ECLI:NL:RBOVE:2026:2294

ECLI:NL:RBOVE:2026:2294

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 71.034930.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte is vrijgesproken van drugscriminaliteit en witwassen

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.034930.24 (P)

Datum vonnis: 22 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Joegoslavië),

wonende aan het [adres 1],

nu verblijvende in de [P.I.].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 maart 2026, 10 april 2026 en 22 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.S. van Leeuwen, advocaat in Rotterdam, waarnemend voor mr. C.Y. Kekik, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 11 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen, opzettelijk, cocaïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (primair), dan wel samen met anderen voorbereidingshandelingen daartoe en/of gericht op de invoer van cocaïne heeft verricht (subsidiair);

feit 2: samen met anderen een bedrag van ongeveer € 114.600,00 heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de maand mei

2020 te Capelle aan den IJssel en/of Schiedam en/of Rotterdam en/althans (elders)

in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, en/althans alleen, meermalen,

althans eenmaal (telkens)

- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of

- opzettelijk aanwezig heeft gehad

een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)(en) bevattende

cocaïne, en/althans (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van

die wet

en wel:

- op 13 mei 2020 een hoeveelheid van (ongeveer) 6 kilogram cocaïne (zaaksdossier

4);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 13 mei 2020,

althans in of omstreeks de maand mei 2020 te Capelle aan den IJssel

en/of Schiedam en/of Rotterdam en/althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het

grondgebied van Nederland brengen van 6 kilogram cocaïne, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te

bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te

bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen,

uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één van) zijn

medeverdachte(n) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder

voor zich, toen en daar (telkens) opzettelijk,

- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken

gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad

met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot:

+ het afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of verkopen van

die cocaïne, en/of

+ de betaling van die cocaïne;

2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand mei 2020, te Capelle aan

den IJssel en/of Schiedam en/of elders in Nederland en/of elders

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen,

althans eenmaal

(van) een of meer geldbedrag(en), te weten:

(op 18 mei 2020) een geldbedrag van euro 114.600,- (zaaksdossier 4),

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die

geldbedrag(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden

had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist (en) dat dat/die geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.

Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.

De organisatie zou de beschikking hebben gehad over drugslaboratoria in Poortvliet en Halsteren, waar Mexicaanse leden van de organisatie werkzaam waren, vanwege hun specifieke kennis van onder meer het productieproces. Kiloblokken cocaïne die uit deze laboratoria afkomstig zouden zijn, zouden worden voorzien van logo's/stempels en worden ondergebracht in een ‘safehouse’ in een verborgen ruimte. Wanneer de organisatie een afnemer voor de cocaïne zou hebben, zouden de blokken uit het ‘safehouse’ worden gehaald en op straat worden overgedragen in ruil voor contant geld.

Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.

Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie beschouwd als iemand die betrokken was bij de hiervoor genoemde organisatie in die zin dat hij drugs en geld zou hebben vervoerd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is sprake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Nu niet blijkt dat de transactie van de drugs daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dient verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Verdachte dient daarnaast vrijgesproken te worden van het onder feit 2 ten laste gelegde, aangezien verdachte in een te ver verwijderd verband staat tot het ten laste gelegde witwassen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van het feit onder 1, zal zij eerst de identificatie van de gebruiker van het EncroChat-account [gebruikersnaam 1]@encrochat.com bespreken. Dit account wordt aan verdachte toegeschreven.

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-data. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende verdachten gebruik hebben gemaakt van telefoontoestellen waarop deze dienst geïnstalleerd was. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd. In het geval van EncroChat werd gebruik gemaakt van een nickname eindigend op @encrochat.com. De vraag die in deze zaak en in de zaken van verschillende medeverdachten moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie het Openbaar Ministerie in dit onderzoek de vervolging heeft ingesteld, te identificeren zijn als de gebruikers van de aan ieder van hen toegeschreven accounts.

Een verbalisant heeft beschreven dat uit onderzoek naar de identificatie van de gebruikers van de EncroChat-accounts in onderzoek 26Donau/26Wayne volgt dat verdachte de gebruiker is van ‘[gebruikersnaam 1]@encrochat.com’. Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]), die gebruik maakte van de nickname ‘[gebruikersnaam 2]’, had veel contact met de gebruiker onder de naam ‘[gebruikersnaam 1]’. De gebruiker van de nickname ‘[gebruikersnaam 1]’ voerde onder andere gesprekken over de handel in verdovende middelen.

