ECLI:NL:RBOVE:2026:2275

ECLI:NL:RBOVE:2026:2275

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 71.033307.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte is schuldig bevonden van witwasserij en deelname aan een criminele organisatie, en veroordeeld tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.033307.24 (P)

Datum vonnis: 22 april 2026

Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],

vertrokken onbekend waarheen.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 maart 2026 en 22 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie. Verdachte is niet verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van drugsgerelateerde misdrijven, valsheid in geschrifte en/of witwassen;

feit 2: samen met anderen, opzettelijk, cocaïne, (meth)amfetamine en/of heroïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of aanwezig heeft gehad en/of vervaardigd;

feit 3: samen met anderen een totaalbedrag van ongeveer € 3.252.010,00 heeft witgewassen, en/of zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van deze bedragen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2021 in de

gemeente Schiedam en/of Rotterdam en/althans (elders) in Nederland en/of

Spanje en/of elders, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande een

samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in:

- artikel 2 van de Opiumwet, en/of

- artikel(en) 225, 420bis Wetboek van Strafrecht;

(zaakdossier 01)

2

hij op nader te noemen tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2020 tot en met 1 juni 2021 op nader te noemen plaats(en) en/althans in

Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of

- opzettelijk aanwezig gehad, en/of

- opzettelijk heeft vervaardigd,

een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende

cocaïne en/of (meth)amfetamine en/of heroïne en/althans (telkens) zijnde een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

en wel:

- in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 maart 2020 in een

schuur aan de [adres 1] te Poortvliet; (zaaksdossier 02)

3

hij op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021, te Rotterdam en/of Schiedam, en/althans

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

a)

(telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten één of meer (contant(e))

geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van (circa) 3.252.010,-- euro, in elk geval

enig(e) geldbedrag(en), en wel:

- op 1 april 2020 een geldbedrag van euro 13.200,- (zaaksdossier 4), en/of

- op 3 april 2020 een geldbedrag van euro 93.500,— (zaaksdossier 4) en/of

- in de maand april 2020 een geldbedrag van euro 72.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 24 april 2020 een geldbedrag van euro 79.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 5 en/of 6 april 2020 een geldbedrag van euro 130.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 10 mei 2020 een geldbedrag van euro 160.500,-- (zaaksdossier 4) en/of

- op 18 mei 2020 een geldbedrag van euro 114.600,— (zaaksdossier 4), en/of

- op 15 mei 2020 een geldbedrag van euro 500.000,- (zaaksdossier 4), en/of

- op 7 juni 2020 een geldbedrag van euro 1.000.000,— (zaaksdossier 4) en/of

- op 10 juni 2020 een bedrag van euro 219.830,— (zaaksdossier 4), en/of

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de/het geldbedrag(enj

was/waren, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp/voornoemde geldbedrag(en),

voorhanden heeft gehad.

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

en/of

b)

(telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten één of meer (contant(e))

geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van (circa) 3.252.010,-- euro, in elk geval

enig(e) geldbedrag(en), en wel:

- op 1 april 2020 een geldbedrag van euro 13.200,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 3 april 2020 een geldbedrag van euro 93.500,-- (zaaksdossier 4), en/of

- in de maand april 2020 een geldbedrag van euro 72.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 24 april 2020 een geldbedrag van euro 79.000,— (zaaksdossier 4), en/of

- op 5 en/of 6 april 2020 een geldbedrag van euro 130.000,— (zaaksdossier 4), en/of

- op 10 mei 2020 een geldbedrag van euro 160.500,- (zaaksdossier 4) en/of

- op 18 mei 2020 een geldbedrag van euro 114.600,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 15 mei 2020 een geldbedrag van euro 500.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 7 juni 2020 een geldbedrag van euro 1.000.000,-- (zaaksdossier 4) en/of

- op 10 juni 2020 een bedrag van euro 219.830,— (zaaksdossier 4), en/of

heeft verwon en en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet, en/of van voornoemde voorwerp (en) gebruik heeft gemaakt,

tenvijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp (en) -

onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

c)

(telkens) één of meer voorwerp(en), te weten één of meer (contant(e))

geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van (circa) 3.252.010,— euro, in elk geval

enig(e) geldbedrag(en), en wel:

- op 1 april 2020 een geldbedrag van euro 13.200,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 3 april 2020 een geldbedrag van euro 93.500,— (zaaksdossier 4), en/of

- in de maand april 2020 een geldbedrag van euro 72.000,— (zaaksdossier 4). en/of

- op 24 april 2020 een geldbedrag van euro 79.000,- (zaaksdossier 4), en/of

- op 5 en/of 6 april 2020 een geldbedrag van euro 130.000,— (zaaksdossier 4), en/of

- op 10 mei 2020 een geldbedrag van euro 160.500,-- (zaaksdossier 4) en/of

- op 18 mei 2020 een geldbedrag van euro 114.600,— (zaaksdossier 4), en/of

- op 15 mei 2020 een geldbedrag van euro 500.000,-- (zaaksdossier 4), en/of

- op 7 juni 2020 een geldbedrag van euro 1.000.000,— (zaaksdossier 4) en/of

- op 10 juni 2020 een bedrag van euro 219.830,-- (zaaksdossier 4), en/of

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van die/dat geldbedrag(en) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen

geldbedrag(en) betrof(fen).

