RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 84.106621-23, 84.106626-23, 84.231525-23, 84.165239-25, 84.166160-23
Bezwaarschriftnummers: 25/032225, 25/032229, 25/032231, 25/032233, 25/032226
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift op grond van artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
en
[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
en
[bedrijf 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
en
[bedrijf 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,
en
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] .
hierna: de verdachten,
allen domicilie kiezende ten kantore van de raadsman mr. F.J.M. Kobossen, De Mul Zegger Advocaten, kantoorhoudende aan de H.W. Iordensweg 1-A te (7391 KA) Twello, hierna: de raadsman.
1. Het verloop van de procedure
De bezwaarschriften op grond van artikel 182, zesde lid, Sv dateren van 12 december 2025 en zijn op diezelfde datum op de griffie van de rechtbank ontvangen.
De bezwaarschriften zijn behandeld op de niet-openbare zitting van de raadkamer van
13 maart 2026. Bij deze behandeling zijn de gemachtigde raadsman en de officier van justitie gehoord.
De raadkamer heeft kennisgenomen van:
2. De beschikking van de rechter-commissaris
De verdediging heeft de rechter-commissaris op 15 oktober 2025 per e-mailbericht verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit:
De rechter-commissaris heeft daarna bij beschikking van 2 december 2025 de onderzoekshandeling onder 1 toegewezen en de onderzoekshandelingen onder 2, 3 en 4 afgewezen. Het bezwaar van de verdediging richt zich tegen de afgewezen onderzoekshandelingen.
3. De bevoegdheid
De rechtbank Overijssel is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.
4. De standpunten
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft op de zitting de hiervoor onder 2, 3 en 4 verzochte onderzoekshandelingen gehandhaafd. Het bezwaar dient volgens hem gegrond te worden verklaard en genoemde onderzoekshandelingen moeten worden toegewezen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting de inhoud van de schriftelijke conclusie gehandhaafd. Het bezwaar moet volgens de officier van justitie ongegrond worden verklaard.
5. De ontvankelijkheid
De raadkamer overweegt op grond van de stukken en van wat in raadkamer naar voren is gebracht over de ontvankelijkheid van bezwaar het volgende.
De raadkamer stelt als feiten en omstandigheden vast dat de rechter-commissaris in het onderzoek Haring op 31 oktober 2024 op vordering van de officier van justitie (op grond van 181 Sv) heeft beslist tot het horen van [getuige] als getuige. Deze persoon is uiteindelijk op 7 mei 2025 als getuige gehoord. Dit verhoor heeft in afwezigheid van mr. Kobossen (of een andere advocaat) plaatsgevonden. Ook stelt de raadkamer vast dat de officier van justitie bij brief van 31 juli 2025 aan de raadsman heeft medegedeeld, voor zover relevant, dat het Openbaar Ministerie voornemens is de verdachten te dagvaarden voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel voor de strafbare feiten zoals opgenomen in de bij die brief gevoegde concept-tenlastelegging. De raadsman heeft in raadkamer bevestigd dat hij, zoals ook volgt uit zijn e-mail aan het Functioneel Parket van 19 augustus 2025, de concept-tenlastelegging heeft ontvangen en hier kennis van heeft genomen. Voorts stelt de raadkamer vast dat de raadsman de rechter-commissaris nadien, op 15 oktober 2025, per e-mailbericht heeft verzocht een viertal getuigen te horen. De rechter-commissaris heeft hier op 2 december 2025 (deels afwijzend) op beslist. Omdat [getuige] als een belastende getuige moet worden aangemerkt en de officier van justitie zich niet heeft verzet tegen het nogmaals horen van deze getuige, heeft de rechter-commissaris het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige] toegewezen. De overige getuigenverzoeken heeft de rechter-commissaris afgewezen.
De raadkamer overweegt het volgende.
