RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.027596.25 en 08.155607.22 (gev.ttz) (P)
Datum vonnis: 23 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 mei 2025, 5 augustus 2025, 27 oktober 2025, 22 januari 2026 en van 09 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat in Maastricht, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
08.027596.25
brand heeft gesticht;
08.155607.22
meerdere ruiten heeft vernield, beschadigd, dan wel onbruikbaar heeft gemaakt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
08.027596.25
hij op of omstreeks 1 januari 2025 aan het pand [adres 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp liggend voor de schuurdeur, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de schuur en/of de barberschop gevestigd in het pand en/of het vijftal (bewoonde) kamers boven het pand en de goederen in de schuur en/of barberschop en/of de (bewoonde) kamers, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van de bovenliggende kamers en/of omliggende woningen, te duchten was;
08.155607.22
hij op of omstreeks 22 juni 2022 te Enschede opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [stichting] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt.
3. De bewijsmotivering
08.027596.25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 1 januari 2025 omstreeks 4:50 uur staat een schuur aan de [adres 1] in brand. [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) is eigenaar van dit pand.
De brand is metershoog en bevindt zich ter hoogte van de brandtrappen die leiden naar de kamers gelegen boven het pand. Op het moment dat verbalisanten ter plaatse komen, is de bovenkant van de schuurdeur volledig doorgebrand, zodat zij de schuur in kunnen kijken. Voor de deur van de schuur ligt een stapel brandend hout die op dat moment zwart en verkoold was. In de schuur stonden goederen die aan het branden waren. Door de brandweer wordt de brand geblust. De kamers gelegen boven het pand worden verhuurd aan verschillende personen.
Uit screenshots van videobeelden blijkt dat om 04:43:29 uur geen brand zichtbaar is en dat een fiets in beeld komt. Om 04:47:29 uur is een flikkerende licht te zien van een brand die aan het ontstaan is. De fiets is verdwenen. Om 04:47:38 uur is te zien dat het licht intenser is geworden, doordat de brand feller is geworden.
De tijdlijn voorafgaand aan de brand is als volgt.
Op 31 december 2024 om 18:14 uur stuurt verdachte via de telefoonapplicatie Snapchat het volgende bericht aan [gebruikersnaam 1] : “Eeey maatje vraagje heb jij war benzinbbe?”
In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025, voorafgaand aan de brand, was verdachte in de directe omgeving van de [adres 1] .
Verdachte bezoekt op 1 januari 2025 om 04:19 uur de webpagina van [internetsite] en om 04:20 uur en 04:21 uur belt verdachte naar [slachtoffer 3] . De telefoon van verdachte maakt op 1 januari 2025 tussen 03:00 uur en 05:00 uur verbinding met een Wifipunt in de nabijheid van de [adres 1] .
[slachtoffer 3] heeft op 1 januari 2025 om 04:30 uur berichten met bedreigende teksten van verdachte ontvangen.
Op 10 januari 2025 is er weer een brand bij de [adres 1] .
Op 12 januari 2025 chat verdachte met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) via Facebook Messenger over deze brand. Verdachte schrijft: “Maar dit ben ik niet. Wel vlak alles achter elkaar. Lekker voor hem ju op naar ze hios kk hond […] je hent wel gelijk dit keer niet gefaan maar snao je gedachte gamg zo geen zin.”
Dezelfde ochtend stuurt verdachte om 3:54 uur via Whatsapp aan [naam 2] (hierna: [naam 2] : “Eeeyy maat hoorde alweer brand dit keer geen flauw benul vorigekwer wisten we nog wie dit keer geem flauw ideee.”
Die avond hebben [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en verdachte via Snapchat een gesprek over deze brand. Verdachte schrijft: “Oudennieuw gaat gewoon door ogzk new habga.” [naam 3] schrijft daarop: “haha jij was t in ieder geval niet”, waarop verdachte schrijft: “Snap je gagagga […] We werken met ploegen hahha [2x] Grapje he.”
[naam 4] (hierna: [naam 4] ) woont aan de [adres 1] en kwam op 1 januari 2025 omstreeks 5:00 uur bij zijn woning en zag hoge vlammen bij de garage. In de garage zag hij goederen die beschadigd waren door de brand. [naam 4] heeft die avond [naam 2] en verdachte samen gezien. [naam 4] heeft een screenshot gemaakt van de beelden van de Ring-deurbelcamera om 03:53 uur die bij hem in het steegje zijn gemaakt. Op de screenshot is een persoon op een step te zien en een persoon met een witte capuchon. [naam 5] (hierna: [naam 5] ) verklaart dat hij verdachte samen met [naam 2] en [naam 4] bij de schuur van [naam 4] heeft gezien. Hierna is [naam 5] naar bed gegaan. Toen hij de volgende dag wakker werd merkte hij dat er brand was geweest. [naam 6] verklaart dat hij in zijn kamer sliep op het moment van de brand. [naam 2] verklaart dat op 1 januari 2025 verdachte en [naam 7] (hierna: [naam 7] ) bij hem zijn geweest. Nadat verdachte en [naam 7] waren vertrokken is hij in slaap gevallen. De volgende ochtend had [naam 2] gehoord dat er brand was geweest. [naam 7] verklaart dat hij in de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 samen met verdachte bij [naam 2] is geweest. Toen zij weggingen bij [naam 2] pakte [naam 7] zijn step en verdachte zijn fiets. Verdachte zei tegen [naam 7] dat hij nog iets moest waarna [naam 7] verder is gegaan. Op een gegeven moment kwam verdachte er aan fietsen en zei hij tegen [naam 7] dat [naam 7] moest steppen. Verdachte had haast. Kort daarna zei verdachte dat [naam 2] hem had gebeld en dat [naam 2] tegen hem had gezegd dat het mooi blauw stond en dat het mooi aan de gang was. [naam 7] herkent zichzelf en verdachte op voornoemd screenshot van de Ring-deurbelcamera van 1 januari 2025. Op 20 januari 2025 en 21 januari 2025 zijn er nieuwe branden aan de [adres 2] . Verbalisanten spreken op 21 januari 2025, op de plaats delict, [naam 1] en [naam 8] (hierna: [naam 8] ). [naam 1] verklaarde spontaan dat hij wist dat verdachte de branden had gesticht en dat verdachte dat tegen hem had gezegd. [naam 8] verklaarde dat verdachte tegen hem en [naam 1] had gezegd dat hij de eerste brand, betreffende het schuurtje van het pand, had gesticht. Bij de politie verklaren [naam 8] en [naam 1] opnieuw dat verdachte de brand heeft gesticht. [naam 8] verklaart verder dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij de brand heeft gesticht en daarbij zei: “dat krijgen ze ervan als je met mij lopen fucken.”. [naam 3] verklaart dat verdachte in de periode van 27 december 2024 tot en met 29 december 2024 tegen haar heeft gezegd dat [slachtoffer 3] moest oppassen en zij er allebei zouden achter komen. Ook zei verdachte dat hij misschien op Nieuwjaarsnacht vast zou komen te zitten.
