ECLI:NL:RBOVE:2026:2288

ECLI:NL:RBOVE:2026:2288

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 71.036503.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Payroll bedrijf is vrijgesproken van witwassing

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.036503.24 (P)

Datum vonnis: 22 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] B.V.,

gevestigd aan de [vestigingslocatie].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 maart 2026 en 22 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadslieden van verdachte, mr. M.M.P.E. van Helmond en mr. F.J.H.M. Berndsen, advocaten in Breda, naar voren is gebracht. Namens verdachte is geen wettelijk vertegenwoordiger verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een totaalbedrag van ongeveer € 496.768,50 heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 december 2017 tot en met 31 december 2021, te Schiedam en/of elders in

Nederland en/of elders

(van) een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van € 496.768,50 (aan

schoolgelden betaald aan de [school] School te Rotterdam), en

bestaande uit:

in het jaar 2017 een bedrag van in totaal € 20.000,--, betreffende de kinderen van

[medeverdachte 1] en [naam 5],

en/of

in het jaar 2018 een bedrag van in totaal € 107.270,--, betrekking op

- een bedrag van € 58.540,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2]

, en/of

- een bedrag van € 31.330,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 1] en [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 17.400,-- betreffende het kind van [medeverdachte 3] en [naam 3]

,

en/of

in het jaar 2019 een bedrag van in totaal € 77.512,--, betrekking op

- een bedrag van € 33.452,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2]

, en/of

- een bedrag van € 31.860,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 1] en [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 13.100,-- betreffende het kind van [medeverdachte 3] en [naam 3]

en/of

in het jaar 2020 een bedrag van in totaal € 172.874,--, betrekking op

- een bedrag van € 69.524,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2]

, en/of

- een bedrag van € 59.285,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 1] en [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 39.600,-- betreffende het kind van [medeverdachte 3] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 4.200,-- betreffende het kind van de familie [naam 4],

en/of

in het jaar 2021 een bedrag van in totaal € 119.112,50 betrekking op

- een bedrag van € 50.620,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2]

, en/of

- een bedrag van € 32.620,-- had betrekking op de kinderen van [medeverdachte 1]

en [naam 5], en/of

- een bedrag van € 20.785,-- betreffende het kind van [medeverdachte 3] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 15.087,50 betreffende het kind van familie [naam 4],

(telkens)

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die

geldbedrag(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden

had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

- gebruik heeft gemaakt

terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s) wist (en) dat dat/die geldbedrag(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

lid 1

- en verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

(zaakdossier 15).

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]). Voor [medeverdachte 4] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.

Uit het financieel onderzoek kwam naar voren dat [medeverdachte 4] inkomsten genoot vanuit [verdachte] B.V. (hierna: [verdachte]). Ook bleek uit dat onderzoek dat [verdachte] voor de kinderen van [medeverdachte 2] schoolgeld betaalde aan de [school] School Rotterdam.

De rechtspersoon [verdachte] is in 2014 voor het eerst ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) en heeft de volgende drie handelsnamen: [verdachte], [verdachte] en [verdachte]. Als activiteit van [verdachte] staat vermeld: ‘salarisadministratie, bemiddeling en aanverwante diensten voor bedrijven, overheidsinstellingen, werkgevers, zelfstandigen en intermediairs. Het ter beschikking stellen van uitzendkrachten in diverse sectoren alsmede werving en selectie van deze uitzendkrachten.’ Als bestuurder stond geregistreerd Mehmet Metin en als gevolmachtigden stonden geregistreerd Maarten Voois en [medeverdachte 1]. Bij de oprichting zijn 90 aandelen uitgegeven. [naam 2] (hierna: [naam 2]), de echtgenote van [medeverdachte 2], bezit 20 aandelen van [verdachte]. In totaal bezit de familie van [medeverdachte 2] gezamenlijk 50 van de 90 aandelen.

Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie gezien als de rechtspersoon die facilitair is geweest voor [medeverdachte 2] voor het witwassen van door hem verkregen criminele gelden.

Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit, inclusief het gewoontewitwassen, wettig en overtuigend bewezen kan worden. [verdachte] is gebruikt als crimineel vehikel voor de betalingen van schoolgelden. De betalingen van schoolgelden werden in de boekhouding van [verdachte] opgenomen. Deze betalingen passen niet bij de activiteiten waar [verdachte] zich mee bezig hield. Door deze bedragen als kosten van de onderneming ten laste van de winst te brengen is de Belastingdienst benadeeld. De betaalde schoolgelden zijn vermoedelijk afkomstig uit de opbrengst van misdrijven die gepleegd zijn door de criminele organisatie rond [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4].

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om het ten laste gelegde witwassen bewezen te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, zoals bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van het procesdossier en wat op de terechtzitting is besproken het volgende.

Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Ook zonder aanwijsbaar gronddelict kan sprake zijn van witwassen, op voorwaarde dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen volgt. Indien een dergelijk vermoeden kan worden aangenomen, mag van een verdachte worden verlangd dat deze een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Miniserie om nader onderzoek te doen naar de door of namens verdachte gegeven verklaring over de alternatieve herkomst van de geldbedragen.

In het zaaksdossier is beschreven dat uit observaties en tapgesprekken bleek dat de vier minderjarige kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2] onderwijs volgden aan de [school] School Rotterdam. Dit is een particuliere internationale school voor kinderen van 3 tot 18 jaar waarvan het jaarlijkse schoolgeld varieert tussen de € 15.200,00 en € 19.700,00 per kind. Op hun bankrekeningen kwamen echter geen transacties voor met betrekking tot deze schoolgelden.Uit bevraging aan de [school] School Rotterdam volgde dat de schoolgelden werden betaald door [verdachte]. In de periode van 15 december 2017 tot en met 17 augustus 2021 heeft [verdachte] een bedrag van in totaal € 496.768,50 aan schoolgelden betaald. De betaalde schoolgelden waren bestemd voor de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 2], de zoon van [medeverdachte 3] (de broer van [medeverdachte 2]) en [naam 3], de kinderen van [medeverdachte 1] en [naam 5] en een kind van de familie [naam 4].

De verdenking bestaat dat de gelden waarmee [verdachte] de schoolgelden betaald heeft, afkomstig zijn uit de handel in verdovende middelen gepleegd door [medeverdachte 2]. De verbalisanten hebben beschreven dat deze gelden op een onbekende manier via de bedrijfsstructuur van [verdachte] moeten zijn ingebracht in het legale economische verkeer. Hoewel het onderzoeksteam niet heeft kunnen vaststellen dat op enig moment gelden van [medeverdachte 2] binnen de bedrijfsstructuur van [verdachte] terecht zijn gekomen, is dit volgens de verbalisanten ook niet uit te sluiten. Het onderzoeksteam kon dit door de complexiteit en de hoeveelheid boekingen op de bankrekening niet vaststellen. De verbalisanten stellen dat een mogelijke modus operandi zou kunnen zijn dat werknemers van [verdachte] contant – met gelden afkomstig uit misdrijf gepleegd door [medeverdachte 2] – werden betaald. Deze werknemers stonden op de loonlijsten, en [verdachte] heeft het contant uitbetaalde loon gefactureerd aan de inlener. Met de gelden die [verdachte] vervolgens op de bankrekening ontving, kon [verdachte] betalingen verrichten voor [medeverdachte 2], zoals de betalingen aan de [school] School Rotterdam.

De huidige directeur van [verdachte], [medeverdachte 3], heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat de betaling van de schoolgelden een soort lening was aan de aandeelhouders van [verdachte] in de vorm van een rekening-courant.

De vraag die moet worden beantwoord is of voldoende sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. En indien dit het geval is, of (namens) verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet reeds op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, waarmee dit vermoeden afdoende is bestreden. De rechtbank overweegt als volgt.

