RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 83.021582.22 (P)
Datum vonnis: 20 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
Inhoudsopgave
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 en 10 maart en 20 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) en van wat door verdachte en zijn raadslieden, mr. A.J.M. de Swart en mr. C. Janssen, beide advocaat in 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 9 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: feitelijke leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan het door [medeverdachte bedrijf] B.V. in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 al dan niet samen met (een) ander(en) telkens vervalsen of valselijk opmaken van contracten, facturen en/of de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] B.V. en/of het gebruik maken daarvan;
feit 2: in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het meermaals (mede)plegen van valsheid in geschrift.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
[medeverdachte bedrijf] B.V. (hierna: [medeverdachte bedrijf] )
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 in de gemeente Noordwijk en/of gemeente Voorschoten en/of gemeente Haarlemmermeer,
althans in Nederland, en/of Brazilië en/of elders ter wereld,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
A.
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 1] and [bedrijf 2] Inc. d.d. 14 juni 2012 (DOC-147; dossier blz 3831-3832); en/of
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 5 juli 2012 (DOC-144; dossier blz 3802-3816); en/of
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 16 december 2013 met kenmerk [factuurnummer 2] (DOC-147; dossier blz 3830); en/of
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. d.d. 17 juni 2013 (DOC-254; dossier blz 5262-5263); en/of
- een contract tussen [bedrijf 5] S.A. en [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 juli 2013 met contractnummer [contractnummer] (DOC-255; dossier blz 5296-5315); en/of
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 5] S.A. d.d. 16 oktober 2014 met kenmerk [factuurnummer 1] (DOC-258; dossier blz 5327);
en/of
B. de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] B.V.,
elk zijnde (een) geschrift(en) en/of samenstel van geschriften dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen, althans heeft vervalst,
immers heeft [medeverdachte bedrijf] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- in dit (deze) contract(en) en/of die factu(u)r(en) voornoemd (telkens) werkzaamheden en/of (een) levering(en) en/of (een) dienst(en) vermeld, althans doen of laten vermelden, welke in werkelijkheid niet door [medeverdachte bedrijf] is/ zijn uitgevoerd en/of door haar zijn uitbesteed aan derden; en/of
- die contract(en) voornoemd voorzien en/of doen voorzien van een onjuiste datum/datering, althans dat/die geschrift(en) geantedateerd, en (vervolgens) voornoemde contract(en) en/of factu(u)r(en) opgenomen en/of laten opnemen en/of doen opnemen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] ,
zulks (telkens) met het oogmerk om dit/deze geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken
en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);
en/of
[medeverdachte bedrijf] B.V.
in of omstreeks de periode van 5 februari 2018 tot en met 1 november 2018 in de gemeente Wassenaar en/of gemeente Voorschoten en/of gemeente Haarlemmermeer,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft doen maken van genoemd(e) vals(e) of valselijk opgemaakt(e) geschrift(en) te weten,
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. d.d. 17 juni 2013 (DOC-254; dossier blz 5262-5263); en/of
- een contract tussen [bedrijf 5] S.A. en [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 juli 2013 met contractnummer [contractnummer] (DOC-255; dossier blz 5296-5315); en/of
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 5] S.A.d.d. 16 oktober 2014 met kenmerk [factuurnummer 1] (DOC-258; dossier blz 5327),
terwijl [medeverdachte bedrijf] , en/of haar medeverdachte(n), wist(en) en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren om als echt en onvervalst te gebruiken, en bestaande dat gebruikmaken of gebruik doen maken (telkens) hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), dit/deze geschrift(en) heeft/hebben verzonden en/of ingediend, althans doen toekomen aan (een) medewerker(s) van de [bedrijf 6] N.V. (DOC-149; DOC-150),
hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);
2.
hij
in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2015
te gemeente Noordwijk en/of gemeente Voorschoten en/of gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, en/of Brazilië en/of elders ter wereld,
heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hij, verdachte, en/of [medeverdachte] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of de (rechts)perso(o)n(en) [bedrijf 7] B.V. en/of [medeverdachte bedrijf] B.V. en/of [bedrijf 8] B.V.,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
- het meermaals (mede)plegen van valsheid in geschrift op meerdere tijdstippen .
Ten behoeve van de leesbaarheid zullen verdachte en de medeverdachten hierna worden aangeduid als volgt:
- [bedrijf 8] B.V.: [bedrijf 8]
- [medeverdachte bedrijf] B.V.: [medeverdachte bedrijf]
- [bedrijf 7] B.V.: [bedrijf 7]
- [medeverdachte]
- [verdachte]
3. De voorvragen
De geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Inleiding
Nu de conclusies van de verdediging tot (primair) niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) dan wel (subsidiair) bewijsuitsluiting zijn gestoeld op (deels) dezelfde argumenten, zal de rechtbank deze verweren omwille van de leesbaarheid van dit vonnis gezamenlijk bespreken.
Ter inleiding wordt verder het volgende opgemerkt.
De Braziliaanse autoriteiten hebben een opsporingsonderzoek verricht genaamd ‘Lava Jato / Carwash’ (hierna: Lava Jato) naar verdenkingen van strafbare feiten onder andere gepleegd door [bedrijf 3] S.A. (hierna: [bedrijf 3] ), een Zuid-Amerikaans conglomeraat van bouwbedrijven, en andere (gelieerde) rechtspersonen en natuurlijke personen.
Op 21 december 2016 heeft de Amerikaanse Department of Justice bekend gemaakt dat er een ‘plea agreement’ tot stand was gekomen tussen de Verenigde Staten van Amerika en [bedrijf 3] . In deze overeenkomst is – onder meer – beschreven dat [bedrijf 3] schuld bekent aan overtreding van anti-corruptiewetgeving en zich verbindt tot betaling van een boete van ruim $ 3.5 miljard.
Op 6 november 2017 hebben medewerkers van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) tijdens een Europol-conferentie een presentatie bijgewoond van een medewerker van de Braziliaanse federale politie over Lava Jato.
Op 11 december 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen medewerkers van de Belastingdienst en de FIOD. Besproken is dat naar aanleiding van een signaal uit de zogenoemde ‘Panama Papers’ een aangifte inkomstenbelasting van [naam 4] nader beoordeeld was en er in dat kader vragen waren gesteld over een transactie van aandelen in [bedrijf 7] , naar aanleiding waarvan namens [bedrijf 7] een viertal overeenkomsten tussen [bedrijf 7] enerzijds en verschillende entiteiten gelieerd aan [bedrijf 3] anderzijds waren verstrekt.
Op 15 mei 2018 heeft de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU) geverbaliseerd dat de [bedrijf 6] in de periode van 16 augustus 2016 tot en met 3 januari 2018 meldingen heeft gedaan van transacties tussen onder meer [bedrijf 8] , [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 7] enerzijds en entiteiten gelieerd aan [bedrijf 3] anderzijds, die hebben plaatsgevonden in de periode van 12 december 2011 tot en met 8 december 2018. ING heeft deze transacties gemeld naar aanleiding van de berichtgeving dat [naam 5] , ‘ultimate beneficial owner’ (hierna: ‘UBO’) van [bedrijf 3] en tot het concern behorende ondernemingen zijn veroordeeld in verband met corruptie en witwassen.
Op 6 juni 2018 heeft de stuur- en weegploeg, een overlegorgaan tussen de FIOD, het Functioneel Parket van het OM en de Belastingdienst, besloten tot het starten van het strafrechtelijke onderzoek ‘Maquina’.
Op 12, 13 en 14 februari 2019 hebben FIOD-medewerkers gesprekken gevoerd in Brazilië met onder andere een Braziliaanse officier van justitie over strafrechtelijke verdenkingen van de FIOD jegens verdachte en de medeverdachten.
Op of omstreeks 17 juni 2019 heeft het OM een rechtshulpverzoek met dagtekening 6 juni 2019 verstuurd aan de bevoegde autoriteiten in Brazilië. De Braziliaanse opsporingsdiensten hebben daarop op 24 en 25 maart 2020, 25 augustus 2020 en 7 oktober 2020 de volgende data verstrekt aan het OM, waarvan Nederlandse vertalingen aan het dossier zijn toegevoegd:
- audio-/videobestanden van verklaringen van drie werknemers van [bedrijf 3] ( [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] ), afgelegd ten overstaan van de Braziliaanse autoriteiten;
- schikkingsovereenkomsten gesloten tussen het Braziliaanse federale openbaar ministerie en voornoemde drie werknemers, bijlagen en samenvattingen van de verhoren van [naam 2] en [naam 1] .
Het OM heeft daarnaast op 10 maart 2021 informatie, waaronder e-mailberichten, ontvangen afkomstig van de digitale communicatie- en accountingsystemen van [bedrijf 3] , genaamd [programma] respectievelijk [programma] . Deze data is niet aan het dossier toegevoegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen zodat (primair) het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel (subsidiair) alle, althans (meer subsidiair) bepaalde dossierstukken uit Brazilië dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het federale hooggerechtshof van Brazilië (‘Supremo Tribunal Federal’, hierna: STF) onherroepelijk heeft geoordeeld dat in Lava Jato ernstige, structurele en onherstelbare inbreuken zijn gemaakt op het recht op een eerlijk proces. Het OM heeft uit Lava Jato verkregen ‘besmet’ bewijsmateriaal ten onrechte als uitgangspunt genomen voor het aannemen van een verdenking jegens verdachte, is op basis daarvan strafrechtelijk onderzoek Maquina gestart en heeft zich daardoor tijdens de opsporing laten leiden.
De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat de uit Brazilië afkomstige verklaringen en schikkingsovereenkomsten van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze onbetrouwbaar zijn. De onbetrouwbaarheid is enerzijds gelegen in de onjuiste (vertaling van de audio-opnamen van de) verklaringen en anderzijds in de omstandigheden waaronder deze zijn afgelegd, aldus de verdediging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat alle verweren dienen te worden verworpen en dat het OM ontvankelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.4.1 Het juridisch kader
Vormverzuimen zijn onrechtmatigheden in het strafrechtelijk vooronderzoek, zoals schending van daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften en het verrichten van onderzoek waarbij inbreuk gemaakt wordt op de rechten en vrijheden van de verdachte. De rechter kan ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) rechtsgevolgen verbinden aan een vormverzuim.
De toepassing van artikel 359a Sv is in beginsel beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zelf ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit. Onder omstandigheden kan evenwel een rechtsgevolg worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar, indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met het in de literatuur en rechtspraak erkende interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel geldt op basis van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) tussen landen die daarbij zijn aangesloten, maar het beginsel kan ook opgeld doen in relatie tot andere landen. In geval van samenwerking tussen Nederland en Brazilië zoals in deze zaak aan de orde, komt dat vertrouwen tot uitdrukking in (rechtshulp)verdragen waarbij beide zijn aangesloten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de grensoverschrijdende misdaad (TOC-verdrag, New York, 15 november 2000) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en het Verdrag inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties (Parijs, 17 december 1997).
