RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer hoofdzaak: C/08/323483 / HA ZA 24-422 en
zaaknummer vrijwaringszaak: C/08/332785 / HA ZA 25-145
Vonnis van 7 januari 2026
in de hoofdzaak van
[partij A] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. T. ten Westeneind,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. A.P. Macro.
en
in de vrijwaringszaak van
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
eisende partij,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. A.P. Macro,
tegen
[partij C] B.V.
te [vestigingsplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij C]
advocaten: mrs. A. Visscher en J. Smit.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
In de hoofdzaak:
de dagvaarding met 16 producties,
de conclusie van antwoord tevens houdende een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met 15 producties,
de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident,
het incidentele vonnis van 26 maart 2025 waarbij het [partij B] is toegestaan om [partij C] in vrijwaring op te roepen,
In de vrijwaringszaak:
de vrijwaringsdagvaarding met 5 producties,
de conclusie van antwoord in vrijwaring met 7 producties,
In de hoofdzaak en de vrijwaringszaak:
- de mondelinge behandeling op 12 november 2025, waarbij in de hoofdzaak door mr. Ten Westeneind en in de vrijwaringszaak door de mrs. Visscher en Smit het woord is gevoerd aan de hand van een pleitnota en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar gaan deze zaken over:
[partij A] heeft vanaf maart 2022 tot en met februari 2023 schoonmaakwerkzaamheden in het [partij B] verricht. Niet alle in verband daarmee gefactureerde bedragen zijn betaald. De reden daarvan is dat onenigheid is ontstaan over wie in de genoemde periode de contractspartner van [partij A] is geweest en op wie een betalingsverplichting rust. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] pas vanaf 27 juli 2022 de contractspartner van [partij A] is, zodat op grond daarvan betalingsverplichtingen op haar rusten. De gestelde wanprestatie van [partij A] is enerzijds voldoende gecompenseerd en anderzijds onvoldoende gemotiveerd gesteld, zodat opschorting van de betalingsverplichting door [partij B] op die grond niet had mogen plaatsvinden. Over de periode dat [partij B] nog geen contractspartner was heeft zij wel met [partij A] afgesproken de betalingen te zullen verrichten en aan die afspraak kan zij worden gehouden. [partij B] dient dan ook alle facturen over de periode van maart 2022 tot en met februari 2023 aan [partij A] te betalen. Er bestond geen rechtsgrond voor [partij B] om [partij C] in vrijwaring te dagvaarden, zodat haar vorderingen in vrijwaring worden afgewezen. Omdat [partij B] tegen beter (kunnen) weten in is overgegaan tot dagvaarden en zij [partij C] daarmee op kosten heeft gejaagd, zullen de proceskosten met 50% worden verhoogd.
3. De feiten
Vanaf 17 maart 2022 zijn er door [partij A] schoonmaakwerkzaamheden verricht in het [partij B], waar ongeveer vanaf genoemde datum tot op heden Oekraïense vluchtelingen worden opgevangen.
[partij A] heeft de door haar verrichte schoonmaakwerkzaamheden als volgt gefactureerd:
factuurnummer factuurdatum factuurbedrag
[factuurnummer] € 11.871,79
[factuurnummer] € 827,64
[factuurnummer] € 5.759,59
[factuurnummer] € 4.340,04
[factuurnummer] € 4.394,27
[factuurnummer] € 4.442,94
[factuurnummer] € 1.114,81 -/-
[factuurnummer] € 5.012,52
[factuurnummer] € 3.168,83
De facturen die op 27 juli en 22 augustus 2022 zijn gefactureerd voor in totaal een bedrag van € 27.193,33 (incl. 21% btw) hebben betrekking op de schoonmaakwerkzaamheden die zijn verricht tussen maart en juli 2022.
De facturen over de laatstgenoemde periode zijn in eerste instantie gefactureerd aan [bedrijf 1] B.V., hierna: [bedrijf 1] (met KvK-nummer [nummer 1]) en - toen deze aangaf geen contractspartij te zijn - aan [partij B].
Niet alle door [partij A] gefactureerde bedragen zijn betaald.
