring van verdachte verhult de omstandigheid dat verdachte tijd en gelegenheid had om (samen met anderen) de overval te plegen. Nu er buiten de verklaring van verdachte geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat hij een andere reden had om in [plaats 1] te verblijven, komt de rechtbank met de overige voornoemde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte betrokken is geweest bij de overval aan de [adres 1] te [plaats 1] . De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft voorwaardelijke verzoeken gedaan ter zitting. Indien en voorover de rechtbank het proces-verbaal van herkenning van verdachte door [slachtoffer 1] voor het bewijs zal gebruiken, heeft de raadsman eerst verzocht om dit proces-verbaal voor te leggen aan een rechtspsycholoog met de vraag om een oordeel te vellen omtrent de betrouwbaarheid c.q. de bewijswaarde van die herkenning. Verder heeft de verdediging verzocht om de zaak aan te houden, indien en voorover de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde zou komen, om [naam 3] , geboren op 20 maart 1994, te horen als getuige. Door het horen van deze getuige kan volgens de verdediging de verklaring van verdachte, namelijk dat verdachte samen was met haar ten tijde van de overval in [plaats 1] , worden geverifieerd. De verdediging heeft dan ook belang bij het horen van deze getuige.
De rechtbank komt niet toe aan het eerste voorwaardelijke verzoek, nu het proces-verbaal van herkenning van verdachte door [slachtoffer 1] niet voor het bewijs is gebruikt.
Wat betreft het tweede verzoek ziet de rechtbank geen noodzaak om de getuige te horen, omdat zij de verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig heeft geduid, dit in het bijzonder ook wat betreft op het conflict tussen hem en [naam 2] , de aanwezigheid van een andere vrouw, het tijdsbestek dat [naam 2] in die nacht in de woning van verdachte’s moeder verbleef (tussen 4.41 uur en 5.17 uur) en van daaruit is vertrokken om verdachte op te pikken. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 13 september 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen , althans alleen, in/ uit een woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] , heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 10.100,00 euro , althans enig geldbedrag, en /of sieraden, te weten een horloge, een gouden ketting, een gouden armband met diamanten, een gouden ketting met diamanten en een gouden ring, en /of een telefoon en/of een tas van het merk Louis Vuitton, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/ of van geweld en /of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:
<em>met bedektem> ( e ) gezicht ( en ) de genoemde woning te betreden en /of
meermalen, al dan niet op een dwingende wijze, aan [slachtoffer 2] en /of [slachtoffer 1] te vragen waar de kluis is en /of waar het geld ligt en /of
<em>een (op een) vuurwapen (gelijkendem> (e) <em>) voorwerpem> (en <em>)) op het hoofd van die [slachtoffer 1] te plaatsen enem> /of te richten met <em>een (op een) vuurwapen (gelijkendem> ( e <em>) voorwerpem> ( en ) ) in de richting van die [slachtoffer 1] en /of [slachtoffer 2] en /of
met een vuurwapen , in ieder geval met enig voorwerp, ( meermalen ) in/ op /tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en /of
[slachtoffer 1] bij zijn nek vast te nemen en /of [slachtoffer 1] tegen zijn borst te duwen /te stoten en /of
[slachtoffer 2] bij zijn arm te pakken en /of
met een ( internet ) kabel [slachtoffer 2] aan zijn polsen en /of armen en/of enkels vast te binden en /of
tegen [slachtoffer 2] en /of [slachtoffer 1] te zeggen ‘als jullie het geld niet geven schieten we jullie dood’ dan wel woorden van gelijke strekking.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende dat verdachte zich dient te onthouden van contact met [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] en zich niet zal ophouden in het gebied in een straal van 500 meter rondom de woning van de familie [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat artikel 63 Sr van toepassing is en dat de redelijke termijn met meerdere maanden is overschreden.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst en de aard van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewelddadige en gewapende woningoverval. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] werden in de nachtelijke uren op brute wijze overvallen in hun woning door vier personen met bedekte gezichten en vuurwapens. De overvallers gebruikten vuurwapens om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te bedreigen. De zoon, [slachtoffer 2] , is, terwijl hij nog sliep, met een vuurwapen op hem gericht uit zijn bed gedwongen. Daarnaast werd [slachtoffer 1] geslagen met een vuurwapen en werd [slachtoffer 2] vastgebonden met een internetkabel, waar zij beiden letsel aan overhielden. Dit alles, terwijl moeder, [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] , doodsangsten uitstond in de badkamer waar zij zich had opgesloten. De overvallers hebben sieraden, een telefoon en ruim € 10.000,00 aan contanten buit gemaakt. Met hun handelen hebben verdachte en zijn mededaders laten zien dat zij geen enkel respect hebben voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander.
