RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.034945.24 (P)
Datum vonnis: 22 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonadres].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 maart 2026 en 22 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.W.B. van Twist, advocaat in Dordrecht, waarnemend voor mr. E.V. Appeldoorn, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 1 juni 2021, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, en/of telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van 150 en/of 500 kilo heroïne;
feit 2: in de periode van 1 april 2020 tot en met 1 juni 2021, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, en/of telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van 700 kilo cocaïne.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 1 juni 2021, te
Driebergen-Rijsenburg en/of Dordrecht, en/althans/in elk geval (elders) in
Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te
weten het opzettelijk (vanuit Iran) binnen het grondgebied van Nederland
brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of
verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) aanzienlijke
(handels)hoeveelheid/hoeveelheden van (ongeveer) 150 en/of 500 kilogram van
een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen,
te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of voorwerpen
en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of
ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van
het hierboven bedoelde feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één van) zijn medeverdachte(n)
tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar
(telkens) opzettelijk,
- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt
en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun
mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken
en/of vervoeren van die heroïne, en/of
- (in Iran) een of meer container(s) met een (dek)lading ter verzending naar
Nederland heeft besteld/gekocht, en/of
- (in verband met die bestelling (en)) een of meer mail(s) heeft/hebben opgemaakt
en/of opdracht tot het verzenden van die mail(s) heeft/hebben gegeven, en/of
- een of meer storting(en) van geldbedragen en/of (vervolgens) betaling(en) heeft
gedaan/verricht ten behoeve van de aanschaf van die container(s) met (dek)lading
en/of de betaling voor de verzending van die container(s) van Iran naar
Nederland, althans Europa (zaaksdossier 7);
2
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 1 juni 2021, te
Oosterhout en/of Dordrecht, en/althans/in elk geval (elders) in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te
weten het opzettelijk (vanuit Peru) binnen het grondgebied van Nederland
brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of
verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een aanzienlijke
(handels)hoeveelheid van (ongeveer) 700 kilogram van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende
lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen,
te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of voorwerpen
en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of
ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van
het hierboven bedoelde feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één van) zijn medeverdachte(n)
tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar
(telkens) opzettelijk,
- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt
en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun
mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of verstrekken
en/of vervoeren van die cocaïne, en/of
- (in Peru) een of meer container(s) met als lading schoot ter verzending naar
Nederland heeft besteld/gekocht, en/of
- een of meer storting(en) van geldbedragen en/of (vervolgens) betaling(en) heeft
gedaan/verricht ten behoeve van de aanschaf van die container(s) met schroot
en/of de betaling voor de verscheping van die container(s) van Peru naar
Nederland, althans Europa, en/of
- een loods aan [industrieterrein] te Dordrecht heeft gehuurd (zaaksdossier 10).
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.
Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit onder meer Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.
Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen [verdachte] uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.
De verdenking tegen [verdachte] komt er -kort en zakelijk weergegeven- op neer dat [verdachte] zijn bedrijf als dekmantel heeft gebruikt en e-mails heeft gestuurd om er voor te zorgen dat partij(en) drugs naar Nederland verstuurd konden worden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet onschuldig is en dat hij
– zeker na verloop van tijd – wist waar hij mee bezig was, maar dat hij geen deel uitmaakte van de criminele organisatie, dat hij niet gekend werd in de doeleinden die de organisatie had en dat hij (zeker aan het begin) geen weet had van de criminele, illegale handel die parallel ging aan de dekmantel-handel. Verdachte wist niet hoe hij zich hieraan moest onttrekken. De raadsman ziet verdachte als iemand die als instrument gebruikt is. Er was sprake van een volstrekt ongelijkwaardige relatie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast, waarbij in de voetnoten zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen.
De rechtbank zal de bespreking van de feiten chronologisch weergeven en dus beginnen met de bespreking van het onder 2 ten laste gelegde.