Het uitgangspunt van het vertrouwensbeginsel is dat – voor zover hier relevant – de staat die informatie ontvangt van een vreemde staat, uit mag en moet gaan van de rechtmatige totstandkoming en verstrekking van die informatie. Voor toetsing van de rechtmatigheid van het buitenlandse overheidsoptreden is pas plaats als er (tenminste) sterke aanwijzingen zijn dat overgedragen informatie onrechtmatig is verkregen en dat het gaat om een onregelmatigheid waaraan consequenties behoren te worden verbonden. De strafrechter dient te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.
3.3.4.2 Vormverzuim(en)?
De verdediging heeft ter staving van haar verweren het volgende overgelegd:
een Nederlandse vertaling van een document getiteld ‘Protest 43.007 Distrito Federal’, inhoudende een beslissing van rapporteur-raadsheer [naam 6] d.d. 6 september 2023 ten aanzien van een ‘reclamatie’ ingediend door [naam 7] tegen beslissingen van de rechtbank van het 13e Federale Strafrechtgebied van de gerechtelijke subsectie van Curitiba/PR;
een Nederlandse vertaling van een document getiteld ‘Verzoekschrift 13.675 Federaal District’, inhoudende een besluit van rapporteur rechter [naam 6] d.d. 2 april 2025 ten aanzien van een ‘verzoek tot uitbreiding’ ingediend door [medeverdachte] en [verdachte] ;
een in het Engels opgesteld document getiteld ‘Memorandum - Overview of key decisions issued by the Brazilian Supreme Court in the Operation Car Wash’, van [naam 8] , [naam 9] aan [bedrijf 9] N.V. d.d. 11 februari 2026.
Uit voornoemde stukken leidt de rechtbank af dat het STF – de hoogste rechterlijke instantie in Brazilië – onherroepelijk heeft geoordeeld dat – kort en zakelijk gezegd – het door de Braziliaanse opsporingsdiensten verrichte voorbereidende onderzoek Lava Jato niet in overeenstemming met de daarvoor geldende Braziliaanse rechtsregels is verricht. Volgens het STF is onder meer sprake geweest van collusie tussen opsporingsambtenaren en de onderzoeksrechter/voorzitter van de strafkamer van de rechtbank die de strafzaak tegen [naam 7] (van 2003 tot 2011 en van 2023 tot heden president van Brazilië) behandelde, onregelmatigheden in het kader van internationale rechtshulp en schendingen van de bewijsketen. (Mede) als gevolg daarvan zijn verscheidene veroordelingen teruggedraaid en is het bewijs voortkomend uit de [programma] - en [programma] -systemen van [bedrijf 3] ontoelaatbaar verklaard.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat minst genomen sterke aanwijzingen bestaan dat aan Lava Jato vormverzuimen kleven en dus dat de door de Braziliaanse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten overgedragen informatie onrechtmatig is verkregen. Het OM heeft niets daartegenover gesteld waaruit een aanknopingspunt voor het tegendeel zou kunnen worden afgeleid.
3.3.4.3 Rechtsgevolg: niet-ontvankelijkheid van het OM?
De beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden en, zo ja, welk gevolg, berust in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en bestraffing van daders van strafbare feiten – en de belangen van handhaving van grondrechten en bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.
Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.
Voor niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts dan plaats wanneer de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een onherstelbare inbreuk hebben gemaakt op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Het moet dus gaan om een zodanig ernstig verzuim dat niet kan worden volstaan met bewijsuitsluiting of strafverlaging.
De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of de FIOD en het OM een redelijk vermoeden van schuld mochten aannemen. Artikel 27 Sv bepaalt dat, voordat de vervolging is aangevangen, als ‘verdachte’ kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een ‘redelijk vermoeden van schuld’ aan een strafbaar feit voortvloeit. De vraag of de opsporing zo’n redelijk vermoeden mocht koesteren wordt door de rechter slechts marginaal getoetst.
Uit de hiervoor onder ‘3.3.1 Inleiding’ geschetste gang van zaken volgt dat de FIOD al voorafgaand aan het op of omstreeks 6 juni 2019 verzonden rechtshulpverzoek aan Brazilië een redelijk vermoeden van schuld had aangenomen ten aanzien van [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [medeverdachte bedrijf] . Het aanvangsproces-verbaal met daarin geformuleerd de verdenking dateert van 12 juli 2018. Daaruit volgt dat het vermoeden onder meer is gebaseerd op de door de FIU in mei 2018 verdacht verklaarde transacties tussen enerzijds [bedrijf 7] respectievelijk [bedrijf 8] en [medeverdachte bedrijf] en anderzijds entiteiten waarvan ING was gebleken dat die gelieerd waren aan [bedrijf 3] . Dat de aanleiding van de ING-meldingen (mede) was gelegen in mediaberichten over veroordelingen van [bedrijf 3] en diens toenmalige UBO [naam 5] maakt dat niet anders, alleen al omdat de uitspraken van het STF niet met zich brengen dat elke grond voor een redelijke verdenking van strafbaar handelen door [bedrijf 3] en gelieerde (rechts)personen met terugwerkende kracht is komen te vervallen. Om diezelfde reden mochten ook de inhoud van de ‘plea agreement’, gesloten tussen [bedrijf 3] en de Amerikaanse Department of Justice, en de bijlage getiteld ‘Statement of facts’ een rol spelen bij het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast blijkt uit het gesprek tussen de Belastingdienst en de FIOD van 11 december 2017 dat op dat moment al vragen bestonden over de gang van zaken bij [bedrijf 7] en hebben ook andere factoren bijgedragen aan het vermoeden, zoals de constatering dat kort na elkaar internationale overeenkomsten werden gesloten zonder dat duidelijk werd waarom een Nederlandse onderneming daartussen zat en de betrokkenheid van offshore entiteiten bij die overeenkomsten.
De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat de FIOD en het OM op goede gronden een redelijk vermoeden van schuld hebben aangenomen en dus mochten besluiten tot het starten van het strafrechtelijke onderzoek ‘Maquina’ en het inzetten van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. Het dossier noch het verhandelde ter zitting geeft aanleiding om anders te veronderstellen.
De stellingen van de verdediging dat – samengevat – de FIOD en het OM (in een informeel stadium) informatie hebben ontvangen van de Braziliaanse autoriteiten en kennis hebben genomen van de via het rechtshulpverzoek ontvangen stukken, zij zich zodoende bij hun onderzoek hebben laten beïnvloeden door Lava Jato en dat alle onderzoeksbevindingen in Maquina ‘besmet’ zijn met de verzuimen in Lava Jato, vinden geen steun in het dossier en worden daarom verworpen. Integendeel; de FIOD heeft op uitgebreide schaal zelf – zonder bemoeienis vanuit Brazilië – onderzoek uitgevoerd, waaronder het verrichten van doorzoekingen, het leggen en uitrechercheren van digitaal beslag en het verhoren van verdachten en getuigen. Enige aanwijzing dat daarbij sprake is geweest van een (zodanige) tunnelvisie dat en/of een aantasting van de integriteit van de opsporing en/of vervolging waardoor het recht op een eerlijk proces niet langer gewaarborgd is, ziet de rechtbank niet.
Wel is relevant de vraag in hoeverre stukken verkregen uit Brazilië hun weg hebben gevonden naar het dossier in deze strafzaak. De vraag of en, zo ja, welke van die stukken moeten worden uitgesloten van het bewijs zal in de volgende paragraaf worden beantwoord.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige Nederlandse strafprocedure ‘as a whole’ voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
3.3.4.4 Rechtsgevolg: bewijsuitsluiting?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of, en zo ja welke, stukken uit het dossier moeten worden uitgesloten van het bewijs. Bewijsuitsluiting kan aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, maar de rechter is daartoe niet categorisch gehouden. Het belang van de waarheidsvinding moet worden afgewogen tegen de ernst en de gevolgen van het verzuim. De taak van de strafrechter is ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces. Daarvan kan ook sprake zijn als het bewijs niet meer betrouwbaar is.
Zoals hiervoor is overwogen, bestaan voldoende sterke aanwijzingen dat het Braziliaanse opsporingsonderzoek Lava Jato en de daaruit voortgevloeide vervolging van [bedrijf 3] en daaraan gelieerde (rechts)personen niet volgens de daarvoor geldende Braziliaanse rechtsregels is verricht. Er is volgens het STF sprake geweest van structurele aanzienlijke schendingen van rechtsbeginselen. De aard van die schendingen, zoals hiervoor omschreven, is naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat geenszins valt uit te sluiten dat deze de gehele procedure van opsporing en vervolging met betrekking tot het onderzoek Lava Jato in Brazilië hebben aangetast. Dientengevolge zou, bij het gebruik van die onderzoeksresultaten voor het bewijs in deze strafzaak, verdachte worden getroffen in een belang dat de overtreden norm juist beoogt te beschermen. Niet staat vast – en door deze rechtbank valt ook niet vast te stellen – dat het bewijsmateriaal ook zou zijn vergaard wanneer het onderzoek wel volgens de regels was verlopen.
Voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de resultaten van het Braziliaanse onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten in deze strafzaak. Concreet betekent dit dat de stukken die uit hoofde van het rechtshulpverzoek aan Brazilië zijn verkregen en zijn toegevoegd aan het dossier moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het betreft de hiervoor omschreven (vertalingen van) de audiobestanden van verklaringen van [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] ) en de tussen hen en het Braziliaanse federale openbaar ministerie gesloten schikkingsovereenkomsten, met bijlagen en samenvattingen van de verhoren van [naam 2] en [naam 1] .
Tot slot zal de rechtbank bij de beoordeling nagaan of en, zo ja, in hoeverre andere dossierstukken, in het bijzonder ambtshandelingen 15, 16, 17 en 19, verwijzen naar, citaten bevatten van en/of (anderszins) rechtstreeks en uitsluitend zijn beïnvloed door de stukken en informatie die het OM heeft verkregen van de Braziliaanse autoriteiten en in voorkomend geval (delen ervan) buiten beschouwing laten.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van het overige gepresenteerde bewijsmateriaal te twijfelen en zal deze dan ook niet uitsluiten van het bewijs. De al genoemde ‘plea agreement’ tussen [bedrijf 3] en de Amerikaanse Department of Justice met bijlagen, waaronder de ‘Statement of facts’, is niet verstrekt door de Braziliaanse autoriteiten. Het OM is daarover komen te beschikken via de openbare website van de Department of Justice. Gesteld noch gebleken is dat deze stukken (in die mate) zijn beïnvloed door (de onregelmatigheden in) het Braziliaanse opsporingsonderzoek dat deze ook moeten worden bestempeld als zijnde ‘besmet’. De omstandigheid dat [bedrijf 3] voordelen heeft gehad bij de totstandkoming van deze ‘plea agreement’, brengt niet zonder meer met zich dat de inhoud en bijlage als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Datzelfde geldt voor de door [naam 2] en [naam 1] afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris in dossier Maquina. Het feit dat deze getuigen hebben geschikt met de Braziliaanse justitie vormt op zichzelf geen aanleiding om te twijfelen aan hun verklaringsvrijheid. Ook eventuele discrepanties tussen eerdere en latere verklaringen en kennelijke fouten in de vertaling leiden niet automatisch tot de conclusie dat een verklaring (in zijn geheel) onbetrouwbaar is.
Schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering
Inleiding – de verdenking
Onderzoek ‘Maquina’ is gericht op de natuurlijke personen [medeverdachte] en [verdachte] en de drie Nederlandse vennootschappen [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [medeverdachte bedrijf] . Dit vonnis beperkt zich tot de betrokkenheid van [verdachte] met betrekking tot het feitelijke leidinggeven aan [medeverdachte bedrijf] en zijn deelname aan een criminele organisatie.
De Belastingdienst/FIOD verdenkt [medeverdachte bedrijf] ervan dat zij in een crimineel samenwerkingsverband met (verschillende (rechts)personen gelieerd aan) de Braziliaanse onderneming [bedrijf 3] S.A. (hierna: [bedrijf 3] ) heeft gefungeerd als doorstroomlichaam van verschillende geldstromen. Dit geld kwam terecht bij verschillende buitenlandse ondernemingen die op papier niet aan [bedrijf 3] waren te relateren, maar wel onder controle stonden van [bedrijf 3] . Hiermee creëerde [bedrijf 3] een geldstroom die zij niet in haar balans op nam en die haar in staat stelde om steekpenningen te betalen aan overheidsfunctionarissen wereldwijd. Om de geldstromen van en naar [medeverdachte bedrijf] te legitimeren, zijn volgens de Belastingdienst/FIOD op naam van [medeverdachte bedrijf] valse contracten en valse facturen opgemaakt en verwerkt in de eigen bedrijfsadministratie. Ook wordt [medeverdachte bedrijf] verweten dat zij gebruik heeft gemaakt van valse contracten en een valse factuur door deze toe te zenden aan de ING-Bank. [verdachte] zou feitelijke leiding hebben gegeven aan [medeverdachte bedrijf] bij het plegen van valsheid in geschrifte en daarnaast zelf hebben deelgenomen aan het criminele samenwerkingsverband.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daartoe is het volgende - verkort weergegeven - aangevoerd.
Met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft de verdediging primair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de contracten en facturen inhoudelijk in strijd zijn met de werkelijkheid en daarmee vals zijn. Ten aanzien van het ten laste gelegde gebruik maken van valse contracten en een factuur heeft de verdediging bepleit dat niet is bewezen dat deze documenten daadwerkelijk naar de ING-Bank zijn verstuurd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat de contracten en facturen opzettelijk vals zijn opgemaakt. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat niet os bewezen dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan [medeverdachte bedrijf] dan wel dat de opzet daarop ontbreekt.
Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de verdediging betoogd dat niet is bewezen dat [verdachte] - gelet op zijn feitelijke betrokkenheid en rol - heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dan wel dat de opzet daarop niet bewezen is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst een schets geven van de betrokken (rechts)personen en de activiteiten van [medeverdachte bedrijf] . Vervolgens zal de rechtbank de specifiek ten laste gelegde contracten en facturen bespreken. Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of de tenlastegelegde valsheid in geschrift bewezen is en daarbij de in dat kader naar voren gebrachte verweren betrekken. Tot slot zal de rechtbank ingaan op het verwijt inzake deelname aan de criminele organisatie.
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
4.4.1.1 Betrokken (rechts)personen
[medeverdachte bedrijf] is opgericht op 31 januari 2011 en statutair gevestigd te [vestigingsplaats] . Haar bedrijfsactiviteiten bestaan volgens de registratie in het Handelsregister – samengevat – uit handelsbemiddeling, advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering en optreden als handelsagent en het verzorgen van buitenlandse handelsconsultancy.
[medeverdachte bedrijf] heeft gedurende de ten laste gelegde periode (2012-2015) [verdachte] als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder gehad. [medeverdachte] en [verdachte] hebben via hun persoonlijke houdstervennootschap (respectievelijk) [bedrijf 10] B.V. (hierna: [bedrijf 10] ) en [bedrijf 11] B.V. een (in)direct aandelenbelang gehad in [medeverdachte bedrijf] .
Verschillende personen hebben werkzaamheden uitgeoefend voor [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [medeverdachte bedrijf] . Ten aanzien van [medeverdachte bedrijf] betroffen dit:
- [naam 10] (hierna: [naam 10] ), accountmanager Legal bij [bedrijf 10] , en;
- [naam 11] (hierna: [naam 11] ), accountmanager bij [bedrijf 10] .
Deze personen hebben voor [medeverdachte bedrijf] ondersteunende/administratieve werkzaamheden uitgevoerd. Deze werkzaamheden bestonden uit het versturen en beantwoorden van e-mails, het opstellen van facturen, het bijhouden van de administratie en het laten ondertekenen van contracten namens [medeverdachte bedrijf] .
Communicatie over de afgesloten contracten en facturen vond veelal plaats via e-mails. Hierbij waren [naam 11] , [naam 10] , de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] en verschillende aan [bedrijf 3] gelieerde personen betrokken. De aan [bedrijf 3] gelieerde personen maakten in het e-mailverkeer gebruik van de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’,‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’. Uit het onderzoek is gebleken dat achter de naam [bijnaam 1] de persoon van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) schuil ging. Wanneer in dit vonnis wordt verwezen naar e-mailverkeer waarin voorgaande personen gebruik maakten van hun bijnaam, zullen voor de leesbaarheid hun echte namen worden weergegeven. Wie de naam ‘ [bijnaam 3] ’ gebruikte is onbekend gebleven.
Ook komt uit het dossier naar voren dat per e-mail meermalen contact is geweest met [naam 12] (hierna: [naam 12] ), voormalig fiscalist en jurist bij internationaal advocatenkantoor [bedrijf 12] , over de contracten die [medeverdachte bedrijf] afsloot in het kader van de samenwerking met [bedrijf 3] . [naam 12] was naast adviseur tevens indirect aandeelhouder van [medeverdachte bedrijf] als ook van de in onderzoek ‘Maquina’ voorkomende vennootschappen [bedrijf 7] en [bedrijf 8] .
4.4.1.2 Inleiding samenwerking [bedrijf 3] en contracten
[medeverdachte] is omstreeks 2007 via [naam 13] (voluit: [naam 13] , hierna: [naam 13] ) in contact gekomen met [bedrijf 3] . In september 2007 is hij benaderd voor het zoeken van vennootschappen die ‘substance’ hadden. Zo schreef [naam 13] op 6 september 2007 aan [medeverdachte] : ‘I need to speak with you in ref. to our Brazilian friend. He did not like Natland so he is requiring another counterparty with more substance. We have until tomorrow to send him some other option.’
Nadat [medeverdachte] bij een Roemeense onderneming had aangegeven dat hij op zoek was naar een ‘an [bedrijf 1] company for an in-out transaction’ en deze samenwerking niet van de grond kwam, stuurde hij op 2 oktober 2008 een e-mail met het onderwerp ‘FW: Transaction in Venezuela’ naar de Nederlandse onderneming Lievense. In de e-mail schreef [medeverdachte] : ‘For one of our clients, [bedrijf 3] , we are looking for a Dutch JV partner for a project in Venezuela mainly because of substance reasons. In my opinion your company would be very suitable.’ Bij deze e-mail stuurde [medeverdachte] een toelichting op de betreffende transactie door, die hij op 4 oktober 2008 van [naam 13] had ontvangen. In deze toelichting is - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld:
het gewenste Nederlandse ingenieursbedrijf met lokale aandeelhouder moet ‘lokale inhoud geven aan de structuur’ en personeel ‘uitlenen’ dat de constructie (in Venezuela) kan bezoeken. Er hoeven geen ingenieursdiensten geleverd te worden;
er moet zowel ‘lokale substance’ zijn als overzees in verband met fiscale regelgeving in Nederland;
‘The New Dutch Co’ zal elke dienst uitbesteden aan een ‘Intellectual Property Co’ en hoeft geen activiteiten te leveren anders dan het ondertekenen van een engineeringscontract en subcontract, en;
de lokale BV ontvangt een vergoeding voor deelname aan de structuur.
Nadat Lievense het voorstel van [medeverdachte] had afgewezen, mailde [medeverdachte] aan [naam 13] ‘Might be good to discuss it with Octavio/Brazilians. WE should do it differently’.
[naam 13] mailde op 19 februari 2009 aan [medeverdachte] dat er groen licht was. Als bijlage stuurde [naam 13] een PowerPoint-presentatie met een weergave van de transactiestroom (‘flow of the transaction’), de betrokken partijen en de benodigde overeenkomsten. Ook schreef [naam 13] : ‘Please let me know a.s.a.p. if the prospect companies (the one related to your father and the one related to [bedrijf 12] - [naam 12] ) accepts to participate in the business (...).De rechtbank leidt uit ‘ [bedrijf 12] - [naam 12] ’ af dat bedoeld is de hiervoor genoemde [naam 12] van [bedrijf 12] .
Uiteindelijk is de tot dat moment inactieve onderneming [bedrijf 7] – voorheen genaamd [bedrijf 13] B.V. – geselecteerd als Nederlandse schakel in de beoogde contractenstructuur. Later zijn ook [medeverdachte bedrijf] en het specifiek voor de samenwerking met [bedrijf 3] opgerichte bedrijf [bedrijf 8] als zodanig ingezet.
Op 17 september 2009 ontving [medeverdachte] mailverkeer van [naam 12] die met [naam 2] , van 2000 tot en met 2015 werkzaam als extern advocaat voor [bedrijf 3] (hierna: [naam 2] ), en (in CC) [naam 13] had gemaild over instructies vanuit [bedrijf 3] . In deze e-mail schreef [naam 2] : ‘I propose the following as concerns our correspondence on the [bedrijf 7] and its relationship with [bedrijf 7] B.V.: All instructions will be given to the directors in writing, by me ( [e-mailadres] ) or by my partner [naam 14] (... All correspondence by me/ [naam 14] , [naam 12] and [naam 15] will be sent with copy to the others, so that all of us can be aware of everything’.
[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat – in lijn met hetgeen hiervoor beschreven – de samenwerking met [bedrijf 3] tot stand is gekomen via zijn broer [medeverdachte] .
