ECLI:NL:RBOVE:2026:2220

ECLI:NL:RBOVE:2026:2220

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 08-169958-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Veroordeling tot een gevangensistraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en ontzetting van het recht om het beroep van taxichauffeur uit te oefenen voor de duur van vijf jaren. Aanranding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-169958-25 (P)

Datum vonnis: 21 april 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] (Afghanistan),

wonende aan de [woonplaats]

(Duitsland).

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 april 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Ruarus, advocaat in Almelo, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] (hierna ook [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] als benadeelde partij door mr. E.W. Baan is aangevoerd.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als taxichauffeur [slachtoffer] tijdens een taxirit heeft aangerand.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Enschede en/of te [plaats], althans in Nederland

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- het betasten van de vulva en/of de borsten en/of de billen en/of de benen van die [slachtoffer] en/of- het ontbloten van zijn penis en/of het laten betasten van zijn ontblote penis door die [slachtoffer] en/of- het brengen van zijn vinger in de mond van die [slachtoffer],

waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte, terwijl hij, verdachte, als zijnde taxichauffeur, en die [slachtoffer], als zijnde klant, zich in de nachtelijke uren alleen in een taxi bevonden,- (meermaals) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij de ritprijs in natura mocht betalen door hem, verdachte, te pijpen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en/of- niet is gestopt toen zij langs/dichtbij het verblijfsadres van die [slachtoffer], zijnde de eindbestemming van de rit, reden en/of (telkens) rondjes heeft gereden en/of- de taxi op een verlaten parkeerplaats heeft stilgezet en/of- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld en/of- (hierbij) zich opdringerig heeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer] en/of bij die [slachtoffer] (meermaals) heeft aangedrongen op voornoemde ontuchtige handelingen en/of- (hierbij) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of- (hierbij) misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en/of werd beperkt in haar bewegingsvrijheid, nu zij zich in de taxi bevond en/of- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handelingen kon en/of durfde te onttrekken.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte ontkent het ten laste gelegde en er is geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten die niet ter discussie staan

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende, niet ter discussie staande, feiten vast.

In de nacht van 8 op 9 juni 2024 gaat [slachtoffer] na een feestje met haar vriendinnen vanuit [plaats] naar het centrum van Enschede. Omdat zij emotioneel is vanwege een recent overlijden in de familie en teveel heeft gedronken, besluit ze vlak na aankomst in Enschede terug te gaan naar haar ouderlijk huis in [plaats], waarop haar vriendinnen een taxi aanhouden die door verdachte wordt bestuurd. [slachtoffer] neemt plaats op de bijrijdersstoel van de taxi. Kort na het vertrek uit het centrum van Enschede stopt de taxi op 9 juni 2024 omstreeks 00:47 uur bij het Tango-tankstation aan de Westerval in Enschede omdat [slachtoffer] (deels in de taxi) moet overgeven. Omstreeks 01:02 vertrekt de taxi van daaruit in de richting van [plaats]. Nadat rond 01:10 het dorp [plaats] wordt bereikt, rijdt verdachte langdurig rondjes door het dorp. Tussen 02:30 uur en 02:46 uur staat de taxi stil op een afgezonderd gelegen parkeerplaats in het centrum. Omstreeks 03:00 uur zet verdachte [slachtoffer] af bij haar ouderlijk huis. Verdachte rijdt terug naar Enschede en vervoert later ook de vriendinnen van [slachtoffer] naar [plaats].

Over de reden waarom de taxirit van Enschede naar de woning van [slachtoffer] – die op dat tijdstip normaal gesproken maximaal 20 tot 25 minuten duurt – meer dan twee uur in beslag nam en over wat er in de taxi is gebeurd, lopen de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte uiteen.

De verklaring van verdachte

Verdachte ontkent het ten laste gelegde feit en heeft ter terechtzitting het volgende verklaard. [slachtoffer] is degene die aanbood om verdachte te pijpen, omdat zij de reinigingskosten van de taxi en de ritprijs niet wilde betalen. Zij was tijdens de rit emotioneel, aan het hyperventileren, huilen en schreeuwen, zij was misselijk en zei bij herhaling dat ze zelfmoord wilde plegen. Ze wilde niet naar huis omdat ze zich daar onveilig voelde en problemen had met haar moeder. Verdachte is daarom rondjes blijven rijden door [plaats] en heeft de taxi geparkeerd tot [slachtoffer] rustig werd. Uiteindelijk gebeurde dat en heeft hij haar bij de woning van haar ouders afgezet. Verdachte heeft [slachtoffer] niet aangeraakt.