Feit 2, zaaksdossier 10
In een EncroChat-gesprek van 9 april 2020 stuurde de gebruiker [gebruikersnaam 1]@encrochat.com (geïdentificeerd als [medeverdachte 3], hierna: [medeverdachte 3]) een foto naar EncroChat-gebruiker [gebruikersnaam 2]@encrochat.com (niet geïdentificeerd, hierna: [gebruikersnaam 2]) met daarop de gegevens ‘Handelsonderneming [verdachte], [adres]’. [gebruikersnaam 2] stuurde deze foto vervolgens door naar EncroChat-gebruiker [gebruikersnaam 3]@encrochat.com (geïdentificeerd als [medeverdachte 4], hierna: [medeverdachte 4]). [medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 4] dat zijn maat eigenaar is, maar ‘het’ op naam van een Nederlander heeft laten openen. Hij zei: ‘eigenaar 55/60 jr.. geen strafblad niks’. Verder werd tussen [medeverdachte 3] en [gebruikersnaam 2] gesproken over ‘bakken’ (de rechtbank begrijpt: containers), ‘ijzer/schroot’ en ‘sturen vanuit Peru’. [medeverdachte 4] zei dat ze contact moesten opnemen met ‘die van Peru’. [gebruikersnaam 2] vroeg hoeveel ‘stuks’ er zouden komen, waarop [medeverdachte 4] antwoordde dat er ‘700’ waren ingepakt. [medeverdachte 3] zei vervolgens tegen [gebruikersnaam 2] dat de B.V. contact op moest nemen met ‘[bedrijf 1]’, welk bedrijf gevestigd is in Icu in Peru. [bedrijf 1] had 10 bakken staan met metaal/schroot.
Op 22 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] twee foto’s naar [gebruikersnaam 2], waarop een e-mail te zien was die op 21 april 2020 was verstuurd vanaf het e-mailadres [emailadres] naar het e-mailadres van [bedrijf 1]. In die e-mail was te lezen dat de Handelsonderneming [verdachte] geïnteresseerd was om zaken te doen. In de e-mail werd gevraagd naar de kosten van schroot/metaal als ze een order plaatsten van 100 ton om mee te starten. De e-mail was ondertekend door [verdachte] ([verdachte]) CEO, handelsonderneming [verdachte], [adres].
Op 1 mei 2020 stuurde [gebruikersnaam 4]@encrochat.com (geïdentificeerd als [medeverdachte 5], hierna: [medeverdachte 5]) naar [medeverdachte 3] via een EncroChat-gesprek dat ‘de man’ bij hem kwam. [medeverdachte 3] stuurde vervolgens dat [medeverdachte 5] alle inkomende en uitgaande e-mails en Pdf-bestanden vanaf het begin moest sturen en/of op de foto moest zetten. [medeverdachte 3] zei vervolgens dat er ‘5/5’ besteld moest worden en dat hij uit moest zoeken hoe het met het papierwerk zat, zodat het niet vast zou lopen in Nederland. Op 2 mei 2020 stuurde [medeverdachte 5] foto’s van e-mailberichten naar [medeverdachte 3], die [medeverdachte 3] weer doorstuurde naar [gebruikersnaam 2]. Op de foto’s stond een
e-mailconversatie tussen [verdachte] en [bedrijf 1] over het bestellen van vijf bakken, een contract van tien bakken en het overmaken van geld voor vijf bakken. In die e-mailconservatie schreef [verdachte] dat de containers naar [adres] in Dordrecht gestuurd moesten worden.
Op 7 mei 2020 stuurde [medeverdachte 3] in een EncroChat-gesprek naar [gebruikersnaam 2] dat ze eerst een contract wilden voor vijf bakken en vervolgens weer voor vijf bakken. [medeverdachte 3] vroeg aan [medeverdachte 5] hoeveel de kosten van de helft waren. [medeverdachte 5] antwoordde dat het om € 30.000,00 ging. Op 14 mei 2020 stuurde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5] dat er meteen betaald moest worden, zodat de bak kon vertrekken. [medeverdachte 5] stuurde de volgende dag naar [medeverdachte 3] dat ‘hij’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) het vandaag bij zijn eigen bank kon storten en dat hij het dan vanaf zijn eigen bankrekening over ging maken. Vervolgens zei [medeverdachte 3] dat ze meteen gingen kijken naar een plek op het schip. [medeverdachte 3] stuurde op 28 mei 2020 naar [medeverdachte 5] dat ‘ze’ het contract hadden gestuurd en dat ‘die van [medeverdachte 5]’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) moest tekenen en het terug moest sturen.
