RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84/112931-23 (P)
Datum vonnis: 15 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] V.O.F.,
gevestigd op het adres [vestigingsplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart en 15 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat hetgeen de wettelijke vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam 1], en zijn raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat in Middelburg, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023 in [plaats], al dan niet opzettelijk, verschillende soorten beschermde vogels voor verkoop heeft vervoerd, onder zich heeft gehad voor verkoop en/of te koop heeft aangeboden;
feit 2: in de periode van 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023 in [plaats], al dan niet opzettelijk, in strijd met artikel 2.8 Wet dieren, 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
zij, in of omstreeks de periode 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023, te [plaats],
althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk,
- een bergeend,
- een blauwvleugeltaling,
- een brilduiker,
- één of meer (4) bronskopeenden,
- één of meer (8) dwergganzen,
- één of meer (7) fazanten,
- één of meer (9) kleine Canadese ganzen,
- een knobbelzwaan,
- één of meer (4) kokardezaagbekken/kuifzaagbekken,
- één of meer (8) krakeenden,
- één of meer (10) krooneenden,
- een kruising van een kolgans en een knobbelgans,
- één of meer (10) kuifeenden,
- één of meer (13) marmereenden,
- één of meer (8) pijlstaarten,
- één of meer (3) roodhalsganzen,
- een Siberische taling/Baikaltaling,
- één of meer (3) slobeenden,
- één of meer (17) smienten,
- één of meer (2) tafeleenden en/of
- één of meer (2) wintertalingen,
althans (meerdere) vogels van de soorten als bedoeld in artikel 1 van de
Vogelrichtlijn,
voor verkoop heeft vervoerd, onder zich heeft gehad voor verkoop en/of ten
verkoop heeft aangeboden;
2
zij, in of omstreeks de periode 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023, te [plaats],
althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk,
dieren waarbij een bij artikel 2.8 Wet dieren verboden lichamelijk ingreep is verricht
voor de verkoop in voorraad heeft gehad, ten verkoop heeft aangeboden, heeft
verkocht en/of heeft gekocht,
immers heeft zij, verdachte, één of meer (359) geleewiekte vogels voor de verkoop in
voorraad gehad.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat van de in totaal 66 beschermde vogels de herkomst niet kan worden aangetoond, te weten:
één bergeend;
één blauwvleugeltaling;
één brilduiker;
twee bronskopeenden;
acht dwergganzen;
zes fazanten;
twee Canadese ganzen;
eén knobbelzwaan;
twee kokardezaagbekken/ kuifzaagbekken;
vijf krakeenden;
vier krooneenden;
tien kuifeenden;
zeven marmereenden;
vier pijlstaarten;
één Siberische taling/baikal;
drie slobeenden;
zes smienten, en
twee tafeleenden.
Ten aanzien van de overige op de tenlastelegging vermelde vogels heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte inderdaad vogels zonder pootring, dan wel met een onjuiste pootring in beslag zijn genomen. Zij heeft verzocht het aantal bewezen te verklaren vogels te beperken tot de door de officier van justitie genoemde lijst.
Ten aanzien van deze lijst heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de bergeend en de blauwvleugeltaling weldegelijk waren voorzien van een pootring. Volgens de raadsvrouw was verdachte er niet van op de hoogte dat het hierbij ging om pootringen die niet bij de betreffende vogelsoorten hoorden, zodat het opzet ontbreekt.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ten aanzien van de bronskopeenden en de knobbelzwaan niet uit het dossier blijkt waarom de aangebrachte pootringen als onjuist zouden moeten worden aangemerkt.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat slechts eén slobeend en één tafeleend waren voorzien van een te grote, en daarmee onjuiste pootring.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat het Nederlandse verbod op het in voorraad hebben van geleewiekte vogels in strijd is met het Unierecht, met name het vrij verkeer van goederen. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vervolging van verdachte in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De redengevende feiten en omstandigheden
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [verdachte] V.O.F. (verder: verdachte) opgericht op 1 januari 2000 en was zij gevestigd op het adres [vestigingsplaats] in [plaats]. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “handelsbemiddeling in landbouwproducten, levende dieren en grondstoffen voor textiel en voedingsmiddelen en het handelen in kleindieren (gevogelte, geiten, schapen), bloemen, groenten, voeder en diversen”. De vennoten betroffen de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2].
