ECLI:NL:RBOVE:2026:2127

ECLI:NL:RBOVE:2026:2127

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer C/08/343069 / FA RK 25-3270
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Geschillenregeling. Kinderbijslag en kindgebonden budget. Rechtbank bepaalt dat de vader bij wie de kinderen het hoofdverblijf hebben, aanvrager wordt van de kinderbijslag. Rechtbank zoekt aansluiting bij de Beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/343069 / FA RK 25-3270

beschikking van 13 april 2026

in de zaak van

[de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. R.A. van den Heuvel,

en

[de vader] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat: mr. M.E. Beeker.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 24 december 2025;

het verweerschrift met bijlagen met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 24 februari 2026 en

een F9-formulier met bijlage van mr. Van den Heuvel, binnengekomen op 25 februari 2026;

een F9-formulier met bijlagen van mr. Van den Heuvel, binnengekomen op 26 februari 2026 en

een F9-formulier met bijlage van mr. Van den Heuvel, binnengekomen op 26 februari 2026.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten

deuren op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

de moeder, bijgestaan door haar advocaat en

[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2. De feiten

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

Zij hebben samen de navolgende kinderen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2019,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2022,

hierna te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Dit betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 7 maart 2024 onder meer als volgt beslist:

“- bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken vanaf donderdagmiddag (na school) tot zaterdagochtend 9.00 uur bij de moeder verblijven;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weken van donderdagmiddag (na school) tot maandagochtend (naar school) bij de moeder verblijven; de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op donderdagmiddag ophaalt (na school); de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in de oneven weken) op zaterdagochtend bij de moeder ophaalt:

- de moeder [minderjarige 1] (na het weekend in de even weken) op maandagochtend naar school brengt en [minderjarige 2] naar de vader dan wel de opvangplek die de vader heeft geregeld; de vakanties en feestdagen door de ouders in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.”

3. Het verzoek

De moeder verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

I . een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen zoals verwoord in het lichaam van dit verzoekschrift onder punt 36*, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen regeling.

II. vervangende toestemming te verlenen voor individuele therapeutische behandelingen van [minderjarige 1] door [naam 2], waarbij de kosten door beide partijen gezamenlijk worden gedragen.

111 . vervangende toestemming te verlenen voor om [minderjarige 1] in te schrijven bij VV [plaats 1].

IV. te bepalen dat partijen de kosten voor therapie van [minderjarige 1] en voetbal voor [minderjarige 1] bij helfte delen.

V. te bepalen dat partijen toekomstige verblijfsoverstijgende gezamenlijke kosten delen bij helfte indien en zolang partijen hierover van tevoren overeenstemming bereiken.

* De advocaat van de moeder verwijst met betrekking tot het verzoek over de zorgregeling naar punt 36 van het verzoekschrift. De rechtbank leest dit als een verwijzing naar punt 43 van het verzoekschrift, waarin verzocht wordt de zorgregeling te wijzigen en tussen de moeder en de kinderen de volgende regeling vast te stellen:

• [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in de even weken van maandag na school tot maandag na school bij de vrouw.

• [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in de oneven weken van maandag na school tot maandag na school bij de man.

• De moeder verzoekt Uw rechtbank te bepalen dat zolang [minderjarige 2] nog geen vier jaar oud is, dat [minderjarige 2] op het wisselmoment wordt opgehaald door de ouder bij wie hij gaat verblijven, waarna die ouder aansluitend [minderjarige 1] van school ophaalt.

• Op vrije dagen, studie-en feestdagen zal het wisselmoment op de maandagen om 18:00 uur plaatsvinden.

• De moeder stelt voor dat de zomervakantie, zodra [minderjarige 2] de leeftijd van vier heeft bereikt en naar school gaat, in gelijke blokken van drie aaneengesloten weken bij helfte wordt verdeeld.

4. Het verweer met een zelfstandig verzoek

De vader verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

l. de verzoeken van moeder af te wijzen;

Bij zelfstandig verzoek:

11. om te bepalen/te verklaren voor recht dat vader de hoofdaanvrager van de kinderbijslag dient te zijn vanaf de datum van uw beschikking en daarmee gerechtigde wordt van de toeslagen/het kindgebonden budget ten behoeve van de kinderen;

lll. de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5. De beoordeling

De rechtbank zal:

het verzoek van de moeder onder l. niet ontvankelijk verklaren;

de overige verzoeken van de moeder afwijzen;

Het zelfstandige verzoek van de vader genoemd onder ll. toewijzen en

Het zelfstandige verzoek van de vader genoemd onder lll. afwijzen.