Vervolgens vond er op 13 september 2020 in de Range Rover, met het kenteken [kenteken], een gesprek plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6]). [medeverdachte 5] vertelde dat ‘de zwarte’ had aangegeven dat hij van plan was een hoeveelheid van ‘700 à 800’ in de container te zetten. Verder werd er gesproken over zes containers die in de haven binnen zouden komen, waarvan in ieder geval één container naar de loods aan [industrieterrein] moest worden getransporteerd. Met betrekking tot de containers werd gezegd dat € 30.000,00 aan [verdachte] moest worden gegeven die dit geld moest storten en overmaken. In dit gesprek zei [medeverdachte 5] ook: “Tja [we zeggen gewoon dat] de man.. het bedrijf heeft het gedaan (..). ln zo'n geval zal [verdachte] trouwens zeker meegenomen/aangehouden worden. Als men zijn mails en alles er omheen uitzoekt zal men erachter komen dat hij het willens en wetens doet. Kijk als het nou één keer was, dan is het anders, maar dit is nu de 5e", 6e of 7e keer...”.
[medeverdachte 5] sprak verder over het sturen van 5 à 10 stuks ‘Tas’ (het Turkse woord voor ‘steen’).
[verdachte] maakte twee keer een bedrag over naar [bedrijf 1], van in totaal € 53.604,12. Voordat dit geld werd overgemaakt, werd twee keer een bedrag van € 30.000,00 op de rekening van [verdachte] gestort.
Verder werd een bedrag van € 12.585,00 door [verdachte] overgemaakt aan [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]). [bedrijf 2] is een internationale rederij die gespecialiseerd is in containertransport en onder meer in Rotterdam is gevestigd. In totaal zijn vier containers met in totaal 93.330 kilogram schroot verscheept door [bedrijf 1] in Peru naar Handelsonderneming [verdachte] in Nederland. [verdachte] was de contactpersoon van [bedrijf 2] en regelde de invoer van de containers naar Nederland.
Daarnaast maakte [verdachte] bedragen van € 1.085,00 en € 730,00 over naar [bedrijf 3] (een transportbedrijf dat gespecialiseerd is in het transport van alle type zeecontainers over de weg) om vier containers met schroot vanaf de haven in Rotterdam naar [bedrijf 4] in Dordrecht te brengen. Vervolgens werd twee keer een bedrag afkomstig van [bedrijf 4] bijgeschreven op de bankrekening van [verdachte].
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij van [medeverdachte 5] de opdracht had gekregen om containers met schroot/oud ijzer te bestellen bij [bedrijf 1]. Het geld voor die containers kreeg hij van [medeverdachte 5]. Hij stortte dat geld en maakte het over vanaf zijn eigen bankrekening. De mailtjes die hij hierover moest opstellen, werden door [medeverdachte 5] voorgekauwd. Het oud ijzer werd met containers uit Peru naar Nederland getransporteerd en hij regelde dit met de douane. Hij moest ook een bedrijf inschakelen voor de formaliteiten en een bedrijf voor het transport.
[verdachte] heeft ter terechtzitting op 11 maart 2026 verklaard dat het klopt dat hij op verzoek van [medeverdachte 5] de Handelsonderneming [verdachte] op zijn naam had gezet met de bedoeling om goederen te bestellen die mogelijk als deklading gebruikt zouden kunnen worden, dat hij het pand aan [adres] in Dordrecht voor [medeverdachte 5] huurde, dat hij ongeveer tien keer een e-mail heeft verstuurd omdat hij geen ‘nee’ durfde te zeggen, dat hij wist dat het foute boel was en dat mogelijk om drugs ging.
Feit 1, zaaksdossier 7
Op 23 december 2020 werd door [medeverdachte 5] vanuit de Range Rover een gesprek gevoerd met [verdachte]. [medeverdachte 5] zei tegen [verdachte] dat misschien iets voor Iran geregeld moest worden, waarop [verdachte] reageerde: ‘als jij weet wat ik moet e-mailen, dan doe ik dat gewoon hoor’. [medeverdachte 5] zei vervolgens: ‘nee ik weet ook niet. [medeverdachte 3] doet toch meestal zulke dingen’.