De verklaring van aangeefster

[slachtoffer] heeft op 9 en 10 juni 2024, dus zeer kort na het gebeuren in de taxi, in totaal drie verklaringen afgelegd bij de politie. Zij heeft in de kern telkens verklaard dat verdachte haar gedurende de taxirit en terwijl de auto geparkeerd stond (over haar kleding) bij haar benen, borsten en kruis betastte. Op de parkeerplaats in [plaats] ontblootte verdachte zijn geslachtsdeel, pakte hij de hand van [slachtoffer] en legde die op zijn geslachtsdeel. Ook stopte verdachte zijn vinger in haar mond. Tijdens de rit – die lang duurde omdat verdachte meerdere rondjes door [plaats] reed – heeft verdachte meerdere keren gezegd dat [slachtoffer] de ritprijs in natura kon betalen en voorgesteld hem te pijpen. Nadat [slachtoffer] bij de woning van haar ouders werd afgezet, gaf verdachte haar een knuffel, ging met zijn hand in haar broek en raakte haar blote billen aan.

De bewijsoverwegingen

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer.

Steunbewijs kan ertoe leiden dat toch een bewezenverklaring kan volgen. Wanneer sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste

rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer die de belastende verklaring heeft afgelegd.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich dus gesteld voor de vraag of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

De betrouwbaarheid

De rechtbank stelt vast dat de afgelegde verklaringen van [slachtoffer] in grote lijnen en op essentiële onderdelen overeenkomen. [slachtoffer] heeft consistent verklaard over de handelingen en aanrakingen die door verdachte zijn verricht. Niet alleen verklaart zij over wat er gebeurde, maar ook over haar zintuigelijke waarnemingen, welke gevoelens het bij haar oproep en welke emoties zij ervoer. Op het moment dat [slachtoffer] haar onwil kenbaar maakte, bleef verdachte aandringen en hoorde ze hem zeggen dat hij het wel lekker vindt als een meisje ‘hard to get’ speelt. Ze voelde dat de penis van verdachte warm was. [slachtoffer] was bang en maakte in haar gedachten verschillende afwegingen: ze was alleen thuis, haar ouders waren met vakantie, haar vriendinnen waren nog in Enschede en ze wilde verdachte niet boos maken. Ze wist niet of de autoportieren op slot waren en terwijl ze op de afgezonderde parkeerplaats in [plaats] stonden, dacht zij “ik moet hem te vriend houden, er is niemand in de buurt”. Ze vreesde vanaf het moment dat verdachte haar in woord en gedrag seksueel benaderde, dat de sfeer zou omslaan en de situatie voor haar nog penibeler zou worden. Direct nadat [slachtoffer] haar ouderlijk huis had bereikt, heeft ze haar moeder gebeld en heeft zij hard gehuild en haar verteld wat er gebeurd was. Ook verklaart [slachtoffer] dat zij zich niet alles herinnert en maakt zij de handelingen niet groter, wat de geloofwaardigheid van haar verklaring versterkt. Zo is voor haar onbekend of de penis van verdachte stijf was en ze denkt niet dat verdachte met zijn hand achter haar beha is geweest en haar blote borsten heeft aangeraakt. Tot slot erkent [slachtoffer] dat zij dronken was en spaart zij zichzelf daarmee niet. Echter, van een ‘totaal waardeloos waarnemingsvermogen van een starnakel persoon’ zoals door de verdediging gesteld, geeft het dossier geen enkele blijk. In tegendeel, [slachtoffer] verklaart gedetailleerd en consistent over haar ervaringen tijdens de taxirit, ook (in berichten) tegen haar vriendinnen.

Naast de bij de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] heeft zij op 9 juni 2024 tussen 03:26 uur en 10:01 uur immers meerdere spraakberichten gestuurd naar haar vriendinnen en haar vriend. Deze berichten bevatten ook essentiële overeenkomsten met de bij de politie afgelegde verklaringen en ze dragen naar het oordeel van de rechtbank bij aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer], omdat zij daarin direct na het voorgevallene spontaan en uit eigen beweging vertelt wat haar is overkomen. In de schriftelijke uitwerking van de nachtelijke berichten is relevante emotie, namelijk een mate van verwarring, shock en paniek te lezen die ook door [slachtoffer] wordt omschreven bij de politie en in de uitwerking van (met name) het bericht van 10:01 uur noemt zij ook de gedragingen die verdachte bij haar heeft verricht.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Het steunbewijs

De verklaring van [slachtoffer] vormt daarmee het uitgangspunt van de bewijsvoering. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verklaringen van [slachtoffer] voldoende steun vinden in de rest van het dossier. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De verklaring van [slachtoffer] vindt ten eerste steun in de door haarzelf verzonden spraakberichten en de daarin hoorbare emotie. Naast het feit dat de inhoud van die berichten, zoals hiervoor overwogen, bijdragen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring, fungeert de emotie die in die spraakberichten is te horen als steunbewijs voor haar verklaring en hetgeen haar is overkomen. In meerdere spraakberichten, – die nota bene binnen een uur nadat [slachtoffer] thuiskwam door haar zijn opgenomen, – is te horen dat zij huilde. Ook vlak daarna, als [slachtoffer] met haar vriendinnen belt, is zij emotioneel en huilt zij.