Bewijsoverwegingen en conclusie
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, die erop neerkomt dat hij niet betrokken is geweest bij de brandstichting, niet geloofwaardig. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] leidt de rechtbank af dat verdachte kort voor de brand berichten heeft gestuurd naar hem met dreigende teksten, tevens belt hij meerdere keren naar het telefoonnummer van [slachtoffer 3] waarbij er geen gesprek tot stand komt. Kort daarna was er brand aan het pand van [slachtoffer 3] . Een paar dagen daarvoor heeft verdachte [naam 3] gewaarschuwd en gezegd dat hij misschien op Nieuwjaarsnacht vast zou komen te zitten. Ook leidt de rechtbank uit de telefoongegevens van verdachte, alsmede uit de verschillende afgelegde verklaringen, af dat verdachte zich ten tijde van de brand in de directe nabijheid van de [adres 1] bevond, hetgeen door verdachte ter terechtzitting is bevestigd.
De rechtbank heeft geen redenen om de twijfelen aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [naam 8] en [naam 1] over verdachte en hecht daarbij waarde aan de omstandigheid dat deze getuigen spontaan op 21 januari 2025 deze verklaringen tegenover de politie hebben afgelegd en die later opnieuw hebben bevestigd bij de politie. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij de brand heeft gesticht. Beide getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris en zijn daar teruggekomen op hun eerdere verklaringen. De rechtbank zal deze verklaringen terzijde schuiven en de verklaringen van [naam 8] en [naam 1] die zij hebben afgelegd ten overstaan van de politie gebruiken voor het bewijs. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en in lijn met de verklaringen die door de getuigen uit eigen beweging ter plaatse zijn afgelegd.
De rechtbank heeft ook geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 7] over het verloop van de avond/nacht en de gebeurtenissen. Ook hecht de rechtbank waarde aan de omstandigheid dat verdachte na de tweede brand aan de [adres 1] aan twee personen heeft geschreven dat hij het dit keer niet heeft gedaan en dit keer geen flauw benul heeft. Voor deze belastende omstandigheden heeft verdachte geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. De eerst ter terechtzitting afgelegde en daardoor niet verifieerbare verklaring van verdachte dat andere personen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting en dat verdachte die nacht rondom de [adres 1] was om drugs te dealen acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte de brand heeft gesticht.
Gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
Door de politie werd tijdens de brand bij de schuurdeur een stapel hout aangetroffen die volgens een huurder van één van de kamers er niet eerder lag. Dit hout was volledig zwart en verkoold was, terwijl de voordeur nog brandde. Gelet hierop, gaat de rechtbank uit van een door verdachte aangestoken brand, waarbij de brandhaard is begonnen bij de stapel hout. Hiermee heeft verdachte zich opzettelijk schuldig gemaakt aan brandstichting. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de brand op een andere wijze is ontstaan dan door de brandstichting.
De rechtbank acht bewezen dat door de brandstichting gemeen gevaar voor de in de schuur aanwezige goederen is ontstaan. In de schuur van [naam 4] zijn meerdere goederen aangetroffen die door de brandstichting (gedeeltelijk) zijn verbrand. Verder was het mogelijk dat de brand had kunnen uitbreiden, zich had kunnen ontwikkelen en of had kunnen overslaan naar de kamers boven het pand.
De rechtbank is van oordeel dat ook sprake is geweest van levensgevaar voor personen. Redengevend hiervoor is onder meer dat de brandstichting is gepleegd bij een schuur in de directe nabijheid van bewoonde kamers boven het pand. Gelet op het tijdsverloop van de brand – uit camerabeelden volgt dat de brand om 4:43 uur wordt aangestoken, om 4:47 uur intenser is geworden en omstreeks 4:50 uur metershoog is – moet het ervoor worden gehouden dat het gaat om een brand van hoge intensiteit. In de schuur waarvan de deur in brand stond waren brandbare goederen. Naar algemene ervaringsregels zal een brand met de hiervoor omschreven intensiteit in de nabijheid van die brandbare voorwerpen zich razendsnel kunnen verspreiden. Door de ter plaatse gekomen politie werden ter hoogte van de brandtrappen die leiden naar de kamers boven het pand, metershoge vlammen gezien. Op de foto’s is goed te zien dat de omvang van de brand en de schade groot was. Doordat de politie de brand zelf snel heeft opgemerkt en dankzij het tijdig ingrijpen van de brandweer, is de schade relatief beperkt gebleven. Dit neemt niet weg dat het evengoed anders had kunnen aflopen, in die zin dat het vuur niet veel later had kunnen overslaan naar de kamers boven het pand. Aangezien een aantal bewoners van de kamers op het moment van de brand aanwezig waren, de brand plaatsvond in de vroege ochtend op het moment dat veel mensen gebruikelijk nog slapen, er volgens bewoner [naam 5] ten tijde van de brand geen brandbeveiliging in het pand aanwezig was, de aanwezige bewoners niet doorhadden dat de schuur in brand stond en de brand de vluchtweg van de bewoners blokkeerde, trekt de rechtbank in onderling verband en in samenhang bezien de conclusie dat met de brandstichting niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar tevens levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.