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.

Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.

De organisatie zou de beschikking hebben gehad over drugslaboratoria in Poortvliet en Halsteren, waar Mexicaanse leden van de organisatie werkzaam waren, vanwege hun specifieke kennis van onder meer het productieproces. Kiloblokken cocaïne die uit deze laboratoria afkomstig zouden zijn, zouden worden voorzien van logo's/stempels en worden ondergebracht in een ‘safehouse’ in een verborgen ruimte. Wanneer de organisatie een afnemer voor de cocaïne zou hebben, zouden de blokken uit het safehouse worden gehaald en op straat worden overgedragen in ruil voor contant geld. De verdovende middelen en het geld zouden worden vervoerd in voertuigen met een verborgen ruimte. Binnen het onderzoek 26Donau/26Wayne is zicht gekregen op een ‘safehouse’ aan de [adres 2] in Rotterdam. Tijdens een inval door de politie op 11 maart 2021 is daar een aantal verdachten aangehouden en zijn onder meer hoeveelheden cocaïne, contant geld en wapens in beslag genomen.

Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.

Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie gezien als een persoon die strafbare betrokkenheid heeft gehad bij de criminele organisatie door het afnemen van verdovende middelen van [medeverdachte 1], voor welke verdovende middelen hij dan op zijn beurt weer een afnemer heeft. [medeverdachte 1] zorgt samen met [medeverdachte 2] dat er blokken worden geleverd aan verdachte voor de verkoop. De verdenking bestaat dat verdachte voor de overdracht via Encrochat onder andere de dag, datum en tijdstip van en het codewoord voor de overdracht kreeg doorgestuurd van [medeverdachte 1].

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank

Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van de feiten, zal zij eerst de identificaties van de verschillende EncroChat-accounts bespreken. Daarna zal de rechtbank de feiten 2 en 3 bespreken, en vervolgens feit 1 (de criminele organisatie).

De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast, waarbij in de voetnoten zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen.

Identificaties van de EncroChat-accounts

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-data. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende verdachten gebruik hebben gemaakt van telefoontoestellen waarop deze dienst geïnstalleerd was. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd. In het geval van EncroChat werd gebruik gemaakt van een nickname eindigend op @encrochat.com. De vraag die in deze zaak en in de zaken van verschillende medeverdachten moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie het Openbaar Ministerie in dit onderzoek de vervolging heeft ingesteld, te identificeren zijn als de gebruikers van de aan ieder van hen toegeschreven accounts.

De EncroChat-berichten in het dossier worden weergegeven in UTC-tijd, wat inhoudt dat het in de periode van 29 maart 2020 tot 25 oktober 2020 (zomertijd) in Nederland twee uren later was dan de weergegeven UTC-tijd. Wanneer hierna over tijden wordt gesproken, is dat omgerekend naar de Nederlandse tijd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de nicknames ‘[gebruikersnaam 1]’ en [gebruikersnaam 2], medeverdachte [medeverdachte 2] van de nicknames ‘[gebruikersnaam 3]’, ‘[gebruikersnaam 4]’ en ‘[gebruikersnaam 5]’, medeverdachte [medeverdachte 1] van de nicknames ‘[gebruikersnaam 6]’ en ‘[gebruikersnaam 7]’, medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) van de nickname ‘[gebruikersnaam 8]’, medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) van de nickname ‘[gebruikersnaam 9]’, en medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) van ‘[gebruikersnaam 10]’.

Bij de verdere bespreking van het bewijs gaat de rechtbank steeds uit van de bovenstaande identificaties en zal de rechtbank verdachte aanduiden als de gebruiker van de nickname [gebruikersnaam 1]/[gebruikersnaam 2].

Feit 2, zaaksdossier 2

Aantreffen uitgebrand drugslaboratorium in Poortvliet

Op 27 maart 2020 werd melding gedaan van een uitslaande brand in een schuur gelegen aan de [adres 1] in Poortvliet. Bij deze brand deden zich meerdere krachtige ontploffingen voor. In de schuur was een laboratorium voor grootschalige productie van cocaïne gevestigd. Na de brand werden meerdere ketels en grondstoffen voor de productie van verdovende middelen en een grote hoeveelheid drugsafval aangetroffen. De kelder onder de loods bleek vol te staan met bluswater en chemicaliën. De 28 schapen die in de schuur stonden, kwamen om het leven.