Ook het DNA-onderzoek dat aan de kleding van [slachtoffer] is uitgevoerd, ondersteunt haar verklaring. De broek van [slachtoffer] die zij op 9 juni 2024 droeg, is bemonsterd op verschillende plekken, waaronder ter hoogte van het kruis aan de buitenzijde van de broek. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren verkregen. Het DNA-profiel van verdachte komt in sterke mate overeen met één van de aanwezige DNA-profielen. Het NFI heeft als bewijskracht berekend dat – kort gezegd – het DNA-profiel ongeveer een miljoen keer waarschijnlijker is wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte donor is van een deel van het celmateriaal op de broek van [slachtoffer] ter hoogte van haar kruis. Deze bevinding sluit naadloos aan bij de verklaring van [slachtoffer] dat zij voelde dat verdachte (over haar broek) op en in haar kruis voelde met zijn hand. Verdachte heeft daarentegen geen enkele logische, laat staan een ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het kruis van de broek van [slachtoffer].

Verder wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door de GPS-gegevens van haar telefoon. Hieruit volgt dat verdachte ongeveer twee uur lang meerdere rondjes heeft gereden door [plaats] en ongeveer een kwartier heeft stilgestaan op de parkeerplaats in [plaats] die door [slachtoffer] wordt benoemd.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de bevindingen in het dossier niet in het voordeel van verdachte kunnen worden uitgelegd, omdat die bevindingen de verklaring van verdachte op meerdere onderdelen weerspreken.

Zo vindt de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] niet naar huis wilde uit angst voor haar moeder, alleen al omdat haar moeder met vakantie was en [slachtoffer] alleen thuis was. [slachtoffer] heeft bovendien onmiddellijk na thuiskomst haar moeder gebeld om steun te zoeken bij hetgeen haar was overkomen. Voorts wringt het dat verdachte op enig moment de taximeter heeft uitgezet en desalniettemin met aangeefster bleef rondrijden, hoewel hij verklaarde dat zij de taxikosten niet kon/wilde betalen. Op het moment dat hij de meter uitzette had zij hem bovendien allang € 250 schoonmaakkosten betaald. De verklaring dat verdachte [slachtoffer] niet heeft aangeraakt, wordt weersproken door de hiervoor besproken bevindingen van het NFI. De raadsman heeft aangevoerd dat het DNA van verdachte ook op andere indirecte wijze op de kleding van [slachtoffer] terecht kon komen, maar deze manier van overdracht is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien hecht de rechtbank veel waarde aan de locatie van het aangetroffen DNA, namelijk in het kruis van de broek van [slachtoffer]. Op deze intieme plek ligt indirecte overdracht niet in de lijn der verwachting. Ook de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] suïcidale uitspraken deed, vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Nergens blijkt ook uit het dossier – en met name uit de contacten die aangeefster onmiddellijk na het incident had met moeder of vriendinnen – dat er ook maar in enige mate sprake van suïcidaliteit bij aangeefster zou zijn. Bovendien heeft verdachte niemand – ook niet de vriendinnen van [slachtoffer] die hij later van Enschede naar [plaats] vervoerde – verteld over die zorgwekkende status waarin [slachtoffer] zich volgens hem bevond. Tot slot het op zijn minst opmerkelijke aanbod dat [slachtoffer] zou hebben gedaan om verdachte te pijpen in plaats van te betalen, terwijl zij kort daarvoor had overgegeven, is in het licht van haar misselijkheid en vermeende – volgens verdachte – suïcidale uitspraken onbegrijpelijk.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat alle door verdachte aangevoerde redenen, zoals weergegeven onder 3.3.2, om twee uur lang met [slachtoffer] rond te rijden en een kwartier lang op een afgelegen parkeerplaats te parkeren volstrekt aannemelijk en ongeloofwaardig zijn.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de betrouwbare verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Dwang

Het ten laste gelegde heeft zich afgespeeld op 9 juni 2024. Dit is vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024. Voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde aanranding is daarom dwang vereist. De dwangmiddelen opgenomen in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn: (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid. Van (bedreiging met) geweld is in deze zaak geen sprake. Van het door een ‘andere feitelijkheid’ dwingen kan slechts sprake zijn als de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie of afhankelijkheidssituatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.