De meeste van de in het dossier opgenomen contracten, waarvan er een aantal op de tenlastelegging zijn weergegeven, betreffen zogenoemde ABC-contracten althans AB-BC-contracten. Deze houden telkens op hoofdlijnen het volgende in. Het AB-contract is gesloten tussen [bedrijf 3] (partij A, opdrachtgever) en één van de Nederlandse vennootschappen (partij B, opdrachtnemer) en ziet op de uitvoering van ( [bedrijf 1] )werkzaamheden (waarmee hierna ook diensten en leveringen worden bedoeld) voor bouwprojecten door de opdrachtnemer. Middels het BC-contract geeft de Nederlandse vennootschap (partij B, in dit verband als opdrachtgever) opdracht voor de uitvoering van – nagenoeg – diezelfde werkzaamheden aan een opdrachtnemer (partij C, opdrachtnemer). Deze C-partijen (hierna: Offshore-entiteiten) betroffen telkens entiteiten die feitelijk onder controle/zeggenschap van [bedrijf 3] stonden, zonder dat dat voor derden direct zichtbaar was. De Nederlandse vennootschappen respectievelijk de Offshore-entiteiten hebben werkzaamheden gefactureerd aan [bedrijf 3] respectievelijk de Offshore-entiteiten. [bedrijf 3] heeft de aan haar gerichte facturen uit hoofde van het AB-contract betaald op de bankrekeningen van de Nederlandse vennootschappen. Het door [bedrijf 3] betaalde geldbedrag werd op grond van het BC-contract en de bijbehorende factuur door de Nederlandse vennootschap betaald aan de Offshore-entiteit, na aftrek van een marge van telkens meestal om en nabij 4,5%.
Met betrekking tot de contracten van [medeverdachte bedrijf] ligt het iets anders. [medeverdachte bedrijf] sloot namelijk telkens eerst een contract met een Offshore-entiteit, partij C, in welk verband [medeverdachte bedrijf] volgens het contract zou optreden als (handels)agent voor haar opdrachtgever partij C, handelend in eigen naam. Hierna sloot [medeverdachte bedrijf] een contract af met een entiteit die deel uitmaakte van het concern van [bedrijf 3] , partij A, in welk verband [medeverdachte bedrijf] zich verbond tot het zoeken van apparatuur voor partij A. Er was dus in het geval van [medeverdachte bedrijf] sprake van een structuur van principaal en agent, waarbij telkens CB-/BA-contracten werden gesloten in plaats van (de hiervoor beschreven) AB-/BC-contracten.
4.4.1.3 De contracten en facturen van [medeverdachte bedrijf] B.V.
4.4.1.3.1 Contracten en factuur 2012
De rechtbank bespreekt hierna de volgende ten laste gelegde contracten en factuur:
een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 1] and [bedrijf 2] Inc. d.d. 14 juni 2012;
een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 5 juli 2012, en;
een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 16 december 2013 met kenmerk [factuurnummer 2] .
BC-contract [bedrijf 1] x [medeverdachte bedrijf] 2012
In de fysiek in beslag genomen stukken is een agentovereenkomst aangetroffen tussen [medeverdachte bedrijf] als ‘agent’ en [bedrijf 1] als ‘principal’. Het contract is gedateerd 14 juni 2012 en namens [medeverdachte bedrijf] ondertekend door [verdachte] . Op de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. Het contract vermeldt dat [medeverdachte bedrijf] ten behoeve en voor risico van [bedrijf 1] doch handelende uit eigen naam een overeenkomst zal aangaan met [bedrijf 3] voor de aankoop van apparatuur, wat als volgt is omschreven:
‘1.Acting for the account and risk of The Principal as aforesaid, The Agent will enter into the aforementioned agreement with [bedrijf 3] in order to observe the list of suppliers and equipment required by [bedrijf 3] , to support in the identification of manufacturers and suppliers of the equipment as well as to verify, among others, commercial conditions and financing schemes, to plan the logistics on the mobilization of the equipment, as well as any other services detailed in the agreement.’
Als vergoeding zal [medeverdachte bedrijf] een commissie van 4% in rekening brengen, gebaseerd op het geldbedrag dat wordt gefactureerd aan [bedrijf 3] . Deze commissie zal vervolgens in mindering gebracht worden op het geldbedrag dat in rekening wordt gebracht door [bedrijf 1] .
Het contract was aangehecht aan een geprinte e-mail van 31 januari 2014, verzonden door [naam 1] aan [medeverdachte bedrijf] en ‘ [bijnaam 3] ’. Naast het contract was ook een factuur (invoice [factuurnummer 3] ) van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 3] voor een bedrag van $ 9.511.707,06 gehecht aan de geprinte e-mail.
BA-contract [bedrijf 3] X [medeverdachte bedrijf] 2012
In de fysiek in beslag genomen stukken is een contract tussen [bedrijf 3] en [medeverdachte bedrijf] aangetroffen. Het contract is gedateerd 5 juli 2012. Het contract is namens [medeverdachte bedrijf] getekend door [verdachte] . Op de overeenkomst is het recht van Engeland en Wales van toepassing verklaard. De uit hoofde van het contract te verlenen diensten door [medeverdachte bedrijf] bestaan – zakelijk gezegd – uit de internationale inkoop van de apparatuur neergelegd in een nader omschreven lijst volgens de specificaties die zijn opgesteld door [bedrijf 3] . Die diensten omvatten onder meer het identificeren van bepaalde aanbieders van de gezochte apparatuur met bijbehorende leverings- en commerciële voorwaarden en [bedrijf 3] ondersteunen bij onderhandelingen met producten of aanbieders van de apparatuur. Als vergoeding krijgt [medeverdachte bedrijf] 4% van de aanschafwaarde van de apparatuur en materialen.
Correspondentie contracten 2012
‘ [bijnaam 3] ’ – een persoon gelieerd aan [bedrijf 3] – heeft op 28 januari 2014 een e-mail verzonden naar een algemeen e-mailadres van [medeverdachte bedrijf] en in kopie aan [naam 1] en [naam 16] . In de e-mail schreef ‘ [bijnaam 3] ’ dat een kopie van de Swift-betalingsbevestiging is bijgevoegd met betrekking tot de betaling van een bedrag van $ 9.511.707,06 van [bedrijf 3] aan [medeverdachte bedrijf] op grond van de ‘equipment procurement agreement’. Verder verzocht ‘ [bijnaam 3] ’ [medeverdachte bedrijf] om - nadat [medeverdachte bedrijf] het geldbedrag heeft ontvangen - de betaling te regelen voor een bedrag van $ 9.131.238,77 met betrekking tot de tevens bijgesloten factuur (invoice) ‘ [bedrijf 1] x [medeverdachte bedrijf] 2013/006’ op grond van het subcontract. Tot slot verzocht ‘ [bijnaam 3] ’ in de mail om een kopie van de Swift-betalingsbevestiging nadat de betaling zou zijn verricht. Met de e-mail zijn de volgende bijlagen verstuurd:
‘ [bestandsnaam 1] met Invoice date 10-12-2013’, en;
‘ [bestandsnaam 2] .’
Dit betreffen de factuur van [bedrijf 1] aan [medeverdachte bedrijf] en de Swift-overboeking van [bedrijf 3] aan [medeverdachte bedrijf] .
[naam 11] heeft namens [medeverdachte bedrijf] op 31 januari 2014 gereageerd op de e-mail van ‘ [bijnaam 3] ’. [naam 11] schreef dat ‘vandaag’ (31 januari 2014) een geldbedrag van $ 2.131.238,77 was overgemaakt naar [bedrijf 1] . In de bijlage is een betalingsoverzicht opgenomen van een overboeking van dit geldbedrag van de ING-rekening [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte bedrijf] naar bankrekening [rekeningnummer 2] bij de (vestiging in Antigua van de Oostenrijkse) Meinl Bank met als begunstigde [bedrijf 1] . Daarnaast heeft [naam 11] geschreven dat $ 3.000.000,- door de moedermaatschappij van [medeverdachte bedrijf] zal worden betaald en de resterende $ 4.000.000,- door [medeverdachte bedrijf] via ‘hun Oostenrijkse bank’ zal worden betaald.
In een daaropvolgende e-mail heeft [naam 1] aangegeven dat [medeverdachte bedrijf] niet gebruik moest maken van [bank] voor de betaling van het geldbedrag van $ 4.000.000,-, omdat [bank] voor problemen kon zorgen. In een daaropvolgende e-mail heeft [naam 11] geschreven dat de betaling van het geldbedrag enkel vandaag kon plaatsvinden via [bank] of anders later in de week via een andere bank. Hierop heeft [naam 1] gereageerd dat een week later geen probleem was en dat [bank] niet de goede route is voor betalingen aan [bedrijf 1] . Hierop heeft [medeverdachte] via een e-mail gereageerd met de opmerking dat [bedrijf 1] eerder was betaald via een bankrekeningnummer van [bank] . In reactie hierop heeft [naam 1] geschreven dat het probleem was dat [bank] de Meinl Bank haat en erg streng is in de compliance. [naam 1] heeft [medeverdachte] bericht als volgt:
‘Dear Henk,
When we did the payment to [bedrijf 1] last year, we had a main transaction being carried on, which was the aperture of a letter of credit for Chinese steal imports. That's the reason why they accepted your command. Now they will investigate everything which will take a long time for attending the required compliance. I propose the following:
1. From the USD 4 MM, please arrange the way to repay the balance of the loan disbursed in our favor by [bedrijf 7] , by the amount of USD 682,744.93. This could be done by means of an Instruction to be Issued by [bedrijf 1] to [medeverdachte bedrijf] requesting the latter to pay by its account and order to [bedrijf 7] . an internal fee charge from [bedrijf 7] against [medeverdachte bedrijf], or any other way you find.
2. The balance of US$ 3,317,255 you would ask [bank] to send back to [medeverdachte bedrijf]. And, would pay to [bedrijf 1] in arrears. Let me know your thoughts about this proposition.’
Hierop heeft [medeverdachte] via een e-mail van 5 februari 2014 gereageerd dat hij de $ 4.000.000,- zou overmaken via de ING-rekening (de rechtbank begrijpt: van [medeverdachte bedrijf] ). Hierna heeft [medeverdachte] een e-mail naar [naam 11] gestuurd met de opdracht om $ 4.100.000,- over te maken naar ‘ [medeverdachte bedrijf] ing’. [medeverdachte] was tekenbevoegd ten aanzien van de bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte bedrijf] .
Factuur en geldstromen 2012
Hiervoor is al aangehaald dat aan de geprinte e-mail van [naam 1] van 31 januari 2014 onder meer de factuur (invoice [factuurnummer 3] ) van 16 december 2013 was gehecht. De factuur ziet op een bedrag van $ 9.511.707,06 dat [bedrijf 3] aan [medeverdachte bedrijf] op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] diende te betalen. Op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] ten name van [medeverdachte bedrijf] zijn de volgende transacties zichtbaar:
op 28 januari 2014 een bijschrijving van ruim $ 9.500.000,- van [bedrijf 3] ;
op 3 maart 2014 een afschrijving van $ 4.000.000,- naar [medeverdachte bedrijf] BW (via [bank] );
op 3 maart 2014 een afschrijving van $ 3.000.000,- naar het moederbedrijf ( [bedrijf 14] ), dezelfde dag overgeboekt naar [bedrijf 1] ;
op 3 maart 2014 een afschrijving van ruim $ 2.100.000,- naar [bedrijf 1] ;
op 7 maart 2014 een bijschrijving van ruim $ 4.000.000,- van [bank] , en;
op 10 maart 2014 een afschrijving van $ 4.000.000,- naar [bedrijf 1] .