De EncroChat-gesprekken met betrekking tot (de brand in) het laboratorium

Op 26 maart 2020 spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] via EncroChat over problemen met de afzuiginstallatie, waarbij [medeverdachte 2] zei dat een reparateur de reparaties zelf had uitgevoerd en dat het echt gevaarlijk was. [medeverdachte 2] sprak ook over ‘the lams’ (de schapen). Op diezelfde dag stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 5] dat er nog niets uitgekomen was en dat ze nog niet klaar waren. [medeverdachte 2] wilde de volgende ochtend ‘100’ afleveren. Hij wilde dan ‘materials’ meenemen. [medeverdachte 5] vroeg aan de gebruiker van het Encrochat-account [gebruikersnaam 11]@encrochat.com (hierna: nn-[gebruikersnaam 11]) of hij wist hoeveel er morgenvroeg ongeveer weg zouden gaan/uit zouden komen.

Even later stuurde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] dat hij morgen rond 4:00 uur bij [medeverdachte 3] in moest stappen om ‘100’ bij [naam 1] te halen. Direct hierna stuurde [medeverdachte 2] een bericht naar de gebruiker van het account [gebruikersnaam 12]@encrochat.com (hierna: nn-[gebruikersnaam 12]). Nn-[gebruikersnaam 12] moest er voor zorgen dat morgenochtend om 4:00 uur 100 kilo gereed zou staan, omdat [medeverdachte 3] en ‘[gebruikersnaam 13]’ (de rechtbank begrijpt: het Encrochat-account van [medeverdachte 4]) dit op kwamen halen. Diezelfde dag gaf nn-[gebruikersnaam 11] kennelijk antwoord op de eerdere vraag van [medeverdachte 5] hoeveel er morgenvroeg ongeveer weg zouden gaan/uit zouden komen. Nn-[gebruikersnaam 11] noemde ‘81, 39 PP1, 42 380’. Nn-[gebruikersnaam 11] gaf dit op 27 maart 2020 ook door aan [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] gaf aan dat hij in het bezit was van een stempel van ‘hun’ en dat [medeverdachte 3] die mee zou nemen naar het lab. Nn-[gebruikersnaam 11] zei: ‘110 is 81 geworden’, waarop [medeverdachte 4] antwoorde: ‘vorige keer kwam er meer uit of niet’.

Op 27 maart 2020 was [medeverdachte 3] om 04:09 uur bij [medeverdachte 4]. Nn-[gebruikersnaam 12] bevestigde aan [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] waren geweest en weer weg waren. [medeverdachte 2] bracht [medeverdachte 5] om 09:03 uur op de hoogte van het verloop en zei dat [initiaal] eraan zou komen met ‘81’ en dat er ‘100’ gebracht was. Daarna zei hij tegen [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 3] eraan zou komen met ‘handel’. Om 13:55 uur vroeg [medeverdachte 5] aan nn-[gebruikersnaam 11]: ‘broer van wat jullie produceren van die gekomen zijn wil je op de helft daarvan de stempel van de beer zetten’. [medeverdachte 5] wilde daarnaast het gewicht weten van wat er was gebracht die dag. Nn-[gebruikersnaam 11] antwoordde ‘Zuiver/netto 100’.

Door [verdachte] werd vervolgens via EncroChat om 21:40 uur een foto verstuurd naar [medeverdachte 1] met daarop een wit blok. Op dit blok stond de stempel ‘380’. De gebruiker van het account met de nickname ‘Nn-[gebruikersnaam 14]’ stuurde om 18:51 uur een foto van een blok met daarop de stempel ‘PP1’ naar [medeverdachte 2].

Om 21:41 uur zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 5] dat er brand was geweest en dat ‘ze’ waren gevlucht. Vervolgens stuurde hij een foto van de brandende loods naar [medeverdachte 5]. Hij was bang dat ‘ze’ allemaal op straat zouden worden opgepakt. [medeverdachte 5] gaf vervolgens om 21:50 uur aan gebruiker van het EncroChat-account [gebruikersnaam 15]@encrochat.com (hierna: nn-[gebruikersnaam 15]) door dat de ‘rancho’ verkloot was en dat nn-[gebruikersnaam 15] voorzichtig moest zijn met het geld, geen enkele uitgave moest doen en dat er problemen waren of zouden gaan komen.

