ECLI:NL:RBOVE:2026:2104

ECLI:NL:RBOVE:2026:2104

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 84/272519-21 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 56-jarige man tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft samen met een ander een bedrag van € 162.570,-- aan de boedel onttrokken, terwijl het faillissement van de stichting voorzienbaar was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84/272519-21 (P)

Datum vonnis: 15 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 december 2025, 30 maart 2026 en 15 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. W. Koopmans, advocaat in Groningen, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 14 september 2018 tot en met 14 mei 2019 als bestuurder van [stichting] samen met een ander of alleen een geldbedrag van € 162.570,00 aan de faillissementsboedel heeft onttrokken, terwijl hij wist dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

feit 2: in de periode van 14 september 2018 tot en met 10 maart 2021 als bestuurder van de failliet verklaarde rechtspersoon [stichting] opzettelijk niet heeft voldaan en/of bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van een administratie, waardoor de afwikkeling van het faillissement is bemoeilijkt;

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2018 tot

en met 14 mei 2019 te Drieborg en/of [vestigingsplaats 3] , in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [stichting] , welke op 14

mei 2019 door de Rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) in staat van

faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,

voor de intreding van bovengenoemd faillissement,

één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van € 162.570,00, althans een

geldbedrag, contant heeft opgenomen van de zakelijke bankrekening van Stichting

Innodome met rekeningnummer [rekeningnummer 1] (AMB-028, p. 557 en

AMB-029, p. 567),

waardoor hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) enig goed aan de boedel

heeft onttrokken,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat hierdoor één of

meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2018 tot

en met 10 maart 2021 te Drieborg, [vestigingsplaats 3] en/of Groningen, in elk geval in

Nederland,

als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [stichting] , welke op 14

mei 2019 door de Rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) in staat van

faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,

voor en/of tijdens bovengenoemd faillissement (telkens) opzettelijk niet heeft

voldaan en/of niet heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke

verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de

daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge

waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Inleiding

Op 30 april 2020 heeft de curator in het faillissement van [stichting] , mr. [curator] , bij de FIOD een melding gedaan van – zakelijk gezegd – faillissementsfraude. Volgens de curator heeft de (voormalig) bestuurder van [stichting] , medeverdachte [medeverdachte] , geen administratie bijgehouden en deze op vordering niet verstrekt, waardoor de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat [medeverdachte] goederen aan de boedel heeft onttrokken en buitensporige uitgaven heeft gedaan, terwijl het faillissement van [stichting] al in zicht was. Na uitnodiging van de Belastingdienst/FIOD (hierna: FIOD) heeft de curator op 17 december 2020 aangifte gedaan tegen medeverdachte [medeverdachte] ter zake van faillissementsfraude. De FIOD heeft naar aanleiding van deze aangifte een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen medeverdachte [medeverdachte] , bekend onder de naam “ [alias] ”. Hoewel de vermoedelijke strafbare feiten hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaande aan de formele bestuursperiode van verdachte [verdachte] , is ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek het vermoeden ontstaan dat verdachte als feitelijk bestuurder van [stichting] betrokken is geweest bij de faillissementsfraude. Naar aanleiding hiervan is op 2 april 2021 door de weegploeg besloten het strafrechtelijk onderzoek uit te breiden, met als gevolg dat er twee zaaksdossiers zijn opgesteld, gericht op de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] (verder: verdachte).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitnota integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als feitelijk bestuurder van [stichting] kan worden aangemerkt. Daarnaast heeft verdachte geen materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit geleverd, zodat van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is. Ook is niet bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het benadelen van de schuldeisers van [stichting] . Tot slot is niet bewezen dat enig goed aan de boedel is onttrokken, dan wel dat het aan de boedel onttrokken geldbedrag moet worden gematigd naar € 6.070,--.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het niet voeren van een administratie van [stichting] , waartoe hij wettelijk verplicht was.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

De redengevende feiten en omstandigheden

Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [stichting] opgericht op 9 november 2012, was zij statutair gevestigd in [vestigingsplaats 1] en hield kantoor op het adres [adres 2] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit het adviseren op het gebied van management en bedrijfsvoering. Vanaf 14 september 2018 tot en met 5 maart 2019 was medeverdachte [medeverdachte] bestuurder van [stichting] . Vanaf 5 maart 2019 tot en met 4 april 2019 was verdachte bestuurder van [stichting] .