4. Het geschil
in de hoofdzaak
[partij A] vordert [partij B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot (samengevat) betaling van € 52.998,64 plus wettelijke handelsrente en de proceskosten.
[partij A] legt aan de vordering primair ten grondslag dat [partij B] haar contractspartij is voor de schoonmaakwerkzaamheden die zij vanaf 17 maart 2022 tot en met februari 2023 in het [partij B] heeft uitgevoerd. Subsidiair stelt [partij A] dat is overeengekomen dat als [partij B] niet haar contractspartij is, [partij B] de facturen van [partij A] die zien op de tot en met juni 2022 uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden zal betalen. Meer subsidiair stelt [partij A] recht te hebben op vergoeding door [partij B] van de waarde van de door haar tot en met juni 2022 uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden, dan wel op een vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert tot afwijzing of matiging van de vorderingen van [partij A], dan wel tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
in de vrijwaringszaak
[partij B] vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, wanneer in de hoofdzaak de eis wordt toegewezen, dat [partij C] wordt veroordeeld om aan [partij B] te betalen al hetgeen waartoe [partij B] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Ook vordert [partij B] om [partij C] te veroordelen in de kosten van deze vrijwaringsprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[partij C] voert verweer. [partij C] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze vrijwaringsprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
5. De beoordeling
in de hoofdzaak
Wie was de contractspartij van [partij A]?
[partij A] stelt primair dat [partij B] haar contractspartij is voor de vanaf 17 maart 2022 tot en met februari 2023 in het [partij B] verrichte schoonmaakwerkzaamheden en die daarvoor moet betalen.
Volgens [partij A] heeft zij via [bedrijf 1] een overeenkomst met [partij B] gesloten, die op 27 juli 2022 schriftelijk is geformaliseerd.
In eerste instantie ging [partij A] ervan uit dat [bedrijf 1] haar contractspartij was. Om die reden heeft zij ook per e-mail van 17 maart 2022 de eerder die dag mondeling gemaakte afspraken schriftelijk aan [bedrijf 1] bevestigd en heeft zij op 27 juli 2022 de facturen voor de tot dan toe verrichte schoonmaakwerkzaamheden aan [bedrijf 1] gestuurd. Nadat [bedrijf 1] had laten weten geen contractspartij te zijn en weigerde de facturen te betalen, heeft [partij A] aan [partij B] en [bedrijf 1] laten weten de schoonmaakwerkzaamheden op te schorten totdat de facturen zijn betaald. Daarop is [partij B] met [partij A] in gesprek gegaan en hebben zij volgens [partij A] op 27 juli 2022 de afspraken, die eerder gemaakt waren op 17 maart 2022, schriftelijk vastgelegd. Daarna heeft [partij A] haar werkzaamheden hervat.
[partij B] betwist dat zij voor de periode tot 27 juli 2022 contractspartij was en stelt dat [bedrijf 1] contractspartij was. [partij B] wijst er in dat kader op dat zij niet in de persoon van de heer [naam 1], eigenaar van het [partij B], bij de bespreking op 17 maart 2022 aanwezig is geweest. De heer [naam 2], een collega van de heer [naam 1], heeft zich enkel voorgesteld, maar is niet inhoudelijk bij het gesprek tussen [partij A] en [bedrijf 1] betrokken geweest. [partij B] is contractpartner van [partij A] vanaf 27 juli 2022. [partij B] stelt dat [partij A] in de periode na 27 juli 2022 is tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. Er zou schoonmaakwerk niet zijn uitgevoerd, er zouden onvoldoende controlebezoeken hebben plaatsgevonden en onvoldoende schoonmaakmiddelen zijn geleverd. In verband hiermee heeft [partij B] met een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting een deel van de door [partij A] over die periode gestuurde facturen onbetaald gelaten.