Op 28 maart 2020 spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] elkaar vanaf 07:12 uur over de brand en over de personen die uit het laboratorium waren gevlucht. Ze probeerden deze personen te vinden en ergens onder te brengen. Door beiden werden auto’s gestuurd. [medeverdachte 2] gaf het adres door aan [medeverdachte 5] en noemde dit ‘Poortvliet’. Om 08:15 uur vroeg [medeverdachte 1] aan verdachte of hij een ‘ooso’ (huis) had voor vier mannen om te slapen. Verdachte stuurde het adres [straatnaam 2] in Den Haag. Verdachte zou de vier mannen daar opwachten. [medeverdachte 2] gaf dit adres vervolgens door aan [medeverdachte 5]. [medeverdachte 1] vertelde aan verdachte dat ‘ons boerderij’ gisteren is afgebrand.

Bij een politiecontrole op 28 maart 2020 werden op de Philipsdam twee Mexicaanse mannen, genaamd [naam 2] en [naam 3], aangetroffen. Zij vroegen om een lift naar Rotterdam. Op diezelfde dag vond er een verkeerscontrole plaats op de A13 ten gevolge van een ANPR-hit. In het voertuig zaten drie personen. De bestuurder was [medeverdachte 4]. Op de achterbank werden twee Mexicaanse mannen aangetroffen, namelijk de eerder op de Philipsdam aangetroffen [naam 2] en een man genaamd [naam 4]. In het navigatiesysteem stond als meest recente locatie de [straatnaam 2] in Den Haag.

Tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] werd vervolgens gesproken over een politiecontrole en de gevluchte personen. [medeverdachte 5] vertelde aan [medeverdachte 2]: ‘al are freee’. [medeverdachte 2] was bezig met het regelen van vervoer voor nn-[gebruikersnaam 16]. Nn-[gebruikersnaam 16] betreft vermoedelijk [naam 3]. [naam 3] was eerder aangetroffen op de Philipsdam samen met [naam 2].

Overwegingen en het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting weliswaar volgt dat verdachte wetenschap had van het bestaan van het drugslaboratorium in Poortvliet, maar dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat hij meer (actieve) bemoeienis heeft gehad dan het achteraf – na de brand – zoeken en regelen van een verblijfplaats voor de uit het laboratorium gevluchte personen. Deze handeling is ook niet aan hem ten laste gelegd.

Elke verdachte in onderzoek 26Donau/Wayne heeft een eigen taak te vervullen en met betrekking tot het zaaksdossier Poortvliet heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet een rol van zodanige betekenis gehad, dat hij als medepleger kan worden beschouwd. De enkele wetenschap van de aanwezigheid/productie van cocaïne in het drugslaboratorium in Poortvliet en zijn betrokkenheid achteraf is hiervoor onvoldoende. Dat verdachte een enkele foto van een blok via EncroChat heeft gedeeld, maakt niet dat anders. De rechtbank zal daarom verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 3, zaaksdossier 4

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit dit zaaksdossier komt naar voren dat op verschillende data binnen Nederland geldoverdrachten hebben plaatsgevonden. Hieronder zal de rechtbank nader ingaan op deze overdrachten en de aangetroffen geldbedragen.

Geldbedrag ter hoogte van € 13.200,00 (op 1 april 2020)

Op 1 april 2020 stuurde [medeverdachte 1] naar [verdachte] dat hij aan iemand geld moest geven. [medeverdachte 1] gaf door dat het ging om 13.200 en zei tegen [verdachte] dat hij het pas moest geven nadat hij het goed geteld had. [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] of de ontvanger van het geld bij het bedrijf [bedrijf] aan de [adres 3] te Den Haag kon komen. Ruim een half uur later vroeg [medeverdachte 1] waar [verdachte] bleef. Nadat [verdachte] doorgaf dat hij er was, stuurde [medeverdachte 1] – die kennelijk contact had met de ontvanger van het geld – dat hij (de rechtbank begrijpt: de ontvanger) daar nu was in een Audi A6 station. [verdachte] stuurde dan het bericht dat hij naar buiten liep. Ongeveer acht minuten later informeerde [medeverdachte 1] of [verdachte] hem gezien had. [verdachte] bevestigde dit. Hierna zei [verdachte] dat hij naar Rotterdam ging rijden.

Geldbedrag ter hoogte van € 93.500,00 (op 3 april 2020)