Op 25 december 2020 werd in hetzelfde voertuig gesproken tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 5] zei dat ‘ie’ (de rechtbank begrijpt – mede in het licht van de hierna gevoerde gesprekken – dat hiermee [medeverdachte 1] wordt bedoeld) per ongeluk zijn mond voorbij had gepraat. [medeverdachte 1] had namelijk gezegd dat men er ‘100’ in zou doen. [medeverdachte 5] had geforceerd dat ze er ‘50 stuks extra’ in zouden doen, omdat het anders niet winstgevend zou zijn. [medeverdachte 5] vertelde aan [medeverdachte 6] dat [medeverdachte 1] had gezegd: ‘Broer, ik zweer het je! Jullie moeten dit niet als eenmalig zien. De volgende keer doen we er niet minder dan 500 stuks in!’. Deze konden verkocht worden voor € 3000,00. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] spraken over de gemaakte afspraken. Van de 150 stuks zouden 10 stuks voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn. Daarnaast zou [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 5] hebben gezegd dat [medeverdachte 5] zorg moest dragen dat het hierheen zou komen, dat het verkocht zou worden en dat het gestasht/verstopt zou worden. [medeverdachte 1] wilde nergens mee te maken hebben.
Na dit gesprek, kwam [medeverdachte 1] aanrijden. [medeverdachte 6] zei tegen [medeverdachte 5] dat zij uit moesten stappen, omdat [medeverdachte 1] niet in de auto zou willen praten. Na het gesprek met [medeverdachte 1], spraken [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] verder in de auto. [medeverdachte 5] zei: ‘Wij krijgen 10 en zij 140’.
Op 31 december 2020 werd in het voertuig gesproken tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] vroeg of [medeverdachte 5] wat had geregeld met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]), waarop [medeverdachte 5] antwoorde ‘Insallah (hopelijk) als het normaal gaat’. [medeverdachte 5] zei vervolgens: ‘Maar de eerste keer is niks voor ons. Zeg maar.. Met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) samen.. via [medeverdachte 1] .. Van [medeverdachte 1] en van zijn vriend. Alleen voor test..’.
Op 7 januari 2021 zei [medeverdachte 5] tegen [medeverdachte 7] dat [verdachte] een mail moest sturen voor [medeverdachte 1]. Over een week gingen ze een proef sturen van ‘100’.
Op 11 januari 2021 uur zei [medeverdachte 5] tegen [medeverdachte 7] dat ‘die test’ binnen een paar dagen moest vertrekken. Vervolgens zei [medeverdachte 5] dat er achter elkaar zeven containers zouden komen en dat alles in één container werd gestopt.
Op 4 februari 2021 spraken [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] er over dat het papierwerk niet goed was gegaan en dat alles nu omgezet moest worden. [medeverdachte 5] zei dat dit een proef was en dat hij 50 (de rechtbank begrijpt: € 50.000,00) zou verdienen en [medeverdachte 6] ook. Zij zouden slechts tien kilo krijgen.
Op 8 februari 2021 zei [medeverdachte 1] buiten de Range Rover tegen [medeverdachte 5] ‘staat klaar.. de mannen zijn gegaan, de werkzaamheden beginnen..’. Daarnaast zei [medeverdachte 1] dat hij 10 stuks had ingeschreven voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 6] moest regelen dat er een e-mail vanuit het Nederlandse bedrijf zou worden gestuurd naar het bedrijf ‘aan de andere kant’ om te vragen waar de bestelling bleef.
Tijdens een gesprek op 9 februari 2021 in de Range Rover vroeg [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 5] hoeveel hij kon verdienen. [medeverdachte 5] herhaalde dat de eerste keer een test was, daarna kon hij een half miljoen verdienen, maar dat moest hij dan wel met [medeverdachte 6] delen.
In de periode van 28 december 2020 tot en met 9 februari 2021 vond een e-mailwisseling plaats tussen [verdachte] en een persoon of bedrijf uit Iran. De e-mailwisseling had betrekking op een bestelling van bouwmaterialen in de vorm van bakstenen. [verdachte] sloot zijn e-mails af met zijn naam, gevolgd door de titel CEO. Op 8 februari 2021 vroeg [verdachte] wanneer de goederen zouden aankomen.