De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Zorgregeling

De standpunten

De vader wijst erop dat de moeder in het verleden vaak is verhuisd en er veel procedures zijn geweest tussen de moeder en hem. Deze onrustige en instabiele geschiedenis is met name ten koste gegaan van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ook de huidige situatie waarbij de moeder zonder nadere onderbouwing stelt dat zij gaat verhuizen naar [plaats 2] en mogelijk een woning koopt in [plaats 3] zorgt voor onrust. De vader benadrukt dat de kinderen nu weten waar ze aan toe zijn. Het is voor de kinderen duidelijk wanneer ze bij hem zijn en wanneer bij hun moeder. Om de kinderen de stabiliteit te geven die zij nodig hebben, is hij minder gaan werken. De vader is bereid om samen met de moeder via de gemeente een oudertraject te starten met als doel hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. Daarbij heeft hij het traject Ouderschap na Scheiden genoemd.

De moeder stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel onrust ervaren rondom de wisselingen van de zorgmomenten en zij voelt dat beiden meer tijd bij haar willen doorbrengen. Een co-ouderschapregeling is daarom in het belang van de kinderen. Er is volgens haar sprake van wijziging van omstandigheden. Dit omdat zij mogelijk de beschikking krijgt over een woning in Zwolle. Ook als blijkt dat het verkrijgen van de woning in [plaats 3] om financiële redenen niet haalbaar is, is een co-ouderschap mogelijk. Dit omdat zij bij haar partner in [plaats 2] intrekt. De reistijd [plaats 2] – [plaats 3] is in tegenstelling tot de afstand van haar huidige woonplaats [plaats 4] te overzien. Voor een co-ouderschap pleit ook dat er bij de vader in zijn nieuwe gezin gezinsuitbreiding heeft plaatsgevonden. Daaruit volgend concludeert de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer bij haar kunnen zijn. Dat haar leefomstandigheden in het verleden gekenmerkt werden door instabiliteit wijt zij aan omstandigheden. Op zitting verklaarde zij dat zij bereid is om samen met de vader deel te nemen aan een traject als Ouderschap na Scheiden als dat in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Het advies van de raad

De raad adviseert de zorgregeling op dit moment niet te wijzigen. De raad sluit niet uit dat een wijziging al dan niet in de mate zoals door de moeder verzocht in de toekomst wel mogelijk is. Daar is in de visie van de raad in ieder geval voor nodig dat de ouders gaan leren hoe zij samen tot juiste keuzes komen met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De raad vindt het tekenend dat het de ouders niet lukt om tot een beslissing te komen over de inschrijving van [minderjarige 1] bij voetbalvereniging [plaats 1] en dit daarom aan de rechtbank is voorgelegd. Geadviseerd wordt daarom dat de ouders zich via het Sociaal Wijkteam gaan aanmelden voor het traject het Ouderschap na Scheiden. De raad voegt daaraan toe dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zijner tijd goed zou zijn als zij zelfstandig per fiets tussen hun ouders kunnen bewegen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank kan een zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien

de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank vindt dat hiervan geen sprake is en legt dit uit.

De rechtbank stelt vast dat de nu geldende zorgregeling die het gerechtshof in 2024 heeft bepaald gefundeerd is op de woonplaatsen van de ouders, te weten voor de vader [plaats 3] en voor de moeder [plaats 4]. Dat is nog steeds zo. Het voornemen van de moeder dat zij een woning gaat kopen in Zwolle en bij haar partner in [plaats 2] intrekt, is niet onderbouwd. Van een wijziging van omstandigheden is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook het gegeven dat er in het gezin van de vader sprake is van gezinsuitbreiding, is naar het oordeel van de rechtbank geen gewijzigde omstandigheid die die noopt tot een aanpassing van de zorgregeling. De rechtbank zal de moeder daarom niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek om de zorgregeling te wijzigen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dat verzoek. De rechtbank hecht er desondanks aan om nog het volgende op te merken.