Op 14 mei 2019 is [stichting] door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement verklaard. In het faillissement werd mr. [curator] als curator aangesteld. Blijkens het meest recente faillissementsverslag heeft de curator vastgesteld dat in een periode van circa drie maanden voorafgaand aan het faillissement door medeverdachte [medeverdachte] aanzienlijke hoeveelheden bouwmaterialen en machines zijn besteld, zonder dat deze zijn betaald. Deze goederen zijn aangewend om omzet te generen. De curator heeft in de boedel geen activa, waaronder liquide middelen, aangetroffen. Uit de bankafschriften blijkt dat de op de ING-rekening met IBAN-nummer [rekeningnummer 2] ten name van [stichting] aanwezige gelden in de aanloop naar het faillissement grotendeels contant zijn opgenomen. De curator heeft alle administratie gevorderd om onder andere te achterhalen wat er met het contant opgenomen geld is gebeurd. Er is door [stichting] nagenoeg geen administratie overgelegd.

Door de FIOD is onderzoek verricht naar de ING-rekening van [stichting] . Uit analyse van de bankmutaties over de periode van 13 november 2018 tot en met 13 maart 2019 volgt dat de inkomende geldstromen voor een totaalbedrag van € 177.197,66 het gevolg zijn van de verkoop van pallets. Van dit bedrag is € 162.570,-- contant opgenomen. In totaal zijn er 55 contante opnames verricht, veelal kort nadat de geldbedragen op de rekening waren bijgeschreven.

Aangezien nagenoeg geen administratie is overgelegd, heeft de FIOD de woningen en verblijfplaatsen van verdachten doorzocht. Daarbij zijn diverse losse in- en verkoopfacturen aangetroffen. Van een deugdelijke administratie is niet gebleken. Zo zijn geen grootboekrekening, kasboek of een winst- en verliesrekening aangetroffen.

Overwegingen van de rechtbank

4.4.2.1 Feiten 1 en 2: feitelijk bestuurder van [stichting]

Zoals hiervoor weergegeven, stelt de rechtbank vast dat blijkens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel verdachte vanaf 5 maart 2019 tot en met 4 april 2019 formeel bestuurder is geweest van [stichting] . Ook degenen die feitelijk de rechtspersoon besturen, zonder een officiële functie als bestuurder te vervullen, kunnen gelden als bestuurder. In artikel 348a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat onder bestuurder van een rechtspersoon voor de toepassing van de bepalingen in de titel XXVI ‘Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden’ mede moet worden begrepen degene die feitelijk optreedt als bestuurder van een rechtspersoon.

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of verdachte al vanaf 14 september 2018 kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder van [stichting] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het komt bij de beoordeling of hiervan sprake is dus aan op de maatschappelijke realiteit. Voor het antwoord op de vraag of een persoon kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder is onder meer bepalend of de betrokkene het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder van de rechtspersoon. Het gaat hier dus in beginsel om het optreden in algemene zin, al kan ook een enkele handeling al beleidsbepalend zijn indien en voor zover die handeling is gericht op een essentieel en ingrijpend punt van de bedrijfsvoering.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de FIOD, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij weliswaar als bestuurder van de [stichting] stond ingeschreven, maar dat hij feitelijk door verdachte en [naam] (verder: [naam] ) is gebruikt als katvanger en dat zij de [stichting] hebben overgenomen en daarvan gebruik hebben gemaakt. Volgens medeverdachte [medeverdachte] beheerden verdachte en [naam] de bankrekening van [stichting] . Hij kreeg de opdracht van verdachte en [naam] om geld te pinnen van de bankrekening van [stichting] en vervolgens af te leveren in [vestigingsplaats 2] of op het kantoor van verdachte in [vestigingsplaats 3] . [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het geld moest pinnen omdat dat de enige manier is waar je mee te traceren bent. “Verdachte was de baas en [naam] de tweede man”, aldus medeverdachte [medeverdachte] .

De getuige [getuige] , werknemer van verdachte, heeft verklaard dat verdachte de feitelijke leiding had binnen [stichting] . Volgens [getuige] heeft verdachte € 30.000,00 gegeven aan [medeverdachte] voor [stichting] en werd vanaf dat moment door verdachte en [naam] gebruikt als katvanger. [getuige] heeft verklaard dat verdachte de “patron” was binnen [stichting] . Hij is de hoogste in rang en degene die alles beslist binnen [stichting] . Hij was altijd in control”, aldus [getuige] . [naam] en [medeverdachte] voerden uit wat verdachte hem opdroeg. Verdachte had de touwtjes in handen. [getuige] heeft verder verklaard dat verdachte zich op een later moment formeel als bestuurder heeft ingeschreven omdat hij inzicht wilde hebben in de bankrekening van [stichting] omdat het geld dat op de bankrekening stond van hem was.