In november 2022 heeft het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) informatie ontvangen dat Foeragehandel [naam 1] verschillende beschermde vogelsoorten hield en te koop aanbood, zonder dat deze vogels waren voorzien van een pootring. Daarnaast zou deze onderneming geleewiekte vogels te koop aanbieden. Uit onderzoek is gebleken dat met Foeragehandel [naam 1] verdachte werd bedoeld. Verbalisanten hebben vervolgens onderzoek verricht op Marktplaats en zagen dat verdachte een advertentie had geplaatst waarin verschillende soorten watervogels te koop werden aangeboden. Naar aanleiding hiervan heeft op 17 april 2023 een inspectie plaatsgevonden op het bedrijfsadres van verdachte, te weten [vestigingsplaats] in [plaats].
Ter plaatse zagen verbalisanten dat op het terrein van verdachte een grote overdekte volière stond, welke was opgedeeld in twee helften met een middenpad. Aan beide zijden bevonden zich compartimenten met daarin verschillende vogelsoorten, waaronder watervogels, pauwen, fazanten en enkele kippen. In de volière bevonden zich in totaal circa 1200 vogels. Verbalisanten hebben waargenomen dat zich in de volière meerdere vogels van beschermde soorten bevonden die niet waren voorzien van een gesloten pootring, zoals wettelijk is vereist. Daarnaast zagen zij dat verschillende vogels in de volière een duidelijk en zichtbaar lengteverschil in de vleugels vertoonden, waardoor deze niet konden vliegen. Nadat deze vogels nader waren bestudeerd, bleken deze vogels te zijn geleewiekt. Verbalisanten hebben een medewerker van verdachte, te weten de heer [naam 3], medegedeeld dat op 19 april 2023 opnieuw een inspectie zal gaan plaatsvinden waarbij de niet en onjuist geringde beschermde vogels en de geleewiekte vogels in beslag zouden worden genomen.
Op 19 april 2023 werden in totaal 368 vogels in beslag genomen. De dierenarts heeft vastgesteld dat er 66 vogels van beschermde soorten niet waren voorzien van een pootring, dan wel waren voorzien van een onjuiste pootring. Voorts is vastgesteld dat 359 vogels waren geleewiekt.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de dieren werden ingekocht om zo te faciliteren dat klanten dierbenodigdheden zouden kopen bij verdachte. In inkoop en verkoop werd administratief in de boekhouding verwerkt. Alle gehouden vogels waren bedoeld voor de verkoop.
Overwegingen van de rechtbank
4.4.2.1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte beschermde vogels, die niet waren voorzien van een pootring, dan wel waren voorzien van een onjuiste pootring, voor verkoop heeft vervoerd, onder zich heeft gehad of te koop heeft aangeboden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.4.2.1.1 Wettelijk kader
Blijkens artikel 1 van de Richtlijn 2009/147/EG (verder: de Vogelrichtlijn) heeft deze richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de Europese lidstaten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming, het beheer en de regulering van die vogelsoorten. De verbodsbepaling van artikel 3.2 van de Wet natuurbescherming is daarmee van toepassing op alle vogels die op het Europees grondgebied leven, zo ook op de tenlastelegging vermelde vogelsoorten. Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de tenlastegelegde periode voor die datum ligt, is de Wnb met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Uit de bepalingen van de sinds 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet is niet gebleken van een gewijzigd inzicht van de wetgever.