Mede gelet op de betwisting van [partij B] heeft [partij A] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [partij B] in de periode tot 27 juli 2022 haar contractspartij was. [partij B] heeft er terecht op gewezen dat er geen vertegenwoordiger van [partij B] betrokken was bij de bespreking op 17 maart 2022 waarbij mondeling afspraken over de schoonmaakwerkzaamheden zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is door mevrouw [naam 3] (regiomanager van [partij A]) bevestigd dat er bij die bespreking mensen van [partij A] en [bedrijf 1] aanwezig waren, dat de heer [naam 1] niet aanwezig was en dat de heer [naam 2] enkel heeft kennisgemaakt. Daarnaast is de e-mail van 17 maart 2022, waarin [partij A] de die ochtend gemaakte afspraken bevestigde, enkel naar [bedrijf 1] zijn gestuurd en niet (in afschrift) naar [partij B]. In die e-mail wordt ook enkel [bedrijf 1] bedankt voor het verstrekken van de opdracht. Daar komt bij dat de facturen voor het uitgevoerde werk in eerste instantie naar [bedrijf 1] zijn gestuurd en dat door [bedrijf 1] niet direct, maar pas na ontvangst van de facturen heeft geprotesteerd tegen het feit dat zij als opdrachtgever werd aangemerkt. Er zijn geen feiten of omstandigheden die er op duiden dat [partij B] tot 27 juli 2022 de contractspartij van [partij A] was. Dat [partij B] de eindklant was en profiteerde van de schoonmaakwerkzaamheden, maakt haar geen contractspartij.
De rechtbank komt gelet hierop tot het oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [partij B] tot 27 juli 2022 de contractspartij van [partij A] was, zodat uit dien hoofde op [partij B] geen betalingsverplichting rust. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiair door [partij A] ingenomen standpunt.
Is afgesproken dat [partij B] het werk t/m juni 2022 betaalt?
Subsidiair stelt [partij A] onder verwijzing naar e-mails van 4 oktober 2022 en
16 februari 2023 dat [partij B] de facturen over de periode tot en met juni 2022 zou betalen ook als zij geen contractspartij is. [partij B] zou een vergoeding bij de gemeente Borne aanvragen en bij toewijzing de facturen met de verstrekte vergoeding voldoen. [partij B] heeft ook toegezegd dat er een betalingsregeling getroffen zou worden als de gemeente de vergoeding niet zou verstrekken, aldus [partij A]. Op 16 februari 2023 heeft [partij B] aan [partij A] meegedeeld dat de gemeente de vergoeding gaat verstrekken. Desondanks heeft [partij B] de facturen niet voldaan. Hierdoor handelt [partij B] volgens [partij A] in strijd met de gemaakte afspraken en schiet zij tekort in de nakoming van haar betalingsverplichting.
[partij B] betwist deze conclusie. Volgens [partij B] heeft zij slechts een voorwaardelijke toezegging gedaan. [partij B] zou slechts zou betalen indien en voor zover zij hiervoor een vergoeding van de gemeente Borne zou ontvangen. Dit blijkt uit de e-mailwisseling van 14 juli 2023. Deze voorwaardelijke betalingstoezegging moet volgens [partij B] juridisch worden gekwalificeerd als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 6:21 Burgerlijk Wetboek (BW). De gemeente heeft volgens [partij B] geen vergoeding betaald voor de gedeclareerde schoonmaakwerkzaamheden.
De rechtbank overweegt als volgt.
In de e-mail van 4 oktober 2022 schrijft [naam 1] van [partij B] aan [partij A]:
‘(…) Ik heb aangegeven dat ik de facturen ingediend heb bij de gemeente Borne om vanuit daar de betaling te ontvangen omdat wij als locatie recht hebben op vergoedingen hiervoor. De uitkomsten hiervan worden de komende 3 weken inzichtelijk. En ik hou jullie hiervan op de hoogte.
Ik heb tevens aangeven dat indien de facturen niet vergoed gaan worden ik bereid ben de kosten te gaan betalen maar dat we dan een regeling overeen gaan komen hiervoor. Dit dienen we dan af te spreken zodra het proces met de gemeente duidelijkheid heeft gegeven.