[naam] heeft verklaard dat hij werkzaamheden voor [stichting] heeft verricht, maar alles in opdracht van verdachte. “Ik had een zakelijke relatie met hem. Hij vroeg mij dan meestal iets en ik deed dit dan. Hij is meer de leidraad en ik de uitvoerder”, aldus [naam] . [naam] heeft verder verklaard dat de afspraak was dat medeverdachte [medeverdachte] het geld ophaalde en bracht naar verdachte en dat hij geen financiële zaken mocht regelen.

Voorts bevinden zich in het dossier WhatsApp-berichten tussen [getuige] en [verdachte] in de periode 18 september 2018 tot en met 18 mei 2019 waaruit, zakelijk weergegeven, naar voren komt dat [getuige] verantwoording aflegt aan [verdachte] en hem informeert over de gang van zaken met betrekking tot de pallethandel binnen [stichting] .

In het dossier bevinden zich WhatsApp-berichten tussen [getuige] en medeverdachte [medeverdachte] in de periode 19 september 2018 tot en met 30 juni 2019 waaruit, zakelijk weergegeven, naar voren komt dat [medeverdachte] ten aanzien van de mutaties op de bankrekening van [stichting] verantwoording moet afleggen aan [getuige] . In de chatlogs geeft [getuige] aan dat medeverdachte [medeverdachte] “getallen” moet meenemen. Dit wordt opgevolgd door contante opnamen die van de bankrekening van [stichting] worden gedaan. [getuige] bericht medeverdachte [medeverdachte] dat hij “500” moet meenemen en dat [naam] of [verdachte] wel aanwezig is op het kantoor. Hieruit volgt dat instructies werden gegeven over het opnemen en afdragen van geldbedragen, inclusief tijd en plaats.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkent dat hij feitelijk bestuurder is geweest van [stichting] .

Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband, leidt de rechtbank af dat verdachte vóór 5 maart 2019 een belangrijke positie had binnen [stichting] . Uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] , [naam] en [getuige] volgt dat zij eensluidend verdachte aanwijzen als degene die van meet af aan de feitelijke leiding had binnen de onderneming. Verdachte was diegene die de beslissingen nam, opdrachten gaf en de gang van zaken binnen [stichting] bepaalde. De verklaringen worden ondersteund door de inhoud van de chatberichten. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bevindingen van de curator volgt dat de inkomende geldstromen van [stichting] het gevolg waren van de verkoop van pallets. Deze bevinding vindt steun in het WhatsApp-gesprek tussen [getuige] en verdachte, waaruit blijkt dat [getuige] aan verdachte verantwoording aflegt daaromtrent. Voorts zijn in de woning van verdachte in- en verkoopfacturen aangetroffen die betrekking hebben op deze pallethandel en dateren uit een periode voorafgaand aan zijn formele inschrijving als bestuurder van [stichting] . Dit alles ondersteunt het oordeel dat verdachte daadwerkelijk sturing gaf aan de kernactiviteiten van de onderneming en daarmee het beleid van de rechtspersoon bepaalde.

De verklaring van verdachte dat hij vóór 5 maart 2019 niet betrokken is geweest bij [stichting] wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte aan te merken als feitelijk bestuurder en daarmee als bestuurder van [stichting] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, hoewel medeverdachte [medeverdachte] vanaf 14 september 2018 formeel gezien als bestuurder stond ingeschreven, uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte vanaf dat moment feitelijk de touwtjes in handen had en de beslissingen nam binnen de onderneming. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte met ingang van 14 september 2018 kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder van [stichting] . Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Voor een bewezenverklaring van artikel 343 Sr is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte als (feitelijk) bestuurder opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende. Aangenomen wordt dat dit impliceert dat ten tijde van de tenlastegelegde handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan, waarbij een aanmerkelijke kans in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid is, of dat als gevolg van die handelingen een redelijke mate van waarschijnlijkheid van een faillissement is ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het faillissement zelf is geen zelfstandig vereiste. Met andere woorden, ten tijde van de tenlastegelegde handelingen moet het faillissement voor verdachte voorzienbaar zijn geweest.