Over de vraag of sprake is van dwang door ‘een andere feitelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] had teveel gedronken en emotioneel en verdachte wist dit. Dit maakte haar kwetsbaar. Verdachte had als taxichauffeur de taak om [slachtoffer] veilig thuis af te zetten en zij was daardoor afhankelijk van hem. Vanwege de verhouding tussen taxichauffeur en klant behoefde [slachtoffer] de door verdachte gemaakte toespelingen en aanrakingen niet te verwachten. Verdachte reed langdurig met aangeefster rond, terwijl hij seksuele voorstellen deed. Vervolgens parkeerde hij op een afgezonderd gelegen parkeerplek, waar op dat tijdstip geen aanwezigheid van derden te verwachten was. Door zo te handelen had verdachte voor aangeefster reeds een beklemmende situatie gecreëerd. In deze context opende hij zijn broek en ontblootte zijn penis. De rechtbank stelt vast dat de aanrakingen door verdachte en het doen aanraken van zijn penis onverhoeds plaatsvonden. [slachtoffer] heeft een aantal keer gezegd dat zij niet wilde, maar meer verzet is door haar niet getoond. De rechtbank is van oordeel dat dit, zeker binnen de reeds geschetste context, ook niet van haar verwacht kon en hoefde te worden. De ontuchtige handelingen vonden voornamelijk plaats terwijl de taxi reed, waardoor er voor haar überhaupt geen mogelijkheid was zich te onttrekken. Ook toen de taxi midden in de nacht geparkeerd stond op een verlaten parkeerplaats was die mogelijkheid er niet. Verdachte stelde zich opdringerig op en bij [slachtoffer] speelde constant de gedachte dat de situatie zou kunnen verergeren als zij iets tegen verdachte zou ondernemen. Bovendien wist zij niet of de deuren slotvast waren afgesloten en had zij het besef dat het inroepen van hulp, vanwege de afgelegen locatie waar zij zich met verdachte bevond, hoogstwaarschijnlijk niet direct tot hulp zou leiden. [slachtoffer] heeft daarom de begrijpelijke afweging gemaakt zich gelaten op te stellen en het gesprek met verdachte op gang te houden om de kans op verdere escalatie zoveel mogelijk te beperken.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [slachtoffer] zich naar redelijke verwachting niet aan de ontuchtige handelingen kon onttrekken en dat sprake is van door verdachte uitgevoerde dwang door een andere feitelijkheid.

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Enschede en/of te [plaats], althans in Nederland door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- het betasten van de vulva en/of de borsten en/of de billen en/of de benen van die [slachtoffer] en/of- het ontbloten van zijn penis en/of het laten betasten van zijn ontblote penis door die [slachtoffer] en/of- het brengen van zijn vinger in de mond van die [slachtoffer],

waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte, terwijl hij, verdachte, als zijnde taxichauffeur, en die [slachtoffer], als zijnde klant, zich in de nachtelijke uren alleen in een taxi bevonden,- (meermaals) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij de ritprijs in natura mocht betalen door hem, verdachte, te pijpen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking en/of- niet is gestopt toen zij langs/dichtbij het verblijfsadres van die [slachtoffer], zijnde de eindbestemming van de rit, reden en/of (telkens) rondjes heeft gereden en/of- de taxi op een verlaten parkeerplaats heeft stilgezet en/of- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld en/of- (hierbij) zich opdringerig heeft opgesteld ten opzichte van die [slachtoffer] en/of bij die [slachtoffer] (meermaals) heeft aangedrongen op voornoemde ontuchtige handelingen en/of- (hierbij) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of- (hierbij) misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en/of werd beperkt in haar bewegingsvrijheid, nu zij zich in de taxi bevond en/of- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handelingen kon en/of durfde te onttrekken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 (oud) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert de officier van justitie – zoals verzocht door aangeefster – een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de straat [locatie 1] in [plaats], met dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het contact- en straatverbod. Tot slot vordert zij een beroepsverbod voor het beroep taxichauffeur voor de duur van vijf jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van het destijds 22-jarige slachtoffer, terwijl zij zich in een kwetsbare positie bevond. Zowel [slachtoffer] als haar vriendinnen verkeerden in de veronderstelling dat zij een juiste keuze maakten door [slachtoffer] met een taxi naar huis te laten gaan. Aan jonge vrouwen wordt veelvuldig meegegeven dat – juist als sprake is van een kwetsbare situatie – een taxi de aangewezen veilige vervoersmogelijkheid is. Nadat verdachte nog uitdrukkelijk op het hart werd gedrukt om haar veilig thuis te brengen, heeft hij misbruik gemaakt van de situatie waarin hij de macht had en zich alleen met [slachtoffer] in de taxi bevond. In zijn hoedanigheid als taxichauffeur had verdachte zich verantwoordelijk en professioneel moeten gedragen door [slachtoffer] snel en veilig naar haar bestemming te vervoeren. In plaats daarvan heeft verdachte – nota bene op zijn eerste werkdag als taxichauffeur – ernstig misbruik gemaakt van de situatie. Verdachte heeft enkel gehandeld vanuit zijn eigen lusten en heeft een uiterst beangstigende situatie gecreëerd voor een jonge vrouw. Twee uur lang – wat zij midden in de nacht in de taxi als oneindig moet hebben ervaren – heeft zij zich onveilig en bang gevoeld en zag zij zich genoodzaakt verdachte zijn gang te laten gaan om erger te voorkomen. Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht en de seksuele integriteit van [slachtoffer]. De toelichting op de vordering tot schadevergoeding en de inhoud van het door [slachtoffer] uitgeoefende spreekrecht laten helaas zien dat het feit grote gevolgen heeft gehad op haar leven.