Conclusie
De rechtbank is aldus van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en dat zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
08.155607.22
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [stichting] , van 22 juni 2022, pagina 3, voor zover inhoudende de verklaring van aangever.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
08.027596.25
hij op of omstreeks 1 januari 2025 aan het pand [adres 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans, opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp liggend voor de schuurdeur, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de schuur en/of de barberschop gevestigd in het pand en het vijftal (bewoonde) kamers boven het pand en de goederen in de schuur en/of barberschop, en - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van de bovenliggende kamers en/of omliggende woningen, te duchten was;
08.155607.22
hij op of omstreeks 22 juni 2022 te Enschede opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [stichting] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft vernield. , beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 157 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
08.027596.25
het misdrijf: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
08.155607.22
het misdrijf: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in de zaak met parketnummer 08.027596.25 - gelet op de bepleite vrijspraak - primair geen strafmaatverweer gevoerd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde straf van de officier van justitie te fors is en heeft de raadsman verwezen naar verschillende uitspraken van de rechtbank Overijssel in soortgelijke zaken waar lagere straffen werden opgelegd. In de zaak met parketnummer 08.155607.22 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat gezien artikel 6 EVRM er geen reden is om te komen tot een strafoplegging, althans geen substantiële straf zou moeten worden opgelegd. Ook is er geen reden voor extra straftoevoeging indien in de zaak met parketnummer 08.027596.25 een bewezenverklaring zou volgen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft in de vroege ochtend van 1 januari 2025 brand gesticht aan een schuur bij een pand. Boven het pand bevonden zich kamers die bewoond werden. Verdachte wist dat die kamers bewoond werden. Op het moment van de brand, was een aantal bewoners in hun kamer aanwezig terwijl zij sliepen. De schuur is gelegen nabij de trapopgang naar de kamers waar de metershoge brand woedde, waardoor die vluchtweg niet gebruikt kon worden ten tijde van de brand. Dit is een groot risico geweest voor de aanwezige bewoners van de kamers. Brandstichting is een ernstig feit, omdat de onberekenbaarheid van een brand met zich brengt dat de gevolgen daarvan op voorhand niet kunnen worden overzien. Verdachte heeft door zijn handelen gevaar veroorzaakt voor goederen en levensgevaar voor anderen . De brand is gelukkig tijdig ontdekt. Wanneer dat later was gebeurd, had de brand zich verder ongecontroleerd kunnen uitbreiden en had dit tragische gevolgen voor de bewoners kunnen hebben. Dat de schade beperkt is gebleven tot een schuur met goederen, is een gelukkige omstandigheid, maar zeker niet te danken aan verdachte. Brandstichting zorgt daarnaast voor grote onrust en angst in de samenleving.
Ten aanzien van de vernieling heeft verdachte er blijk van gegeven andermans goederen en eigendommen niet te respecteren. Het zijn hinderlijke feiten die doorgaans overlast en veel schade opleveren voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De persoon van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel justitiële documentatie van 23 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen en sprake is van meerdere veroordelingen voor verschillende soorten strafbare feiten.
Rapportages
GZ-psycholoog K.A. Rose en psychiater M.B.F. van Berkel hebben een pro justitia (PBC) rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 15 januari 2026. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.
De bevindingen van de psycholoog K.A. Rose:
Het middelengebruik vormt een centrale risicofactor in zijn functioneren: het fungeert voor hem mogelijk als een disfunctionele copingstrategie, (zoals naar zijn zeggen ter verlichting van stressgerelateerde spierverkrampingen en het dempen van traumatische herinneringen)
maar lijkt regelmatig tot impulsief, agressief en soms psychotisch gedrag te leiden.
Getuigenissen (zoals bij de politie) en eerdere rapportages wijzen op middelen geïnduceerde
psychotische symptomen zoals een verstoorde realiteitstoetsing, vooral bij GHB-gebruik.
Betrokkene ontkent dergelijke problematiek bij de politie en spreekt alleen over hallucinaties
tijdens ontwenning.
Het middelengebruik speelt wel een grote rol in zijn disfunctioneren. Vastgesteld wordt dat
er sprake is van een ernstige stoornis in GHB-gebruik en van een stoornis in cannabisgebruik.
Aannemelijk is dat zijn langdurige middelengebruik, vanaf zijn 15e jaar, invloed heeft gehad op zijn persoonlijkheidsontwikkeling en coping. Door gevoelens te dempen met middelen lijkt hij beperkte vaardigheden te hebben ontwikkeld om emoties te reguleren en stress te hanteren.
In eerdere diagnostiek (onbekende datum) werd een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken, naast PTSS, ADHD en verslavingsproblematiek vastgesteld. Of dit nog steeds op betrokkene van toepassing is, kan op basis van het huidige onderzoek niet worden vastgesteld.
Op basis van aanwezige informatie worden zorgelijke signalen gezien, met name op het
gebied van agressie- en emotiehantering, middelengebruik en eerdere perioden van
realiteitstoetsingsproblematiek, mogelijk in samenhang met middelengebruik.
Het roept het beeld op van een man met psychische en sociale kwetsbaarheid, die moeite heeft om zonder intensieve begeleiding stabiel en abstinent te blijven.
De bevindingen van de psychiater van Berkel:
Waar betrokkene aanvankelijk tijdens detentie op reguliere afdelingen zijn rebelse gedrag voortzette in de vorm van vernielingen of positieve urinecontroles op cannabis, werd hij vanaf omstreeks 2014 op de Extra Zorg Voorziening (EZV) geplaatst en vanaf 2016 ook in het penitentiaire ziekenhuis omdat hij moest afkicken van de drugs. Een opname in een verslavingskliniek ( [locatie 1] ) in het kader van bijzondere voorwaarden verliep aanvankelijk goed, maar betrokkene hield zijn abstinentie niet vol. Ambulante hulpverlening kwam structureel niet goed van de grond bij betrokkene doordat hij afspraken niet na kwam en middelen bleef gebruiken.
