RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.081465.25 (P)
Datum vonnis: 23 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1961 in [geboorteplaats 1],
wonende aan de [woonplaats].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens [slachtoffer] door mr. A. Derks, advocaat in Almere, is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 18 december 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) heeft geprobeerd om zijn broer [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 15 maart 2025 te [plaats], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 maart 2025 te [plaats], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde op de terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op zaterdag 15 maart 2025 ontvangt de politie een spoedmelding over een steekpartij op de [adres 1] in [plaats]. Dit is het adres van de broer van verdachte, de heer [slachtoffer].
Als de politieagenten ter plaatse komen, komt [slachtoffer] naar hen toe. De politieagenten zien dat hij een wond op zijn rug heeft die hevig bloedt. [slachtoffer] wordt overgebracht naar het ziekenhuis. Verdachte wordt aangehouden.
Die avond doet [slachtoffer] aangifte tegen verdachte. Aangever verklaart dat
[slachtoffer], verdachte en de heer [getuige 1] op 15 maart 2025 met zijn drieën aanwezig waren in de woonwagen van [slachtoffer] en dat verdachte [slachtoffer] toen in zijn rug heeft gestoken met een mes. Verdachte zou hem vaker hebben willen steken, maar werd tegengehouden door [getuige 1].
Op 16 maart 2025 bekijkt de politie de opnames die zijn gemaakt met de camera’s die hangen bij de woonwagen naast die van [slachtoffer]. Dit betreft de woonwagen van de zus van verdachte en [slachtoffer] op het adres [adres 2]. Volgens de politie is op deze opnames te horen dat vanuit de woonwagen van [slachtoffer] het volgende wordt geroepen:
[slachtoffer]: "kankerlijer, kankerleijer hou op, kankerleijer au ahh.
Kankerlijer."
[getuige 1]: "Niet doen niet doen, [verdachte] niet doen. Hou op niet doen, niet
doen."
"Niet doen, los, kom op, los, los, [verdachte] Laat los. [verdachte] je
maakt hem
dood je maakt hem dood niet doen. Nee niet doen. Los het is
je broer. [verdachte] je broer. Laat hem los los los [verdachte]. Los laat
los [verdachte]"
[slachtoffer]: "[verdachte] heeft gestoken, [verdachte] heeft gestoken"
[getuige 1]: "[verdachte] stoppen"
[slachtoffer]: "Hij heeft mij gestoken”
Op de opnames is volgens de politie te zien dat de neef van verdachte en [slachtoffer], de heer [getuige 2], vervolgens vanaf de woonwagen van zijn moeder op het adres [adres 2] komt en de woonwagen van [slachtoffer] binnengaat. Even later komt hij de woonwagen weer uit en roept hij dat alles onder het bloed zit.
Op de terechtzitting heeft verdachte bevestigend geknikt op de vraag of hij ook wel [verdachte] genoemd wordt. Daarbij komt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren dat verdachte hen ambtshalve bekend is als [verdachte].
Op 17 maart 2025 wordt door de politie een mes aangetroffen in de woonwagen van
[slachtoffer]. Het gaat om een mes van ongeveer 20 a 25 centimeter lang. Op het lemmet zit opgedroogd bloed. Aan de hand van foto’s die op de dag van de aanhouding (15 maart 2026) zijn gemaakt, wordt bevestigd dat het mes toen op dezelfde plek lag als waar het op
17 maart 2025 door de politie wordt aangetroffen.
Op het heft van het aangetroffen mes wordt een DNA-spoor aangetroffen. Dit DNA kan volgens het Nederlands Forensisch Instituut (het NFI) afkomstig zijn van minimaal vier personen, namelijk verdachte, [slachtoffer], [getuige 2] en een onbekende persoon. Volgens het NFI is daarbij met betrekking tot verdachte sprake van een bewijskracht van meer dan een miljard. Dit betekent dat het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dat het onderzochte spoor DNA van verdachte bevat dan dat dit niet het geval is. De rechtbank stelt, gelet op deze bewijskracht, vast dat op het heft van het aangetroffen mes DNA van verdachte aanwezig was.