Verdachte neemt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en beschuldigt [slachtoffer] ervan dat juist zij degene was die seksuele avances maakte richting hem. Hiermee laat verdachte zien dat hij geen inzicht heeft in het laakbare van zijn handelen. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 29 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 26 februari 2026. De reclassering rapporteert het volgende. Nadat verdachte ongeveer tien jaar geleden naar Nederland is gekomen, heeft hij een stabiel leven opgebouwd zonder noemenswaardige problemen. Vanwege hoge vaste lasten en een beperkt inkomen besloot verdachte om, naast zijn reguliere baan als installateur, in de avonduren en in de weekenden als taxichauffeur te gaan werken. Na zijn eerste werkdag op 9 juni 2024 is hij niet meer als taxichauffeur werkzaam geweest, maar hij overweegt dit werk weer op te pakken. De aanhouding van verdachte heeft veel negatieve gevolgen gehad op verschillende leefgebieden. Hij verloor zijn baan, verhuisde naar Duitsland en ervaart psychische klachten en zorgen. Verdachte maakt een depressieve indruk en doet suïcidale uitspraken. De indruk bestaat dat verdachte het moeilijk vindt om hulp of ondersteuning te vragen. Inmiddels heeft verdachte een nieuwe baan. Zijn werk en sociaal netwerk ziet de reclassering als beschermende factoren. Op het gebied van psychosociaal functioneren worden enkele zorgelijke signalen gezien, al is het voor de reclassering niet duidelijk of dit samenhangt met het delictgedrag of voortkomt uit de gevolgen van de verdenking en de huidige leefsituatie van verdachte. Ondanks dat hij een ontkennende verdachte is, wordt reclasseringsbemoeienis bij een veroordeling wenselijk geacht vanwege zowel de ernst van de verdenking als de mogelijkheid om verdachte met professionele hulpverlening te ondersteunen en – indien mogelijk en geïndiceerd – in de toekomst toe te werken naar een delictanalyse en eventuele behandeling. Er kan geen inschatting worden gemaakt van de mogelijke risico’s op recidive. Omdat verdachte zich meewerkend opstelt en de impact van de aanhouding groot is, wordt ingeschat dat het risico op onttrekken aan voorwaarden laag is. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en (indien de reclassering dit nodig acht) een ambulante behandeling.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigt. In het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen zwaarwegende reden waarom van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten worden afgezien. De rechtbank zal echter wel, rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, een lager onvoorwaardelijk strafdeel opleggen dan is geëist door de officier van justitie. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met bijzondere voorwaarden, zodat hij professionele hulpverlening kan krijgen en (indien nodig) behandeling. De rechtbank ziet voldoende reden hiertoe over te gaan. Een voorwaardelijk strafdeel zal daarnaast gelden als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, zeker nu verdachte aantoonbaar weinig inzicht heeft in (de motieven voor) zijn gedrag.

Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht moet worden afgetrokken van het onvoorwaardelijk strafdeel.

- Een beroepsverbod

Daarnaast zal de rechtbank als bijkomende straf een verbod opleggen om als taxichauffeur te werken, omdat het bewezenverklaarde feit tijdens de uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur is begaan en verdachte overweegt deze werkzaamheden weer op te pakken. Het belang van bescherming van klanten weegt in dit geval zwaarder dan het financiële belang van verdachte. Deze bijkomende straf wordt, uit het oogpunt van preventie en om mogelijke recidive te voorkomen, opgelegd voor de duur van vijf jaren.

- Een maatregel ex artikel 38v Sr

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer], noodzakelijk zodat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, met haar contact zal opnemen, zoeken of hebben. [slachtoffer] heeft om dit contactverbod verzocht en de raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank zal dit contactverbod opleggen voor de duur van vijf jaren en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis zes maanden kan bedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er gelet op de (proces)houding van verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

De rechtbank ziet gelet op de huidige verblijfplaats van [slachtoffer] geen noodzaak tot het opleggen van een locatieverbod en zal hiertoe niet overgaan.