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 5] de handelsonderneming [verdachte] had opgericht. [medeverdachte 5] gaf hem de e-mailadressen van klanten en vertelde wat hij moest mailen. Dit ging onder andere om bouwstenen die uit Iran naar Nederland moesten komen, maar hij verklaarde ook dat deze nooit zijn aangekomen. [verdachte] kreeg geld voor zijn werkzaamheden. Ook huurde [verdachte] het pand aan [adres] in Dordrecht voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. Het geld voor de huur kreeg hij contant van [medeverdachte 5]. Hij stortte dit op zijn bankrekening, waarna hij het overmaakte naar de verhuurder. Verder heeft hij bij de politie verklaard dat hij voor zijn handelingen geld kreeg van [medeverdachte 5]. De koop of import kwam dan als volgt tot stand. [verdachte] kreeg een prijs gemaild van het buitenlandse bedrijf. Als dit [medeverdachte 5] beviel, stelde [verdachte] meteen een e-mail op. Vervolgens werd het contract opgemaakt. [verdachte] regelde dan onder meer de douane. [medeverdachte 5] gaf hem dan weer geld. Hij stortte dit op zijn bankrekening en maakte het volgens over naar de andere partij. [verdachte] wist dat hij deze handelingen verrichtte, zodat [medeverdachte 5] verdovende middelen naar Nederland kon halen.
Overwegingen
Juridisch kader voorbereidingshandelingen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om het binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne/cocaïne mogelijk te maken.
Er is sprake van voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen indien de verdachte opzettelijk (1) een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, (2) zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen, en/of (3) voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstig moet vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er moet worden beoordeeld of deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met deze handelingen voor ogen had. Een voornemen en/of vraag uitzetten kan al een dergelijke strafbare handeling opleveren indien deze handeling concreet op het doel is gericht.
Feit 2: Vaststelling dat het om cocaïne gaat
Uit de feiten en omstandigheden komt naar voren dat meerdere keren werd gesproken over ‘stuks’. Daarnaast werd door [medeverdachte 5] in een OVC-gesprek gesproken over het sturen van 5 à 10 stuks ‘Tas’. Dit is het Turkse woord voor ‘steen’. In het criminele circuit wordt het woord ‘steen’ doorgaans gebruikt om cocaïne aan te duiden. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van cocaïne.
Feit 1: Vaststelling dat het om heroïne gaat
Uit de feiten en omstandigheden kwam naar voren dat de ‘stuks’ verkocht konden worden voor € 3.000,00 per stuk. Dit is de prijs die toentertijd doorgaans voor een blok heroïne werd betaald. Daarnaast is een algemene ervaringsregel dat Iran behoort tot een van de belangrijkste producenten van heroïne.
Bovendien is in de ten laste gelegde periode (op 25 maart 2021) een hoeveelheid van 214,94 kilogram heroïne onderschept. Die heroïne werd ook vanuit Iran vervoerd en Nederland was de beoogde bestemming. In dat zaaksdossier werd ook het bedrijf van een persoon als dekmantel gebruikt voor het transport. Onder meer medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] zijn voor dit feit veroordeeld (de rechtbank verwijst naar de veroordelende vonnissen met de parketnummers 71.310975.21 en 71.142257.21). Hoewel dit feit/zaaksdossier niet aan [verdachte] ten laste is gelegd, kan uit deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank wel worden afgeleid dat hier sprake is geweest van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van heroïne, nu zowel de modus operandi gelijkluidend is, en ook dezelfde personen betrokken zijn, namelijk [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5].
Betrokkenheid en rol van verdachte bij deze feiten en zijn opzet
Het is een feit van algemene bekendheid dat de logistiek rond de invoer van verboden verdovende middelen complex is en dat daarbij meestal meerdere personen betrokken zijn. Alle individuele handelingen van personen die betrekking hebben op die complexe logistiek moeten daarom in beginsel worden geacht gericht te zijn op dat doel, te weten het met opzet binnen het grondgebied van Nederland brengen van deze verdovende middelen. Daarnaast kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat opdrachtgevers en andere belanghebbenden bij een dergelijk drugstransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is vanwege de zeer grote waarde namelijk moeilijk voorstelbaar dat zij het risico willen lopen dat hun zending in handen komt van onwetende ontvangers.
Het bedrijf van [verdachte] werd door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] – in opdracht van [medeverdachte 1] – gebruikt als dekmantel voor het leggen en onderhouden van contact met personen/bedrijven die de containers met deklading verscheepten. Zij bestelden via het bedrijf van [verdachte] containers met een deklading. Namens en in opdracht van [medeverdachte 5] heeft [verdachte] meerdere e-mails opgesteld en verzonden naar Peru en Iran in verband met die bestellingen. Daarnaast gaf [medeverdachte 5] hem meerdere keren contante geldbedragen om de facturen uit Peru en Iran te betalen. [medeverdachte 5] had dan weer contact met onder meer [medeverdachte 3] over de op te stellen e-mails. Daarnaast zei [medeverdachte 5] in een OVC-gesprek dat zes containers de haven zouden binnenkomen, waarvan in ieder geval één container naar de door [verdachte] gehuurde loods moest worden getransporteerd.