Ten aanzien van beschermde vogelsoorten die niet in het wild leven, maar uit fok afkomstig zijn, geldt dat de legale herkomst moet kunnen worden aangetoond. Daartoe dienen deze vogels te zijn voorzien van een gesloten pootring. In de artikelen 3.25 jo. bijlage 6 en 3.26 Regeling natuurbescherming zijn de wettelijke vereisten opgenomen waaraan een pootring moet voldoen. Zo geldt per vogelsoort een voorgeschreven ringmaat met een maximale diameter en dienen de inscripties op de pootring aan specifieke eisen te voldoen. Indien beschermde vogels worden aangetroffen zonder een gesloten pootring, dan wel met een pootring die niet de wettelijke vereisten voldoet, kan de legale herkomst van deze vogel niet worden vastgesteld. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de bij verdachte in beslag genomen vogels waren voorzien van een pootring, en zo ja, of deze pootringen voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke eisen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.4.2.1.2 Foutieve of geen pootring
Op 19 april 2023 werden in totaal 368 vogels in beslag genomen. De dierenarts heeft vastgesteld dat er 66 vogels van een beschermde soort geen of een onjuiste pootring hadden Met betrekking tot deze vogels is het volgende door de NVWA vastgesteld.
Één bergeend
Op 19 april 2023 werd één bergeend (tadorna tadorna) in beslag genomen. De bergeend is een beschermde vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De inbeslaggenomen vogel was voorzien van een pootring met ringnummer [nummer 1]. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende pootring niet voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als een foutief moet worden aangemerkt.
Één blauwvleugeltaling
Op 19 april 2023 werd één blauwvleugeltaling (anas discors) in beslag genomen. De blauwvleugeltaling is een beschermde vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De inbeslaggenomen vogel was voorzien van een pootring met ringnummer [nummer 2]. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende pootring niet voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Één brilduiker
Op 19 april 2023 werd één brilduiker (bucephala clangula) in beslag genomen. De brilduiker is een beschermde vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De inbeslaggenomen vogel was voorzien van een pootring met ringnummer [nummer 3]. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende pootring niet voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Twee bronskopeenden
Op 19 april 2023 werden in totaal vier bronskopeenden (anas falcata) in beslag genomen. De bronskopeend is een beschermde vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Ten aanzien van deze vier bronskopeenden is gebleken dat één eend geen pootring droeg en één eend was voorzien van een onleesbare pootring.
Acht dwergganzen
Op 19 april 2023 werden in totaal acht dwergganzen (anser erythropus) in beslag genomen. De dwerggans is een beschermde vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De dwergganzen waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 4];
[nummer 5];
[nummer 6];
[nummer 7];
[nummer 8];
[nummer 9], en
[nummer 10].
Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende pootringen van deze acht dwergganzen niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Zes fazanten
Op 19 april 2023 werden in totaal zeven fazanten (phasianus colchicus) in beslag genomen. De fazant is een beschermde vogelsoort. Zes fazanten waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 11];
[nummer 12];
[nummer 13];
[nummer 14];
[nummer 15]
Uit onderzoek is gebleken dat de pootringen van deze zes fazanten niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als een foutief moeten worden aangemerkt.
Twee Canadese ganzen
Op 19 april 2023 werden in totaal negen Canadese ganzen (branta hutchinsii) in beslag genomen. De Canadese gans is een beschermde vogelsoort. Ten aanzien van deze negen Canadese ganzen is gebleken dat één gans geen pootring om had en één gans een foutieve pootring droeg.
Één knobbelzwaan
Op 19 april 2023 werd één knobbelzwaan (cygnus olor) in beslag genomen. De knobbeleend is een beschermde vogelsoort. De knobbelzwaan was voorzien van een pootring met ringnummer [nummer 16]. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende pootring niet voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Twee kokardezaagbekken/ kuifzaagbekken
Op 19 april 2023 werden in totaal vier kokardezaagbekken/ kuifzaagbekken (lophodytes cucullatus) in beslag genomen. De kokardezaagbek/ kuifzaagbek is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Ten aanzien van deze vier kokardezaagbekken/ kuifzaagbekken is gebleken dat één vogel geen pootring om had en één vogel een foutieve pootring droeg.
Vijf krakeenden
Op 19 april 2023 werden in totaal acht krakeenden (anas strepera) in beslag genomen. De krakeend is een beschermde vogelsoort. Vijf krakeenden hadden geen pootring om.