7. De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.351,74 (ter vergoeding van materiële en immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kleding € 99,98

- medische kosten € 251,76

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.

Ter vergoeding van proceskosten wordt een totaalbedrag van € 466,31 gevorderd. De gevorderde proceskosten bestaan uit de volgende posten:

- reiskosten slachtoffergesprek (heenreis) € 231,44

- reiskosten slachtoffergesprek (terugreis en toekomstig) € 212,56

- reiskosten politiebureau € 22,31

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vanwege de bepleite vrijspraak primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom in het geheel toewijzen tot een bedrag van € 351,74, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ter vergoeding van de reiskosten van en naar het politiebureau in Enschede op 9 en 10 juni is een bedrag van € 22,31 gevorderd. Deze kosten zijn als proceskosten opgevoerd, maar de rechtbank begrijpt uit de genoemde data van de reisbewegingen dat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van het doen van aangifte. Daarmee kunnen deze beschouwd worden als kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en aldus als vermogensschade. De rechtbank zal deze schadepost daarom behandelen als materiële schade. De gevorderde kosten zijn redelijk en de rechtbank en zal het gevorderde bedrag toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen van verdachte. De aard en de ernst van deze normschending brengen met zich dat de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zozeer voor de hand liggen, dat reeds daarom een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Verdachte heeft immers door zijn handelingen een ernstige en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit en van het slachtoffer. Slachtoffers van delicten als de onderhavige ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarop is deze zaak geen uitzondering, gelet op de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij, waaruit blijkt hoe ingrijpend de gevolgen voor het slachtoffer zijn geweest.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, alsmede de Rotterdamse Schaal (hoofdstuk 15.3, aanranding categorie b ‘ernstig’). Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat vergoeding van een bedrag van € 3.000,00 billijk is. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de immateriële vordering niet-ontvankelijk.

Proceskosten

De gevorderde reiskosten in verband met het slachtoffergesprek met de officier van justitie moeten worden aangemerkt als proceskosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat bij begroting van proceskosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Uit artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten als proceskosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld nog gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde proceskosten. Omdat er geen andere proceskosten zijn gevorderd, zal de rechtbank de proceskosten begroten op nihil.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 33 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 251 (oud) Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden

niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Plesmanweg 9 te Almelo. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- indien de reclassering het geïndiceerd acht, meewerkt aan diagnostiek en aan een ambulante behandeling bij Transfore. Verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start wanneer de reclassering dat geïndiceerd acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bijkomende straf

maatregel

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als

bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat de verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze – direct of

indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2001;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) weken hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet

worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich

belastend zal gedragen jegens [slachtoffer];

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 3.374,05 bestaande uit € 374,05 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade. Voormeld bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2024;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.374,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 33 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 2.444,00 niet-ontvankelijk is in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.A. Heblij en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024265175. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar de digitale pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 9 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 19-21):

Informatief gesprek met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001.

De chauffeur zei dat [slachtoffer] ook wel op een andere manier kon betalen en vroeg haar of ze hem wilde pijpen. [slachtoffer] zei: "Ik betaal wel. Zet me er nu maar uit." Hij zette de meter van de taxi uit en bleef rondjes rijden. Hij reed ook langs haar huis, maar hij stopte niet. Uiteindelijk reed hij met haar naar een afgelegen parkeerplaats met bomen. Dat was in het centrum van [plaats]. Daar stopte hij. Hij probeerde haar weer over te halen hem te pijpen. [slachtoffer] zei weer dat ze dat niet wilde en dat ze wel zou betalen. [slachtoffer] durfde ook niet goed weg te gaan. Ze was alleen thuis en haar ouders waren op vakantie. Haar vriendinnen waren nog in de stad. Ze wilde hem ook niet boos maken. Ze wist ook niet of de autoportieren op slot waren. Ondertussen ging hij met zijn hand over haar linkerbeen, over haar broek, aan de bovenkant, de zijkant en ook aan de binnenkant van haar dijbeen bij haar kruis. Ze voelde zijn hand ook in haar kruis. [slachtoffer] dacht: "Ik moet hem te vriend houden, er is niemand in de buurt".

Hij vroeg nog een keer om hem te pijpen en hij had zijn broek opengedaan. Hij pakte haar hand. [slachtoffer] weet niet precies hoe, maar hij legde haar hand op zijn geslachtsdeel. Ze voelde dat zijn geslachtsdeel bloot was en warm aanvoelde.

[slachtoffer] probeerde hem af te leiden. Ze heeft ook nog weer gehuild en ze hoopte dat hij haar zielig zou vinden en haar gewoon thuis zou brengen.