4.4.1.3.2 Contracten en factuur 2013
De rechtbank bespreekt hierna de volgende ten laste gelegde contracten en facturen:
een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. d.d. 17 juni 2013;
een contract tussen [bedrijf 5] S.A. en [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 juli 2013 met contractnummer [contractnummer] , en;
een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 5] S.A. d.d. 16 oktober 2014 met kenmerk [factuurnummer 1] .
BC-contract [bedrijf 4] x [medeverdachte bedrijf] 2013
[naam 10] heeft op 3 juni 2014 een bijlage getiteld ‘agency agreement’ tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. (hierna: [bedrijf 4] ) gemaild aan [naam 12] . Het contract is gedateerd 17 juni 2013 en namens [medeverdachte bedrijf] ondertekend door [verdachte] . Op de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. In het contract staat dat [medeverdachte bedrijf] ten behoeve en voor risico van [bedrijf 4] doch handelende uit eigen naam een overeenkomst zal aangaan met [bedrijf 15] (hierna: [bedrijf 15] SA) voor de aankoop van apparatuur ten behoeve van Tocumen Airport. [medeverdachte bedrijf] ontvangt als commissie - zakelijk gezegd - 4% van de bijbehorende factuur tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 15] SA. De overeengekomen afspraken staan vermeld onder acht verschillende punten, waarbij het volgende staat vermeld onder punt 1:
‘Acting for the account and risk of The Principal as aforesaid, The Agent will enter into the aforementioned agreement with [bedrijf 15] in order to observe the list of suppliers and equipment required by [bedrijf 15] , to support in the identification of manufacturers and suppliers of the equipment as well as to verify, among others, commercial conditions and financing schemes, to plan the logistics on the mobilization of the equipment, as well as any other services detailed in the agreement.’
Er is geen schriftelijke communicatie dan wel schriftelijke vastlegging van mondelinge communicatie aangetroffen tussen (vertegenwoordigers van) [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] over de sluiting en/of uitvoering van enig contract.
BA-contract [medeverdachte bedrijf] x [bedrijf 15] SA 2013
In de fysiek in beslag genomen stukken is op meerdere locaties een ‘procurement contract’ tussen [bedrijf 15] SA en [medeverdachte bedrijf] aangetroffen. [naam 10] heeft dit contract aan [naam 12] gemaild op 12 juni 2014. De contractdatum betreft 1 juli 2013. Het contract is namens [medeverdachte bedrijf] ondertekend door [verdachte] . Op de overeenkomst is Panamees recht van toepassing verklaard. In het contract staat - zakelijk gezegd - dat [bedrijf 15] SA de opdracht heeft gekregen voor de uitbreiding van luchthaven Tocumen te Panama. Onderdeel daarvan is de inkoop van apparatuur, systemen en faciliteiten die in het project geïnstalleerd moeten worden. In het contract staat dat [bedrijf 15] SA heeft besloten: ‘to subcontract the procurement and/or assistence for procurement and technical assessment outside Panama’. [medeverdachte bedrijf] is volgens het contract bereid en bewezen bekwaam en deskundig om deze diensten verlenen. [medeverdachte bedrijf] zal 5% ontvangen van het geldbedrag dat aan de leveranciers betaald dient te worden, te betalen in twee termijnen. In ruil daarvoor zal [medeverdachte bedrijf] de volgende werkzaamheden verrichten:
‘2.2.1 Determination of Equipment, Supplies and Systems
The Contractor must procure the new Equipment, Supplies and Systems indicated in Appendix 1 of this Agreement, once the required detailed information that shall be used by the Contractor to identify of suppliers, including a general description, quantity, preferred manufacturers and/or brands and technical specifications, is given by [bedrijf 15]’.
Er is geen schriftelijke communicatie dan wel schriftelijke vastlegging van mondelinge communicatie aangetroffen tussen (vertegenwoordigers) van [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 15] SA over de sluiting en/of uitvoering van enig contract.
Correspondentie contracten en factuur 2013
[naam 1] heeft op 28 april 2014 het BC-contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] van 17 juni 2013 per e-mail verstuurd. [naam 10] heeft op 1 mei 2014 [verdachte] gemaild met de vraag of hij de in de bijlagen meegestuurde overeenkomst in tweevoud kan tekenen en daarvan een gescande kopie kan toezenden. In de bijlage is een Word-versie aangetroffen van het BC-contract gedateerd 17 juni 2013. Volgens de bijbehorende bestandseigenschappen van het Word-document is deze gemaakt op 1 mei 2014 door ‘ [alias] ’ en voor het laatst gewijzigd op 1 mei 2014 door [naam 10] . Ook heeft [naam 10] in de e-mail geschreven dat zij aan [verdachte] nog zou laten weten waar hij de originele documenten naar toe kon sturen. [verdachte] heeft op 5 mei 2014 gemaild dat alle originele documenten door de DHL waren opgepikt voor ‘ [naam 17] ’ (de rechtbank begrijpt op basis van het dossier: [naam 17] ). [naam 11] heeft namens [medeverdachte bedrijf] op 1 augustus 2014 gemaild dat hij een kopie van de getekende versie van het BC-contract heeft bijgevoegd waarin punt 8 ‘waiver of jury trail’ op verzoek van de raadsman van [medeverdachte bedrijf] is verwijderd. Daarnaast schreef [naam 11] dat [verdachte] een kopie van de getekende versie van het BC-contract op 5 mei 2014 via DHL heeft verstuurd naar [naam 17] .
Wijziging vermelding adres [medeverdachte bedrijf]
[naam 10] heeft op 27 maart 2014 het BC-contract tussen [bedrijf 15] SA en [medeverdachte bedrijf] aan [naam 12] en in kopie aan [naam 18] en [naam 11] gemaild, met hierbij de volgende tekst: ‘Bijgaand tref je ter beoordeling aan het Procurement Contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 15] de dato juli 2013 inclusief bijlagen. De met track changes aangegeven wijzigingen zijn door mij gemaakt op verzoek van de klant’. De in deze e-mail meegestuurde Word-versie heeft als contractdatum 1 juli 2013. Via ‘track changes’ zijn wijzigingen in het concept bijgehouden. Zo is op twee verschillende plekken het adres van [medeverdachte bedrijf] gewijzigd van [adres 2] naar [adres 3] . Ook zijn wijzigingen gemaakt ten aanzien van de valuta en het van toepassing zijnde recht. Uit de bestandseigenschappen van het Word-document is op te maken dat het concept is gemaakt op 27 maart 2014 door ‘ [naam 19] ’ en op diezelfde datum als laatst is gewijzigd door [naam 10] .
[naam 11] heeft op 22 april 2014 aan [verdachte] gemaild dat de brieven van [bedrijf 15] SA aan [medeverdachte bedrijf] gedateerd vóór 1 juli 2013 geadresseerd moesten worden aan [adres 2] . Een soortgelijke e-mail heeft [naam 11] op 25 april 2014 gestuurd naar [naam 1] , inhoudende dat de meeste brieven van [bedrijf 3] het nieuwe adres van [medeverdachte bedrijf] vermeldden, maar dat brieven gedateerd vóór 30 juni 2013 nog het oude adres moesten vermelden.
[medeverdachte bedrijf] had vanaf 2011 achtereenvolgens de volgende vestigingsadressen:
17 november 2011 - 24 oktober 2012: [adres 4] ;
24 oktober 2012 - 5 juli 2013: [adres 2] , en;
5 juli 2013 - 23 augustus 2019: [adres 3] .
Gekwalificeerd personeel
[verdachte] heeft op 16 april 2014 in een e-mail aan het algemene e-mailadres van [medeverdachte bedrijf] [naam 11] gevraagd of hij mocht tekenen en geïnformeerd hoe het ervoor stond met de ‘docs’. Dit naar aanleiding van een e-mail van [naam 1] , verzonden op 3 april 2014, die schreef dat hij verschillende brieven en documenten ten aanzien van [medeverdachte bedrijf] had meegezonden. Twee van deze documenten betroffen brieven van [medeverdachte bedrijf] , ondertekend door [verdachte] , aan [bedrijf 15] SA. Samengevat staat in deze brieven dat [medeverdachte bedrijf] beschikt over ‘an experienced group of highly qualified Engineers, Technicians and Commercial experts to help you achieve your goals.’ Er zijn geen gegevens aangetroffen waaruit volgt dat [medeverdachte bedrijf] over dergelijk gekwalificeerd personeel heeft beschikt.
Roofing system
In een brief van [verdachte] namens [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 oktober 2014 aan [bedrijf 15] SA is een schema opgenomen met verschillende contracten die [bedrijf 3] met derden had gesloten. In het schema is zowel het overeengekomen geldbedrag tussen [bedrijf 3] en de derde partij vermeld als het geldbedrag waarop [medeverdachte bedrijf] recht zou hebben op basis van de overeengekomen fee van 5%. Volgens het schema komt het totaalbedrag ten gunste van [medeverdachte bedrijf] neer op een geldbedrag van $ 3.160.769,65, gebaseerd op (de optelsom van geldbedragen op grond van) vier verschillende subcontracten inzake ‘roofing system’, ‘steel structure’, ‘vertical & horizontal transportion’ en ‘external wall system’. Overeenkomsten tussen [bedrijf 3] en de derde partij waarop de fee van [medeverdachte bedrijf] zou zijn gebaseerd of verzoeken door of namens [medeverdachte bedrijf] / [verdachte] om deze overeenkomsten in te zien, zijn niet aangetroffen.
Factuur en geldstromen 2013
[naam 20] heeft via een e-mailadres toebehorend aan [bedrijf 3] op 12 november 2014 aan [medeverdachte bedrijf] een factuur (invoice [factuurnummer 4] ) gemaild. De factuur is van [medeverdachte bedrijf] , gericht aan [bedrijf 16] en voor een geldbedrag van $ 2.525.769,65. Op de factuur wordt onder andere verwezen naar (de hiervoor besproken) brief van 1 oktober 2014. Een andere bijlage verstuurd in diezelfde mail heeft betrekking op een overboekingsbewijs van een geldbedrag van $ 2.525.769,65 aan [medeverdachte bedrijf] . In de e-mail is namens [bedrijf 3] verzocht om het meegestuurde betalingsbewijs te ondertekenen en deze samen met de factuur terug te sturen.
