RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11897450 \ CV EXPL 25-2930
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: De Jong juristen Zwolle B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: VD&P juristen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In 2017 heeft [eiser] bij [gedaagde] voor een bedrag van € 2.000,00 een PVC-vloer (hierna ook: de vloer) gekocht. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de vloer door [gedaagde] wordt geleverd en in de woning van [eiser] wordt gelegd.
[gedaagde] heeft de vloer op 24 juli 2017 gelegd. [eiser] heeft in mei 2022 in persoon aan [gedaagde] gemeld dat er PVC-tegels hebben losgelaten.
Op 24 april 2023 heeft [eiser] per WhatsApp-bericht aan [gedaagde] gevraagd wanneer hij naar de loslatende vloer komt kijken, omdat het steeds erger wordt.
Partijen hebben daarop telefonisch en via WhatsApp contact met elkaar gehad. Daarop heeft [eiser] op 27 juni 2023 aan [gedaagde] gestuurd:
“Dag [gedaagde], ik heb je na de app van 24-4-2023 inmiddels telefonisch gesproken en toen gaf je aan de volgende dag te zullen komen. ( Je zat toen in [plaats]) We zijn inmiddels weer enkele weken verder en hebben nog steeds niets van je gehoord. Concreet ben ik nu meer dan een jaar met je bezig en laat je niets van je horen en raakt mijn geduld op. Vloer probleem neemt toe. Hoe verder? Kom je nog langs of niet? (…)”
Vervolgens is [gedaagde] bij [eiser] langs geweest om de vloer te bekijken en te beoordelen.
[eiser] heeft op 11 juli 2024 aan [gedaagde] een ingebrekestelling verzonden. Partijen hebben daaropvolgend via WhatsApp berichten met elkaar gewisseld, waarop [gedaagde] aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen.
[eiser] heeft op 3 oktober 2024 verklaard dat hij de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbindt.
Op 13 januari 2025 heeft [eiser] de vloer vervolgens laten beoordelen door [naam] ([bedrijf]), die zijn bevindingen in een rapport heeft vastgelegd. In het rapport is vermeld dat sprake is van zichtbaar loslatende en niet goed vast zittende PVC-tegels, luchtbellen onder de tegels en vervormingen in de tegels door opbolling of kromtrekken en holle geluiden bij bekloppen van de vloer. Met betrekking tot de oorzaken van de problemen is in het rapport vermeld:
“De bovengenoemde gebreken zijn waarschijnlijk het resultaat van een van de volgende 3 oorzaken:
Mogelijk niet het juiste voorstrijkmiddel gebruikt tijdens het plaatsen van de vloer.
Mogelijk is de voorstrijk teveel verdund waardoor de hechting niet juist is.
Mogelijk onjuiste condities tijdens Installatie
Verkeerde temperatuur of luchtvochtigheid: pvc-vloeren moeten onder bepaalde omstandigheden worden geïnstalleerd, zoals een specifieke temperatuur en luchtvochtigheid. Indien de vloer is gelegd in een te koude of vochtige omgeving, kan de lijm niet goed uitharden, wat de hechting verzwakt.”
3. Het geschil
[eiser] vordert, na eisvermindering ter gelegenheid van mondelinge behandeling, – samengevat – :
primair:
I. te verklaren voor recht dat de tussen partijen bestaande overeenkomst rechtsgeldig (buitengerechtelijk) is ontbonden op 3 oktober 2024;
subsidiair:
I. de tussen partijen bestaande overeenkomst gerechtelijk te ontbinden;
primair en subsidiair:
II. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen de koopsom ad € 2.000,00 in het kader van de op [gedaagde] rustende ongedaanmakingsverplichtingen;
III. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen de kosten van het herstel door een derde ad € 2.720,77;
IV. [gedaagde] te veroordelen de buitengerechtelijke kosten ad € 597,08 over de hoofdsom van € 4.720,77 en wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 aan [eiser] te voldoen;
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] zich op het standpunt dat de geleverde vloer ondeugdelijk is (gelegd) waardoor [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomt tussen partijen. Nadat [eiser] [gedaagde] in gebreke heeft gesteld, is [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan, als gevolg waarvan [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft ontbonden. De gebreken zijn ontdekt binnen enkele jaren en derhalve binnen de garantietermijn van vijftien jaar en zij waren ten tijde van de levering reeds aanwezig. Hierdoor heeft [eiser] niet op reguliere wijze van de vloer gebruik kunnen maken. [eiser] heeft vanwege de wanprestatie van [gedaagde] bovendien schade geleden, bestaande uit de kosten voor herstelwerkzaamheden, aldus [eiser].