Betrokkene was in 2022 en 2023 regelmatig in beeld bij de politie. Hij was dan veelal onder invloed van middelen. In november 2022 sloot hij een klinische traumabehandeling positief af, waar hij alvorens een detoxopname moest ondergaan. Zijn klachten kwamen echter weer terug na een vechtpartij in september 2023, waarna betrokkene terugviel in het gebruik van GHB. In december 2023 werd betrokkene opgenomen bij het penitentiair ziekenhuis als detox van GHB, alvorens hij naar de EZV werd overgeplaatst. In januari 2024 hield betrokkene zich niet aan schorsingsvoorwaarden en vertoonde zelfbepalend, maar ook
verward gedrag. Nadat betrokkene in juni 2024 uit detentie kwam, werd melding gemaakt over betrokkene omdat hij wederom vreemd en paranoïde gedrag vertoonde.
Gedurende het onderhavige onderzoek is een beeld ontstaan van een man die ondanks zijn
roerige jeugd zijn best doet om opgewekt te blijven en positief in het leven te staan, maar die
bij (milde) tegenslag, onbegrip of indien (negatief) verrast al snel zijn emoties niet meer de
baas is en dan afhankelijk raakt van externe regulering zoals de groepsleiding.
Onderzoeker komt uit op ten minste een stoornis in het gebruik van meerdere middelen (GHB en cannabis). ADHD, een PTSS en een persoonlijkheidsstoornis kunnen niet met zekerheid worden vastgesteld of uitgesloten.
Concluderend vertoont betrokkene antisociaal, maar vooral toenemend zorgelijk gedrag, lijdt hij aan een stoornis in het gebruik van ten minste GHB en cannabis en disfunctioneert hij inmiddels op alle levensgebieden.
Het rapport, voor zover inhoudende beantwoording van de vraagstelling door de psycholoog en de psychiater gezamenlijk:
Betrokkene heeft geen medewerking heeft verleend aan het PBC-onderzoek. Hierdoor bleef het onderhavige onderzoek zeer beperkt.
Door zijn gebrek aan medewerking blijven belangrijke diagnostische vragen onbeantwoord.
Niettemin is op basis van dossierinformatie en de beperkte informatie afkomstig van
betrokkene een patroon zichtbaar van ernstig middelengebruik, met ten minste een GHB- en
cannabisafhankelijkheid.
Middelengebruik staat naar het zich laat aanzien centraal in zijn functioneren. Duidelijk is wel dat er sprake is van langdurig en overmatig middelengebruik vanaf de adolescentie, met periodes van onttrekkingsverschijnselen. Getuigenverklaringen en eerdere
(reclasserings)rapportages wijzen op middelen geïnduceerde psychotische symptomen,
waaronder een verstoorde realiteitstoetsing en impulsief, agressief gedrag, vooral in het kader van GHB-gebruik. Ten aanzien van cannabis blijkt uit vrijwel iedere detentieperiode dat hij positief test, waaronder bij binnenkomst in het PBC.
Samengenomen is er van afstand beschouwend in ieder geval sprake van ernstige
verslavingsproblematiek, waarbij GHB- en cannabisgebruik op de voorgrond staan. Classificerend kan in ieder geval worden vastgesteld dat sprake is van een stoornis in het gebruik van GHB en een stoornis in het gebruik van cannabis. Door de duurzame aard van deze verslavingen is aannemelijk dat zij ook bestonden in de periode van het hem ten laste gelegde.
Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op
19 februari 2026. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.
Betrokkene kent een uitgebreide justitiële documentatie met een delictpatroon aan geweldsdelicten. Vanwege het zorgelijke delictpatroon en het gedrag van betrokkene wordt hij besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis Twente.
Op basis van zijn delictverleden ziet de reclassering onverminderd hoge risico's op recidive en letsel, zoals wij dit in mei 2024 ook omschreven in een reclasseringsadvies: deze risico's kunnen in een ambulant kader met allerlei veiligheidsmaatregelen niet gewaarborgd worden. Een langdurige klinische opname gericht op trauma en verslaving zou naar onzes inziens de
enige resterende en meest passende optie zijn maar dit wordt niet als haalbaar geacht daar
betrokkene niet mee wil werken aan een opname in een forensische setting.
De risico’s op recidive worden op basis van de beschikbare informatie ingeschat als hoog maar er kan, vanwege de proceshouding van betrokkene geen plan van aanpak worden opgesteld met als doel de vermindering van de kans op recidive.
Door het gebrek aan een recente diagnose en de ontkennende houding van betrokkene kan de reclassering geen uitspraken doen over het psychosociaal functioneren, behalve dat betrokkene heeft aangegeven klinische hulp te willen bij de verwerking van zijn trauma's. Hij wil echter niet opgenomen worden in een forensische setting omdat hij daarvoor eerst veroordeeld moet worden en betrokkene verwacht vrijspraak.
Bij een veroordeling adviseren wij een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wij zien geen
mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Conclusies van de rechtbank
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Terbeschikkingstelling
De rechtbank is van oordeel dat naast de gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte moet worden opgelegd.
Wettelijk kader
De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook wel: TBS maatregel) kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden:
• er is sprake van een misdrijf waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat, of dat is genoemd in artikel 37a, lid 1, onder 2, Sr;
• bij verdachte was ten tijde van het delict sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
• de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel;
• er is recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt; de rechtbank beschikt over een advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die betrokkene hebben onderzocht (artikel 37a, lid 3, Sr), tenzij betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek (artikel 37a, lid 4, Sr).
De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten voor oplegging van de TBS maatregel is voldaan en overweegt daartoe het volgende.