Vier krooneenden
Op 19 april 2023 werden in totaal tien krooneenden (netta rufina) in beslag genomen. De krooneend is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Vier krooneenden waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 17];
[nummer 18];
[nummer 19], en
[nummer 20].
Uit onderzoek is gebleken dat de pootringen van deze vier krooneenden niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moeten worden aangemerkt.
Tien kuifeenden
Op 19 april 2023 werden in totaal tien kuifeenden (aythya fuligula) in beslag genomen. De kuifeend is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Alle tien de kuifeenden hadden geen pootring.
Zeven marmereenden
Op 19 april 2023 werden in totaal 13 marmereenden (marmaronetta angustirostris) in beslag genomen. De marmereend is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Zeven marmereenden hadden geen pootring.
Vier pijlstaarten
Op 19 april 2023 werden in totaal acht pijlstaarten (anas acuta) in beslag genomen. De pijlstaart is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Vier pijlstaarten waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 21];
[nummer 22];
[nummer 23], en
[nummer 24].
Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende vier pootringen niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Één Siberische taling/ baikaltaling
Op 19 april 2023 werd één Siberische taling/ baikaltaling (anas formosa) in beslag genomen. De Siberische taling/ baikaltaling is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De in beslag genomen vogel had geen pootring om.
Drie slobeenden
Op 19 april 2023 werden drie slobeenden (spatula clypeata) in beslag genomen. De slobeend is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De slobeenden waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 25];
[nummer 26], en
[nummer 27].
Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende drie pootringen niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Zes smienten
Op 19 april 2023 werden in totaal zeventien smienten (mareca penelope) in beslag genomen. De smient is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Zes smienten waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 28];
[nummer 29];
[nummer 30];
[nummer 31];
[nummer 32], en
[nummer 33].
Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende zes pootringen niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Twee tafeleenden
Op 19 april 2023 werden twee tafeleenden (aythya ferina) in beslag genomen. De tafeleend is een beschermde vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De tafeleenden waren voorzien van pootringen met ringnummers:
[nummer 34], en
[nummer 35].
Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende twee pootringen niet voldeden aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten en derhalve als foutief moet worden aangemerkt.
Conclusie
Uit het hiervoor overwogene volgt dat in totaal 66 beschermde vogels zijn aangetroffen ten aanzien waarvan kan worden vastgesteld dat deze niet waren voorzien van een pootring dan wel waren voorzien van een onjuiste pootring. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet nader is geverbaliseerd waaruit de onjuistheid van de betreffende pootringen precies bestaat. De raadsvrouw heeft hier ook op gewezen. Dit verweer behoeft echter geen andere bespreking. De wettelijke vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat het juist is dat 66 van de in beslag genomen vogels niet dan wel onjuist waren geringd. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de volgende vogels de legale herkomst niet kan worden vastgesteld:
één bergeend;
één blauwvleugeltaling;
één brilduiker;
twee bronskopeenden;
acht dwergganzen;
zes fazanten;
twee Canadese ganzen;
eén knobbelzwaan;
twee kokardezaagbekken/ kuifzaagbekken;
vijf krakeenden;
vier krooneenden;
tien kuifeenden;
zeven marmereenden;
vier pijlstaarten;
één Siberische taling/baikal;
drie slobeenden;
zes smienten, en
twee tafeleenden.
4.4.2.1.3 voor verkoop onder zich hebben en te koop aanbieden
De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde 66 vogels tijdens een inspectie op het terrein van verdachte zijn aangetroffen. Gelet hierop staat vast dat verdachte deze vogels onder zich heeft gehad. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte beschermde vogels op Marktplaats te koop heeft aangeboden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de betreffende vogels voor verkoop onder zich heeft gehad en te koop heeft aangeboden. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de vogels heeft vervoerd met het oog op de verkoop en zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
4.4.2.1.3 Daderschap [verdachte] V.O.F.
De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden zich voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Zoals hiervoor vastgesteld, bestaan de bedrijfsactiviteiten van verdachte onder meer uit het handelen in kleindieren, waaronder gevogelte. De hiervoor beschreven gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering en hebben aldus plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen daarom worden toegerekend aan verdachte. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een vennootschap onder firma wordt gelijkgesteld aan een rechtspersoon. Dit betekent dat de vennootschap onder firma als rechtspersoon heeft te gelden.