Op zowel het lemmet van het aangetroffen mes als de mouw van de trui die verdachte op de dag van de aanhouding droeg, wordt een bloedspoor aangetroffen. Ook deze bloedsporen zijn onderzocht door het NFI. Het DNA in dit bloedspoor kan volgens het NFI afkomstig zijn van [slachtoffer]. Ook daarbij gaat het NFI uit van een bewijskracht van meer dan een miljard. In het verlengde daarvan stelt de rechtbank vast dat het om bloed van [slachtoffer] gaat.
Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is omschreven in een forensisch geneeskundige letselbeschrijving. Uit deze omschrijving volgt dat sprake was van een steekwond in de rug, in het onderhuidse vetweefsel en een stukje spier. Er zijn geen organen geraakt. Het letsel wordt gekwalificeerd als licht (een AIS van 1). De verwachtte genezingsduur bedraagt
4 tot 6 weken.
Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is vervolgens beoordeeld door de als deskundige ingeschakelde forensisch arts [naam 1]. In de door hem opgestelde letselrapportage is te lezen dat de diepte van de steekwond niet exact kan worden vastgesteld, maar dat aannemelijk is dat deze grofweg 1 tot 3 centimeter is geweest. Op basis van het feit dat slechts letsel is geconstateerd in de huid en een onderliggende spier, concludeert de deskundige dat er geen sprake is geweest van potentieel levensbedreigend of dodelijk letsel. Steekletsel in de rug is volgens de deskundige zelden levensbedreigend, zolang het letsel zich tot de rug beperkt en niet doordringt tot organen en weefsels aan de voorzijde van de rug. Wel is het een reëel scenario dat het ruggenmerg beschadigd zou kunnen raken, met als gevolg een gedeeltelijke of volledige dwarslaesie. Als de inwerkende kracht zodanig groot is dat de rugspieren geheel worden doorkliefd, dan kunnen weefsels en organen die daarvoor liggen beschadigd worden, zoals een long of een grote lichaams(slag)ader, met zeer uiteenlopende gevolgen. Gezien de plek van het letsel op het lichaam, is het volgens de deskundige zeer lastig om een dergelijk letsel bij jezelf toe te brengen. Het is veel waarschijnlijker dat het letsel door een ander dan [slachtoffer] zelf is toegebracht.
Overwegingen en oordeel
Heeft verdachte [slachtoffer] gestoken?
Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 maart 2025 [slachtoffer] in zijn rug heeft gestoken. Bij [slachtoffer] is in zijn rug een steekwond geconstateerd en door
[slachtoffer] is verklaard dat deze steekwond door verdachte is veroorzaakt. Deze verklaring wordt ondersteund door objectief bewijs, te weten de voornoemde beschrijving van cameraopnames, het DNA van verdachte op het heft van het aangetroffen mes, het bloedspoor met DNA van [slachtoffer] op het lemmet van het aangetroffen mes en het bloedspoor met DNA van [slachtoffer] op de rechtermouw van de trui die verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg.
Door de verdediging is gesuggereerd dat [slachtoffer] zichzelf een steekwond heeft toegebracht om verdachte daarvan de schuld te kunnen geven en verdachte op die wijze te benadelen. De rechtbank acht dit scenario onaannemelijk en schuift dit terzijde. Door verdachte is binnen het geschetste scenario geen aannemelijke verklaring gegeven voor de door de politie beschreven inhoud van de cameraopnames, zijn DNA op het heft van het aangetroffen mes en het bloedspoor op zijn rechtermouw. Bovendien is, zoals hiervoor al aan bod kwam, door deskundige [naam 1] geconcludeerd dat het, gezien de plek van het letsel op het lichaam, zeer lastig is om dergelijk letsel bij jezelf toe te brengen en dat het veel waarschijnlijker is dat het letsel is toegebracht door een ander dan [slachtoffer] zelf. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.