De weigering van verdachte om zijn medewerking te verlenen
In het PBC heeft verdachte zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd, waardoor de psychiater en de psycholoog geen volledig onderzoek hebben kunnen verrichten. De rechtbank merkt verdachte aldus aan als weigerende observandus in de zin van artikel 37a, vierde lid, Sr. Indien de verdachte, zoals dus in dit geval, zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek. Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Het is aan de rechtbank om die vaststelling te doen. Die vaststelling kan worden gegrond op bevindingen, conclusies en adviezen van gedragsdeskundigen. Niet is vereist dat sprake is van een geclassificeerde stoornis volgens het handboek DSM4 of 5.
Is sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens?
De rechtbank constateert op basis van de hiervoor genoemde rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, dat bij verdachte reeds jaren sprake is van hardnekkige verslavingsproblematiek, waarbij GHB- en cannabisgebruik op de voorgrond staan. Verdachte is tot op heden niet succesvol behandeld hiervoor. Sinds 2016 probeert verdachte af te kicken van drugs, de jaren daarna valt verdachte echter steeds weer terug in middelengebruik. Behandeling en hulpverlening komen niet van de grond. Verdachte is regelmatig in beeld bij de politie en er worden zorgelijke signalen gezien op het gebied van agressie- en emotiehantering, middelengebruik en eerdere perioden van realiteitstoetsingsproblematiek, mogelijk in samenhang met middelengebruik. In vrijwel iedere detentieperiode test verdachte positief op het gebruik van cannabis, waaronder ook bij binnenkomst in het PBC.
De rechtbank komt op grond van het rapport van de psychiater en de psycholoog en hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft geconstateerd tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een langdurige en ernstige stoornis in het gebruik van GHB en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Ook tijdens het begaan van de brandstichting bestonden deze stoornissen. De rechtbank neemt de conclusies van de onderzoekers op dit punt over.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank een verband vast tussen de gelijktijdigheid van de stoornis en het delict.
Verpleging van overheidswege
Vastgesteld wordt dat de bewezen verklaarde brandstichting een misdrijf is als bedoeld in
artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr, waarvoor de maatregel terbeschikkingstelling kan worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat bij verdachte sprake is van een langdurig patroon van antisociaal gedrag, reeds vanaf jonge leeftijd, zoals dat onder andere blijkt uit zijn strafblad. Verdachte laat daarmee zien niet in staat te zijn zich aan de wet (en sociale normen) te houden. Hij vertoont gedrag dat zich kenmerkt door prikkelbaarheid of agressiviteit, zoals blijkt uit herhaaldelijke geweldsdelicten. Ondanks veroordelingen recidiveert verdachte. Verdachte disfunctioneert inmiddels op alle levensgebieden en laat het beeld zien van een man met psychische en sociale kwetsbaarheid, die moeite heeft om zonder intensieve begeleiding stabiel en abstinent te blijven.
Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Op basis van het delictverleden ziet de reclassering onverminderd hoge risico's op recidive en letsel. Op basis van de justitiële documentatie van verdachte ziet de rechtbank ook een risico in verharding en verergering van de delicten die verdachte pleegt. Deze risico's kunnen in een ambulant kader niet afdoende gewaarborgd worden. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Een langdurige klinische opname gericht op trauma en verslaving wordt als enige resterende en meest passende optie gezien.
Verdachte is niet bereid mee te werken aan recente diagnostiek voor vrijwillige hulpverlening of een forensische behandeling in een ambulant kader.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van recidivegevaar. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde brandstichting en hetgeen is gebleken over de persoon van de verdachte, uit veiligheidsoogpunt voor anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het niet verantwoord is dat verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. De behandeling moet erop gericht zijn om dit gevaar weg te nemen of in belangrijke mate te reduceren. In de volhardende weigering van verdachte om zijn medewerking te verlenen aan onderzoek naar zijn persoon en zijn volhardende ontkenning van het bewezenverklaarde feit (brandstichting), de persoon van verdachte en zijn justitiële voorgeschiedenis, daaronder mede te verstaan eerdere hulpverleningstrajecten, ziet de rechtbank geen enkele opening naar een andere, (minder vergaande) behandeling dan verpleging van overheidswege.
Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen.
Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.
7. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij
[naam 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 11.900,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- gereedschap € 1.500,00;
- stapelaar € 2.000,00;
- straalcabine TBM € 500,00;
- muziekapparatuur € 1.000,00;
- elektrisch gereedschap € 500,00;
- motorschade € 750,00;
- kabellier € 150,00;
- overig € 500,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.448,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- doorbetaling huur € 248,36;
- contante uitgaven tijdelijk verblijf € 200,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 10.5360,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- verlies van arbeidsvermogen € 7.760,40;
- voorraad haarproducten € 2.776,40.
[stichting] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:
- vervanging van de ramen en deur € 10.000,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [naam 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [stichting] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van [naam 4] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de gevorderde schade onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu de gevorderde schade ziet op feiten die thans niet meer aan verdachte zijn ten laste gelegd.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu de gevorderde schade ziet op een feit dat thans niet meer aan verdachte is ten laste gelegd. Dit geldt ook voor het door de benadeelde partij verzochte contact- en locatieverbod.
Ten aanzien van de vordering van [stichting] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen aangezien de gevorderde schade niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2]
Volgens artikel 51f Sv kan alleen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich voegen als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding indienen. De benadeelde partij kan volgens artikel 51a Sv alleen ontvankelijk zijn als (onder meer) aan de voorwaarde wordt voldaan dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat door het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 08.027596.25, geen rechtstreekse schade is toegebracht aan de benadeelde partij. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet gebaseerd op de brand van 1 januari 2025, maar op één van de latere branden die maand. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[naam 4] en [stichting]
De rechtbank is van oordeel dat gevorderde schade onvoldoende is komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de gevorderde schade alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37b en 58 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
08.027596.25
het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
08.155607.22
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [naam 4] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [stichting] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025036302. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 was ik in de omgeving van de [adres 1] .