Namens verdachte is gesteld dat het geldbedrag geen criminele herkomst heeft, maar afkomstig was uit de winstreserves van [verdachte]. Deze stelling vindt steun in het procesdossier, nu uit de administratie van [verdachte] volgt dat de schoolgelden van de winstreserves zijn betaald. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat verdachte sinds 2014 actief is als payrollbedrijf en zij acht het aannemelijk dat er daadwerkelijk omzet is gedraaid met deze werkzaamheden. De rechtbank heeft geen volledig zicht verkregen op de omzet en de totstandkoming van het vermogen van [verdachte] door de jaren heen en dus evenmin van de beschikbare liquide middelen op specifieke momenten, hetgeen in zijn algemeenheid zou kunnen bijdragen aan een vermoeden van witwassen. Het is echter aan het Openbaar Ministerie om dit te bewijzen door afdoende onderzoek te doen naar op zijn minst genomen de omzetcijfers en jaarstukken van het bedrijf. De resultaten van het verrichte onderzoek, voor zover ingesteld, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om op basis daarvan te kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag en de daarmee gefinancierde schoolgelden uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen of en hoe de – al dan niet contante – geldstromen in het vermogen van [verdachte] zijn gebracht. Dat er contante geldstromen zouden zijn, zijn immers aannames en vermoedens van de verbalisanten. Zoals reeds aangehaald vermelden zij in hun proces-verbaal: ‘Hoewel het onderzoeksteam niet heeft kunnen vaststellen dat er op enig moment gelden van [medeverdachte 2] binnen de bedrijfsstructuur van [verdachte] BV terecht zijn gekomen, is dit ook niet uit te sluiten. Met deze bevindingen kan een klein gedeelte van de witgewassen gelden worden verklaard.’ Uit niets blijkt hoe geld, dat van misdrijf afkomstig zou zijn, in het bedrijf is gebracht én of dit ‘criminele geld’ of een gedeelte daarvan vervolgens ook daadwerkelijk is gebruikt om de schoolgelden te betalen.

De rechtbank merkt wel op dat het lenen van geld aan de aandeelhouders/werknemers in de genoemde vorm en situatie weliswaar vragen oproept, maar dat deze situatie onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat er ‘crimineel geld’ in [verdachte] is gebracht waar vervolgens de schoolgelden mee betaald zouden zijn.

Door de officier van justitie is ook gesteld dat sprake is geweest van witwassen omdat sprake is geweest van belastingfraude, en met de opbrengst daarvan de schoolgelden zijn betaald. Dat de betaling van de schoolgelden ten onrechte als scholingskosten ten laste van de fiscale winst is gebracht, brengt echter niet zonder meer mee dat sprake is van belastingfraude. Namens verdachte is gesteld dat de vennootschapsbelasting over deze opgevoerde post alsnog is nagevorderd en dat de Belastingdienst daarbij, gelet op de opgelegde bestuurlijke boete, is uitgegaan van grove schuld en niet van opzet. De rechtbank is van oordeel dat op die grond niet gesteld kan worden dat de schoolgelden betaald zijn van gelden afkomstig uit het misdrijf belastingfraude.

Gelet op het zaaksdossier kan dus niet bevestigd worden dat mogelijk criminele gelden gebruikt zijn voor de betaling van de schoolgelden, dat juist uitsluitend gelden met een legale herkomst gebruikt zijn ter betaling daarvan óf dat sprake is geweest van vermenging van criminele en legale gelden. Hoewel sprake is van een dubieuze constructie die vragen oproept, is er aldus onvoldoende wettig bewijs dat verdachte van enig delict afkomstig geld heeft witgewassen – door bijvoorbeeld het geld over te dragen of om te zetten – én dat (de destijds wettelijke vertegenwoordiger van) verdachte wist of had moeten weten dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van witwassen, zoals dat ten laste is gelegd.

4. De beslissing

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreek haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H. Peper
  • mr. A.F. Germs-de Goede
  • mr. R.A. Heblij

Griffier

  • mr. R. van der Hulst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?