In de auto op de parkeerplaats was hij handtastelijk. Hij betastte [slachtoffer] ook aan de voorzijde van haar lichaam boven en een beetje in haar topje en stak ook nog een vinger in haar mond. Hij betastte verder vooral haar linkerzijkant over haar kleren heen. [slachtoffer] liet het uiteindelijk ook maar gebeuren omdat ze hem niet boos wilde maken en ze voor haar gevoel niet weg kon. [slachtoffer] wilde wel betalen, maar hij wilde alleen maar dat ze hem ging pijpen.

Uiteindelijk rond 03:00 uur heeft hij haar vlak bij haar huis uit de auto gelaten. Hij stapte ook uit de auto en gaf haar een knuffel. [slachtoffer] liet dit gebeuren omdat ze dicht bij huis was en daar veilig wilde komen. Terwijl hij haar knuffelde ging hij aan de achterzijde met zijn handen in haar broek en betastte hij haar blote billen.

De rit van Enschede naar haar huis had op deze manier ongeveer twee uur geduurd. Toen ze bij haar voordeur was heeft [slachtoffer] gelijk haar moeder gebeld die in Italië was. Dat was om 03:07 uur. [slachtoffer] moest heel hard huilen.

Wanneer is het gebeurd: tussen 9 juni 2024 om 00:55 uur en 9 juni 2024 om 03:00 uur.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 12):

Ik zag en voelde dat de taxichauffeur met zijn rechterhand over mijn linkerbeen wreef. Ik gaf aan dat ik dit niet wilde, maar hij bleef doorgaan. Tijdens de autorit bleef de chauffeur mij over mijn been wrijven en aan mijn borsten voelen.

In overleg met zedenrechercheur [naam] zijn wij met het slachtoffer naar haar woning gegaan alwaar wij middels de DNA kit op voorgeschreven wijze drie kledingstukken in beslag namen. Wij hoorden aangever zeggen dat zij deze kledingstukken 's nachts, ten tijde van de aanranding, had gedragen. Dit waren de volgende kledingstukken:

- Een broek, waarvan aangever verklaarde dat verdachte hier langdurig met zijn hand

overheen had gewreven.

De broek werd in een ademende sealbag veiliggesteld.

3. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 189-190):

[Afbeelding]

DNA-mengprofiel [code] is ongeveer 1 miljoen keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer], verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en drie willekeurige onbekende personen.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 juli 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 167-174):

Door mij werden onderstaande audio opnames beluisterd die op veiliggestelde gegevens van de telefoon van [slachtoffer] werden aangetroffen.

De audio- opnames betreffen opnames die [slachtoffer] op 9 juni 2024 verstuurde in de groepsapp van vriendinnen, haar vriend [getuige 1] en getuige [getuige 2] .

Het betreft: Opname [bestandsnaam 1] die [slachtoffer] op 9-6-2024 om 03:26 uur in de Whatsappgroep “[groepsnaam]" heeft gestuurd.

Opmerking verbalisant: Onderstaande tekst zegt [slachtoffer] met half huilende stem

En toen zei hij, ja, weetje.Ik kan ze wel kwijtschelden als je me gaat pijpen.En toen was ik echt zo in shock.Ik dacht echt, what the fuck zegt deze grappie?Ik was echt zo gechoqueerd.Ik moet nou ook gewoon weer een beetje van huilen, (opmerking verbalisant: [slachtoffer] huilt een beetje)Maar toen zei ik, sorry.Sorry, maar ik zei, sorry, maar dat ga ik echt niet doen.Ik zei zo, maar ik betaal nog liever, 300 euro dan dat ik ga pijpen.(…)En toen ging hij fucking een rondje rijden door [plaats].En ik zei, ja, je mag me nog wel uitlaten, hoor.Ik weet niet, ik voelde me echt een beetje opgesloten.Ja, sorry dat ik zo aan het janken ben, maar het heeft best wel impact gemaakt.Deze gast, die stopte ook niet.Deze taxichauffeur, die stopte ook niet met auto rijden.Hij bleef maar rondjes rijden.Ik zei, oh, ja, stop hier maar.Ik loop wel naar huis.(…)En uiteindelijk zei hij, weetje.Hij bleef ondertussen met zijn handen ook maar een beetje aan me zitten.En ik zei, nee, ik wou dat gewoon niet, (opmerking verbalisant: [slachtoffer] begint wat harder te huilen)

Betreft Opname: [bestandsnaam 2]

Voicebericht van [slachtoffer] dat zij op 9 juni 2024 om 03:33 via Whatsapp naar haar vriend [getuige 1] heeft gestuurd.