Hoe dan ook, de kosten die jullie gemaakt hebben worden vergoed. (…)’
In de e-mail van 16 februari 2023 schrijft [partij B] aan [partij A]:
‘(…) Verder ben ik me enorm aan het inzetten geweest om de aanloopkosten, die jullie afgesproken hebben met mensen van de [partij C], te declareren via mij bij de Gemeente Borne. Dit is gelukt en ik wacht op uitbetaling van die gelden en daarna maak ik dit over naar jullie, conform afspraak. (…) Nogmaals, deze kosten gaan vergoed worden, maar pas zodra ik de middelen daarvoor ook ontvangen heb en dat is nu nog niet zo. (…)
Ik kom mijn afspraak na over dat ik zorg dat de aanloopkosten die jullie hebben afgesproken met [partij C] geregeld worden maar verder wens ik nooit meer met jullie zaken te doen. (…)’
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de e-mail van 4 oktober 2022 dat de afspraak tussen [partij B] en [partij A] tweeledig was. [partij B] zou de facturen van [partij A] betalen als zij geld van de gemeente Borne had ontvangen. Als [partij B] geen geld van de gemeente zou ontvangen zou zij de facturen zelf betalen en daartoe een betalingsregeling treffen. In de e-mail van 23 februari 2023 heeft [partij B] dit nog een keer bevestigd.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de gemeente Borne weliswaar de aanvraag van [partij B] voor een vergoeding in behandeling heeft genomen, maar dat de daadwerkelijke beslissing over het al dan niet toekennen van de vergoeding door het rijk werd genomen. Het rijk was niet bereid om de kosten te vergoeden, waarna de gemeente Borne heeft besloten de aanvraag af te wijzen. [partij B] zegt de gemeentelijke vergoeding daarom nooit te hebben ontvangen.
Onder deze omstandigheden treedt naar het oordeel van de rechtbank het tweede deel van de afspraak in werking: de toezegging dat [partij B] de kosten zelf zal dragen. Uit de gevoerde correspondentie blijkt niet dat partijen in de loop der tijd zijn teruggekomen op die afspraak. [partij B] kan de afspraak niet eenzijdig aanpassen.
De rechtbank begrijpt de stellingen van [partij B], dat zij is overvallen door de situatie waarin plotseling op zeer korte termijn Oekraïense vluchtelingen moesten worden opgevangen en alles in gereedheid moest worden gebracht. [partij B] stelt dat de overeenkomst daardoor in een ander licht moet worden bezien. De rechtbank heeft er begrip voor dat in een dergelijke urgente situatie niet alle (juridische) onduidelijkheden kunnen worden voorkomen en dat de inspanningen van [partij B] zich hebben gericht op de vluchtelingen. Dit doet echter niet af aan de betalingsverplichting die de afspraak voor [partij B] met zich brengt. De discussie over de facturen van de tot juli 2022 verrichte werkzaamheden is in de zomer van 2022 opgekomen, waarna [partij B] pas zo’n drie maanden later voornoemde toezegging heeft gedaan aan [partij A]. Daarbij is ook van belang dat juist die door [partij B] verstrekte zekerheid dat [partij A] betaald zou worden, voor [partij A] reden is geweest om haar werkzaamheden voort te zetten.
Dit leidt ertoe dat op [partij B] de verplichting rust om de door [partij A] op 27 juli 2022 en 22 augustus 2022 gefactureerde bedragen voor de tussen 17 maart en eind juni 2022 verrichte schoonmaakwerkzaamheden te betalen.
De facturen over de periode vanaf 27 juli 2022
Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] de contractspartner van [partij A] is voor de na 27 juli 2022 verrichte schoonmaakwerkzaamheden. De tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een op 27 juli 2022 getekende overeenkomst. De facturen zijn niet betwist. Dat betekent dat in beginsel op [partij B] de verplichting rust om de facturen voor die schoonmaakwerkzaamheden te betalen.
[partij B] stelt dat zij haar betalingsverplichting mag opschorten omdat [partij A] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. In november en december 2022 zijn er een aantal dagen geen schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd. Voor acht van deze dagen is door [partij A] een creditnota gestuurd. Dat is volgens [partij B] onvoldoende. Daarnaast zouden er te weinig controlebezoeken hebben plaatsgevonden en niet genoeg schoonmaakmiddelen zijn geleverd door [partij A].
