ECLI:NL:RBOVE:2026:2290

ECLI:NL:RBOVE:2026:2290

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 71.036639.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

verdachte is vrijgesproken van witwassen

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.036639.24 (P)

Datum vonnis: 22 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 maart 2026 en 22 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. M.M.P.E. van Helmond en mr. F.J.H.M. Berndsen, advocaten in Breda, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen een totaalbedrag van ongeveer € 496.768,50 heeft witgewassen (primair), dan wel feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan een rechtspersoon ([bedrijf 1] B.V.) die een totaalbedrag van ongeveer € 496.768,50 heeft witgewassen, en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt; (subsidiair);

feit 2: samen met anderen valselijk facturen heeft opgemaakt, met het doel om deze geschriften als echt en onvervalst (door anderen) te (laten) gebruiken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 december 2017

tot en met 31 december 2021, te Schiedam en/of elders in Nederland en/of elders

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(van) een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van € 496.768,50 (aan

schoolgelden betaald aan de [school] School te Rotterdam), en

bestaande uit:

in het jaar 2017 een bedrag van in totaal € 20.000,--, betreffende de kinderen van

[medeverdachte] en [medeverdachte 1],

en/of

in het jaar 2018 een bedrag van in totaal € 107.270,--, betrekking op

- een bedrag van € 58.540,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 31.330,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en Ayçe

Özkan, en/of

- een bedrag van € 17.400,-- betreffende het kind van [naam 2] en [naam 5]

,

en/of

in het jaar 2019 een bedrag van in totaal € 77.512,--, betrekking op

- een bedrag van € 33.452,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 31.860,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en Ayçe

Özkan, en/of

- een bedrag van € 13.100,-- betreffende het kind van [naam 2] [naam 5]

en/of

in het jaar 2020 een bedrag van in totaal € 172.874,--, betrekking op

- een bedrag van € 69.524,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 59.285,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en Ayçe

Özkan, en/of

- een bedrag van € 39.600,-- betreffende het kind van [naam 2] en [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 4.200,-- betreffende het kind van de familie [naam 6],

en/of

in het jaar 2021 een bedrag van in totaal € 119.112,50 betrekking op

- een bedrag van € 50.620,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 32.620 -- had betrekking op de kinderen van [medeverdachte]

en [medeverdachte 1], en/of

- een bedrag van € 20.785,-- betreffende het kind van [naam 2] [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 15.087,50 betreffende het kind van familie [naam 6],

(telkens)

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die

geldbedrag(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden

had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist (en) dat dat/die geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

lid 1

- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

(zaakdossier 15)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

[bedrijf 1] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 december 2017 tot en met 31 december 2021, te Schiedam en/of elders in

Nederland en/of elders

(van) een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van € 496.768,50 (aan

schoolgelden betaald aan de [school] School te Rotterdam), en

bestaande uit:

in het jaar 2017 een bedrag van in totaal € 20.000,--, betreffende de kinderen van

[medeverdachte] en [medeverdachte 1],

en/of

in het jaar 2018 een bedrag van in totaal € 107.270,--, betrekking op

- een bedrag van € 58.540,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 31.330,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en [medeverdachte 1]

, en/of

- een bedrag van € 17.400,-- betreffende het kind van [naam 2] en [naam 5]

,

en/of

in het jaar 2019 een bedrag van in totaal € 77.512,--, betrekking op

- een bedrag van € 33.452,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 31.860,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en [medeverdachte 1]

, en/of

- een bedrag van € 13.100,-- betreffende het kind van [naam 2] [naam 5]

en/of

in het jaar 2020 een bedrag van in totaal € 172.874,--, betrekking op

- een bedrag van € 69.524,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 59.285,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte] en Ay$e

Özkan, en/of

- een bedrag van € 39.600,-- betreffende het kind van [naam 2] en [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 4.200,-- betreffende het kind van de familie [naam 6],

en/of

in het jaar 2021 een bedrag van in totaal € 119.112,50 betrekking op

- een bedrag van € 50.620,-- betreffende de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3]

, en/of

- een bedrag van € 32.620,-- had betrekking op de kinderen van [medeverdachte]

en [medeverdachte 1], en/of

- een bedrag van € 20.785,-- betreffende het kind van [naam 2] [naam 5]

, en/of

- een bedrag van € 15.087,50 betreffende het kind van familie [naam 6],

(telkens)

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die

geidbedrag(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden

had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl verdachte wist (en) dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

lid 1

- en [bedrijf 1] B.V., van het plegen van witwassen een gewoonte heeft

gemaakt;

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en)

verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven

(zaakdossier 15);