‘ [bijnaam 3] ’ heeft op dezelfde dag, 12 november 2014, betalingsinstructies met betrekking tot invoice [medeverdachte bedrijf] [factuurnummer 5] gemaild naar het algemene e-mailadres van [medeverdachte bedrijf] . In de e-mail staat dat de factuur tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] betaald kan worden nadat [medeverdachte bedrijf] het geldbedrag afkomstig van [bedrijf 15] SA heeft ontvangen op basis van invoice [factuurnummer 4] . Als bijlagen bij de e-mail zijn zowel de Swift-betalingsbevestiging van [bedrijf 15] SA aan [medeverdachte bedrijf] met betrekking tot het bedrag van $ 2.525.769,65 als de factuur van [bedrijf 4] aan [medeverdachte bedrijf] van 12 november 2014 meegezonden. ‘ [bijnaam 3] ’ heeft op 24 november 2014 gemaild ‘of er al nieuws is met betrekking tot de betaling’.
In het overzicht van bankmutaties van rekeningnummer [rekeningnummer 4] ten name van [medeverdachte bedrijf] BV is te zien dat op 12 november 2014 een geldbedrag is bijgeschreven van $ 2.525.769,65 onder vermelding van ‘inv [factuurnummer 6] ’. Op 28 november 2014 is een geldbedrag van $ 2.424.738,86 afgeschreven naar een bankrekening van de (vestiging in Antigua van de Oostenrijkse) Meinl Bank onder vermelding van ‘ [bedrijf 4] [ [bedrijf 4] ]’ met invoice no. [factuurnummer 7] . Het verschil tussen het inkomende en uitgaande bedrag bedraagt $ 101.030,79 en is gelijk aan 4 % van
$ 2.525.769,65.
Het oordeel van de rechtbank over feit 1: valsheid in geschrift
4.4.2.1 Valselijk opmaken (lid 1)
Onder feit 1 wordt [verdachte] verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [medeverdachte bedrijf] . Die valsheid zou er (telkens) in bestaan dat (i) in de contracten en facturen werkzaamheden zijn vermeld die [medeverdachte bedrijf] in werkelijkheid niet heeft uitgevoerd of uitbesteed en (ii) de contracten een onjuiste datum bevatten. In beide gevallen gaat het om intellectuele valsheid. Van intellectuele valsheid is sprake als de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid.
De rechtbank bespreekt hierna eerst onderdeel (ii) en daarna onderdeel (i).
ii. Onjuiste datum?
De rechtbank stelt allereerst vast dat de datering van de onder 1 ten laste gelegde contracten niet correspondeert met de data waarop e-mailverkeer met betrekking tot de totstandkoming van het contract in kwestie heeft plaatsgevonden en de data waarop het contract in kwestie volgens de bestandseigenschappen van de Word-versies is opgesteld en laatst gewijzigd. De data waarop de verschillende contracten zouden zijn aangegaan (“entered into”) ligt eerder dan de datum dat deze contracten als Word-bestand zijn gecreëerd. Dat is onmogelijk. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat al deze contracten zijn geantedateerd en dus – in de woorden van de tenlastelegging – een onjuiste datum bevatten. Dat maakt de contracten op dit onderdeel vals.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat de contracten niet zijn geantedateerd, nu de contracten slechts een schriftelijke bevestiging vormden van eerder overeengekomen mondelinge afspraken en naar Braziliaans recht de datum van mondelinge overeenstemming als ingangsdatum gold. Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Ten eerste is in geen van de contracten Braziliaans recht van toepassing verklaard. Ten tweede is in de contracten uitdrukkelijk bepaald op welke datum deze zijn aangegaan (“entered into”). Tot slot is geen enkele correspondentie aangetroffen waaruit kan worden afgeleid dat partijen op een eerder moment mondelinge overeenstemming hebben bereikt.
i. Werkzaamheden niet uitgevoerd of uitbesteed?
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de hiervoor beschreven contracten en facturen een valse weergave van de werkelijkheid vormen, in die zin dat [medeverdachte bedrijf] in werkelijkheid de gecontracteerde werkzaamheden niet heeft uitgevoerd noch uitbesteed. Ten aanzien van de contracten is in dit verband tevens relevant of [medeverdachte bedrijf] bij het sluiten van de contracten ook niet de intentie had die werkzaamheden werkelijk uit te voeren dan wel uit te besteden en zich daartoe (dus) niet werkelijk heeft verbonden.
Op grond van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden stelt de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte bedrijf] in dit verband vast dat:
één of meerdere personen gelieerd aan [bedrijf 3] bepaalden met welke partijen [medeverdachte bedrijf] een contract moest aangaan en onder welke voorwaarden;
[medeverdachte bedrijf] geen rol heeft gehad bij het initiëren en tot stand brengen van een contractuele relatie met de Offshore-entiteiten;
één of meerdere personen gelieerd aan [bedrijf 3] (de inhoud van) zowel de CB- als de BA-contracten en de bijbehorende facturen hebben aangeleverd, terwijl [bedrijf 3] formeel geen partij was bij de gesloten CB-contracten;
het BA-contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 15] SA en het CB-contract tussen [bedrijf 4] en [medeverdachte bedrijf] van 17 juni 2013 na de contractdatum nog zijn aangepast;
(personen gelieerd aan) [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 3] in 2014 bespraken dat brieven van [bedrijf 3] geadresseerd aan [medeverdachte bedrijf] gedateerd vóór 30 juni 2013 nog het oude adres van [medeverdachte bedrijf] moesten vermelden en deze brieven dus kennelijk met terugwerkende kracht werden opgesteld of gewijzigd;
er geen correspondentie in de vorm van bijvoorbeeld e-mailverkeer heeft plaatsgevonden tussen de verschillende partijen over de totstandkoming en inhoud van de contracten en de uit te voeren werkzaamheden, terwijl dergelijke communicatie in het zakelijk handelsverkeer hoogst gebruikelijk en zelfs noodzakelijk is. Zo had bijvoorbeeld correspondentie mogen worden verwacht ter zake de totstandkoming en inhoud van de subcontracten voor het ‘roofing system’, ‘steel structure’, ‘vertical & horizontal transportion’ en ‘external wall system’ en de daarin berekenende geldbedragen, welke contracten überhaupt niet zijn aangetroffen;
[medeverdachte bedrijf] niet beschikte over gekwalificeerd personeel dat de gecontracteerde werkzaamheden kon uitvoeren;
één of meerdere personen gelieerd aan [bedrijf 3] bepaalden wanneer betalingen op grond van het BA-contract plaats zouden vinden en betalingsinstructies gaven aan [medeverdachte bedrijf] voor betalingen op grond van het CB-contract;
één of meerdere personen gelieerd aan [bedrijf 3] zich nadrukkelijk bemoeiden met en instructies gaven over het doen van een betaling door [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 1] op het moment dat het risico op compliance issues ontstond;
de ontvangst van de factuursom uit hoofde van het BA-contract en de betaling van de factuursom uit hoofde van het CB-contract telkens zeer kort na elkaar plaatsvonden, en;
het dossier geen stukken bevat waaruit kan worden afgeleid dat (personen werkzaam voor) [medeverdachte bedrijf] en de door haar gecontracteerde Offshore-entiteiten daadwerkelijk in de contracten genoemde werkzaamheden hebben uitgevoerd.
Op basis van de hiervoor weergegeven vaststellingen alsook de conclusie van de rechtbank dat de contracten zijn geantedateerd, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de in de contracten vermelde werkzaamheden niet werkelijk door [medeverdachte bedrijf] zijn uitgevoerd en evenmin werkelijk door haar zijn uitbesteed, en dat zij daartoe ook niet de intentie had en zich daartoe niet werkelijk heeft verbonden.
De verklaring van [naam 16] dat hij wel werkzaamheden uitvoerde, zoals het technisch beoordelen van de contracten, acht de rechtbank onaannemelijk en ongeloofwaardig nu deze geen enkele steun vindt in het dossier, terwijl daar toch – op zijn minst – schriftelijke stukken zoals correspondentie van te verwachten zouden zijn. Het dossier laat daarentegen zien dat louter sprake was van administratieve vastlegging van contracten en uitbetaling van geldbedragen. De inhoud van e-mailcorrespondentie en de data van het betalingsverkeer leiden ten aanzien van alle hiervoor besproken contracten tot de conclusie dat niet de uitvoering van werkzaamheden bepalend is geweest voor het sluiten van de contracten en het betalen van de verschillende contractsommen, maar dat de contracten enkel dienden ter afdekking van een internationale geldstroom afkomstig van [bedrijf 3] . Dit betrof een kunstmatige constructie, waardoor [bedrijf 3] overigens blijkens de plea agreement die zij sloot met de Amerikaanse Department of Justice – kort gezegd – in staat was wereldwijd steekpenningen te betalen aan overheidsfunctionarissen.
De contracten waren dus fictief. Er zijn niet werkelijk opdrachten verstrekt en aanvaard voor de uitvoering van ( [bedrijf 1] )werkzaamheden. Deze conclusie wordt verder onderstreept door de omstandigheid dat [bedrijf 3] (indirect) controle uitoefende en/of zeggenschap had over de C-partijen, de Offshore entiteiten. Gelet hierop valt niet in te zien dat [medeverdachte bedrijf] een reële schakel vormde wat betreft de uitvoering van werkzaamheden voor bouwprojecten, noch als feitelijke uitvoerder noch als hoofdaannemer.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde contracten en facturen valselijk zijn opgemaakt.
Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de verdediging heeft betoogd, partijen met het sluiten van de contracten (ook) fiscale planning nastreefden, nog los van het antwoord op de vragen of dit werkelijk een doel was en of dat doel legitiem was. Het rechtvaardigt immers hoe dan ook niet dat in contracten een onjuiste voorstelling van zaken wordt weergegeven.
De valse contracten en facturen waren opgenomen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] . Naar vaste jurisprudentie kan een bedrijfsadministratie in haar geheel als geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden aangemerkt, alsook als samenstel van geschriften. De rechtbank is van oordeel dat daarmee tevens de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] is vervalst.
4.4.2.2 Gebruik maken van valse documenten (lid 2)
4.4.2.2.1 Aanvullende redengevende feiten en omstandigheden
Op 18 april 2018 heeft de ING-bank een aangetekende brief gestuurd aan [medeverdachte bedrijf] met als onderwerp ‘verzoek om informatie over de rekeningen van [medeverdachte bedrijf] BV’ met hierin 16 verschillende vragen. In de brief is te lezen dat de ING-Bank op 5 februari 2018 al vragen heeft gesteld aan [medeverdachte bedrijf] en dat deze vragen op 20 februari 2018 zijn beantwoord. Vraag 5 van de ING-Bank was als volgt: ‘U heeft orders meegestuurd van [bedrijf 5] [bedrijf 3] S.A. als onderbouwing van transactie USD 1.483.856,88 (29-05-2015). Dit bedrag is echter niet uit de documenten te herleiden. Graag ontvangen we van u hierover een verklaring en verzoeken u alsnog de onderliggende factuur mee te sturen die betrekking heeft op de transactie.’