Het meest verstrekkende verweer van [partij A] op dit punt, is dat [partij B] niet tijdig heeft geklaagd over het feit dat er meer dan de acht gecrediteerde dagen geen werkzaamheden zouden zijn verricht. Daarnaast betwist [partij A] dat zij is tekortgeschoten. Op [partij A] rust geen contractuele verplichting om locatiebezoeken af te leggen en schoonmaakmiddelen aan [partij B] te leveren. Desondanks zijn volgens [partij A] regelmatig locatiebezoeken afgelegd en is bij het einde van de overeenkomst uit de hoeveelheid opgehaalde schoonmaakmiddelen gebleken dat er geen voorraadproblemen zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] inderdaad haar klachtplicht (artikel 6:89 BW) heeft geschonden, omdat nergens uit blijkt dat zij voor deze procedure bij [partij A] heeft geklaagd dat de creditfactuur voor acht dagen onvoldoende is. Hoewel de heer [naam 1] ter zitting heeft verklaard wel degelijk te hebben geklaagd, is dit niet gestaafd met bewijs en is daarvan ook niet gebleken. Zij kan op dat gebrek geen beroep meer doen.
Bovendien is niet komen vast te staan dat er meer dan acht dagen geen werkzaamheden zijn uitgevoerd. [partij B] schreef zelf in verschillende e-mails dat acht dagen geen werkzaamheden zijn verricht. Voor die acht dagen is door [partij A] een creditfactuur gestuurd, welke ook in haar vordering in deze procedure is verwerkt. Waar [partij A] dus gedurende acht dagen tekort schoot in de nakoming van haar werkverplichtingen, geldt dat dit is opgelost met de creditfactuur en dat dit (daarom) geen onderdeel is van de vordering.
Verder heeft [partij B], in het licht van de betwisting door [partij A], niet onderbouwd dat het afleggen van locatiebezoeken en het leveren van schoonmaakmiddelen een verplichting is die op [partij A] rustte en in het verlengde daarvan, dat [partij A] beide onvoldoende heeft verzorgd. De conclusie is daarom dat [partij B] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [partij A] is tekortgeschoten in de nakoming van een op haar rustende verplichting. Dat betekent dat [partij B] haar betalingsverplichtingen ter zake de facturen over de periode na 27 juli 2022 niet rechtsgeldig mocht opschorten (artikel 6:52 BW).
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat [partij B] alle door [partij A] over de periode van 17 maart 2022 tot en met februari 2023 gefactureerde werkzaamheden moet betalen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat [partij A] in haar dagvaarding bij de berekening van het totaalbedrag het op 17 januari 2023 gefactureerde bedrag verkeerd heeft vermeld en daarnaast een optelfout heeft gemaakt. Indien dit wordt gecorrigeerd komt het totaal gefactureerde bedrag op € 38.702,81 (incl. btw). De rechtbank zal de vordering van [partij A] tot dat bedrag toewijzen.
Wettelijke rente
[partij A] maakt primair aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente en subsidiair op de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen.
Aan de facturen over de tot 27 juli 2022 verrichte werkzaamheden ligt naar het oordeel van de rechtbank geen handelsovereenkomst ten grondslag als bedoeld in artikel 6:119a BW, maar de afspraak met [partij B] dat zij die facturen onder bepaalde voorwaarden zou betalen. Er bestaat dan ook geen aanspraak op wettelijke handelsrente. Wel bestaat voor die facturen aanspraak op wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het moment dat de facturen opeisbaar zijn en [partij B] in verzuim is geraakt door niet tijdig te betalen. [partij B] heeft op 4 oktober 2022 toegezegd de facturen te zullen voldoen, zodat de vordering pas vanaf dat moment opeisbaar is.