De rechtbank volgt de raad in zijn advies dat het voor het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is dat hun ouders via het traject Ouderschap na Scheiden gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding en communicatie. De rechtbank vindt het positief dat de ouders bereid zijn om een hulpverleningstraject te volgen dat gericht is op hun onderlinge verstandhouding.

Vervangende toestemming therapeutische behandelingen ten behoeve van [minderjarige 1]

De standpunten

De vader is bereid om met de moeder mee te denken over therapieën die helpend zijn voor [minderjarige 1]. Hij vindt het inzetten van inzetten van individuele therapie een te zwaar middel. Zijn voorstel is daarom om [minderjarige 1] aan te melden voor het groepsprogramma voor kinderen van gescheiden ouders in de leeftijd van 4 tot 6 jaar (de Stoere Schildpadden). Als daar uit komt dat voor [minderjarige 1] het inzetten van individuele therapie wenselijk is, zal hij daar zijn medewerking aan verlenen.

Volgens de moeder loopt [minderjarige 1] tegen dingen aan waar hij moeite mee heeft. Zij denkt dat dit komt omdat hij zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Het is voor [minderjarige 1] daarom belangrijk dat hij op een neutrale plek kan vertellen wat er in hem speelt. Zij gaat akkoord met deelname van [minderjarige 1] aan de groep de Stoere Schildpadden. Daarnaast vindt zij dat hij ook gebaat is bij een individuele therapeutische behandeling.

Het advies van de raad

De raad adviseert dat [minderjarige 1] start bij de Stoere Schildpadden. Vervolgens is het aan de deskundigen die daar werkzaam zijn om in te schatten of [minderjarige 1] naast deze groepstherapie gebaat is bij individuele therapie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het verzoek van de moeder om aan haar in plaats van de vader vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten van therapeutische behandelingen voor [minderjarige 1] afwijzen. De rechtbank licht deze beslissing toe.

De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige 1] gaat starten bij de Stoere Schildpadden. De rechtbank is in lijn met het advies van de raad van oordeel dat de deskundigen die dit groepsprogramma begeleiden gaan inschatten of individuele therapie voor [minderjarige 1] wenselijk is. Als een dergelijk advies op enig moment wordt gegeven, heeft de rechtbank er vertrouwen in dat de vader zijn toezegging om daaraan mee te werken waarmaakt.

Inschrijving [minderjarige 1] bij voetbalvereniging Berkum

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het eens is met de vader dat [minderjarige 1] eerst zijn zwemdiploma haalt alvorens hem lid te maken van v.v. [plaats 1]. De rechtbank verwacht van de vader dat hij zijn woord gestand doet dat [minderjarige 1] na het behalen van zijn zwemdiploma C wordt ingeschreven bij deze voetbalclub. Het is dus niet nodig om een beslissing te nemen op dit verzoek van de moeder.

Voor de ouders kan de inschrijving bij v.v. [plaats 1] een voorbeeld zijn waarin zij beide laten zien dat zij zich aan hun toezegging houden.

Verzoek van de moeder: delen verblijfsoverstijgende kosten

en

Verzoek van de vader hoofdaanvrager kinderbijslag en kindgebonden budget

De rechtbank zal bepalen dat de vader met ingang van heden de hoofdaanvrager van de kinderbijslag is. Het verzoek van de moeder tot het delen van de verblijfsoverstijgende kosten zal worden afgewezen.

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Vast staat de ouders geen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder is de aanvrager van de kinderbijslag en heeft daaruit volgend recht op het kindgebonden budget. De kinderbijslag wordt volgens de ouders op dit moment gesplitst uitbetaald. De ouders ontvangen ieder de helft.

De ouders zijn het niet eens over hoe de verblijfsoverstijgende kosten (die doorgaans worden betaald uit het kindgebonden budget) tussen hen moet worden verdeeld. De vader stelt onbetwist dat hij verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft voldaan en dat het maken van afspraken daarover moeizaam verloopt. De moeder wil de verblijfsoverstijgende kosten delen.

De rechtbank overweegt dat het ontbreken van afspraken over de verblijfsoverstijgende kosten en de aanwending van het kindgebonden budget leidt tot conflicten tussen de ouders. Dat is niet in het belang van de kinderen. De rechtbank zal bepalen dat de vader de hoofdaanvrager wordt van de kinderbijslag. Dientengevolge heeft hij recht op het kindgebonden budget. De rechtbank legt deze beslissing uit.