In de fysiek in beslag genomen stukken is een ongedateerd document aangetroffen met daarin antwoorden op de 16 verschillende vragen van de ING-Bank en waarin is verwezen naar de brief van 18 april 2018. In het ongedateerde document is als reactie op vraag 5 opgenomen: ‘Dit betreft een betaling aan [bedrijf 4] , [bedrijf 4] S.A.. Deze vennootschap hield een rekening aan bij de Meinl Bank te Antigua. Bijgaand een copie van de factuur alsmede de agency agreement. In de fysiek in beslag genomen stukken is de factuur (invoice [factuurnummer 4] ) van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 15] SA van 16 oktober 2025 aangetroffen. Op de factuur staat met pen geschreven ‘vraag 5’.
[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de ten laste gelegde contracten en factuur in het kader van een Know Your Customer(KYC)-procedure heeft opgestuurd naar de ING-Bank.
4.4.2.2.2 Oordeel van de rechtbank
Uit de beantwoording van vraag 5, de handgeschreven notitie op de betreffende factuur (invoice [factuurnummer 4] ) en de verklaring van [verdachte] ter zitting, leidt de rechtbank af dat de ten laste gelegde valse contracten en valse factuur door [verdachte] namens [medeverdachte bedrijf] zijn verzonden naar de ING-Bank. Daarmee zijn de valse contracten en factuur gebruikt in de zin van artikel 225, tweede lid Sr.
4.4.2.3 Bewijsbestemming
Voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrifte is vereist dat het geschrift bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.
Contracten, zo ook de onderhavige, hebben deze bestemming, nu zij bewijzen dat partijen afspraken hebben gemaakt die kunnen worden afgeleid uit de inhoud en de ondertekening. De rechtbank volgt de redenering van de verdediging dat de contracten (slechts) standaardbepalingen bevatten die geen zelfstandige bewijswaarde van een rechtens relevant feit en dus geen bewijsbestemming hebben, niet. In de eerste plaats is die stelling feitelijk onjuist, nu de contracten wel degelijk bijzondere bepalingen bevatten zoals de specificatie van de uit te voeren werkzaamheden en de datering. In de tweede plaats vindt de stelling geen steun in het recht. Ook in geval van standaardbepalingen of modelcontracten is sprake van concrete op rechtsgevolg gerichte verklaringen van de contractspartijen die een bewijsbestemming hebben in het maatschappelijk verkeer.
De facturen dienen als bewijs van de verschuldigdheid van de overeengekomen vergoedingen. Daarnaast is vastgesteld dat de ten laste gelegde contracten en facturen waren opgenomen in de bedrijfsadministratie van de verschillende vennootschappen. De Hoge Raad heeft bepaald dat een bedrijfsadministratie – aan te merken als geschrift op zichzelf alsook als een samenstel van geschriften – bestemd is om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen. De onder 1 ten laste gelegde contracten en facturen, alsook de daaruit bestaande bedrijfsadministratie, kunnen daarmee worden gekwalificeerd als (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in artikel 225 Sr.
4.4.2.4 Oogmerk
Om tot een bewezenverklaring van valsheid in geschrift te komen is oogmerk tot misleiding vereist. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het oogmerk moet zijn gericht op het gebruik als echt en onvervalst. Deze doelbewustheid behelst minst genomen zekerheids- of noodzakelijkheidbewustzijn. ‘Gebruik’ omvat elk gebruik in het maatschappelijk verkeer waarbij sprake is van misleiding en waaruit enig nadeel kan ontstaan. Niet is vereist dat het geschrift daadwerkelijk is gebruikt. Als het geschrift door opzettelijk handelen van de verdachte in het maatschappelijk verkeer is gekomen, mag bij verdachte ook de bedoeling daartoe aanwezig worden geacht, tenzij door de verklaringen van de verdachte of anderszins aannemelijk wordt dat de verdachte niet de bedoeling had dat het geschrift zou worden gebruikt.
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat de ten laste gelegde overeenkomsten en facturen van [medeverdachte bedrijf] zijn opgenomen in haar bedrijfsadministratie, waarmee zij de bewijsbestemming heeft onderkend. Reeds dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de vennootschap het oogmerk had de valse overeenkomsten en facturen als echt en onvervalst te gebruiken.
Met betrekking tot het gebruikmaken van de valse contracten en de valse factuur van [medeverdachte bedrijf] in de zin van artikel 225 lid 2 Sr (feit 1, tweede onderdeel), overweegt de rechtbank dat dit gebruikmaken daadwerkelijk heeft gestrekt tot misleiding van een ander, nu de stukken zijn opgestuurd naar (medewerkers van) de ING-Bank in het kader van een KYC-procedure.
4.4.2.5 Opzet
Voor bewezenverklaring van artikel 225 Sr is tot slot vereist dat sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de valsheid van de contracten en facturen (lid 1, ten laste gelegd onder feit 1, onderdeel 1), althans op het gebruik van de contracten en de factuur en het valse karakter daarvan (lid 2, ten laste gelegd onder feit 1, onderdeel 2).
Zoals hiervoor is overwogen zijn de in de contracten vermelde werkzaamheden niet werkelijk door of namens [medeverdachte bedrijf] uitgevoerd en evenmin werkelijk door haar uitbesteed, en heeft zij daartoe ook niet de intentie gehad en zich daartoe niet werkelijk verbonden. Gelet op de hiervoor beschreven modus operandi, waarvan het doel louter was de geldstroom afkomstig van [bedrijf 3] af te dekken met fictieve contracten, en de omstandigheden dat [medeverdachte bedrijf] niet beschikte over gekwalificeerd personeel, er geen enkele communicatie is geweest over de inhoud en de uitvoering van de contracten en elk contract gesloten werd op een datum vóórdat het contract opgesteld werd, kan het niet anders zijn dan dat degenen die de contracten en de facturen hebben opgesteld, gewijzigd en/of ondertekend, te weten de bestuurder en werknemers van [medeverdachte bedrijf] , wisten of tenminste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat die contracten en facturen vals waren.
Dit geldt ook voor de contracten en de factuur die door [verdachte] namens [medeverdachte bedrijf] zijn verzonden aan de ING-Bank, waarbij het gelet op het hiervoor overwogene niet anders kan zijn dan dat [verdachte] , die tijdens de ten laste gelegde periode bestuurder was van [medeverdachte bedrijf] en de bewuste contracten heeft ondertekend, minst genomen voorwaardelijk opzet had op de valsheid van de stukken en het gebruik daarvan.
Ook hier geldt dat een eventueel (aanpalend) fiscaal motief, wat daar ook van zij, aan het voorgaande niet afdoet. Het rechtvaardigt zoals gezegd niet dat in contracten een onjuiste voorstelling van zaken wordt weergegeven. Al aangenomen dat men in dit verband heeft vertrouwd op advies, dan nog heeft de rechtbank geen aanknopingspunt kunnen vinden voor de conclusie dat dat vertrouwen gerechtvaardigd was. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is om te beginnen op geen enkele wijze gebleken van enig concreet, deskundig (fiscaal) advies dan wel een ‘tax ruling’ ter zake, nog los van het feit dat in zo’n advies of ruling bezwaarlijk kan zijn gesteld dat het juridisch is toegestaan om contracten te antedateren en daarin fictieve opdrachten te vermelden.
4.4.2.6 Daderschap
De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon toegerekend kan worden. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, leidt de rechtbank af dat het opmaken (ondertekenen) van de ten laste gelegde contracten en het opmaken van de daarop betrekking hebbende facturen door (personen namens) [medeverdachte bedrijf] passend waren binnen de normale bedrijfsvoering, nu daarmee de vermeende afdekking met fictieve contracten van de geldstroom afkomstig van [bedrijf 3] werd gefaciliteerd. Het sluiten van de contracten en het opmaken van daarop gebaseerde facturen is [medeverdachte bedrijf] dienstig geweest, nu zij hiervoor een marge ontving bestaande uit het verschil tussen de ontvangen en betaalde geldbedragen.
Hetzelfde geldt voor het desgevraagd versturen van stukken aan de ING (feit 1, onderdeel 2). Een onderneming is immers verplicht mee te werken aan de KYC-procedure van de bank waar de onderneming klant is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en daarmee redelijkerwijs aan [medeverdachte bedrijf] kunnen worden toegerekend. Uit het hiervoor beschreven opzet van de personen die de gedragingen (kort gezegd het opmaken van de contracten en de facturen en versturen van dergelijke stukken aan de ING) feitelijk hebben verricht, kan eveneens het opzet van [medeverdachte bedrijf] worden afgeleid. Dit betekent dat [medeverdachte bedrijf] kan worden aangemerkt als dader van het ten laste gelegde onder 1.
4.4.2.7 Medeplegen
Gelet op de vastgestelde gang van zaken betreffende de samenwerking tussen [medeverdachte bedrijf] met de (personen gelieerd aan) [bedrijf 3] en het administratieve team van [medeverdachte bedrijf] , dat werd aangestuurd door [medeverdachte] , ten aanzien van het opmaken van de verschillende valse contracten en de daarop gebaseerde valse facturen, heeft [medeverdachte bedrijf] het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank in nauwe en bewuste samenwerking gepleegd met anderen. De rolverdeling was hoofdzakelijk als volgt: personen gelieerd aan [bedrijf 3] leverden de (inhoud voor de) contracten aan, de administratieve krachten van [medeverdachte bedrijf] pasten die zo nodig aan en maakten de facturen op en [verdachte] ondertekende de contracten. Ieder van hen leverde zo een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde medeplegen dan ook wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het gebruik maken van valse geschriften in de vorm van het versturen van de contracten en de factuur namens [medeverdachte bedrijf] aan de ING.
4.4.2.8 Feitelijke leidinggeven en opzet daarop
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of [verdachte] kan worden aangemerkt als feitelijke leidinggever van [medeverdachte bedrijf] . Hierbij dient niet uitsluitend de juridische positie te worden betrokken, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.. In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten.
[verdachte] heeft in dit kader ter zitting het volgende verklaard. De samenwerking is ontstaan in verband met door [bedrijf 3] beoogde fiscale planning. [verdachte] tekende de contracten blind en had geen redenen om te twijfelen aan (de aard van) de samenwerking en de onderliggende contracten en facturen, nu de contracten werden gecontroleerd door [naam 12] en vanwege de betrokkenheid van zijn broer [medeverdachte] en een grote multinational als [bedrijf 3] . [verdachte] is zich pas vanaf het vierde kwartaal van 2014 zelf inhoudelijk gaan bemoeien met de samenwerking. Daarvoor was er geen contact tussen hem en [bedrijf 3] en was hij niet betrokken bij de totstandkoming en de inhoud van de contracten die hij ondertekende.