Voor de familie [slachtoffer 1] is er een leven vóór en een leven na de woningoverval. Zij hebben die vroege ochtend doodsangsten uitgestaan. De impact van de overval op hun leven is enorm, zoals ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring is gebleken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gekwalificeerde vermogensdelicten. Recent, in juli 2025, werd hij (in hoger beroep) veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk in verband met de overval op het veilinghuis in [plaats 2] in november 2023 (gepleegd na de overval op de familie [slachtoffer 1] ). Gelet op het tijdstip van deze overval werkt deze veroordeling niet als strafverzwarend. De rechtbank houdt hiermee wel rekening in de zin van artikel 63 Sr. Deze straf heeft verdachte inmiddels uitgezeten, hij is sinds een aantal weken weer vrij.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte rapport van Reclassering Nederland van 5 december 2025. Inmiddels is reclasseringstoezicht in het kader van het voorwaardelijke deel van de straf opgelegd in juli 2025 gestart. Daarbij is sprake van een meldplicht, een behandelverplichting en een verplichting tot dagbesteding. Verdachte is sinds 2021 voor meerdere strafbare feiten veroordeeld. Aan een groot deel van die feiten lag een financieel motief ten grondslag. Dat is ook het geval bij het onderhavige feit. Of sprake is van psychosociale problematiek is, vanwege het gebrek aan diagnostiek, niet duidelijk. Wel staat vast dat het netwerk van verdachte bij een groot deel van de veroordelingen een rol heeft gespeeld. In detentie liet verdachte positief gedrag zien en zijn er geen signalen van middelenmisbruik. De reclassering heeft de indruk dat de langdurige detentie mogelijk risicoverlagend kan werken, omdat het gemis van zijn kinderen en partner verdachte zwaar valt. Hij lijkt te beseffen dat hij veel te verliezen heeft en dat wakkert mogelijk zijn wens tot gedragsverandering aan. De reclassering schat de risico’s op recidive en op geweld in als gemiddeld. Zij ziet, gelet op het lopende reclasseringstoezicht, geen noodzaak tot het adviseren van aanvullende voorwaarden en geeft de rechtbank in overweging om een deels voorwaardelijke straf onder algemene voorwaarden op te leggen, vanwege de positieve ontwikkeling die verdachte in detentie laat zien.
De redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Op 28 november 2023 is verdachte aangehouden. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen, waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, nadat de redelijke termijn is aangevangen. De datum van dit vonnis is 16 april 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 4,5 maand. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Zij weegt daarbij mee dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste instantie gepland stond voor 11 december 2025, maar dat de zaak destijds op verzoek van de verdediging werd aangehouden.
Gevangenisstraf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een gewapende woningoverval gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf van 3 jaren (bij bedreiging met geweld en licht geweld) tot 5 jaren (bij ander geweld).
In het onderhavige geval was sprake van fysiek geweld en bedreiging met meerdere vuurwapens, in de nachtelijke uren, door vier overvallers. Bovendien is verdachte, zoals hiervoor al aan bod kwam, eerder voor gekwalificeerde vermogensdelicten veroordeeld. Deze omstandigheden werken strafverzwarend.
Anders dan de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. Een voorwaardelijk strafdeel zou in dit geval geen recht doen aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet geen aanleiding tot het opleggen van een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr, omdat geen aanwijzingen bestaan dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten tegen de familie [slachtoffer 1] .
7. De schade van benadeelden
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 22.869,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde vergoeding wegens materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- reiskosten (€ 56,89);
- kosten van een hekwerk rondom de woning (€ 1.210,00);
- kosten voor een bewakingscamerasysteem (€ 1.603,00);
- gestolen contanten (€ 10.000,00);
- verlies aan verdienvermogen (omvang onbekend).
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.500,00 gevorderd.
De vordering van [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 16.444,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde vergoeding wegens materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- eigen risico zorgverzekeraar (€ 385,00);
- reiskosten (€ 59,73);
- verlies aan verdienvermogen (omvang onbekend).
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 16.000,00 gevorderd.
De vordering van [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1]
[slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen van een totaalbedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met uitzondering van het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde verlies aan verdienvermogen. Voor dat deel van de vordering zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen in hun vorderingen
niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schadevergoedingen te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
7.4.1.1 Het verlies van verdienvermogen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
De gevorderde vergoedingen vanwege verlies van verdienvermogen zijn niet onderbouwd. De benadeelde partijen krijgen geen gelegenheid om dit deel van hun vorderingen alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat zij niet-ontvankelijk zijn in dit deel van de vordering. Zij kunnen deze vorderingen aan de burgerlijke rechter voorleggen.