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 20 januari 2025, pagina 42, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Op 1 januari 2025 omstreeks 04:30 uur was ik, verbalisant [verbalisant 1] , belast met de
noodhulpdienst te Almelo. Omstreeks 04:50 uur reed ik samen met mijn collega over de [adres 1] . Aldaar zag ik metershoge vlammen ten hoogte van de brandtrappen die leiden naar de appartementen gelegen boven de [adres 1] . Ik zag dat er, van binnen uit gezien, links voor de deur een stapel brandend hout lag, deze stapel hout was al volledig zwart en verkoold. De deur stond op dat moment al volledig in brand en de bovenkant van de deur was al volledig doorgebrand, hierdoor kon ik deels de garage inkijken en zag ik dat
daarbinnen heel veel spullen stonden die ook al aan het branden waren. Ik heb met mijn brandblusser geprobeerd de stapel hout en de deur te blussen maar dit mocht niet baten. De brandweer heeft vervolgens de brand geblust.
[afbeelding]
[afbeelding]
3
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 2 mei 2025, pagina 258, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Bevindingen bekijken camerabeelden:
De camerabeelden zijn voorzien van een datum en tijdstip. Deze datum en tijdstip zijn niet
geverifieerd echter aangezien op een later moment, namelijk 10 januari 2025 en 21 januari 2025 dit wel is geverifieerd en het tijdstip vermeld op de camerabeelden van 01-01-2025 overeenkomen met het tijdstip van de melding zullen de datum en het tijdstip accuraat zijn. Derhalve is cameratijd de werkelijke tijd.
Eerste video:
Camera: camera 4
Datum: 01-01-2025
Tijdstip: 04:43:29 uur
[afbeelding]
Op bovenstaande screenshot is te zien dat vermoedelijk licht te zien is doordat een zogenaamd signaleringslamp is geactiveerd door beweging (zie gele pijl links). Tevens is naar alle zekerheid rechts (binnen de gele cirkel) een fiets zichtbaar doordat de reflectie, aanwezig op de fietsbanden, oplichten. Op dit moment is er nog geen brand zichtbaar (ook niet op de bewegende beelden). Met bovenstaand screenshot begint de video, namelijk op 01-01-2025 om 04:43:29 uur. Op de bewegende beelden is te zien dat op 01-01-2025 om 04:43:47 uur de hierboven omschreven verlichting uitgaat.
Camera: camera 4
Datum: 01-01-2025
Tijdstip: 04:47:29 uur
[afbeelding]
Op bovenstaand screenshot is te zien dat de deur van de schuur als het ware verlicht wordt. Op de bewegende beelden is te zien dat het licht als het ware flikkert, Naar alle waarschijnlijk is het flikkerende licht het begin van de brand die aan het ontstaan is.
Tevens is op bovenstaand screenshot te zien dat de fiets die op de eerste video stond nu
verdwenen is. Bovenstaande screenshot is het begin van de video.
Camera: camera 4
Datum: 01-01-2025
Tijdstip: 04:47:38 uur
[afbeelding]
Op bovenstaande screenshot is te zien dat het licht intensiever is geworden kennelijk omdat de brand feller wordt.
4
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 26 maart 2025, pagina 84, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:
Ik hoorde op 3 januari 2025 dat er op 1 januari 2025 brand was bij de garage van mijn
pand aan de [adres 1] . Ik woon daar zelf niet. Ik heb het pand
verhuurd aan in totaal zeven huurders waaronder zes kamerbewoners. Ik werd op 3 januari gebeld door de buurman van nummer [nummer 1] van dit pand. Ik hoorde hem zeggen dat hij rookschade had en dat de brandweer zijn deur had moeten forceren om binnen te komen. Er was bij hem geen brand geweest maar wel veel rook. Ik ben naar mijn pand gegaan en zag ik via de achterkant van het pand dat er brandschade was in de garage. Deze garage is verhuurd aan [naam 4] . Toen ik hem belde hierover bleek hij al op de hoogte. Ik zag dat de binnenkant van de garage helemaal zwart was en de achterdeur was geforceerd.
5
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 3] van 15 januari 2025, pagina 58, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van slachtoffer:
Ik kan u vertellen dat ik via de Whatsapp bedreigd ben door [verdachte] . De politie
heeft reeds screenshots van dit gesprek gemaakt. Deze berichten zijn van 1 januari
omstreeks 4:30 uur. Ze komen van het nummer [telefoonnummer] . Kort na de bedreigingen van [verdachte] is er brand gesticht bij een schuur van een pand van mij aan de [adres 2] .
[afbeelding]
[afbeelding]
6
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 11 februari 2025 , pagina’s 178 en 83, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Betreft: Analyse toestel Samsung verdachte [verdachte] , [gebruikersnaam 2]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
7
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 22 januari 2025, pagina 68, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:
Ik woon aan de [adres 1] . Dit betreft kamerverhuur. Achter het pand
staat een garage. De garage is van [slachtoffer 3] . Het pand is ook van hem. Ik huur het van hem. Op 31 december 2024, omstreeks 23:00 uur, vertrok ik op de fiets naar mijn vriendin om oudjaarsavond uit te zitten. Omstreeks 5:00 uur kwam ik terug. Ik zag toen dat er twee agenten bij de garage stonden. Ik zag hoge vlammen bij de garage weg komen. Eén van de agenten hield mij tegen, ik mocht niet bij de garage komen. De agent zei tegen mij dat iemand een matras in de brand had gestoken en tegen de deur had gelegd. De deur is het meest brandbare punt van de garage, de rest is steen. Uiteindelijk heeft de brandweer het vuur geblust. Ik heb toen gekeken. Er is veel materiele schade. Drie draagbalken zijn aangetast door het vuur. Een Aprillia-scooter, gereedschappen, onderdelen van een auto en een stappelaar zijn allemaal beschadigd.