4.4.2.1.5 Opzet van [verdachte] V.O.F.
Naast het daderschap van de rechtspersoon dient ook het in de tenlastelegging vereiste opzet te kunnen worden vastgesteld bij de rechtspersoon. In het algemeen zal opzet van een leidinggevende functionaris steeds kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat overtreding van artikel 3.2 Wet natuurbescherming een economisch delict betreft. Volgens vaste jurisprudentie volstaat in het economisch strafrecht zogenoemd “kleurloos opzet”: het opzet moet gericht zijn op de feitelijk omschreven gedraging. Het opzet hoeft niet mede op het overtreden van het verbod te zijn gericht. In de onderhavige economische strafzaak betekent het dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel opzet niet is vereist dat verdachtes opzet gericht was op het niet-naleven van een wettelijke regeling. Met andere woorden: het is niet vereist dat verdachte wist dat de pootringen niet voldeden aan de wettelijke voorschriften of dat hij bekend was met de regelgeving die daaraan wordt gesteld. De wettelijke vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de inkoop van vogels niet controleerde of deze waren voorzien van een (juiste) pootring en evenmin de ringendatabase heeft geraadpleegd. Het vereiste opzet is hiermee gegeven. Uit het opzet van de vertegenwoordiger van verdachte, kan het opzet van verdachte worden afgeleid. Dit betekent dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.
4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht of heeft gekocht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 2.7, derde lid, Wet dieren is het verboden om dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht voor de verkoop in voorraad te hebben, voor de verkoop aan te bieden, te verkopen en te kopen. Sinds 1 januari 2018 is het leewieken van vogels verboden. Op grond van artikel 2.8, tweede lid onder a, Wet dieren geldt op dit verbod een uitzondering indien sprake is van een diergeneeskundige noodzaak.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat op het terrein van verdachte 359 vogels in beslag zijn genomen, die na controle door een dierenarts bleken te zijn geleewiekt. Daarmee staat vast dat bij deze vogels een verboden lichamelijke ingreep is verricht. Dat sprake is geweest van een diergeneeskundige noodzaak als bedoeld in artikel 2.8 Wet dieren is uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting gebleken. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat in Nederland sprake is van een leewiekverbod. Hij heeft daarbij aangegeven dit vreemd te vinden nu het leewieken van vogels in andere landen wel is toegestaan. De vertegenwoordiger van verdachte heeft voorts verklaard dat hij de geleewiekte vogels niet voor zichzelf hield, maar voor de verkoop in voorraad had. De rechtbank stelt aldus vast dat de vertegenwoordiger van verdachte opzettelijk deze geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist dat bij deze vogels een verboden ingreep was verricht. Uit het opzet van de vertegenwoordiger van verdachte, kan het opzet van verdachte worden afgeleid. Daarmee is het vereiste opzet gegeven.
De raadsvrouw heeft betoogd dat het Nederlandse verbod op leewieken in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van vrij verkeer van goederen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Een beperking van het vrije verkeer van goederen kan gerechtvaardigd zijn indien deze strekt ter bescherming van onder meer het dierenwelzijn, mits deze beperking geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Het verbod op leewieken dient het belang van dierenwelzijn, nu deze ingreep tot gevolg heeft dat vogels blijvend worden beperkt in hun natuurlijke vermogen om te vliegen. De rechtbank is van oordeel dat het verbod geschikt en noodzakelijk kan zijn om dit doel te bereiken en niet verder gaat dan nodig is. Van een ongerechtvaardigde belemmering is dan ook geen sprake. Dat in België mogelijk minder zware eisen aan het leewieken van vogels worden gesteld, doet aan dit oordeel niets af.