4.4.2.2.1 Zicht op faillissement

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte vanaf 14 september 2018 als (feitelijk) bestuurder van [stichting] heeft te gelden. Uit de aangifte en bevindingen van de curator volgt dat door het bestuur van [stichting] geen administratie is bijgehouden. Op vordering van de curator is nagenoeg niets overgelegd. Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat in het geheel geen deugdelijke administratie is gevoerd. Behoudens enkele losse facturen zijn in ieder geval geen grootboekadministratie, kasboek of winst- en verliesrekening aangetroffen. Daarnaast staat vast dat in totaal € 162.570,-- van de bankrekening van [stichting] in contanten is opgenomen, terwijl bij het ontbreken van een administratie in het geheel niet kan worden vastgesteld wat met deze gelden is gebeurd. Ook staat vast dat door [stichting] goederen zijn gekocht en niet betaald. In zoverre is van meet af aan sprake geweest van een schuldenaar die is opgehouden te betalen, hetgeen voldoende is om failliet verklaard te worden. Naar het oordeel van de rechtbank spreekt het voor zich dat een onderneming met een dergelijke handelwijze – zonder enige vorm van deugdelijke administratie en zonder inzicht in de financiële positie – niet kan voortbestaan. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de aanmerkelijke kans op een faillissement van [stichting] voor verdachte voorzienbaar is geweest vanaf 14 september 2018. Door geen administratie te voeren, geen inzicht te behouden in de financiële positie van [stichting] en nagenoeg alle inkomsten in contanten op te nemen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers zouden worden benadeeld.

4.4.2.2.2 Onttrekking aan de boedel

De rechtbank stelt voorop dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft verdachte, al dan niet met tussenkomst van [naam] en [getuige] , [medeverdachte] opdracht gegeven om voor het faillissement van [stichting] de gelden op de bankrekening contant op te nemen. In totaal zijn er in een kort tijdsbestek 55 contante opnames verricht ter hoogte van € 162.570,--. Bij gebreke van een deugdelijke administratie heeft de FIOD niet kunnen achterhalen waar deze gelden zijn gebleven. Wat daar ook van zij, deze gelden hadden onder bereik en beheer van de curator horen te vallen en zijn daarom als onttrekking te beschouwen.

4.4.2.2.3 Medeplegen

Op basis van het dossier, zoals hierboven samengevat weergegeven, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen.

4.4.2.2.4 Conclusie

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4.2.3 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

4.4.2.3.1 Administratieplicht

De rechtbank overweegt dat een bestuurder van een rechtspersoon op grond van artikel 2:10

van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is een administratie te voeren en de daartoe

behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat

te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit

jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel

inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en

de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de

rechtspersoon (vgl. Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713; Hoge Raad 10 oktober

20 14, ECLI:NL:HR:2014:2932).

De curator heeft in haar aangifte naar voren gebracht dat zij van zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] de administratie van [stichting] heeft gevorderd. De curator heeft in het geheel geen administratie ontvangen. Medeverdachte [medeverdachte] verklaarde tegenover de curator dat hij in zijn geheel geen administratie heeft bijgehouden en derhalve niets kon overleggen. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het moment van formele aanstelling als bestuurder geen, dan wel nauwelijks, administratie van medeverdachte [medeverdachte] heeft ontvangen en daarom vrijwel niets kon afgeven.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat binnen [stichting] geen deugdelijke administratie is gevoerd. In de woningen van medeverdachte [medeverdachte] en verdachte, alsmede het kantoor van verdachte, zijn enkele losse in- en verkoopfacturen aangetroffen, maar deze vormen geenszins een sluitende administratie. Er is geen grootboekrekening, kasboek of winst- en verliesrekening aangetroffen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de administratieplicht neergelegd in artikel 2:10 BW.

4.4.2.3.2 Opzet

De rechtbank is van oordeel dat verdachte als (feitelijk) bestuurder van [stichting] de verantwoordelijkheid droeg voor de algemene gang van zaken bij de rechtspersoon en daarmee ook voor het op een zodanige wijze voeren van een administratie dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon duidelijk zijn. Zoals hiervoor overwogen, heeft verdachte geen deugdelijke administratie gevoerd. In de woning en het kantoor van verdachte zijn slechts enkele losse- in en verkoopfacturen aangetroffen, die geenszins een volledig beeld geven van de rechten en verplichtingen van de stichting. Door slechts losse facturen te bewaren, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de administratie incompleet zou zijn, met als gevolg dat de administratieplicht zou worden geschonden. De verklaring van verdachte, inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte] geen administratie heeft bijgehouden en hij daarom niets kon opmaken, doet hieraan niets af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan verschuilen achter anderen. Verdachte was als feitelijk bestuurder zelf gehouden een deugdelijke administratie te voeren.

4.4.2.3.3 Ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt

De rechtbank stelt vast dat de curator in het geheel geen administratie heeft verkregen. Hierdoor kon de curator de rechten en verplichtingen van [stichting] niet vaststellen en hierdoor is de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt.