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of de tussen hen gesloten overeenkomst is – of dient te worden – ontbonden en of [gedaagde] gehouden is de door [eiser] vermeend geleden schade te vergoeden. Omdat de kwalificatie van de overeenkomst – als koop dan wel aanneming van werk, nu deze elementen van beide bevat – relevant is voor meerdere stellingen van partijen, zal de kantonrechter dienaangaande eerst het toepasselijke kader uiteenzetten.
Gemengde overeenkomst
Nu vast staat dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die elementen van zowel koop als aanneming van werk bevat, kwalificeert de overeenkomst als een gemengde overeenkomst van koop en aanneming van werk. Op grond van artikel 6:215 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn de bepalingen van beide titels van toepassing. Voor zover deze bepalingen onderling onverenigbaar zijn, prevaleren ingevolge artikel 7:5 lid 4 BW de bepalingen inzake consumentenkoop. Dat brengt mee dat het conformiteitsregime van artikel 7:17 BW leidend is.
Tegen deze achtergrond zal de kantonrechter thans ingaan op de meest verstrekkende verweren van [gedaagde], namelijk dat [eiser] de klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW en artikel 6:89 BW heeft geschonden, althans dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard op grond van artikel 7:23 lid 2 BW. Slagen deze verweren, dan komt de rechtbank immers aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] niet meer toe.
Schending klachtplicht / verjaring
Ten aanzien van de klachtplicht heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] pas in 2022 heeft geklaagd, terwijl hij de gebreken aan de vloer, volgens zijn eigen stelling in de dagvaarding, reeds in 2017 had ontdekt. Volgens [gedaagde] is daardoor de klachtplicht geschonden, zodat de vorderingen om die reden zouden moeten worden afgewezen. Volgens [eiser] is echter sprake van een verschrijving in de dagvaarding en zijn de gebreken door hem niet in 2017, maar voor het eerst in april/mei 2022 ontdekt en door hem daags na ontdekking ervan gemeld aan [gedaagde].
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper zich er niet meer op kan beroepen dat de geleverde zaak niet aan de koopovereenkomst beantwoordt indien hij niet ‘binnen bekwame tijd’ nadat hij de non-conformiteit heeft ontdekt of had moeten ontdekken, de verkoper hiervan in kennis heeft gesteld. Artikel 6:89 BW bevestigt dit uitgangspunt voor tekortkomingen in het algemeen: de koper is verplicht een gebrek tijdig aan de verkoper te melden. Voor consumentenkoop geldt dat een klacht binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking in ieder geval tijdig is. Indien een verkoper een op artikel 7:23 BW gebaseerd verweer voert, ligt het op de weg van de koper – [eiser] – om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd. Het is vervolgens aan [gedaagde] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen (i) op welk moment de klachttermijn is aangevangen en (ii) dat het tijdsverloop vanaf dat aanvangsmoment tot aan het moment waarop [eiser] heeft geklaagd, zo lang is geweest dat – in het licht van de hiervoor weergegeven maatstaf – niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in artikel 7:23 BW.
De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [eiser] voor het eerst in april/mei 2022 problemen met de vloer heeft ontdekt, zoals hij ter zitting heeft verklaard. Waar [eiser] in de dagvaarding stelt dat hij in 2017 al gebreken heeft ontdekt, gaat het kennelijk om een verschrijving. Die latere verklaring ter zitting sluit namelijk aan bij de inhoud van de ingebrachte correspondentie, en [gedaagde] heeft niet gesteld dat [eiser] de problemen al voor april/mei 2022 heeft ontdekt.
Als onweersproken staat voorts vast dat [eiser] in mei 2022 over de gebreken van de vloer bij [gedaagde] heeft geklaagd. Nu tussen de ontdekking van de gebreken en de klacht van [eiser] slechts hoogstens één maand is verstreken, kan niet worden aangenomen dat [eiser] de klachtplicht heeft geschonden.