Is sprake van poging doodslag dan wel poging zware mishandeling?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het steken met het mes in de rug van [slachtoffer] poging doodslag dan wel poging zware mishandeling oplevert, zoals aan verdachte ten laste is gelegd. Daarvoor is van belang of het opzet van verdachte (al dan niet in de voorwaardelijke zin) was gericht op het doden van [slachtoffer] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].
De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is waaruit volgt dat verdachte [slachtoffer] willens en wetens wilde doden dan wel zwaar lichamelijke letsel wilde toe brengen. Dat sprake was van vol opzet kan daarom niet worden aangenomen.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het doden dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. In dat kader acht de rechtbank van belang dat niet is komen vast te staan vanuit welke positie en met hoeveel kracht verdachte [slachtoffer] heeft gestoken. Uit het dossier kan in dat verband slechts worden afgeleid dat aannemelijk is dat de diepte van de door verdachte veroorzaakte steekwond grofweg 1 tot 3 centimeter is geweest. Met inachtneming van het rapport van [naam 1], waaruit volgt dat steekletsel in de rug zelden levensbedreigend is zolang het letsel niet doordringt tot organen en weefsels aan de voorzijde van de rug, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van poging doodslag.
Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De deskundige beschrijft na de voornoemde opmerking over het levensgevaar dat het wel een reëel scenario is dat het ruggenmerg beschadigd raakt, met als gevolg een gedeeltelijke of volledige dwarslaesie. Anders dan bij het door de deskundige geschetste risico op het doorklieven van rugspieren en het beschadigen van weefsels en organen, geeft de deskundige niet aan dat voor het intreden van dit risico nodig is dat met veel kracht wordt gestoken.
De gedraging van verdachte kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behalve aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit de voornoemde letselbeschrijving kan worden afgeleid dat het gevolg waarop het voorwaardelijk opzet van verdachte was gericht niet is ingetreden. Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is gekwalificeerd als ‘licht’.
Alles overziend acht de rechtbank bewezen dat de verdachte met zijn handelen opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 15 maart 2025 te [plaats], in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het
lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair
het misdrijf: poging zware mishandeling
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat daarbij de bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de [adres 1] in [plaats] voor een periode van drie jaren, waarbij wordt bepaald dat voor iedere afzonderlijke overtreding vervangende hechtenis zal worden toegepast van één week, met een maximum van in totaal zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de langer is dan de duur van het voorarrest, gelet op de medische situatie van verdachte.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Hij heeft zijn broer met een mes in zijn rug gestoken. Verdachte heeft zich, door zo te handelen, schuldig gemaakt aan een ernstig feit waarbij zijn broer een steekwond heeft opgelopen die tot zeer ernstig letsel had kunnen leiden. Dat het letsel uiteindelijk beperkt gebleven is niet aan verdachte te danken. Het had allemaal heel anders kunnen aflopen. De geweldshandeling vond plaats in de woning van [slachtoffer] waar verdachte tijdelijk verbleef. [slachtoffer] had zich bij zijn broer en in zijn eigen woning bij uitstek veilig moeten voelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte van
4 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Daarnaast heef de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 9 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte bekend is met geweldsdelicten en een criminele levensstijl heeft. Referenten omschrijven verdachte als een ongrijpbare, pro-criminele man die volledig zijn eigen gang gaat. De reclassering merkt zijn delict verleden en instabiliteit op meerdere levensgebieden aan als risicofactoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht;
- gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
- middelencontrole; en
- contactverbod met [slachtoffer].
De op te leggen straf
De rechtbank neemt voor de strafoplegging de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten in aanmerking. Die geven als uitgangspunt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. Nu het gaat om een poging zal dit vertrekpunt met een derde deel worden verminderd.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat het steekincident, zoals hiervoor is omschreven, heeft plaatsgevonden binnen de huiselijke sfeer. Verder houdt de rechtbank er in strafverzwarende zin rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor het door hem gepleegde feit. Verdachte heeft ter zitting niet willen verklaren over het voorval en heeft geen empathie of berouw getoond voor het door hem bij zijn broer veroorzaakte letsel.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 316 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Deze straf houdt in dat verdachte het onvoorwaardelijke deel reeds heeft uitgezeten en dat hem gedurende 3 jaren nog ruim 10 maanden gevangenisstraf boven het hoofd blijven hangen, ter voorkoming dat verdachte weer de fout in zal gaan.