De raadsvrouw heeft daarnaast een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, door te wijzen op een geval bij het bedrijf Dierenspecialist Hoogendoorn, waarbij het in voorraad hebben van geleewiekte vogels zou zijn gedoogd en niet tot inbeslagname of strafvervolging heeft geleid. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat in dit geval sprake is geweest van een eenmalige misslag en dat de vogels ook in dat geval in beslag hadden moeten worden genomen. Dit is echter niet gebeurd. Op een later moment was inbeslagname niet meer mogelijk, aangezien de vogels inmiddels waren verkocht. De rechtbank is van oordeel dat dit enkele voorbeeld geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan opleveren. Uit de toelichting van de officier van justitie volgt dat het genoemde geval berust op een incidentele misslag. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds daarom geen sprake van een rechtens gelijk geval, waardoor de vervolging van verdachte achterwege zou moeten blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt daarom verworpen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
zij, in de periode 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023, te [plaats], opzettelijk,
- een bergeend,
- een blauwvleugeltaling,
- een brilduiker,
- 2 bronskopeenden,
- 8 dwergganzen,
- 6 fazanten,
- 2 kleine Canadese ganzen,
- een knobbelzwaan,
- 2 kokardezaagbekken/kuifzaagbekken,
- 5 krakeenden,
- 4 krooneenden,
- 10 kuifeenden,
- 7 marmereenden,
- 4 pijlstaarten,
- een Siberische taling/Baikaltaling,
- 3 slobeenden,
- 6 smienten,
- 2 tafeleenden,
als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, onder zich heeft gehad voor verkoop en ten
verkoop heeft aangeboden;
2
zij, in de periode 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023, te [plaats], opzettelijk, dieren waarbij een bij artikel 2.8 Wet dieren verboden lichamelijk ingreep is verricht voor de verkoop in voorraad heeft gehad, ten verkoop heeft aangeboden, immers heeft zij, verdachte, 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikel 3.2 Wet natuurbescherming en artikel 2.7 Wet dieren, in verband met de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.2 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;
feit 2
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7 Wet dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,--
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Indien en voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een of meer tenlastegelegde feiten komt, heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Daartoe heeft zij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de vertegenwoordiger van verdachte, het blanco strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft 66 beschermde vogels in voorraad gehad en te koop aangeboden, terwijl de legale herkomst van deze vogels niet kon worden aangetoond. Door aldus te handelen heeft verdachte het door de overheid ingestelde identificatiesysteem ondermijnd en het risico vergroot dat illegaal verkregen vogels worden verhandeld. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad gehad. Het leewieken van vogels betreft een verboden lichamelijke ingreep, waarbij vogels blijvend worden beperkt in hun natuurlijke vermogen om te vliegen. De rechtbank rekent ook dit verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden Op 17 april 2023 heeft een inspectie op het bedrijfsadres van verdachte plaatsgevonden. Op dat moment is tegen verdachte een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 17 april 2023 de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 15 april 2026, wat een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar betekent. Deze termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een lager onvoorwaardelijk strafdeel op te leggen dan passend zou zijn geweest bij berechting binnen redelijke termijn.
Alles afwegende, acht de rechtbank een geldboete passend en geboden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting weinig blijk heeft gegeven van een reflectieve houding. De vertegenwoordiger van verdachte geeft de indruk de controle en daaropvolgende vervolging maar gezeur en overdreven te vinden. De vertegenwoordiger van verdachte heeft erop gewezen dat hij al jarenlang op deze wijze handelde en dat pas recent controles hebben plaatsgevonden. Daarnaast wijst hij voortdurend op vermeende onkunde van de NVWA. De rechtbank acht deze houding zorgelijk. De rechtbank ziet daarbij aanleiding een deel van de geldboete voorwaardelijk op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, zij het in mindere mate, nog steeds beschermde vogels houdt en verhandelt. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd verdacht ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een geldboete van € 15.000,-- waarvan € 5.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de inbeslaggenomen vogels moeten worden verbeurd verklaard, met uitzondering van één fazant.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde vogels moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 33, 33a, 51, 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.2 van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;
feit 2
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7 Wet dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 15.000,-- (zegge: vijftienduizend euro);
- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. M.J.E. Vink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Buiten staat
Mr. Vink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.