Op 15 mei 2020 vond een chat plaats tussen [medeverdachte 3] en de gebruiker van de nickname ‘[gebruikersnaam 1]’. In deze chat vroeg [medeverdachte 3] of ‘[gebruikersnaam 1]’ om 7 uur (de rechtbank begrijpt 19:00 uur) in Rotterdam kon komen. ‘[gebruikersnaam 1]’ antwoordde dat dat goed was. Vervolgens gaf [medeverdachte 3] aan dat hij op het kantoor (de rechtbank begrijpt dat hiermee het pand aan de [adres 2] in Dordrecht werd bedoeld) was, waarna ‘[gebruikersnaam 1]’ om 17:53 uur stuurde dat hij zou komen en dat hij ook geld mee zou nemen.

Op de camerabeelden opgenomen aan de [adres 2] in Dordrecht was vervolgens te zien dat op 15 mei 2020 omstreeks 18:46 uur een Renault Clio, op naam van verdachte, aan kwam rijden en voor het pand aan de [adres 2] parkeerde. Uit deze Renault Clio stapten drie mannen en deze drie mannen gingen bij het pand naar binnen. Een verbalisant herkende verdachte als de man die als de bijrijder uit de Renault Clio stapte.

Verder volgt uit chats dat ‘[gebruikersnaam 1]’ meerdere keren gebruik maakte van de gebruikersnaam ‘[gebruikersnaam 3]’. Op 2 mei 2020 vroeg ‘[gebruikersnaam 4]@encrochat.com’ aan ‘[gebruikersnaam 1]’ ‘wie ben jij’, waarop ‘[gebruikersnaam 1]’ antwoordde: ‘Albanees’ en ‘Rotterdam’. Uit de bevragingen van het politiesysteem blijkt vervolgens dat verdachte meerdere keren gecontroleerd zou zijn in Rotterdam, maar dat er onduidelijkheid bestaat over de verblijfplaats van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de gebruiker is geweest van het account ‘[gebruikersnaam 1]’, en dat dit hem ook niets zegt. Hij kent [medeverdachte 3] wel en kwam ook wel eens bij hem langs, maar alleen om koffie te drinken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet vastgesteld kan worden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het EncroChat-account met de nickname ‘[gebruikersnaam 1]’. Zo komt verdachte niet om 19:00 uur aan bij het pand aan de [adres 2], zoals door ‘[gebruikersnaam 1]’ was aangegeven, maar al eerder. Onbekend is gebleven of er om 19:00 uur nog iemand anders bij het pand aan de [adres 2] is aangekomen. Bovendien was verdachte niet de enige persoon die om 18:46 uur arriveerde, maar was hij in het gezelschap van twee onbekend gebleven anderen. Verdachte was bovendien niet de bestuurder van de auto waarmee deze drie personen aankwamen. Deze personen gingen vervolgens ook allemaal bij het pand naar binnen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden uitgesloten dat een andere persoon dan verdachte – bijvoorbeeld een van de andere mannen – berichten heeft gestuurd met de nickname ‘[gebruikersnaam 1]’ en dus de gebruiker van het EncroChat-account is geweest. Bovendien zijn de andere genoemde omstandigheden in het proces-verbaal van bevindingen ‘Identificatie [gebruikersnaam 1]’ (‘Albanees’ en ‘Rotterdam’) onvoldoende specifiek en concreet om op grond daarvan met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat verdachte de gebruiker was van [gebruikersnaam 1]@encrochat.com. Zo is verdachte weliswaar geboren in voormalig Joegoslavië maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte Albanees zou zijn.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte de gebruiker was van het EncroChat-account met de nickname ‘[gebruikersnaam 1]’, komt zij niet toe aan de verdere bespreking van het onder feit 1 ten laste gelegde. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.

Feit 2

Uit camerabeelden die zien op de overdracht van het geldbedrag van € 114.600,00 blijkt dat [medeverdachte 3] op 18 mei 2020 gebruik maakte van een zwarte Renault Clio die op naam stond van verdachte. Verdachte is op de camerabeelden niet te zien. Uit het dossier komen verder geen andere omstandigheden naar voren die verdachte in relatie brengen tot de overdracht van dit geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van de auto op naam van verdachte onvoldoende is om enige betrokkenheid van verdachte bij de overdracht van het geldbedrag vast te stellen, zodat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

4. De beslissing

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair en subsidiair) en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H. Peper
  • mr. A.F. Germs-de Goede
  • mr. R.A. Heblij

Griffier

  • mr. R. van der Hulst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?