Gezien de gesprekken over de voortgang van de bestelling en de betalingen die door [verdachte] werden verricht aan onder meer bedrijven die containers transporteren, heeft [verdachte] in de veronderstelling verkeerd dat de containers daadwerkelijk zouden aankomen. [verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 5] met deze containers mogelijk verdovende middelen naar Nederland haalde en dat zich in de lading een hoeveelheid drugs zou kunnen bevinden. De gedragingen van [verdachte] – in opdracht van onder meer [medeverdachte 5] – om die lading te verkrijgen waren er dus onmiskenbaar op gericht die hoeveelheid verdovende middelen opzettelijk binnen Nederland te brengen.
Om tot een bewezenverklaring te komen moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, van de voorbereidingshandelingen om cocaïne en heroïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Van voorwaardelijk opzet is sprake als een verdachte bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van vol of voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (opzet in voorwaardelijke zin) dat hij [medeverdachte 5] hielp bij de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne en heroïne.
Medeplegen
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door [verdachte], [medeverdachte 5] en onder meer [medeverdachte 3] bij feit 2 en door [verdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] bij feit 1. Zij hadden een gezamenlijk doel, namelijk het invoeren van verdovende middelen (cocaïne en heroïne) in Nederland. Hun handelen was nauw op elkaar afgestemd, zo blijkt uit onder meer uit de rolverdeling en de contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte 5]. Dit heeft onder andere geleid tot het bestellen van containers met een deklading en het regelen van een loods. Al deze onderdelen van het logistieke proces waren gericht op de invoer. Een nauwe en bewuste samenwerking – die gericht was op het voorbereiden van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne (feit 2) en heroïne (feit 1) – is naar het oordeel van de rechtbank daarmee gegeven. Daarnaast was de rol van verdachte van essentieel belang, omdat de transportlijn via zijn bedrijf is opgezet, en hij hierbij ook zelf actief betrokken bij is geweest, onder andere door het versturen van e-mailberichten. De gedragingen van [verdachte] kunnen daarom worden gekwalificeerd als medeplegen.
Het oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde
Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de invoer van 700 kilogram cocaïne en voor de invoer van een partij van 150 en een partij van 500 kilogram heroïne, zoals onder 1 en 2 ten laste is gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 1 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vanuit Iran binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van ongeveer 150 en 500 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
heeft getracht daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen te verschaffen, en/of
zich en anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn medeverdachten wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,
immers hebben hij, verdachte, en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk,
- contact onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt en een of meer besprekingen en ontmoetingen gehad met zijn mededaders met betrekking tot het invoeren van die heroïne, en
- in Iran containers met een deklading ter verzending naar Nederland heeft besteld/gekocht, en
- in verband met die bestelling een of meer mails heeft opgemaakt, en
- stortingen van geldbedragen en vervolgens betalingen heeft gedaan ten behoeve van de aanschaf van die containers met deklading en/of de betaling voor de verzending van die containers van Iran naar Nederland;
2
hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 1 juni 2021, in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vanuit Peru binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van ongeveer 700 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
heeft getracht om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen te verschaffen, en/of
zich en anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft trachten te verschaffen, en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn medeverdachten wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,
immers heeft hij, verdachte, en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk,
- contact onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt en een of meer besprekingen en ontmoetingen gehad met zijn mededaders met betrekking tot het invoeren van die cocaïne, en/of
- in Peru containers met als lading schroot ter verzending naar Nederland heeft besteld/gekocht, en/of
- stortingen van geldbedragen en/of betalingen heeft gedaan/verricht ten behoeve van de aanschaf van die containers met schroot en/of de betaling voor de verscheping van die containers van Peru naar Nederland, en/of
- een loods aan [industrieterrein] te Dordrecht heeft gehuurd.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
de misdrijven: medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
de misdrijven: medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – rekening houdende met een overschrijding van de redelijke termijn – gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om maatwerk toe te passen en betoogd dat oplegging van een taakstraf het meest passend is. Indien rechtbank van mening is dat een gevangenisstraf nodig is, heeft de raadsman verzocht te volstaan met de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met toepassing van de algemene voorwaarde. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het aanmerkelijke tijdsverloop dat niet aan verdachte is te wijten en het gegeven dat hij zijn leven weer heeft opgebouwd.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne en heroïne. Nadat verdachte met een van de medeverdachten in aanraking kwam, werd hem in eerste instantie verzocht om een onderneming op zijn naam te zetten, zodat goederen geïmporteerd konden worden. Verdachte durfde geen nee te zeggen tegen dit verzoek en de volgende verzoeken/opdrachten en verleende zijn medewerking aan de verzoeken/opdrachten van zijn medeverdachten, wetende dat zij zich mogelijk bezig hielden met de import van drugs.
