ECLI:NL:RBOVE:2026:2203

ECLI:NL:RBOVE:2026:2203

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 08/351782-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 41-jarige vrouw tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en een meldplicht bij de reclassering. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, door het slachtoffer te steken met een mes.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/351782-24 (P)

Datum vonnis: 21 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 april 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer] en door mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), dan wel de zware mishandeling van die [slachtoffer], dan wel een poging tot de zware mishandeling van die [slachtoffer].

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

(met kracht) één of meerdere malen in de (onder)buik, althans in het lichaam, heeft

gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steek en/of snijwond in de (onder)buik

en/of bloed in de buikholte en/of vrij vocht in de buik en/of een bloeding uit een zijtak van de liesslagader en/of een bloeduitstorting in de buikhuid, heeft toegebracht

door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) één of

meerdere malen in de (onder)buik, althans het lichaam, te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp,

(met kracht) één of meerdere malen in de (onder)buik, althans in het lichaam, heeft

gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door hem in de onderbuik te steken. Gelet op het gebruik van een mes en de plek van het steken heeft verdachte bewust het risico genomen dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde, nu uit de letselrapportage niet blijkt dat verdachte door het ontstane letsel een aanmerkelijke kans had op overlijden. Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 2 november 2024 in Zwolle met zijn vriend [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) naar het huis van verdachte is gegaan om bier te drinken en dat [getuige 2] daar ook was. Verdachte wordt uit het niets heel kwaad en schreeuwt dat hij de woning moet verlaten. Dan ziet [slachtoffer] dat verdachte in de keuken staat en een keukenmes van ongeveer 20 centimeter vasthoudt. Ze raakt met het mes met kracht zijn onderbuik en hij ziet direct het bloed uit zijn buik spuiten.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij en [slachtoffer] net in het huis van verdachte zijn, als hij geschreeuw hoort. Hij ziet dat verdachte [slachtoffer] steekt en hij ziet dat er veel bloed is.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [naam 2] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer]) verdachte begint te pushen en te trekken en dat verdachte dat niet wil. Ze ziet dat [naam 2] een arm om de nek van verdachte slaat en haar meetrekt. Iets later ziet ze dat [naam 2] zijn handen op zijn zij drukt en dat er bloed op de trap ligt.

Wanneer de politie later die avond in de woning van verdachte komt, zien zij in de keuken een mes in de gootsteen liggen van ongeveer 30 centimeter groot. Zij zien dat het een keukenmes is en dat het lemmet roodkleurige verkleuringen heeft.

[slachtoffer] wordt met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis constateert de arts een steekwond en een hematoom in de buikwand, waarbij bloed in de buikholte terecht is gekomen.

Ter zitting van 7 april 2026 heeft verdachte verklaard dat zij wilde dat [slachtoffer] haar woning zou verlaten. Zij kan zich niet herinneren dat zij [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

Op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene was die [slachtoffer] met een keukenmes in zijn buik heeft gestoken.

Poging doodslag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de handelingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als een poging doodslag, dan wel (een poging tot) zware mishandeling.

De rechtbank stelt vast dat verdachte met een keukenmes in de onderbuik van [slachtoffer] heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de onderbuik een kwetsbaar deel van het lichaam is, waarin zich vitale organen zoals bijvoorbeeld de blaas en darmen bevinden. Dit wordt bevestigd in de forensische letselrapportage waaruit blijkt dat [slachtoffer] een steekverwonding heeft opgelopen, waarbij een zijtak van de liesslagader is geraakt en er bloed in buikholte is gekomen, waardoor [slachtoffer] direct moest worden geopereerd. De forensisch arts heeft geconcludeerd dat bij een steekverwonding als deze ook de grote lichaamsslagaders van de buik geraakt hadden kunnen worden, wat een grotere bloeding had veroorzaakt. Dat zou geleid hebben tot een shock, uitval van vitale organen en eventueel overlijden.

Dit betekent dat bij het steken in de onderbuik met een keukenmes, een gerede kans bestaat dat vitale organen en/of (slag)aders worden geraakt met als gevolg dat dodelijk letsel kan intreden. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat door het steken in de onderbuik de aanmerkelijke kans is ontstaan dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van [slachtoffer] en komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 2 november 2024 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

die [slachtoffer] met een mes, in de (onder)buik, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

primair

het misdrijf: poging tot doodslag

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met [slachtoffer]. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat het geschorst bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, rekening houdend met de (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf. De raadsman heeft verzocht bij de voorwaardelijke straf de voorwaarden op te leggen zoals de reclassering deze heeft geadviseerd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, door [slachtoffer] te steken met een mes. Verdachte heeft daarmee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Naast het lichamelijke letsel en het grote blijvende litteken dat [slachtoffer] heeft opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Uit de onderbouwing van de schadevordering blijkt dat het incident bij [slachtoffer] emotionele sporen heeft nagelaten. [slachtoffer] voelt zich onveilig en zijn vertrouwen in andere mensen is sterk verminderd.