Nu gesteld noch gebleken is dat nakoming blijvend onmogelijk is, kan ingevolge het bepaalde ex artikel 6:81 en 82 BW van verzuim eerst sprake zijn vanaf het moment dat duidelijk is geworden dat de gemeente geen vergoeding aan [partij B] zou verstrekken. Vanaf dat moment kon [partij B] worden gehouden aan het tweede deel van de toezegging van 4 oktober 2022, namelijk dat [partij B] in dat geval de kosten zelf aan [partij A] zou vergoeden. Pas in de conclusie van antwoord is die duidelijkheid ontstaan. Om het verzuim ook daadwerkelijk te laten intreden is het nodig dat daarna een schriftelijke ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, waarbij een redelijke termijn voor nakoming is gesteld en nakoming binnen die termijn is uitgebleven. Omdat een degelijke ingebrekestelling niet is uitgegaan, kan de wettelijke rente in dit geval niet eerder gaan lopen dan met ingang van de datum waarop dit te wijzen vonnis aan [partij B] wordt betekend.
Aan de facturen over de na 27 juli 2022 verrichte werkzaamheden ligt naar het oordeel van de rechtbank wel een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW ten grondslag. Nu reeds is geoordeeld dat [partij B] haar betalingsverplichting in deze niet had mogen opschorten is [partij B] de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de afzonderlijke facturen verschuldigd.
Buitengerechtelijke incassokosten
[partij A] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van de door haar gehanteerde algemene voorwaarden. Daarin is bepaald dat deze 15% van de hoofdsom bedragen met een minimum van € 750,-. De toepasselijkheid van deze voorwaarden op de met [partij A] gesloten overeenkomst is door [partij B] niet betwist. De voor toewijzing in aanmerking komende hoofdsom over deze periode na 27 juli 2022 bedraagt € 11.509,48. Derhalve zal € 1.726,42 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
Voor zover [partij A] geen aanspraak maakt op de contractueel overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten, maakt zij aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incasso kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit deel van de vordering betrekking op de facturen over de periode tot en met juni 2022 uitgevoerde werkzaamheden. De rechtbank zal deze kosten conform het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitenrechtelijke incassokosten toewijzen tot een bedrag van € 1.046.93.
In totaal moet [partij B] een bedrag van € 2.773,35 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] betalen.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.610,22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de vrijwaringszaak
Hoewel [partij B] in het lichaam van de dagvaarding haar (onder rechtsoverweging 4.4. van dit vonnis samengevatte) vordering lijkt te beperken tot de bedragen die zijn gemoeid met de facturen [factuurnummer], [factuurnummer], [factuurnummer], [factuurnummer] en [factuurnummer] (de tussen maart t/m juni 2022 verrichte schoonmaakwerkzaamheden), komt dit niet terug in haar petitum. De rechtbank beoordeelt de vordering zoals genoteerd in het petitum: dat [partij C] wordt veroordeeld om aan [partij B] te betalen al hetgeen waartoe [partij B] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.
[partij B] legt aan haar vordering te grondslag dat [bedrijf 1] op 20 oktober 2023 is overgedragen aan een op diezelfde dag opgerichte vennootschap met dezelfde naam, gevestigd op hetzelfde adres. Deze nieuw opgerichte vennootschap heeft ook het personeel van [bedrijf 1] overgenomen. Uit stukken van de Kamer van Koophandel (KvK) is volgens [partij B] gebleken dat [bedrijf 1] op 1 januari 2024 haar naam heeft gewijzigd in [bedrijf 2] en de onderneming heeft overgedragen aan [partij C]. [partij C] is in de rechten getreden van [bedrijf 1] en is derhalve aansprakelijk voor de schulden die [bedrijf 1] als contractspartij van [partij A] heeft in verband met de onbetaald gebleven facturen over de periode van maart tot en met juni 2022.
Er moet volgens [partij C] onderscheid gemaakt worden tussen [bedrijf 1] met KvK nummer [nummer 1] en [partij C] met KvK nummer [nummer 2]. Bij de KvK staat geregistreerd dat [bedrijf 1] op 4 juni 2024 is opgehouden te bestaan. Het zijn verschillende entiteiten. [partij C] heeft een andere naam, een ander adres, een ander KvK-nummer, een andere aandeelhouder én een andere bestuurder. De enig aandeelhouder en bestuurder van [partij C] is [bedrijf 3] B.V., de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] was [bedrijf 4] B.V., zo valt op te maken uit de respectievelijke uittreksels van de KvK.