7.4.1.2 De (resterende) materiële schade van [slachtoffer 1]
De kosten voor het hekwerk en het camerasysteem en de contanten
Het gedeelte van de vordering van [slachtoffer 1] dat ziet op de gestolen contanten en de kosten voor het hekwerk en het camerasysteem zijn voldoende onderbouwd en namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De reiskosten
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De onderbouwing van de reiskosten ziet enkel op kosten die zijn gemaakt voor de reis van en naar het kantoor van de advocaat van de benadeelde partij. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten kunnen onder omstandigheden als proceskosten (en niet als materiële schade) worden aangemerkt, maar alleen als de benadeelde partij in persoon procedeert. Dat is niet het geval, omdat hij zich heeft laten bijstaan door zijn advocaat. De genoemde reiskosten in verband met medische bezoeken zijn niet onderbouwd, waardoor de rechtbank de omvang daarvan niet kan vaststellen. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij voor de gehele gevorderde post reiskosten
niet-ontvankelijk verklaren.
7.4.1.3 De (resterende) materiele schade van [slachtoffer 2]
Eigen risico zorgverzekeraar
Het gedeelte van de vordering van [slachtoffer 2] dat ziet op het eigen risico van de zorgverzekeraar is voldoende onderbouwd en namens verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Reiskosten
De gevorderde reiskosten zien voor een deel (€ 31,28) op kosten gemaakt om van en naar het ziekenhuis te reizen. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.
De overige kosten zijn gemaakt om van en naar het kantoor van de advocaat te reizen. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij zich heeft laten bijstaan door zijn advocaat. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering af.
De immateriële schade
7.4.2.1 De immateriële schade van [slachtoffer 1]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit, maar ook acht de rechtbank evident dat hij is aangetast in zijn persoon gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gekeken naar de Rotterdamse schaal . Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag tussen de € 3.000,00 en € 8.000,00 billijk kan zijn in geval van ernstige persoonsaantasting bij bedreigende situaties (categorie 19.1 sub a).
Gelet op de bedragen die volgens de Rotterdamse schaal in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 8.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
7.4.2.2 De immateriële schade van [slachtoffer 2]
Ook in het geval van [slachtoffer 2] staat vast dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Vergoeding van de schade is dus mogelijk op grond van art. 6:106 sub b BW. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gekeken naar de Rotterdamse schaal ter begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag tussen de € 8.500,00 en € 14.000,00 billijk kan zijn in geval van letsel aan de achillespees zoals hier aan de orde is (categorie 5.16 sub c). De rechtbank houdt er daarbij rekening mee dat de benadeelde partij dit letsel heeft opgelopen tijdens een bedreigende situatie en dat hij ook gevoelens van angst en paniek heeft ervaren.
Gelet op de bedragen die volgens de Rotterdamse schaal in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 10.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
7.4.2.3 De vordering van [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ook mogelijk als de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1] in dit geval op deze grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de benadeelde partij zichzelf tijdens de overval heeft opgesloten in de badkamer en dat er geen bedreigingen jegens haar zijn geuit en geen geweld tegen haar is gebruikt.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededaders is betaald, en andersom.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit aan de benadeelde partijen is toegebracht. Als door verdachte niet of niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met de hierna per vordering te noemen aantallen dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting ten aanzien van iedere vordering niet opheft.
de vordering van [slachtoffer 1] : 129 dagen gijzeling;
de vordering van [slachtoffer 2] : 77 dagen gijzeling.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 47 en 63 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1, het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;
schadevergoeding [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.813,00 (bestaande uit een bedrag van € 12.813,00 voor materiële schade en € 8.000,00 voor immateriële schade);
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 20.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2023;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 20.813,00 (zegge: twintigduizend achthonderddertien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 129 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
schadevergoeding [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 10.416,28 (bestaande uit een bedrag van € 416,28 voor materiële schade en € 10.000,00 voor immateriële schade);
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 10.416,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2023;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.416,28 (zegge: tienduizend vierhonderdzestien euro en achtentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 77 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af tot een bedrag van € 28,45;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
schadevergoeding [slachtoffer 3] - [slachtoffer 1]
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, en mr. H. Manuel en mr. R.J. Postma rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Leyendijk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
Buiten staat
Mr. H. Manuel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.