2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot

en met 25 oktober 2019, in de gemeente Schiedam en/althans (elders) in

Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

(telkens) een of meer factuur/facturen in gebruik bij [bedrijf 1] B.V. te weten:

- factuurnummer: [factuurnummer 1] (ordner 34, pag 289)-291, en/of

- factuurnummer: [factuurnummer 2] (ordner 34, pag 292), en/of

- factuurnummer: [factuurnummer 3] (ordner 34, pag 293), en/of

- factuurnummer: [factuurnummer 4] (ordner 34, pag 294),

zijnde (een) geschrifte(n), die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit

te dienen,(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst

en/of doen vervalsen,

door (telkens) in strijd met de waarheid op die/dat factu(u)r(en) te vermelden dat

door [medeverdachte 3] gedurende een bepaalde periode werkzaamheden waren verricht

ten behoeve van [bedrijf 2] BV.,

(telkens) met het oogmerk om die/dat factu(u)r(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en/of

(telkens) die valse/vervalste factu(u)r(en) opzettelijk heeft/hebben afgeleverd (door

die facturen (telkens) ter uitbetaling naar [bedrijf 2] BV. te

versturen/zenden/mailen)

en/of opzettelijk voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist (en) en/of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat die/dat factu(u)r(en) (telkens) bestemd was/waren voor

gebruik als ware zij echt

en onvervalst (zaakdossier 12).

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]). Voor [medeverdachte 3] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne. Uit het financieel onderzoek kwam naar voren dat [medeverdachte 3] inkomsten genoot vanuit [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]). Ook bleek uit dat onderzoek dat [bedrijf 1] voor de kinderen van (onder meer) [medeverdachte 2] schoolgeld betaalde aan de [school] School Rotterdam.

De rechtspersoon [bedrijf 1] is in 2014 voor het eerst ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) en heeft de volgende drie handelsnamen: [bedrijf 1], [bedrijf 1] Backoffice Services en Control Uitzendbureau. Als activiteit van [bedrijf 1] staat vermeld: ‘salarisadministratie, bemiddeling en aanverwante diensten voor bedrijven, overheidsinstellingen, werkgevers, zelfstandigen en intermediairs. Het ter beschikking stellen van uitzendkrachten in diverse sectoren alsmede werving en selectie van deze uitzendkrachten.’ Als bestuurder stond geregistreerd [verdachte] en als gevolmachtigden stonden geregistreerd [naam 7] en [medeverdachte]. Bij de oprichting zijn 90 aandelen uitgegeven. [naam 3] (hierna: [naam 3]), de echtgenote van [medeverdachte 2], bezit 20 aandelen van [bedrijf 1]. In totaal bezit de familie van [medeverdachte 2] gezamenlijk 50 van de 90 aandelen.

[bedrijf 1] wordt door het Openbaar Ministerie gezien als de rechtspersoon die door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is gebruikt voor het witwassen van de door hem verkregen criminele gelden.

De rechtspersoon en haar bestuurder, [verdachte] en gevolmachtigde [medeverdachte], zouden betrokken zijn bij het witwassen, onder meer door middel van het valselijk opmaken van documenten, zoals facturen.

Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde witwassen (inclusief het gewoontewitwassen) heeft de officier van justitie zich onder andere op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] is gebruikt als crimineel vehikel voor de betalingen van schoolgelden. De betalingen van schoolgelden werden in de boekhouding van [bedrijf 1] opgenomen. Deze betalingen passen niet bij de activiteiten waar [bedrijf 1] zich mee bezig hield. Door deze bedragen en als kosten van de onderneming ten laste van de winst te brengen is de Belastingdienst benadeeld. De door [bedrijf 1] betaalde schoolgelden zijn vermoedelijk afkomstig uit de opbrengst van misdrijven die gepleegd zijn door de criminele organisatie rond [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [verdachte] heeft dit vermoeden niet weerlegd, omdat hij geen enkele verklaring heeft afgelegd bij de politie over de inkomsten van [bedrijf 1] en hij heeft slechts gesteld dat er voldoende inkomsten waren om de schoolgelden te betalen.

Ook de onder feit 2 ten laste gelegde valsheid in geschrifte kan bewezen worden nu [medeverdachte] met [medeverdachte 3] contact over de urendeclaraties en uitbetaling daarvan en deze urendeclaraties overduidelijk vals zijn. Het opzet en de wetenschap van verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1], en [medeverdachte], als de gemachtigde, kan hieruit worden afgeleid, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van feit 1, het ten laste gelegde witwassen, zal de rechtbank eerst de feit 2 bespreken.