Een feit als dit zorgt bovendien voor maatschappelijke onrust en heeft invloed op het veiligheidsgevoel van de samenleving in het algemeen..

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 19 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de pro Justitia rapportage die is opgesteld op 19 maart 2025 door drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog. De psycholoog beschrijft verdachte als een vrouw met een posttraumatische stressstoornis en de depressieve klachten die daarmee samenhangen. Haar stoornis heeft haar gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed ten tijde van het ten laste gelegde. Doordat [slachtoffer] haar onverwacht aanraakte en er een worsteling ontstond kreeg verdachte een enorm gevoel van angst en paniek en voelde zij zich heel erg bedreigd. Het gezicht van [slachtoffer] leek opeens op een gezicht uit haar dromen en daardoor dacht ze dat hij haar ging vermoorden. Door de stressstoornis kwam een snel opkomend gevoel van bedreigd zijn en een verhoogde alertheid die deed denken aan eerdere traumatische gebeurtenissen. Verdachte kan zich het steken met een mes niet meer bewust herinneren. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde in een (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op recidive in als laag tot matig en adviseert een ambulante behandeling binnen een forensische context om te werken aan de symptomen die voortvloeien uit de posttraumatische stressstoornis.

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van de rapporten van Reclassering Nederland van 31 maart 2025 en 19 maart 2026. In het laatste rapport beschrijft de reclassering het afgelopen jaar, waarin verdachte zich gemotiveerd heeft ingespannen om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Er is een ambulante behandeling gestart bij de forensische polikliniek [locatie 1], waarin wordt gewerkt aan traumaverwerking en emotieregulatie. Verdachte werkt ook mee aan de ambulante begeleiding vanuit [locatie 2], die haar ondersteunt op veel praktische leefgebieden, zoals haar financiën, agenda beheer en dag invulling. De reclassering acht het voortzetten van de bijzondere voorwaarden in een justitieel kader van belang en adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en het meewerken aan middelencontrole. De reclassering acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer duurt dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet wenselijk.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van het gepleegde feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over en zal het feit in (sterk) verminderde mate aan verdachte toerekenen. Alles overwegend zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal een gedeelte van zes maanden van die gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bij het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de voorwaarden opleggen zoals de reclassering deze heeft geadviseerd in haar advies van 19 maart 2026, met uitzondering van het contactverbod met aangever.

7. De schade van de benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.266,00 (tienduizendtweehonderdzesenzestig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit een daggeldvergoegding voor het verblijf in het ziekenhuis á

€ 266,00.Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering wat betreft de materiële schade toe te wijzen. Wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de schade vast te stellen op een bedrag van € 3.000,00, daarbij rekening houdend met een gedeelte eigen schuld van aangever.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wat betreft de materiële kosten, nu deze niet zijn onderbouwd. De raadsman heeft verzocht het bedrag aan immateriële schade te matigen, omdat de benadeelde partij zelf een rol heeft gespeeld in het ontstaan van de schade.

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer]. De opgevoerde materiële schadepost voor het verblijf in het ziekenhuis is voldoende onderbouwd, nu uit de stukken volgt dat [slachtoffer] zeven dagen in het ziekenhuis heeft verbleven.

De rechtbank acht ook voldoende onderbouwd dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden. [slachtoffer] is met een mes in zijn onderbuik gestoken en hij is met een ambulance vervoerd naar het ziekenhuis, waar hij een spoedoperatie moest ondergaan. Kort daarna bleek er nog steeds sprake te zijn van een inwendige bloeding en moest hij nogmaals worden geopereerd. De impact van het incident was groot voor [slachtoffer], zowel lichamelijk als psychisch. Hij heeft tot op heden last van beperkingen in zijn fysieke belastbaarheid. De rechtbank komt op grond van deze onderbouwing tot de vaststelling dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt de immateriële schade, naar billijkheid vast op € 3.000,00.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 32 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: poging tot doodslag

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen door de forensische polikliniek [locatie 3] of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en de aanwijzingen die door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven;

- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te monitoren en te beheersen, waarbij de reclassering urine- en ademonderzoek kan gebruiken voor de controle, zo lang de reclassering dit nodig acht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.266,00 (bestaande uit € 266,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 3.266,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2024);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op datverdachte verplicht is ter zake van het onder primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.266,00, (zegge: drieduizendtweehonderdzesenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 32 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorst bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Buiten staat

Mr. M. ter Riet is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. ter Riet
  • mr. A. van Holten
  • mr. S.H. Peper

Griffier

  • mr. A. de Bruin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?