Op 2 april 2020 vroeg [medeverdachte 1] via Encrochat aan [medeverdachte 2] of ‘Den Haag’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) ‘pap’ (de rechtbank begrijpt: geld) kon brengen. [medeverdachte 2] gaf akkoord, zei tegen [medeverdachte 4] dat [verdachte] het geld zou brengen en vroeg wanneer hij hem moet laten komen. Ook zei [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 4] voor een adres moest kijken. Na overleg met [medeverdachte 4], gaf [medeverdachte 2] het adres [adres 4] in Rotterdam aan [medeverdachte 1] door. [medeverdachte 1] stuurde dit adres vervolgens door naar [verdachte]. [verdachte] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij denkt het geld samen met een vriend te brengen. Even later zei [verdachte] dat hij op het punt stond ‘die geld te pakken’. [medeverdachte 1] vroeg aan [verdachte] of hij in een auto met ‘stash’ (de rechtbank begrijpt: een verborgen ruimte) reed. [verdachte] beantwoordde deze vraag bevestigend. [medeverdachte 1] zei vervolgens tegen [medeverdachte 2] dat [verdachte] over maximaal dertig minuten daar zou zijn en dat de € 93.500,00 al in het bezit van [verdachte] was. De overdracht op 2 april 2020 ging uiteindelijke niet door, omdat er ‘scoto’ (straattaal voor politie) in de buurt was volgens [medeverdachte 2].

Op 3 april 2020 stuurde [medeverdachte 1] [verdachte] naar hetzelfde adres. [medeverdachte 1] meldde de vertrektijd van [verdachte] meteen aan [medeverdachte 2], waarna [medeverdachte 2] dit doorgaf aan [medeverdachte 4]. [medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 4] dat ‘Den Haag’ ([verdachte]) naar de [adres 4] komt en dat [verdachte] hem geld gaat geven. Om 16:57 uur zei [verdachte] dat hij er over vijftien minuten zou zijn en stuurde een screenshot met de navigatieroute en een aankomsttijd (17:16 uur). [medeverdachte 1] meldde dit meteen aan [medeverdachte 2] en stuurde een screenshot mee. [medeverdachte 2] zei vervolgens tegen [medeverdachte 4] dat het exact 17:16 uur ging worden en dat [verdachte] met een grijze Peugeot Station kwam. [verdachte] zou het geld aan [medeverdachte 4] gaan geven. Om 17:19 uur zei [verdachte] tegen [medeverdachte 1]: ‘Ik heb het gegeven’ en ‘93500 neef’. . [medeverdachte 1] stuurde het bericht dat hij van [verdachte] had gekregen door naar [medeverdachte 2]. Om 17:20 uur zei [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 2] dat het ‘safe’ was. Hij stuurde ook ‘93500’. [medeverdachte 4] had het geld ‘gewoon buiten geteld’.

Geldbedrag ter hoogte van € 79.000,00 (op 24 april 2020)

Op 24 april 2020 laat [verdachte] aan [medeverdachte 1] weten dat hij ‘die pap’ wilde gaan brengen. Daarna informeerde [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] naar het adres waar [verdachte] pap kon brengen. [medeverdachte 2] gaf [medeverdachte 1] het adres [straatnaam 3] in Rotterdam door. [medeverdachte 1] stuurde dit adres door naar [verdachte]. [verdachte] zei dat hij over een half uur daar is en dat hij 10 minuten van tevoren weer appt. [medeverdachte 1] gaf dit weer door aan [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] wilde van [medeverdachte 1] weten welke persoon in welke auto zou komen. [medeverdachte 1] communiceerde dit met [verdachte], die antwoordde dat hij er met een half uur zou zijn en dat hij samen met een vriend zou komen in een witte Golf 7. [medeverdachte 1] stuurde dit vervolgens weer door aan [medeverdachte 2]. Toen [verdachte] aan [medeverdachte 1] de mededeling stuurde dat hij er was, liet [medeverdachte 1] dit direct aan [medeverdachte 2] weten. Kort hierna zei [verdachte] tegen [medeverdachte 1]: ‘Ik heb 79 (de rechtbank begrijpt: € 79.000,00) gegeven neef’ en zei ‘Laten we zo naar de rekening kijken’.

Geldbedrag ter hoogte van € 72.000,00 (in de maand april 2020)

Op diezelfde dag (24 april 2020) vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 1] hoeveel geld hij tot nu toe had gegeven. [medeverdachte 1] zei dat dit om de geldbedragen van € 13.200,00, € 93.500,00 en € 72.000,00 ging. [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 1] hoeveel ‘aan blokken’ gepakt was. [medeverdachte 1] zei dat de laatste ‘10 stempels van 380 en 2 andere stempel’ was. Verder zei [medeverdachte 1]: ‘En dan hb je 2 keerbsb’. Ondertussen informeerde [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] hoeveel [verdachte] gepakt had. [medeverdachte 1] zei dat bij hem in totaal ‘12’ stond. [verdachte] zei vervolgens tegen [medeverdachte 1] dat het zeker geen ‘12’ was.

Op 25 april 2020 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 1] dat het om ‘11 stks’ ging. [verdachte] rekende in een gesprek met [medeverdachte 1] uit hoe het volgens hem zat. Er stond nog één blok open van de Rus. Volgens [verdachte] kwam het precies uit als hij 11 blokken rekende. [medeverdachte 1] zei vervolgens tegen [verdachte]: ‘Was toen 10 stuks had je 72 pap (de rechtbank begrijpt € 72.000,00) ook gebracgt’. [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat het volgens [verdachte] om 11 blokken ging. [medeverdachte 2] zei dat [verdachte] dan gelijk had.