4.4.2.3.4 Medeplegen

Op basis van het dossier, zoals hierboven samengevat weergegeven, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen.

4.4.2.3.5 Conclusie

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op tijdstippen in de periode van 14 september 2018 tot en met 14 mei 2019 in Nederland, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [stichting] , welke op 14

mei 2019 door de Rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met een ander,

voor de intreding van bovengenoemd faillissement, meerdere geldbedragen tot een totaalbedrag van € 162.570,00, contant heeft opgenomen van de zakelijke bankrekening van [stichting] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , waardoor hij, verdachte, en zijn mededader, telkens enig goed aan de boedel heeft onttrokken,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader, telkens wisten dat hierdoor één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

2

hij op tijdstippen in de periode van 14 september 2018 tot en met 10 maart 2021 in Nederland,

als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon, te weten [stichting] , welke op 14

mei 2019 door de Rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met ander,

voor bovengenoemd faillissement telkens opzettelijk niet heeft voldaan en niet heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 343 en 344a Sr. van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd enig goed aan de boedel hebben onttrokken;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van in staat van faillissement zijn verklaard en voor of tijdens het faillissement opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Indien en voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een of meer tenlastegelegde feiten komt, heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en ernst van de gepleegde feiten

Verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft samen met een ander een bedrag van € 162.570,-- aan de boedel onttrokken, terwijl het faillissement van [stichting] voorzienbaar was. Door aldus te handelen heeft verdachte de schuldeisers van de stichting benadeeld. Verdachte heeft op slinkse en geraffineerde wijze in aanloop naar het faillissement de boedel van [stichting] leeg getrokken met geen ander doel dan er zelf financieel beter van te worden. Verdachte heeft een ander opdracht gegeven om geldbedragen contant op te nemen met geen ander doel dan zelf buiten beeld van de curator en justitie te blijven. Het geld is naderhand niet getraceerd en derhalve niet alsnog ter beschikking gesteld aan de curator. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen de schuldeisers benadeeld, maar ook het vertrouwen geschaad dat in een eerlijke afwikkeling van faillissementen mag worden gesteld. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte zich niet gehouden aan de hem als (feitelijk) bestuurder wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren en te bewaren. Door het niet juist bijhouden van de administratie was het voor de curator niet mogelijk om op een eenvoudige wijze voldoende betrouwbaar inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie en rechten en verplichtingen van [stichting] . Als gevolg hiervan was het voor de curator moeilijker om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijk en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 22 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor een fraudedelict. Nu deze veroordeling dateert van geruime tijd geleden, zal de rechtbank hiermee in het nadeel van verdachte in beperkte mate rekening houden.

De redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden Op 17 november 2021 heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking van de woning van verdachte plaatsgevonden en is hij aangehouden en in verzekering gesteld. Op dat moment is tegen verdachte een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 17 november 2021 de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 15 april 2025, wat een overschrijding van de redelijke termijn van bijna twee jaar en vijf maanden betekent. Deze termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door een korter onvoorwaardelijk strafdeel op te leggen dan passend zou zijn geweest bij berechting binnen redelijke termijn.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate richtinggevend is. Deze oriëntatiepunten geven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden in overweging bij een benadelingsbedrag van € 125.000,-- tot € 250.000,--.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten zonder meer het opleggen van een gevangenisstraf rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat verdachte een initiërende en sturende rol heeft gehad in de fraude en feitelijk de leiding voerde binnen [stichting] . De rechtbank weegt voorts zwaar mee dat verdachte ter terechtzitting geen enkel blijk heeft gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. Verdachte heeft de schuld trachten af te schuiven op anderen en telkens naar voren gebracht dat anderen fouten hebben gemaakt, maar hijzelf niet. Deze houding acht de rechtbank kwalijk en zorgwekkend.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat er meerdere ondernemingen op zijn naam staan. Hoewel verdachte heeft gesteld dat hij zich daar niet meer actief mee bezighoudt, ziet de rechtbank hierin aanleiding om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen. Daarmee wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden opleggen, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, daarbij rekening houdend met een matiging van twee maanden op het onvoorwaardelijke strafdeel vanwege de eerdergenoemde overschrijding van de redelijke termijn.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd enig goed aan de boedel hebben onttrokken;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van in staat van faillissement zijn verklaard en voor of tijdens het faillissement opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door D. ten Boer, voorzitter, mr. R.P. van Campen en mr. M.J.E. Vink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.

Buiten staat

Mr. Vink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?