De rechtbank is van oordeel dat het contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde genoeg bescherming biedt en ziet daarom geen aanleiding om een contact- en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er, gelet op de ernst van het onderhavige feit en het risico op recidive, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.
7. De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 17.364,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde vergoeding voor materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- daggeldvergoeding € 114,00;
- kleding € 250,00;
- overige zaakschade € 2.000,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 15.000,00 gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door haar bepleitte vrijspraak. Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de daggeldvergoeding voor het verblijf in het ziekenhuis is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (voldoende) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering ter hoogte van € 114,00 daarom toe.
Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op de kleding en overige zaakschade is de rechtbank van oordeel dat deze posten summier zijn onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank in omvang te hoog zijn. De rechtbank stelt wel vast dat de schade is ontstaan aan de kleding en inboedel van [slachtoffer] door het bewezen verklaarde feit en zal gebruikmaken van haar bevoegdheid de omvang van deze schade te schatten. De rechtbank zal voor de kleding een bedrag van € 100,00 en voor de overige zaakschade een bedrag van € 250,00 euro toewijzen.
In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van (114 + 100 + 250) € 464,- toe ter compensatie van materiële schade.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering vanwege materiële schade ter hoogte van €1.900,00 niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op zowel de eerste als de laatste grondslag is gebaseerd.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het steekincident. Het gaat om licht letsel dat binnen vier tot zes weken zal herstellen. Er is sprake van een niet-ontsierend litteken op de rug.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (de strafbare feiten) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.
De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat bij de benadeelde partij sprake is van angst- en achterdochtklachten die al jaren aanwezig zijn, maar door het door verdachte gepleegde strafbare feit zijn verergerd. Er lijken PTSS-klachten aan de orde te zijn rondom het steekincident waarvoor de benadeelde partij een traumabehandeling zal ondergaan.
De rechtbank heeft de Rotterdamse Schaal in acht genomen en is gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat sprake is van een verergering van reeds bestaande klachten, van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij wegens immateriële schade daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, ter hoogte van € 12.500,00, niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 29 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
9. De beslissing
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair
het misdrijf: poging zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 (vijfhonderdveertig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 316 (driehonderdzestien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- actief deelneemt aan de leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op (cognitieve) vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1963 te [geboorteplaats 2], zo lang het Openbaar Ministerie dit nodig acht;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 2.964,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdvierenzestig), ter compensatie van materiële schade en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 2.964,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2025);
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.964,00, (zegge: tweeduizend negenhonderdvierenzestig), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 29 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], voor het overige deel van € 14.400,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
opheffing geschorste bevel voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter en mrs. C.A. Peterzon en J. de Ruiter,
rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar
uitgesproken op 23 april 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025118598. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 15 maart 2025, pagina’s 37 en 38:
Op zaterdag 15 maart 2025, waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], in dienst voor politie IJsselland-Zuid, voor de gemeente [plaats]. Wij waren in uniform gekleed, reden in een opvallend dienstvoertuig en waren met incidentenafhandeling belast.
(…)
Omstreeks 18.42 uur, diezelfde dag, kregen wij, verbalisanten, de spoedmelding van het operationeel centrum dat er een steekpartij gaande zou zijn op de [adres 1] te [plaats]. (…)
Aldaar werden wij gewenkt door meerdere personen en kwam een persoon rennend naar ons toe vanaf de woonwagen van [adres 1]. Deze persoon, hierna te noemen: slachtoffer, wordt later de identiteit vastgesteld als zijnde:
[slachtoffer] ([slachtoffer])
Geboren [geboortedatum 2]-1963 (61) te [geboorteplaats 2] (Nederland)
(…)
Wij hoorden hem zeggen dat hij pijn had en gestoken was. Wij zagen op zijn rug dat hij een bloedvlek had zitten. Wij vroegen wat er gebeurd was. Wij hoorden het slachtoffer zeggen dat hij gestoken was door de verdachte, genaamd '[verdachte]', ons ambtshalve bekend als: [verdachte] .
2. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van verbalisant [verbalisant 3] van 15 maart 2025, pagina’s 15 en 16;
Toen stak [verdachte] mij met een mes in de rug. [getuige 1] kwam tussen beiden en hield [verdachte] tegen. [verdachte] wou mij nog meer steken maar [getuige 1] hield hem met alle moeite tegen. Ik voelde veel pijn in mijn rug.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 24 maart 2025, pagina’s 156 en 157:
Het is aannemelijk dat:
NN man 1 [getuige 1] betreft.
NN man 2 [slachtoffer] ([slachtoffer])
NN man 3 [verdachte] ([verdachte]) [verdachte]
(…)
nn man 2: "kankerlijer, kankerleijer hou op, kankerleijer au ahh. Kankerlijer."
(…)
NN man 1: "Niet doen niet doen, [verdachte] niet doen. Hou op niet doen, niet doen."
NN man 2: "Kankerlijer"
NN Man 1: "Niet doen, los, kom op, los, los, [verdachte] Laat los. [verdachte] je maakt hem dood, je maakt hem dood niet doen. Nee niet doen. Los het is je broer. [verdachte] je broer. Laat hem los los los [verdachte]. Los laat los [verdachte]"
NN man 2:Kankerleijer
NN man 1: [verdachte] laat los, laat je broer met rust. . . . Jawel [verdachte] laat los. [verdachte] nee, [verdachte] nee, [verdachte] los, los los los. laat los los [verdachte] laat los los los
Te zien: [getuige 3] doet de deur open van haar wagen en roept: "[verdachte]
"
NN man 1:" Laat los"
Te zien: [getuige 3] rent naar de wagen, klopt het raam en roept:" [verdachte],"
NN man 1: "Laat los, laat los"
Te zien: [getuige 3] kijkt door het raam en zegt: "Wat is dat nou dan"
NN Man 2: : " [verdachte] heeft gestoken, [verdachte] heeft gestoken"
NN man 1: [verdachte] stoppen
NN man 2: Hij heeft mij gestoken
[getuige 3]: "he kijk nou dan of woorden van gelijke strekking, loopt weg bij de wagen
hier ze steken kom er bij dan." of woorden van gelijke strekking. Te zien: [getuige 3]
roept dit naar mensen richting de woonwagens nr [adres 2]/[adres 3]
[getuige 2]: " Je moet de wouten bellen."
Je ziet: [getuige 2] loopt de wagen binnen van nr [adres 1]
(…)
Te zien: [getuige 2] loopt uit de wagen en roept: " onder het Bloed, alles zit
onder het bloed."
4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 17 maart 2025, pagina’s 111 en 112;
Wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zagen dat er een kratbier van het merk Heineken op de salontafel stond in de woonkamer voor de bank. Wij, verbalisanten, zagen dat er in het kratbier een mes lag van ongeveer 20 a 25 centimeter lang met een wit lemmet. Wij, verbalisanten, zagen dat er op het witte lemmet, opgedroogd bloed zat.
Op het bureau van de politie gekomen, heb ik, verbalisant [verbalisant 4], telefonisch contact
opgenomen met collega [verbalisant 6] van de Forensische opsporing, een collega die bij de
zoeken op het plaats delict aanwezig was op zaterdag 15 maart 2025. Ik, verbalisant
[verbalisant 4], heb bij deze collega aangegeven dat wij, het mes in een kratbier van Heineken
hebben aangetroffen op de salontafel. [verbalisant 6] gaf aan, direct te gaan kijken bij de foto's die zij hadden gemaakt van de doorzoeking om te kijken of het mes op de foto's stond die zij bij de doorzoeking hadden gemaakt. Collega [verbalisant 6], belde omstreeks 14.51 uur terug, dat zij het mes op de foto's in het kratbier zagen liggen, dat zij het mes tijdens de doorzoeking hadden gemist.