3.4.4.1 Juridische kaders

Witwassen

Het beoordelingskader van witwassen is volgens vaste rechtspraak als volgt. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband is te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Medeplegen

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen aan een delict, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Deze samenwerking kan in sommige gevallen afgeleid worden uit een gezamenlijk plan of gezamenlijk optreden. Het begrip samenwerking heeft ook een intentionele betekenis; uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen kan in bepaalde gevallen het doelgerichte karakter worden afgeleid en daarmee ook de gezamenlijke intenties van de betrokken verdachten om het doel te verwezenlijken.

3.4.4.2 Overwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde

Hoewel het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de geldtransacties verband houden met de handel in (hard)drugs kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband worden gelegd tussen de ten laste gelegde bedragen en concrete drugstransacties of andere misdrijven. De rechtbank is echter wel van oordeel dat uit de hiervoor besproken feiten en omstandigheden – zowel zaaksdossier 2 als 4 – een gerechtvaardigd vermoeden naar voren komt dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De verschillende geldoverdrachten hebben steeds plaatsgevonden onder omstandigheden die voldoen aan een aantal zogenoemde witwastypologieën. Dit zijn algemeen objectieve kenmerken van witwassen die zijn verkregen in jarenlange onderzoeken van internationale opsporing en bestrijding van witwassen. Deze typologieën (met name het risico bij fysiek vervoer van contante geldbedragen, het gegeven dat de handel in verdovende middelen gepaard gaat met contant geld en het gebruik van tokens, EncroChat en een verborgen ruimte) vormen een aanwijzing dat het om opbrengsten uit criminele activiteiten gaat.

Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er vier geldoverdrachten zijn geweest waarbij verdachte een rol heeft gespeeld. Via EncroChat voerde [medeverdachte 1] gesprekken met onder andere [medeverdachte 2] over grote geldbedragen en overdachten op of aan de openbare weg. Verdachte kreeg de opdracht (of vroeg om de opdracht) om geld te brengen. Hij had ook inzicht in de bedragen die hij reeds had overgedragen. Zelf had verdachte nooit contact met de ontvanger van het geld via EncroChat, maar alles werd via [medeverdachte 1] gecommuniceerd. Van belang acht de rechtbank daarbij dat het een feit van algemene bekendheid is dat EncroChat vrijwel uitsluitend word gebruikt in het criminele milieu om het afvangen van informatie door opsporingsdiensten te ontlopen. Door deze manier van handelen werd er voorzichtig te werk gegaan en werd de overdacht van geld op 2 april 2020 bijvoorbeeld uitgesteld omdat er politie in de buurt zou zijn.

Op basis van voornoemde omstandigheden bestaat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Dit betekent dat van verdachte verwacht mag worden dat hij een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van deze geldbedragen. Verdachte heeft hierover – in het licht

van het stappenplan witwassen van het Hof Amsterdam – geen verklaring willen (en/of kunnen) afleggen. De rechtbank kan gelet hierop niet tot een ander oordeel komen dan dat deze geldbedragen van in totaal € 257.700,00 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank betrekt in dit oordeel ook dat van legale inkomsten niets is gebleken.

Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door onder meer verdachte en [medeverdachte 1] bij de geldoverdrachten. Een nauwe en bewuste samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank daarmee gegeven.

3.4.4.3 Het oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen vier geldbedragen heeft witgewassen, zoals onder 3 a en b ten laste is gelegd.

Verdachte heeft op een aantal nader genoemde data in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021 in Nederland samen met anderen, meerdere malen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad (onder a). Daarnaast heeft hij deze gelden verworven en/of overgedragen en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf (onder b).

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder c ten laste gelegde, nu de rechtbank niet toekomt aan de vraag of sprake is van opzetheling van de vier hiervoor bedoelde geldbedragen uit de tenlastelegging.

De rechtbank, is met de officier van justitie, van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de overige in de tenlastelegging genoemde geldbedragen die zouden zijn witgewassen. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte die geldbedragen heeft witgewassen, zodat zij hem in zoverre zal vrijspreken.

Feit 1, zaaksdossier 1

Beoordelingskader

Aan verdachte is ook ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow) en als bedoeld in artikel 140 Sr.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een organisatie in de zin van artikel 140 Sr en artikel 11b Ow moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Er dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle anderen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

Voor deelneming aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven (in dit geval drugsgerelateerde misdrijven, witwassen en valsheid in geschrifte) tot oogmerk heeft.