Feit 2, zaaksdossier 12

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het financiële onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van onderzoek 26Donau/26Wayne kwam naar voren dat [medeverdachte 3] in 2019 inkomsten vanuit [bedrijf 1] genoot. De verdenking is dat [bedrijf 1] facilitair is geweest voor [medeverdachte 3] met betrekking tot het witwassen van door hem verkregen criminele gelden. De verdenking is dat de [medeverdachte] (als gevolmachtigde) en [verdachte] (als bestuurder) [achternaam], hierbij betrokken zijn geweest onder andere door middel van valselijk opgemaakte – in de tenlastelegging genoemde – facturen.

[medeverdachte 3] zou op inleenbasis werkzaamheden hebben verricht voor [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. Voor deze inlening zijn door [bedrijf 1] facturen verstuurd aan [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. met betrekking tot de uren die [medeverdachte 3] voor deze ondernemingen heeft gewerkt en die door [bedrijf 1] aan [medeverdachte 3] zijn verloond. [medeverdachte 3] zou voor deze ondernemingen werkzaamheden hebben verricht in de periode van april tot en met oktober 2019. De gemaakte arbeidsuren werden door [bedrijf 2] B.V. door middel van urenstaten aangeleverd bij [bedrijf 1]. [bedrijf 1] stelde vervolgens voor de verloning van [medeverdachte 3] vier facturen op gericht aan [bedrijf 2] B.V. en één factuur gericht aan [bedrijf 3] B.V. De verbalisanten vermoedden echter dat [medeverdachte 3] niet daadwerkelijk arbeid heeft verricht bij de inlenende onderneming [bedrijf 2] B.V., en dat de facturen daarom valselijk zijn opgemaakt.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat [bedrijf 1] door de aangeleverde urenstaten kan zien hoeveel uren er verloond dienen te worden. Ter terechtzitting van 10 maart 2026 heeft hij onder andere verklaard dat hij persoonlijk niet betrokken was bij de facturen richting [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. Voor [bedrijf 1] is het, als payrollbedrijf, niet controleerbaar of vakantiedagen wel of niet zijn opgenomen en of een werknemer daadwerkelijk aan het werk is geweest. Als er een reservering van uren op de loonstrook staat, is [bedrijf 1] wettelijk verplicht de vakantie-uren uit te betalen. Ook worden de vakantie-uren die niet opgenomen zijn door een werknemer uitbetaald op het moment dat de werknemer uit dienst treedt. Het is een normale gang van zaken dat er geen controle plaatsvindt.

[verdachte] wordt verweten dat hij valselijk facturen heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalste te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Daargelaten of de facturen vals waren en deze als echt en onvervalst gebruikt zou worden, is voor een bewezenverklaring van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder meer vereist dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de valsheid van het geschrift. In dit geval de in de tenlastelegging genoemde facturen.

Het is de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat sprake is geweest van vol opzet, in die zin dat [verdachte] de valsheid doelbewust voor ogen had. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of [verdachte] de aanmerkelijke kans op de valsheid van de geschriften willens en wetens heeft aanvaard en er dus sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke zin. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet moet in de eerste plaats worden beoordeeld aan de hand van de verklaringen van een verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen, indien en voor zover die inzicht geven in hetgeen ten tijde van de gedraging in een verdachte is omgegaan. Daarnaast zal het tevens afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang.

De rechtbank stelt voorop dat van elk bedrijf – en in het verlengde daarvan van de bestuurder [verdachte] en gevolmachtigde [medeverdachte] – in beginsel mag worden verwacht dat de administratie een juiste voorstelling van de werkelijkheid geeft. [verdachte] en [medeverdachte] hebben nagelaten te controleren of de door de inlener doorgegeven uren daadwerkelijk door de werknemer gewerkt zijn. Hieruit kan echter nog niet het voorwaardelijk opzet worden afgeleid in die zin dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat de door hen opgemaakte facturen gebaseerd waren op uren die niet daadwerkelijk door [medeverdachte 3] zijn gewerkt en dat hij die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard.

De rechtbank betrekt hierbij ook de werkwijze van een payrollbedrijf zoals [bedrijf 1]. Een payrollbedrijf neemt namelijk het juridische werkgeverschap van personeel van een werkgever (de inlener) over en regelt onder andere contracten, loonbetalingen en loonstroken. Een payrollbedrijf is derhalve afhankelijk van de informatie die zij ontvangt van de inlener over een werknemer. De rechtbank stelt vast dat er ‘slordigheden’ ten aanzien van [medeverdachte 3] in de administratie zijn geweest, zoals het omzetten van het contract van ‘fase 1’ naar fase 3’, de reiskostenvergoedingen en de vakantie-uren registratie, maar ziet ook dat [verdachte] en [medeverdachte] afhankelijk waren van de door de inlener ingediende urenstaten.

Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat zij wisten dat de in de facturen genoemde uren onjuist waren, nu uit niets blijkt dat zij wisten dat [medeverdachte 3] helemaal niet werkte voor [bedrijf 2] B.V., terwijl zij wel urenstaten hebben ontvangen van [bedrijf 2] B.V. Ook konden zij niet weten dat [medeverdachte 3] op vakantie was geweest en [bedrijf 2] B.V. desondanks wel ‘gewerkte uren’ declareerde en evenmin dat [medeverdachte 3] in dezelfde periode bij een andere bedrijf werkzaamheden zou hebben verricht en uren zou hebben gedeclareerd. Dat vervolgens door [bedrijf 1] de gereserveerde vakantie-uren uitbetaald zijn, is dan ook verklaarbaar.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat [verdachte] wist dat de door hen opgemaakte facturen vals waren. Gelet hierop dient hij te worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde.

Feit 1, zaaksdossier 15

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, zoals bedoeld in artikel 420bis Sr. De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van het procesdossier en wat op de terechtzitting is besproken het volgende.

Voorop gesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Ook zonder aanwijsbaar gronddelict kan sprake zijn van witwassen, op voorwaarde dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen volgt. Indien een dergelijk vermoeden kan worden aangenomen, mag van een verdachte worden verlangd dat deze een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Miniserie om nader onderzoek te doen naar de door of namens verdachte gegeven verklaring over de alternatieve herkomst van de geldbedragen.

In het zaaksdossier is beschreven dat uit observaties en tapgesprekken bleek dat de vier minderjarige kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3] onderwijs volgden aan de [school] School Rotterdam. Dit is een particuliere internationale school voor kinderen van 3 tot 18 jaar waarvan het jaarlijkse schoolgeld varieert tussen de € 15.200,00 en € 19.700,00 per kind. Op hun bankrekeningen kwamen echter geen transacties voor met betrekking tot deze schoolgelden.Uit bevraging aan de [school] School Rotterdam volgde dat de schoolgelden werden betaald door [bedrijf 1]. In de periode van 15 december 2017 tot en met 17 augustus 2021 heeft [bedrijf 1] een bedrag van in totaal € 496.768,50 aan schoolgelden betaald. De betaalde schoolgelden waren bestemd voor de kinderen van [medeverdachte 2] en [naam 3], de zoon van [naam 2] (de broer van [medeverdachte 2]) en [naam 5], de kinderen van [medeverdachte] en [medeverdachte 1] en een kind van de familie [naam 6].

De verdenking bestaat dat de gelden waarmee [bedrijf 1] de schoolgelden betaald heeft, afkomstig zijn uit de handel in verdovende middelen gepleegd door [medeverdachte 2]. De verbalisanten hebben beschreven dat deze gelden op een onbekende manier via de bedrijfsstructuur van [bedrijf 1] moeten zijn ingebracht in het legale economische verkeer. Hoewel het onderzoeksteam niet heeft kunnen vaststellen dat op enig moment gelden van [medeverdachte 2] binnen de bedrijfsstructuur van [bedrijf 1] terecht zijn gekomen, is dit volgens de verbalisanten ook niet uit te sluiten. Het onderzoeksteam kon dit door de complexiteit en de hoeveelheid boekingen op de bankrekening niet vaststellen. De verbalisanten stellen dat een mogelijke modus operandi zou kunnen zijn dat werknemers van [bedrijf 1] contant – met gelden afkomstig uit misdrijf gepleegd door [medeverdachte 2] – werden betaald. Deze werknemers stonden op de loonlijsten, en [bedrijf 1] heeft het contant uitbetaalde loon gefactureerd aan de inlener. Met de gelden die [bedrijf 1] vervolgens op de bankrekening ontving, kon [bedrijf 1] betalingen verrichten voor [medeverdachte 2], zoals de betalingen aan de [school] School Rotterdam. De huidige directeur van [bedrijf 1], [naam 2], heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat de betaling van de schoolgelden een soort lening was aan de aandeelhouders van [bedrijf 1] in de vorm van een rekening-courant.

De vraag die moet worden beantwoord is of voldoende sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. En indien dit het geval is, of (namens) verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet reeds op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, waarmee dit vermoeden afdoende is bestreden. De rechtbank overweegt als volgt.