Door de verdediging is aangevoerd dat de betrokkenheid van [verdachte] zich beperkte tot het zetten van handtekeningen als formeel tekenbevoegde. Dat is volgens de verdediging onvoldoende voor feitelijke leidinggeven in de zin van 51, tweede lid Sr. Daarnaast is (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] op het feitelijke leidinggeven niet bewezen, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat met de contracteb fiscale planning beoogd werd, een legitiem doel. Daarbij heeft [verdachte] gerechtvaardigd vertrouwd op wat zijn broer [medeverdachte] hem had verteld over de samenwerking. Dat vertrouwen werd daarnaast gewekt door de betrokkenheid van een grote multinational als [bedrijf 3] en de deskundige [naam 12] .
De rechtbank stelt op basis van de redengevende feiten en omstandigheden het volgende vast. [verdachte] is sinds 1 juni 2011 enig/zelfstandig bevoegd bestuurder van [medeverdachte bedrijf] . Daarmee was hij gedurende de ten laste gelegde periode als enige bevoegd om [medeverdachte bedrijf] te vertegenwoordigen. In deze hoedanigheid ondertekende [verdachte] , die tot en met het derde kwartaal van 2014 in China verbleef, de contracten, naar eigen zeggen zonder daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud. Over het ondertekenen van de contracten voerde hij via e-mail gesprekken met de administratieve medewerkers die zich in Nederland bevonden en (ook) voor [medeverdachte bedrijf] werkzaamheden verrichtten alsook – tenminste vanaf het laatste kwartaal van 2014 – met personen gelieerd aan [bedrijf 3] . Ook is gebleken dat [verdachte] [medeverdachte bedrijf] extern vertegenwoordigde, bijvoorbeeld in correspondentie met de Belastingdienst. Hij hield via zijn persoonlijke holding [bedrijf 11] B.V. (in)direct aandelen in [medeverdachte bedrijf] . Via zijn persoonlijke holding werd aan hem in de jaren 2013, 2014 en 2015 elk jaar dividend uitgekeerd.
Uit het voorgaande, in het bijzonder het ondertekenen van de (valse) contracten en het versturen van (valse) contracten en een factuur aan de ING, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [verdachte] het plegen van valsheid in geschrifte door [medeverdachte bedrijf] actief en effectief heeft bevorderd. Er is sprake van meer dan de enkele omstandigheid dat [verdachte] bestuurder van [medeverdachte bedrijf] was.
De vraag die de rechtbank nu zal beantwoorden, is of het opzet van [verdachte] daar ook op was gericht. De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals hiervoor is overwogen onder 4.4.2.5 Opzet, is de rechtbank van oordeel dat het onder de omstandigheden in deze zaak niet anders kan zijn dan dat de betrokken personen die zich bezig hielden met het opstellen, wijzigen, aanpassen en ondertekenen van de contracten en de daarop gestoelde facturen wisten of tenminste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de in de contracten vermelde werkzaamheden in werkelijkheid niet werden uitgevoerd of uitbesteed en dat die contracten dus vals waren. Dat geldt ook voor [verdachte] . Al aangenomen dat hij, zoals hij zelf heeft verklaard, de contracten blind tekende, dan nog is onder deze omstandigheden sprake geweest van voorwaardelijk opzet. Hij was immers bestuurder van [medeverdachte bedrijf] en in die hoedanigheid mocht van hem worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelde van de inhoud van de contracten die hij ondertekende, temeer nu in deze contracten werkzaamheden werden opgedragen waarvoor [medeverdachte bedrijf] geen gekwalificeerd personeel in dienst had terwijl [medeverdachte bedrijf] er (aanzienlijke) inkomsten uit verkreeg en hijzelf als aandeelhouder ook. Het blind tekenen was een bewuste keuze om de inhoud niet te controleren. Onder deze feiten en omstandigheden heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de contracten vals waren en dus de daarop gestoelde facturen eveneens. Dit geldt ook voor het antedateren van de contracten, nu [verdachte] op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de in die contracten vermelde data, die gelet op de e-mailcorrespondentie rondom het werkelijke tijdstip van de ondertekening niet konden kloppen, onjuist waren.
In het verlengde van dit één en ander geldt hetzelfde voor het versturen van de contracten en de factuur aan de ING.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] feitelijke leiding heeft geven aan de door [medeverdachte bedrijf] meermaals gepleegde valsheid in geschrifte.
4.4.2.9 Conclusie met betrekking tot feit 1
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [medeverdachte bedrijf] samen met anderen meermaals gepleegde valsheid in geschrifte en het door [medeverdachte bedrijf] gepleegde gebruik maken van valse geschriften.
Het oordeel van de rechtbank over feit 2: deelname aan een criminele organisatie
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde. Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie is onder andere vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting en indachtig het hiervoor onder ‘4.4.2.8 Feitelijke leidinggeven en opzet daarop’ overwogene, staat naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte] dit onvoorwaardelijk opzet had. De rechtbank spreekt [verdachte] om deze reden vrij van het onder 2 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
[medeverdachte bedrijf] B.V. (hierna: [medeverdachte bedrijf] )
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 in de gemeente Noordwijk en gemeente Voorschoten en gemeente Haarlemmermeer,
althans in Nederland en Brazilië en elders ter wereld,
telkens tezamen en in vereniging met anderen,
meermalen,
A.
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 1] and [bedrijf 2] Inc. d.d. 14 juni 2012; en
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 5 juli 2012; en
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 3] - [bedrijf 3] LTD d.d. 16 december 2013 met kenmerk [factuurnummer 2] ; en
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. d.d. 17 juni 2013; en
- een contract tussen [bedrijf 5] S.A. en [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 juli 2013 met contractnummer [contractnummer] ; en
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 5] S.A. d.d. 16 oktober 2014 met kenmerk [factuurnummer 1] ;
en
B. de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] B.V.,
elk zijnde geschriften en/of samenstel van geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,
telkens valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst,
immers heeft [medeverdachte bedrijf] en (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
- in deze contracten en/of die facturen voornoemd telkens werkzaamheden en/of leveringen en/of diensten vermeld, althans laten vermelden, welke in werkelijkheid niet door [medeverdachte bedrijf] zijn uitgevoerd en/of door haar zijn uitbesteed aan derden; en
- die contracten voornoemd voorzien en/of doen voorzien van een onjuiste datum/datering, althans die geschriften geantedateerd, en vervolgens voornoemde contracten en/of facturen opgenomen en/of laten opnemen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte bedrijf] ,
zulks telkens met het oogmerk om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,
en
[medeverdachte bedrijf] B.V.
in de periode van 5 februari 2018 tot en met 1 november 2018
in de gemeente Wassenaar en gemeente Voorschoten en gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van genoemde valselijk opgemaakte geschriften te weten,
- een contract tussen [medeverdachte bedrijf] en [bedrijf 4] S.A. d.d. 17 juni 2013; en
- een contract tussen [bedrijf 5] S.A. en [medeverdachte bedrijf] d.d. 1 juli 2013 met contractnummer [contractnummer] ; en
- een factuur van [medeverdachte bedrijf] aan [bedrijf 5] S.A.d.d. 16 oktober 2014 met kenmerk [factuurnummer 1] ,
terwijl [medeverdachte bedrijf] wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,
en bestaande dat gebruikmaken of gebruik doen maken telkens hierin dat [medeverdachte bedrijf] deze geschriften hebben verzonden aan (een) medewerker(s) van de [bedrijf 6] N.V. ,
hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en).
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde onderdeel ‘opnemen van de valse geschriften in de bedrijfsadministratie’ de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Sr van toepassing is en daarmee ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu de aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gekoppelde bewaarplicht van de administratie meebrengt dat ook valse stukken dienen te worden opgenomen in de bedrijfsadministratie. [medeverdachte bedrijf] was volgens de verdediging dan ook wettelijk gehouden om de (valse) documenten op te nemen in de bedrijfsadministratie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het opnemen van de valse contracten en facturen in de bedrijfsadministratie een keuze was. Daarmee is sprake is van een vorm van culpa in causa waardoor [verdachte] geen (geslaagd) beroep op de strafuitsluitingsgrond toekomt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De oorzaak van de valse bedrijfsadministratie en de daaraan ten grondslag liggende valse stukken moet niet worden gevonden in (het voldoen aan) het wettelijke voorschrift van artikel 52 AWR, maar in vrijwillig handelen. Men was immers niet op grond van enige wettelijke bepaling gehouden om valse stukken op te maken. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank de bewaarplicht van artikel 52 AWR geen rechtvaardiging vormen voor het opmaken van valse stukken die vervolgens worden opgenomen in de bedrijfsadministratie van een onderneming. De rechtbank verwerpt het beroep op deze strafuitsluitingsgrond.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 51 en 225 Sr. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
en
feitelijke leiding geven aan opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 300 uren. Hierbij is door de officier van justitie rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke leidinggeven aan [medeverdachte bedrijf] bij het plegen van valsheid in geschrifte door het opmaken van valse contracten en facturen en het vervalsen van de bedrijfsadministratie. Met de valse contracten en facturen werd voorgewend dat [medeverdachte bedrijf] werkzaamheden zou hebben uitgevoerd dan wel uitbesteed waar zij in werkelijkheid geen betrokkenheid bij heeft gehad. In werkelijkheid werden zodoende internationale geldstromen afkomstig van [bedrijf 3] afgedekt met fictieve transacties. [verdachte] heeft hierin een belangrijke schakel gevormd door die contracten te ondertekenen. Alleen al op basis van de ten laste gelegde contracten en facturen zijn miljoenen via de bankrekening van [medeverdachte bedrijf] doorgesluisd, waarvan aanzienlijke geldbedragen zijn achtergebleven bij [medeverdachte bedrijf] en hun aandeelhouders, waaronder [verdachte] . Met zijn handelen heeft [verdachte] misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld en ook moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde contracten, facturen en de bedrijfsadministratie. De rechtbank neemt dit [verdachte] kwalijk.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Op 26 februari 2019 heeft de doorzoeking van het bedrijfspand van [medeverdachte bedrijf] plaatsgevonden. [verdachte] kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 26 februari 2019 de redelijke termijn, waarbinnen [verdachte] dient te worden berecht, is aangevangen. Als algemeen uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is - gelet op de omvang van de zaak en het voorbereidend onderzoek - in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank sprake, waardoor de redelijke termijn in de zaak zal worden gesteld op tweeënhalf jaar. De datum van dit vonnis is 20 april 2026; dat betekent dat de redelijke termijn met meer dan vier jaren en zeven maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding moet leiden tot strafvermindering.
De op te leggen straf
De ernst en omvang van de feiten en de positie van [verdachte] als bestuurder van [medeverdachte bedrijf] rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft geëist, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu [verdachte] wordt vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, zijn rol ondergeschikt was aan die van medeverdachte [medeverdachte] en zijn betrokkenheid beperkt is gebleven tot [medeverdachte bedrijf] , zal de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur opleggen dan in de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] bij vonnis van heden is opgelegd.
De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een korting van twee maanden toepassen, en een gevangenisstraf opleggen van acht maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 63 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1
het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
en
feitelijke leiding geven aan opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. M. van Berlo en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.