Het opzet van verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van bovengenoemde misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van een verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op.

Overwegingen

Over het bestaan van een criminele organisatie, de structuur daarvan en de bijdrage van verdachte daaraan overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden een netwerk van personen om zich heen hadden die in hun opdracht drugsgerelateerde werkzaamheden verrichtten. Zij werkten met hun netwerk nauw samen met een groep Mexicaanse en Colombiaanse verdachten die ervoor zorgden dat cocaïne-base vanuit Mexico via Spanje naar Nederland werd verscheept. Vanuit Mexico werden leden van die groep naar Nederland gestuurd om hier te werken in verschillende drugslaboratoria. Samen met de leden afkomstig uit Mexico werd de cocaïne-base in verschillende laboratoria in Nederland bewerkt tot een eindproduct.

[medeverdachte 2] had contact met de Mexicanen over het gebruik van de drugslaboratoria, hoeveel cocaïne-base geleverd moest worden en welke stempels gebruikt moesten worden. Na de productie/bewerking werd de cocaïne naar de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gehuurde stashlocatie aan de [adres 2] in Rotterdam gebracht. [medeverdachte 2] gaf [medeverdachte 4] de opdracht om de geproduceerde blokken naar de stashlocatie te brengen. Als een verkoop/overdracht plaatsvond, dan werden de blokken cocaïne opgehaald bij de stashwoning. Het geld dat met de overdrachten werd verdiend, werd weer in de stashwoning opgeslagen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] verbleven in deze woning en hielden zich onder meer bezig met het bewaken daarvan.

Binnen het netwerk van Nederlandse en Mexicaanse verdachten werd gecommuniceerd via crypto-telefoons. Dat sprake was van een duidelijke structuur, maar ook een zekere mate van hiërarchie blijkt onder meer uit de gang van zaken bij de overdrachten van vermoedelijk cocaïne en geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen komt duidelijk naar voren dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] elk de medeverdachten in hun eigen lijn instrueerden over de dag, het tijdstip en de plaats van de overdracht, het voertuig waarin werd gereden en de eventuele code voor de overdracht. [medeverdachte 2] instrueerde [medeverdachte 4] over het overhandigen van de cocaïne en het in ontvangst nemen en overdragen van contante geldbedragen. Door [medeverdachte 4] werd steeds een terugkoppeling gegeven als de cocaïne was afgeleverd en/of het geld in ontvangst was genomen. [medeverdachte 4] telde het geld soms met de hand, maar vaak werd dit geteld met behulp van een geldtelmachine. [medeverdachte 1] instrueerde verdachte over geldoverdrachten en verdachte wist aan [medeverdachte 1] – en in het verlengde daarvan ook aan [medeverdachte 2] – te vertellen welke bedragen hij allemaal had ‘gebracht’. Door verdachte werd steeds een terugkoppeling aan [medeverdachte 1] gegeven als het geld was overgedragen. Het feit dat tijdens overdrachten steeds gebruik werd gemaakt van meerdere schakels, codenamen en tokens betekent dat heimelijk en voorzichtig gehandeld werd. Daar komt bij dat voor het overdragen van cocaïne en geldbedragen gebruik werd gemaakt van meerdere voertuigen met een verborgen ruimte.

Ondanks dat de rechtbank verdachte zoals hiervoor onder 3.3.3 is overwogen zal vrijspreken van het medeplegen van het onder 2 ten laste gelegde, weegt de rechtbank in het kader van de vraag of verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie wel mee dat verdachte op de hoogte was van het drugslaboratorium in Poortvliet, en dat hij kort na de brand heeft geholpen bij het onderbrengen van de Mexicanen die werkzaam waren in het laboratorium. Zo vroeg [medeverdachte 1] aan verdachte of hij een ‘ooso’ (de rechtbank begrijpt: huis) had voor vier mannen om te slapen, waarna verdachte een adres stuurde aan de [straatnaam 2] in Den Haag. verdachte zei vervolgens dat hij de mannen daar op zou wachten. [medeverdachte 1] zei daarna tegen verdachte dat ‘ons boerderij’ is afgebrand. Op diezelfde dag vond een verkeerscontrole plaats. [medeverdachte 4] was de bestuurder van de auto, op de achterbank werden twee Mexicaanse mannen aangetroffen en in het navigatiesysteem stond als meest recente locatie de [straatnaam 2] in Den Haag. Daarnaast sprak verdachte over ‘stuks’en ‘blokken’ in de door hem gevoerde EncroChat-gesprekken. Hij heeft een foto gestuurd van een wit blok met de stempel ‘380’. Uit de chatgesprekken op 24 en 25 april 2020 volgt dat verdachte ook weet om welke hoeveelheden ‘blokken’ het gaat en met welke stempels.