[partij C] is geen contractspartij bij de overeenkomst met [partij A] geweest. Uit de registratie bij de KvK blijkt dat zij pas op 20 oktober 2023 is opgericht en dus nog niet bestond ten tijde van het sluiten van die overeenkomst.
[partij C] stelt dat er géén contractuele relatie met [partij B] en/of [partij A] bestaat of heeft bestaan. Ook anderszins bestaat er geen rechtsverhouding op grond waarvan [partij B] een vordering op [partij C] kan hebben. [partij C] betwist dat zij in de rechten van [bedrijf 1] is getreden. Zij heeft de (gestelde) overeenkomst tussen [partij A] en [bedrijf 1] of de bijbehorende schulden niet overgenomen. Daarvoor is medewerking respectievelijk toestemming van [partij A] nodig en daarom is nooit verzocht.
Wel heeft [partij C] op 27 december 2023 een koopovereenkomst gesloten met [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Personeel B.V., met betrekking tot activa en personeel. Uit de koopovereenkomst blijkt er geen passiva zijn overgenomen (artikel 1.1.3) en dat de gestelde overeenkomst met [partij A] evenmin is overgenomen.
Als [partij A] een vordering heeft op [bedrijf 1] ligt het op de weg van [partij A] en niet op die van [partij B] om daarover zonodig te gaan procederen. [partij C] heeft met die eventuele vordering niets van doen. [partij C] stelt dan ook zonder rechtsgrond in vrijwaring te zijn opgeroepen.
De rechtbank onderschrijft deze stellingname van [partij C] nu deze steun vindt in de stukken. [partij B] kon ter zitting ook geen voldoende antwoord geven op de vraag waarom de overname tussen [bedrijf 1] en [partij C] een grondslag zou geven op basis waarvan [partij B] [partij C] zou kunnen aanspreken. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de vorderingen van [partij B] af te wijzen.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2025 heeft [partij C] de rechtbank verzocht er bij de proceskostenveroordeling rekening mee te houden dat [partij C] [partij B] er bij brief van 1 mei 2025 op heeft gewezen dat er geen enkele grond bestaat om haar in vrijwaring op te roepen en dat de zaak evident kansloos is. Desondanks is [partij B] tot dagvaarden overgegaan, waarmee zij [partij C] nodeloos op kosten heeft gejaagd.
In dit geval zijn de feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank nu tot het oordeel komt dat er geen rechtsgrond was om [partij C] in vrijwaring op te roepen, al aan [partij B] meegedeeld op 1 mei 2025. De informatie van de KvK waarnaar in de brief wordt verwezen is voor [partij B] toegankelijk. Daarnaast heeft [partij C] onweersproken gesteld dat zij de relevante passages uit de koopovereenkomst tussen [partij C] en [bedrijf 1] aan [partij B] heeft toegestuurd, zodat [partij B] het nut van een vrijwaringsprocedure tegen [partij C] ook hieraan kon toetsen. Indien en voor zover [partij B] dat niet heeft gedaan valt haar dat aan te rekenen. Indien en voor zover zij die toets wel heeft gemaakt en desondanks tot het dagvaarden van [partij C] is overgegaan en [partij C] daarmee heeft gedwongen kosten van rechtsbijstand te maken, rechtvaardigt dit naar het oordeel van de rechtbank een veroordeling van [partij B] in de met 50% verhoogde proceskosten.
Op grond van het liquidatietarief worden de proceskosten van [partij C] begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.745,00
Na verhoging met 50% bedragen de proceskosten derhalve € 7.117,50.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 38.702,81, te vermeerderen met :
de wettelijke rente als ex artikel 6:119 BW over de facturen die betrekking hebben op de werkzaamheden verricht tot 27 juli 2022 (in totaal € 27.193,33), vanaf de datum waarop dit vonnis aan [partij B] is betekend tot de dag van volledige betaling,
de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de vanaf 13 oktober 2022 daarover gefactureerde bedragen (in totaal € 11.509,48) vanaf de vervaldata van de afzonderlijke facturen.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.773,35 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 5.610,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij C] van € 7.117,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de hoofdzaak en in de vrijwaring
verklaart de onderdelen 6.1 tot en met 6.4, 6.7 en 6.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.