Het strafrechtelijk onderzoek naar zijn medeverdachten – en in het verlengde daarvan ook naar verdachte – laat in volle omvang zien welke negatieve effecten van dit soort misdrijven uitgaan. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. De handel in drugs gaat regelmatig gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweld, waarbij eventueel zelfs (zware) wapens worden gebruikt, en andere ondermijnende handelingen. Deze nadelige effecten zijn ook de reden dat op opiumwetdelicten forse straffen zijn gesteld. De rechtbank merkt op dat verdachte zelf ook inziet dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt door zich als het ware ‘te laten gebruiken’ uit angst voor zijn medeverdachten. Hij heeft bij de politie opening van zaken gegeven en hij nam hiervoor zijn verantwoordelijkheid. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.
De persoon van de verdachte
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 25 augustus 2025. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte sinds 1981 als ondernemer actief is geweest, maar dat hij tussen 2017 en 2021 ondanks zijn jarenlange ervaring, meerdere risicovolle zakelijke beslissingen nam. In 2020 kwam hij als gevolg van de coronamaatregelen in de financiële problemen met één van zijn bedrijven. Verdachte wekte bij de reclassering de indruk dat hij de keuzes die hij destijds maakte onder (lichte) dwang heeft genomen. Als delictgerelateerde factoren ziet de reclassering de aanwezigheid van schulden en lage inkomsten, maar verdachte is reeds aangemeld voor schuldhulpverlening en de intake heeft al in juli 2025 plaatsgevonden. Ook heeft verdachte zich aangemeld bij de sociale dienst voor financiële bijstand. Als mogelijke risicoverhogende factoren ziet de reclassering het middelengebruik en zijn gemoedstoestand. Sinds het delict heeft hij meerdere grote veranderingen meegemaakt binnen zijn familie- en gezinsleven, wat heeft geleid tot alcoholmisbruik en depressieve klachten. Hij krijgt inmiddels ambulante behandeling via [behandelaar] en is aangemeld bij de GGZ Verslavingszorg. Als beschermende factoren ziet de reclassering dat verdachte eigen huisvesting heeft, dat hij geen ondernemer meer is, een structureel inkomen uit loondienst heeft en beschikt over een positief sociaal netwerk.
Ter terechtzitting heeft verdachte onder andere naar voren gebracht dat hij een fulltime baan heeft, hij geen ondernemingen meer heeft, hij zijn financiële problemen opgelost heeft en dat hij de behandeling bij [behandelaar] inmiddels heeft doorlopen en alleen nog in het weekend alcohol drinkt.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aanvangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht op grond waarvan bij verdachte de redelijke verwachting is gewekt dat hij strafrechtelijk zal worden vervolgd. Verdachte is op 15 november 2021 voor het eerst gehoord door de politie, zodat de redelijke termijn op die datum is aangevangen. Op het moment dat in deze zaak vonnis wordt gewezen, op 22 april 2026, heeft de vervolging van verdachte ruim vier jaar in beslag genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en ruim vijf maanden is overschreden, buiten de schuld van verdachte om. Daarmee is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank merkt op dat gelet op de ernst van de feiten zonder deze overschrijding ten minste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend was geweest.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Zowel een onvoorwaardelijke als voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank in dit geval niet langer opportuun. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat verdachte al bij de politie een duidelijke verklaring heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij de feiten en op welke manier hij hierbij betrokken is geraakt. Verdachte heeft een geringe rol gespeeld in het veel omvattende onderzoek. Verder gaat het om een oud feit (van ongeveer zes jaar geleden), is verdachte een first offender, is hij ook nadien niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen en heeft hij zijn leven op orde. De rechtbank acht een taakstraf daarom passend en geboden.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis als verdachte die taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d en 57 Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
de misdrijven: medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2
de misdrijven: medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.