8
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , van 29 januari 2025, pagina’s 76 en 78, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
V: Je hebt aangifte gedaan van brandstichting. Waar was je zelf met oud en nieuw?
A: Ik was bij mijn vriendin.
V: Er zijn een aantal mensen die zeggen dat jij daar ook was om 12 uur in de nacht.
A: Dat kan ik niet zijn geweest. Ik ben er wel in het begin van de avond geweest rond een uur of 7.
V: Er zijn ook mensen die [naam 9] en [verdachte] hebben gezien.
A: Ja dat kan die zaten bij elkaar op de slaapkamer.
V: Van wanneer zijn die beelden?
A: Die foto waar je twee personen op ziet staan (1 op een step en 1 andere met een witte
capuchon) dat tijdstip is 03.53 uur. Die beelden heb ik van [naam 10] gekregen. Deze foto is bij ons in het steegje.
9
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 11 februari 2025 , pagina’s 82 en 83, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
In proces-verbaal voorzien van proces-verbaalnummer: 25 (Getuigenverklaring van [naam 4]
) wordt over een screenshot gesproken welke hij via whatsapp ontvangen heeft van de heer [naam 11] . Toen ik telefonisch contact had opgenomen met [naam 11] hoorde ik hem zeggen dat hij de screenshot op woensdag 1 januari 2025 om 19.45 uur naar getuige [naam 4] had gestuurd middels whatsapp. Ik hoorde dat hij het screenshot had genomen van de bewegende RING-deurbelcamera. Ook hoorde ik hem zeggen dat de datum en het tijdstip van het screenshot 1 januari 2025 om 03.53 uur was. Ik hoorde hem zeggen dat hij dit op de camera had gezien.
[afbeelding]
10
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , van 28 januari 2025, pagina’s 89 t/m 91, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
V: Je bent al een keer gehoord over een van de branden op de [adres 1] .
A: Ik woon op kamer [nummer 2] . Het is een slechte kamer. Ik heb geen raam, er is geen brandbeveiliging.
V: Wat zegt jou de naam [verdachte] ?
A: [verdachte] ken ik van de straat en ik heb hem een paar keer gezien bij de garage van [naam 4] .
V: Hoe is de relatie tussen [verdachte] en [naam 4] ?
A: Volgens mij gaan ze sinds oud en nieuw niet meer met elkaar om. Ik heb die nacht [verdachte] ook nog wel gezien bij de schuur van [naam 4] . Ik zag toen [naam 9] en [naam 4] er ook bij
staan. Dat was ongeveer om 00.00 uur. Ik ben toen gelijk naar bed gegaan, want ik had ruzie met mijn vriendin gehad. Om ongeveer 10.00 uur werd ik wakker en merkte toen dat er brand was geweest.
11
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , van 28 januari 2025, pagina’s 98 t/m 99, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
V: Vertel ons eens alles over de brandstichting aan de [adres 1] .
A: De eerste keer na oud en nieuw heb ik geslapen. 05 januari kwam ik voor het eerst beneden, zag toen ik wakker werd een paar houten platen op de schuur. Ik vroeg me af wat er was gebeurd. Ik weet van de eerste brand niks omdat ik lag te slapen. Met oud en nieuw was ik alleen op mijn kamer. Ik heb [naam 4] op een gegeven moment later gesproken en die zei dat het overdag had gebrand in de schuur.
12
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , van 27 januari 2025, pagina’s 95 t/m 99, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
V: Wat kun je zeggen over de brand in de nacht van oud en nieuw?
A: Dat was de eerste keer dat er brand werd gesticht. Ik was om ongeveer 00.00 uur op mijn kamer. Ik was toen samen met [naam 12] en [verdachte] . We zijn toen nog even de straat op geweest. Om ongeveer 02.00 uur was ik weer thuis. [naam 12] is daarna op zijn fiets naar huis gegaan. [verdachte] is toen ook wegegaan. Ik ben daarna gaan slapen. De volgende ochtend hoorde ik pas dat er brand was geweest. Ik heb daar helemaal niets van meegekregen die nacht.V: We hebben een getuige gesproken die zegt dat hij samen met [verdachte] bij jou die avond een biertje hebben gedronken en dat [verdachte] en hij samen weg zijn gegaan. Die getuige in niet [naam 12] . Wat kun je daarop zeggen?A: Het klopt wel dat [naam 13] en [verdachte] bij mij zijn geweest. Dat was de eerste keer dat hij bij mij was. Ik weet nog dat ik ongeveer om 03.00 uur in slaap ben gevallen. Daarvoor waren ze al weg.
13
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , van 28 januari 2025, pagina’s 131 t/m 133, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
V: We hebben vernomen dat jij iets kan vertellen over de branden op de [adres 1] . Wat kun jij daarover vertellen?
A: Ik was op oudejaarsavond was ik bij mijn moeder in [plaats] . Ik heb daar om ongeveer 22.45 uur een taxi genomen. Dat weet ik nog omdat mijn maat die taxi bestuurde en hij wilde ook oud en nieuw vieren en we hadden dus om 22.45 afgesproken. Ik ben toen in eerste instantie naar de [adres 3] gegaan. Ik wilde daarna nog even naar de stad of naar [naam 1] . Ik schat dat dat om ongeveer 23.30 uur zal zijn geweest. Ik was op mijn step. Ik kwam toen [verdachte] tegen. [verdachte] heet volgens mij [verdachte] . Hij was toen op de fiets. Ik ken hem via [naam 1] . We zouden toen met z'n tweeën gaan chillen. We zijn toen naar een maatje van [verdachte] gegaan, ene [naam 9] . Daar hebben we een half uurtje gezeten.