Uit EncroChat-gesprekken zijn duidelijke aanwijzingen naar voren gekomen die wijzen op criminele geldstromen. In de gesprekken werd veel gesproken over ‘pap’ (geld) en betalingen voor blokken (stuks). Daarnaast is vastgesteld dat meerdere overdrachten van zeer grote geldbedragen hebben plaatsgevonden door verdachte onder aansturing van [medeverdachte 1].

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het bovenstaande in dit geval sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en anderen, dat tot oogmerk had het plegen van drugsgerelateerde misdrijven en het witwassen van daarmee verdiende geldbedragen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op de hoogte was van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven (de handel in verdovende middelen en het witwassen van grote geldbedragen). Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen van het hiervoor besproken witwassen en het gegeven van de wetenschap van verdachte van het drugslaboratorium in Poortvliet en dat hij wordt ingeschakeld na de brand aldaar, is daarmee het oogmerk van de organisatie op het plegen van die misdrijven gegeven. Dat hij op de hoogte was van het criminele oogmerk van de organisatie is, mede gelet op zijn uitvoerende rol en de aard van de door hem gevoerde gesprekken, evident.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht derhalve, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 en 10a Ow en artikel 420bis Sr.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie zag op het plegen van het misdrijf valsheid in geschrift en zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten laste is gelegd dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2021 zou hebben deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank zal deze periode wijzigen, in die zin dat deelgenomen is in de periode van 1 november 2018 tot en met 1 juni 2021. De betrokkenheid van verdachte in de periode vóór 1 november 2018 kan, op basis van het onderzoeksdossier, niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 november 2018 tot en met 1 juni 2021 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in:

- artikel 2 van de Opiumwet, en

- artikel 420bis Wetboek van Strafrecht;

3

hij op nader te noemen tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

a)

telkens van voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen tot een totaalbedrag van (circa) 257.700,00 euro, en wel:

- op 1 april 2020 een geldbedrag van euro 13.200,00, en

- op 3 april 2020 een geldbedrag van euro 93.500,00, en

- in de maand april 2020 een geldbedrag van euro 72.000,00, en

- op 24 april 2020 een geldbedrag van euro 79.000,00, en

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, en/of de verplaatsing heeft verborgen, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp/voornoemde geldbedrag(en),

voorhanden heeft gehad.

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en/of

b)

telkens van voorwerpen, te weten (contante)

geldbedragen tot een totaalbedrag van (circa) 257.700,00 euro, en wel:

- op 1 april 2020 een geldbedrag van euro 13.200,00, en

- op 3 april 2020 een geldbedrag van euro 93.500,00, en

- in de maand april 2020 een geldbedrag van euro 72.000,00, en

- op 24 april 2020 een geldbedrag van euro 79.000,00, en

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet, en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 140 en 420bis Sr en 11b van Ow. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

de misdrijven: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;endeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 3

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met onder andere de productie en het verhandelen van harddrugs in Nederland en met witwassen. Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte en medeverdachten laat in volle omvang zien welke negatieve effecten van dit soort misdrijven uitgaan. Verdovende middelen zijn schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en het gebruik ervan leidt niet zelden tot verslavingsproblematiek. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. De handel in drugs gaat regelmatig gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweld, waarbij eventueel zelfs (zware) wapens worden gebruikt, en andere ondermijnende handelingen. Door het witwassen van criminele winsten heeft verdachte bovendien de onderliggende criminaliteit verhuld (en daarmee ook gefaciliteerd). Dit vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Verdachte heeft zich duidelijk niet om dit alles bekommerd, maar alleen oog gehad voor zijn eigen (financiële) belangen.

Verdachte is voortvluchtig en heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Niet alleen de hiervoor omschreven negatieve effecten van criminele organisaties die zich bezig houden met drugshandel, maar ook een opstelling zoals die van verdachte, die zich kennelijk onaantastbaar waant, leidt in de maatschappij tot een steeds luidere roep om strengere straffen in zaken als deze. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De redelijke termijn

De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft lang geduurd. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden in strafverminderende zin.

De strafoplegging

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de rol die verdachte daarin gedurende een langere periode heeft vervuld, is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, ondanks dat de redelijke termijn is overschreden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is en zij zal verdachte daartoe dan ook veroordelen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De gevangenneming

In de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de strafoplegging, en de aanwezigheid van gronden voor voorlopige hechtenis, ziet de rechtbank aanleiding om met onmiddellijke ingang de gevangenneming van verdachte te bevelen. Deze beslissing is in een afzonderlijk bevel geminuteerd. Een kopie van dit bevel is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

de misdrijven: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet en artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;endeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 3

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

gevangenneming

- beveelt de gevangenneming van de verdachte met ingang van heden, welk bevel apart is

geminuteerd en waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?