Opmerking verbalisant: De opname begint terwijl [slachtoffer] huilt

“Ik ben zo verdrietig[...]En toen zei die van, ja, weetje, als je mij nu pijpt, dan scheld ik die kosten van 70 euro kwijt.En toen moest ik echt, ik was echt helemaal in shock.Ik zei van, sorry, maar what the fuck?Ik ga nou nog liever 300 euro betalen dan dat ik nou zoiets bij je doe.Maar ik ben gewoon een beetje in shock daarvan.Wat de fuck gebeurt mij nou weer?En deze taxi chauffeur, die heeft me nog heel lang rondjes in [plaats] rond gereden en ik wou er gewoon uitstappen.Maar hij stopte ook gewoon niet.Ik speelde uiteindelijk ook maar gewoon een beetje mee, want ik wist het ookniet meer.[...]Ik heb me nog nooit zo vies gevoeld.

Opname: [bestandsnaam 3] die [slachtoffer] op

9-6-2024 om 03:39 uur in de Whatsappgroep “[groepsnaam]” heeft gestuurd.

Ik heb me nog nooit zo vies gevoeld en ik ben nu thuis en ik heb soms zo meegespeeld met zijn verhaal want ik denk gewoon ik wil gewoon naar huis.

Dus hij zei van we kunnen nu wel naar de parkeerplaats gaan en dan handelen we het wel af en ik wou gewoon weg.

En hij parkeerde die auto opeens bij de [locatie 2] daarvoor en toen zei ik nog van, maar ik wil gewoon naar huis.

(…)

Ik dacht het was gewoon echt overlevingsstand ofzo.

Ik dacht gewoon van oké [slachtoffer] als je hem nu gewoon hem een beetje tevreden houdt en je hoeft niks te doen maar zorg maar niet dat hij boos wordt, want ik weet ook niet wat die jongen dan doet.

Als hij dit kan flikken als taxichauffeur je weet ook niet of hij agressief wordt ofzo.

Daar zat ik ook nog me in mijn hoofd.

Ik was zo blij dat ik uit kon stappen maar ik weet echt even niet.

Ik ben echt erg in paniek.

Opname van [slachtoffer] die zij op 9 juni 2024 om 10:02 uur via whatsapp naar getuige [getuige 2] heeft gestuurd. [bestandsnaam 4].

En toen zei hij dus van, ja, maar je kan ook in natura betalen.En toen zei ik dus van, dat ga ik echt niet doen. Ik wil dat gewoon echt niet.(…)Maar hij zat wel aan me al.Hij heeft zijn broek opengedaan.En...Nou, eerst, even voor een chronologische volgorde vertellen.Hij bleef rondjes rijden.Hij was inmiddels, hij was helemaal niet bij mijn huis.Hij was naar een afgelegen parkeerplaats gereden.Heeft daar de auto geparkeerd.Had zijn broek opengedaan.Ondertussen zat hij ook aan mij.Hij zat met zijn hand überhaupt al de hele tijd aan mijn been.En ook onder mijn shirt.En...Hij wou gewoon dat ik hem ging pijpen.(…)Ja, hij had zijn broek open gedaan.En toen pakte hij mijn hand en die legde hij op zijn pik.En ik zei, sorry, ik ga dat echt niet doen.(…)En hij bleef maar rondjes rijden.Hij zette me er niet uit.Hij bleef rondjes rijden door [plaats]Totdat hij, hij bleef het gewoon proberen.Ondertussen zat hij aan me.(…)Maar hij bracht me ook gewoon niet thuis.Hij was gewoon de hele tijd aan het rijden.Aan het, aan het voelen aan mij.(…)Toen stapte ik uit en toen stapte hij ook uit.En toen ging hij me nog helemaal zo, ja, vies knuffelen, met zijn handenonder mijn shirt, onder mijn broek.(…)Oh, maar dat was echt puur overlevingsmodus.Want ik zit bij hem in de auto.Ik word zo in het nauw gedreven van wat mijn opties zijn.(…)En toen ik thuis kwam, ik was de voordeur nog niet door.En ik had mijn ouders al aan de telefoon.Omdat ik zo hard moest huilen.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 175-179):

Naar aanleiding van onderzoek Diana onderzocht ik de locatiegegevens in de smartphone van het slachtoffer van 09-06-2024 tussen 00:00 uur en 03:30 uur.

Omdat de route in [plaats] meerdere malen over dezelfde wegen gaan heb ik, om het overzichtelijk te houden, 2 routekaartengemaakt. (zie onderstaande)

[Afbeelding]

Het slachtoffer verklaarde dat ze in het centrum van [plaats] even hebben stilgestaan op een parkeerplaats. Dit is ook te zien in de gps-gegevens: In dit gps-cluster is te zien dat de smartphone op 02:30 uur aan komt bij de parkeerplaats en hier in ieder geval tot 02:46 uur is.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?