Namens verdachte is gesteld dat het geldbedrag geen criminele herkomst heeft, maar afkomstig was uit de winstreserves van [bedrijf 1]. Deze stelling vindt steun in het procesdossier, nu uit de administratie van [bedrijf 1] volgt dat de schoolgelden van de winstreserves zijn betaald. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat [bedrijf 1] sinds 2014 actief is als payrollbedrijf en zij acht het aannemelijk dat er daadwerkelijk omzet is gedraaid met deze werkzaamheden. De rechtbank heeft geen volledig zicht verkregen op de omzet en de totstandkoming van het vermogen van [bedrijf 1] door de jaren heen en dus evenmin van de beschikbare liquide middelen op specifieke momenten, hetgeen in zijn algemeenheid zou kunnen bijdragen aan een vermoeden van witwassen. Het is echter aan het Openbaar Ministerie om dit te bewijzen door afdoende onderzoek te doen naar op zijn minst genomen de omzetcijfers en jaarstukken van het bedrijf. De resultaten van het verrichte onderzoek, voor zover ingesteld, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om op basis daarvan te kunnen vaststellen dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag en de daarmee gefinancierde schoolgelden uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen of en hoe de – al dan niet contante – geldstromen in het vermogen van [bedrijf 1] zijn gebracht. Dat er contante geldstromen zouden zijn, zijn immers aannames en vermoedens van de verbalisanten. Zoals reeds aangehaald vermelden zij in hun proces-verbaal: ‘Hoewel het onderzoeksteam niet heeft kunnen vaststellen dat er op enig moment gelden van [medeverdachte 2] binnen de bedrijfsstructuur van [bedrijf 1] BV terecht zijn gekomen, is dit ook niet uit te sluiten. Met deze bevindingen kan een klein gedeelte van de witgewassen gelden worden verklaard.’ Uit niets blijkt hoe geld, dat van misdrijf afkomstig zou zijn, in het bedrijf is gebracht én of dit ‘criminele geld’ of een gedeelte daarvan vervolgens ook daadwerkelijk is gebruikt om de schoolgelden te betalen.

De rechtbank merkt wel op dat het lenen van geld aan de aandeelhouders/werknemers in de genoemde vorm en situatie weliswaar vragen oproept, maar dat deze situatie onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat er ‘crimineel geld’ in [bedrijf 1] is gebracht waar vervolgens de schoolgelden mee betaald zouden zijn.

Door de officier van justitie is ook gesteld dat sprake is geweest van witwassen omdat sprake is geweest van belastingfraude, en met de opbrengst daarvan de schoolgelden zijn betaald. Dat de betaling van de schoolgelden ten onrechte als scholingskosten ten laste van de fiscale winst is gebracht, brengt echter niet zonder meer mee dat sprake is van belastingfraude. Namens verdachte is gesteld dat de vennootschapsbelasting over deze opgevoerde post alsnog is nagevorderd en dat de Belastingdienst daarbij, gelet op de opgelegde bestuurlijke boete, is uitgegaan van grove schuld en niet van opzet. De rechtbank is van oordeel dat op die grond niet gesteld kan worden dat de schoolgelden betaald zijn van gelden afkomstig uit het misdrijf belastingfraude.

Gelet op het zaaksdossier kan niet bevestigd worden dat mogelijk criminele gelden gebruikt zijn voor de betaling van de schoolgelden, dat juist uitsluitend gelden met een legale herkomst gebruikt zijn ter betaling daarvan óf dat sprake is geweest van vermenging van criminele en legale gelden. Hoewel sprake is van een dubieuze constructie die vragen oproept, is er aldus onvoldoende wettig bewijs dat [verdachte] van enig delict afkomstig geld heeft witgewassen – door bijvoorbeeld het geld over te dragen of om te zetten – én dat [verdachte] als de destijds wettelijke vertegenwoordiger van [bedrijf 1] wist of had moeten weten dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van witwassen, zoals dat primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde constateert de rechtbank dat de tekst ervan gelijkluidend is aan de tekst van het primair ten laste gelegde witwassen, met dien verstande dat verdachte wordt verweten zich aan witwassen schuldig te hebben gemaakt als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever van [bedrijf 1]. Hetgeen hiervoor is overwogen is echter ook van toepassing indien verdachte als feitelijk leidinggevende of opdrachtgever van [bedrijf 1] wordt aangesproken. Gelet op de vrijspraak van het primair ten laste gelegde, zal de rechtbank verdachte daarom eveneens vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.

4. De beslissing

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair en subsidiair) en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H. Peper
  • mr. A.F. Germs-de Goede
  • mr. R.A. Heblij

Griffier

  • mr. R. van der Hulst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?