Blijkens de feiten is genoemd verzoek van de verdediging in het onderzoek Haring tot het verrichten van (nadere) onderzoekshandelingen van latere datum dan de mededeling van de officier van justitie dat tot dagvaarding van de verdachten zal worden overgegaan.
Gelet op artikel 238, tweede lid, Sv dient dan allereerst de vraag te worden beantwoord, of de rechter-commissaris nog bevoegd is om op dat verzoek te beslissen en zo ja, of tegen die beslissing voor de verdediging een bezwaarschrift, onderscheidenlijk voor de officier van justitie beroep open staat.
Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.
Een redelijke uitleg van artikel 238, tweede lid, Sv brengt volgens jurisprudentie mee dat vanaf het moment van kennisgeving dat tot dagvaarding zal worden overgegaan de rechter-commissaris bevoegd is tot voortzetting en afronding van zijn onderzoek dat op grond van de artikelen 181 - 183 Sv al loopt zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen en voor zover de rechter-commissaris dat noodzakelijk acht. Na die mededeling is geen plaats meer voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in de artikelen 181 - 183 Sv tot het verrichten van onderzoekshandelingen en tegen afwijzing van onderzoekswensen die na die mededeling zijn neergelegd staat voor de verdediging geen bezwaar open en voor de officier van justitie geen hoger beroep.
Een en ander betekent naar het oordeel van de raadkamer niet alleen dat reeds lopende onderzoekshandelingen mogen worden afgerond, maar ook dat onder omstandigheden nieuwe onderzoekshandelingen mogen worden verricht, indien en voor zover deze in nauwe samenhang staan met de reeds verrichte of voortgezette onderzoekshandelingen en mits de rechter-commissaris dit noodzakelijk acht. Bij het toepassen van dit noodzakelijkheidscriterium legt de omstandigheid dat de regie verschuift naar de zittingsrechter veel gewicht in de schaal, zodat alleen met de nodige terughoudendheid besloten kan worden tot het verrichten van die nieuwe onderzoekshandelingen. Daarbij blijft gelden dat de verdachte en het Openbaar Ministerie na het moment van de kennisgeving van de dagvaarding niet zo’n aanvullende onderzoekshandeling kunnen uitlokken met een verzoek als bedoeld in artikel 182 Sv of een vordering op de voet van artikel 181 Sv en er in dat verband dus ook geen rechtsmiddel kan worden aangewend. Dit staat er echter niet aan in de weg dat wel een wens in de richting van de rechter-commissaris kan worden geuit. Wanneer de rechter-commissaris daaraan geen gehoor geeft omdat hij het verzochte onderzoek niet noodzakelijk acht, dient men zich te wenden tot de zittingsrechter (of eventueel de voorzitter met het oog op zijn bevoegdheid op grond van artikel 258, tweede lid Sv).
Vast staat dat het onderhavige verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen onder 2, 3 en 4, van latere datum is dan de mededeling van de officier van justitie dat tot dagvaarding van de verdachten zal worden overgegaan. Daarnaast telt dat de beschikking van de rechter-commissaris, voor zover bestreden en gezien de overwegingen waarop deze de afwijzende beslissing heeft gegrond, naar het oordeel van de raadkamer niet anders kan worden verstaan dan dat de rechter-commissaris de verzochte onderzoekshandelingen, te weten het horen van de onder 2, 3 en 4 van het verzoek genoemde getuigen, niet noodzakelijk acht.
Bezien in het licht van wat hierboven voorop is gesteld, brengt dit de raadkamer tot de slotsom dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De omstandigheid dat verdachte ondanks het daartoe door de officier van justitie geuite voornemen nog niet is gedagvaard, en het feit dat de officier van justitie in zijn brief van 31 juli 2025 de raadsman eveneens heeft uitgenodigd om aan de rechter-commissaris onderzoekswensen kenbaar te maken, leiden niet tot een ander oordeel.
6. Beslissing
De raadkamer verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van 27 maart 2026.