Op grond van artikel 10, eerste lid van het Besluit uitvoering kinderbijslag is sprake van co-ouderschap als beide ouders een kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke uitspraak overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. Hoewel in de situatie van de ouders geen sprake is van overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden – de vader draagt immers de meeste zorg voor de kinderen – zoekt de rechtbank vanwege de beslissing van de SVB om de kinderbijslag gesplitst uit te betalen aansluiting bij de beleidsregels die gelden voor co-ouderschap.

In de Beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

‘’(…) Als geen kinderalimentatie is vastgesteld, neemt de SVB aan dat het onderhoud op dezelfde wijze is verdeeld als de verzorging. De SVB gaat hierbij uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak. (…)

Als in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen verdeling van de kinderbijslag is overeengekomen, dan betaalt de SVB de kinderbijslag waarop één van beide ouders recht heeft in gelijke mate uit aan beide ouders. De kinderbijslag waarop de andere ouder recht heeft, betaalt de SVB in dat geval niet uit.

De co-ouder wiens recht op kinderbijslag gesplitst wordt uitbetaald, wordt de aanvrager genoemd. De andere co-ouder kan aan de SVB vragen om van aanvrager te wisselen. Hiervoor is toestemming van de huidige aanvrager nodig. Als deze geen toestemming geeft, wisselt de SVB alleen van aanvrager als zich één van de volgende uitzonderingssituaties voordoet:

• Uit een schriftelijke overeenkomst van de co-ouders, een beslissing van de familierechter of de berekening van de kinderalimentatie blijkt dat het de bedoeling is dat de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt. (…)’’

De moeder heeft aan de vader geen toestemming gegeven om de kinderbijslag aan te vragen. Er is dus een beslissing van de familierechter nodig om een wisseling van aanvrager bij de Sociale Verzekeringsbank te bewerkstelligen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de vader de aanvrager van de kinderbijslag wordt. Dit past bij de huidige situatie waarin de vader - bij wie het hoofdverblijf van de kinderen is bepaald en die de meeste zorg voor de kinderen heeft- alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen betaalt. De rechtbank heeft in de afweging betrokken dat de communicatie tussen de ouders ook op het vlak van de financiën niet goed verloopt. De wens van de moeder om de verblijfsoverstijgende kosten te delen, getuigt van een wens tot samenwerken met de vader die de moeder echter op haar voorwaarden wil vormgeven. Zij wil de kosten alleen delen nadat de vader haar een bericht stuurt met een concreet voorstel en een inschatting van de kosten. De rechtbank voorziet dat deze aanpak de discussies tussen de ouders eerder zal voeden dan dat die leidt tot een evenwichtige verdeling van de verblijfsoverstijgende kosten. Om verdere conflicten over de verblijfsoverstijgende kosten te voorkomen, acht de rechtbank het wenselijk dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betaalt en daarvoor het kindgebonden budget kan gebruiken.

Hieruit volgt dat de rechtbank de verzoeken van de moeder genoemd onder IV. en V. zal afwijzen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.

Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders

hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De kosten van deze procedure

De rechtbank constateert dat de moeder sinds de geboorte van [minderjarige 1] een veelvoud aan procedures is gestart. Die veroorzaken onrust en leiden over en weer tot hoge kosten. De laatste beschikking over de zorgregeling dateert van 7 maart 2024. In die beschikking heeft het Hof overwogen dat het van groot belang is voor de kinderen dat rust en stabiliteit en hun opvoedsituatie ontstaat. Door anderhalf jaar later opnieuw een procedure te starten over de zorgregeling terwijl daar geen wijziging van omstandigheden aan ten grondslag ligt, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nodeloos ingestelde procedure. Het ligt voor de hand om de moeder daarom in de proceskosten te veroordelen. Omdat de vader echter een zelfstandig verzoek heeft ingediend en in zoverre heeft meegelift in de procedure van de moeder, zal de rechtbank in dit geval beslissen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing die hiervoor door de rechtbank heeft genomen, worden hierna

vermeld. De rechtbank gebruikt de begrippen uit de wet.

6. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de vader met ingang van heden de hoofdaanvrager van de kinderbijslag is;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de ouders [minderjarige 1] inschrijven bij v.v. [plaats 1] na het behalen van zijn zwemdiploma C;

bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;

wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Bruggen, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van P. Groothedde, griffier.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?