5. Een schriftelijk bescheid, namelijk het rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats] op 15 maart 2025 van het NFI van 18 juli 2025, pagina 246 tot en met 252:
[Afbeelding]
Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt dat:
DNA-mengprofiel [code 1] meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer
verdachte G. [verdachte] wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer hij geen DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen;
(…)
DNA-profiel [code 2] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer], dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
(…)
DNA-profiel [code 3] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer], dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
6. Een schriftelijk bescheid, namelijk de Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving van 11 juli 2025, pagina 188:
Concluderend was er sprake van een steekwond in de rug zonder
levensbedreigend letsel (…)
Er is sprake van een steekwond in het onderhuidse vetweefsel en
een stukje spier volgens de medische brieven (zie foto 3 en foto 4). Er zijn geen organen geraakt.
Het letsel resulteert in een AIS van 1 (“licht”).
Verwachtte genezingsduur 4-6 weken vanaf onderzoeksdatum.
Geen blijvende beperking verwacht.
7. Een schriftelijk bescheid, namelijk de letselrapportage van forensisch arts KNMG de heer [naam 1] van 4 november 2025, die is opgesteld in opdracht van rechter-commissaris [naam 2], pagina’s 217 en 218:
2) Hoe diep zijn de verwondingen?
Dit is nu niet meer vast te stellen. De behandelaar heeft geen diepte van de verwonding(en) beschreven. Wel wordt geschreven dat er een bloeding is in de musculus spinalis (rugspier) links ter hoogte van de 8e borstwervel. Er was geen bloeding zichtbaar in het wervelkanaal. Op grond hiervan is aannemelijk dat de diepte van de verwonding grofweg 1-3 centimeter zal zijn geweest. (…)
4) Is er sprake van blijvend letsel, schade of littekens?
Er is geen aanwijzing dat er sprake is van blijvend letsel. Wel is waarschijnlijk dat er een litteken op de rug zal overblijven (…)
5) Wat is de ernst van het letsel, is het letsel potentieel levensbedreigend/dodelijk?
Uit het verslag van de behandelend arts blijkt dat er geen sprake is geweest van potentieel levensbedreigend of dodelijk letsel. Er is slechts letsel geconstateerd in de huid en een onderliggende spier.
6) Is hetzelfde letsel, indien zij in de nabije omgeving van de huidige plek zouden zijn toegebracht, potentieel levensbedreigend?
Steekletsel in de rug is zelden levensbedreigend, zolang het letsel zich tot de rug beperkt en niet doordringt tot organen en weefsels aan de voorzijde van de rug. Wel is het een reëel scenario dat het ruggenmerg beschadigd zou kunnen raken, met als gevolg een gedeeltelijke of volledige dwarslaesie, wat kan resulteren in een verlamming van (grofweg) het deel van het lichaam dat zich daaronder bevindt. Als de inwerkende kracht zodanig groot is dat de rugspieren geheel worden doorkliefd dan kunnen weefsels en organen die daarvoor liggen beschadigd worden, zoals een long of een grote lichaams(slag-) ader, met zeer uiteenlopende gevolgen. (…)
9) Wat is de waarschijnlijkheid van het geconstateerde letsel bij weging van de volgende hypothesen?
H1) Het letsel is toegebracht door aangever zelf.
H2) Het letsel is toegebracht door een ander.
Ik beperk mij bij het beantwoorden van deze vraag tot het rugletsel.
Gezien de lokalisatie van het letsel op het lichaam is het, redenerend vanuit hypothese 1, zeer lastig om een dergelijk letsel bij zichzelf toe te brengen. Redenerend vanuit hypothese 2 is een dergelijk letsel veel waarschijnlijker.