V: Waar woont [naam 9] ?A: Ik weet het adres niet. Via jullie mobiele telefoon zie ik op google street view dat het moet gaan om een steeg tussen de [adres 4] en nummer [nummer 3] . Dan loop je een ijzeren trap naar boven. Dan is het een deur door en dan de eerste kamer aan de linkerkant.V: Wat gebeurde er toen?A: Na ongeveer een half uur zijn we weggegaan. Ik heb geen idee hoe laat het toen was. Ik schat dat het tussen 01.00 en 02.00 uur moet zijn geweest, maar daar kan ik was naast zitten. We liepen toen naar beneden. Ik pakte toen mijn step en hij pakte toen zijn fiets. Hij zei toen dat hij nog iets moest doen. Ik ben toen gestept naar een hoek in die steeg en heb even op hem gewacht. Dat was om de hoek in die andere steeg. Ik kan mij ook nog herinneren dat ik het geluid hoorde van een raam die kapot werd geslagen of geschopt. Op een gegeven moment kwam [verdachte] er aan gefietst en zei dat ik moest steppen.V: Was hij in paniek of iets dergelijks?A: Nee, dat niet maar het was wel aan hem te merken dat hij haast had. Toen we op de fiets zaten werd hij nog gebeld door die [naam 9] . [verdachte] zei mij even later dat [naam 9] had gezegd dat het mooi blauw stond en dat het mooi aan de gang was. Ik vermoedde al wel dat er brand was gesticht.
14
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , van 5 februari 2025, pagina’s 134 t/m , voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
O: We willen je een foto tonen. Foto uit [bestandsnaam]V: Wie zijn dit?A: De rechter (de man met de capuchon) ben ik en de man die mijn step vast heeft is [verdachte] . Ik zie duidelijk dat dit mijn jas is met de capuchon.V: Waar herken je [verdachte] aan?A: Ik weet dat ik dat ben dus die andere moet [verdachte] ! zijn. Ik heb daar met niemand andersgelopen. Maar als ik [verdachte] zou moeten herkennen op deze foto kan ik dat niet Ik weet gewoon zeker dat hij het is, niemand anders was met ons in die steeg.V: Dit zijn beelden van oud en nieuw.A: KloptV: [verdachte] komt daarna en zegt kom wegwezen.A: Ja hij zei iets in de trend van het is hier mooi bezig. Hij was aan het bellen.
15
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 11 februari 2025 , pagina’s 107 en 83, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisant:
Van 21 januari 2025 op 22 januari 2025, was ik, verbalisant, in de nachtelijke uren, werkzaam bij de brandstichting aan de [adres 1] . Ik zag dat aan de overzijde van de weg een aantal mannen bij elkaar stonden. Een van die mannen herkende ik als [naam 1] . Bij hem stonden onder andere de eigenaar van het voornoemde pand [slachtoffer 3] en een man die mij later opgaf te zijn [naam 8] . Aldaar gaf hij aan dat hij wist dat [verdachte] de branden had gesticht Dit had [verdachte] zelf tegen hem gezegd. Even later kwam er een man bij mij staan die opgaf te zijn [naam 8] . Hij verklaarde dat hij getuige was geweest van de zojuist gepleegd brandstichting. Ook had [verdachte] tegen hem en [naam 1] gezegd dat hij de eerste brand, betreffende het schuurtje van het pand, had gesticht
16
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , van 22 januari 2025, pagina’s 124 t/m 130, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
A: Toen hebben [naam 1] en ik beiden gezegd we gaan babbelen. En daarvoor zit ik nu aan te geven dat [verdachte] degene is die de brand heeft gesticht, alle vier de keren. Vanaf de eerste brand wist ik dus al dat [verdachte] de dader was. Dat wist ik al een hele tijd.Hij heeft dit zelf tegen me gezegd. En ook tegen [naam 1] en ook nog tegen anderenV: Wat kun je precies vertellen over hoe jij weet dat het [verdachte] is die de dader van de branden is?A: Het complete plaatje. Hij heeft zelfs in mijn eigen huis aan mij verkondigd dat hij dit heeft gedaan. Hij doet er ook nog stoer om, dat hij dit heeft gedaan.V: Weet je nog precies wat hij gezegd heeft?A: Alle details niet, maar wel dat hij gezegd Ik heb dat spul daar in brand gestoken. Dat krijgen ze ervan als je met mij lopen fucken.O: Klopt het dan dat [verdachte] het jouw na de eerste en tweede brand heeft verteld. En na de derde en vierde?A: Het klopt. Bij de eerste en tweede brand heeft hij dit zelf verteld. V: Kun je me vertellen over de eerste brand? Wat je daar op dat filmpje hebt gezien?A: De eerste keer zag ik dat hij iets spoot, ik zag dat hij het aanstak en dat hij daarna nog een keer spoot met een bepaalde vloeistof. Ik denk bij de brievenbus, maar dat kon ik niet zo goed zien. Ik neem aan dat het benzine was daar ga ik vanuit.V: Kon je zien dat het bij dat pand was?A: Ja dat kon ik zien dat het bij de [locatie 2] was, 100 procent.V: Was hij toen alleen?A: Ik heb dit al meerdere keren gezegd. Hij was daar alleen op een zwarte gazelle fiets.
17
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , van 22 januari 2025, pagina’s 109 t/m 111, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
A: Ik denk dat [verdachte] de branden heeft gesticht aan de [adres 1] .Er zijn filmpjes en foto's van de branden en ik herken [verdachte] hierop.
18
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , van 16 januari 2025, pagina’s 139 t/m 141, voor zover inhoudende als verklaring van getuige:
Ik weet dat er twee brandstichtingen zijn geweest aan de [adres 1] . Op nieuwjaarsnacht is er een brandje geweest bij het schuurtje aan de [adres 1][adres 1] . Een vriendin van mij stuurde mij een berichtje dat die brand was geweestop 1 januari 2025. Ik heb zelf contact gehad met [verdachte] van 27 december tot en met 29 december 2024. In die twee dagen dat ik contact met [verdachte] had begon hij ook weer over dat [naam 15] moest oppassen en dat wij er allebei achter zouden komen. Ook zei [verdachte]dat hij misschien met Nieuwjaarsnacht vast zou komen te zitten.