Nu is vastgesteld dat [eiser] jegens [gedaagde] tijdig heeft geklaagd en de klachtplicht niet is geschonden, zal de kantonrechter vervolgens het beroep van [gedaagde] op verjaring krachtens artikel 7:23 lid 2 BW beoordelen.
Bij een koopovereenkomst geldt op grond van artikel 7:23 lid 2 BW dat rechtsvorderingen die, zoals in dit geval, zijn gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren nadat met betrekking tot de betreffende tekortkoming(en) door de koper is geklaagd. De door [eiser] ingestelde vorderingen zien op de ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst en op vergoeding van vermeend geleden schade. Gelet op artikel 3:317 BW geldt dat de verjaring van de vordering tot ontbinding wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien die binnen zes maanden wordt gevolgd door een daad van rechtsvervolging te verrichten (artikel 3:316 lid 1 BW), terwijl voor de vordering tot de vergoeding van schade een schriftelijke aanmaning of een mededeling waarin [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt voldoende is.
Ten aanzien van de ontbindingsvordering overweegt de kantonrechter als volgt. Hoewel vast staat dat [eiser] na het klagen in mei 2022 verschillende WhatsApp-berichten heeft gestuurd aan [gedaagde], kwalificeren deze berichten niet als een schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 3:317 lid 2 BW. Hoewel de brief van 11 juli 2024 wel als schriftelijke aanmaning heeft te gelden, nu zij onder meer een termijn voor nakoming bevat, is deze aanmaning niet binnen een termijn van twee jaren na het moment van kennisgeving in mei 2022 gestuurd, maar twee maanden later, zodat deze brief niet als stuitingshandeling kan worden aangemerkt. Nog los daarvan dient een schriftelijke aanmaning te worden gevolgd door daad van rechtsvervolging binnen zes maanden na de aanmaning, waarvan in dit geval geen sprake is. De dagvaarding dateert immers van 15 augustus 2025 en derhalve ruim een jaar na de brief van 11 juli 2024.
Hieruit volgt dat toen [eiser] op 3 oktober 2024 de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring uitbracht, de rechtsvordering tot ontbinding al was verjaard. Daardoor was de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding toen ook al vervallen (zie artikel 6:268 BW). De kantonrechter ziet daarom aanleiding om zowel de primaire als de subsidiaire vordering onder I en II, inhoudende de verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel dat deze in deze procedure door de rechter zal worden ontbonden, alsmede de vordering van € 2.000,00 vanwege de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen, af te wijzen.
Ten aanzien van de vorderingen in verband met de door [eiser] gevorderde schadevergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. Uit de berichtenwisseling van partijen via WhatsApp blijkt dat [eiser] op 24 april 2023 aan [gedaagde] vraagt wanneer hij bij de loslatende vloer komt kijken. [eiser] geeft daarbij aan dat partijen al bijna een jaar praten over de vloer, en dat hij wil overgaan tot afwerking van de vloer omdat de problemen steeds erger worden. Hiermee heeft [eiser], naar het oordeel van de kantonrechter, een mededeling gestuurd als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW. Dit betekent dat voor zover het betreft de vordering tot schadevergoeding, de vordering niet is verjaard, nu [eiser] tijdig schriftelijk de verjaring heeft gestuit op 24 april 2023, en daarna door de voornoemde brief van 11 juli 2024, zodat het verjaringsverweer van [gedaagde] ten aanzien van deze vorderingen faalt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter, toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering onder III.
Geen tekortkoming
De vraag die thans voorligt, is of de door [eiser] gestelde gebreken aan de vloer meebrengen dat de prestatie van [gedaagde] niet aan de overeenkomst beantwoordt. Daarbij is bepalend of de vloer ten tijde van de aflevering de eigenschappen bezat die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De omstandigheid dat een bepaald gebrek pas na de koop ontstaat, sluit echter niet uit dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt op de grond dat de koper niet behoefde te verwachten dat het desbetreffende gebrek binnen een bepaalde tijd na de koop zou ontstaan.
Vaststaat dat de vloer circa vijf jaar na het leggen is gaan loslaten. Dit tijdsverloop brengt mee dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de oorzaak daarvan gelegen is in een gebrek in de vloer of in de manier waarop [gedaagde] de vloer heeft gelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] zijn stelling dat het loslaten van de vloer het gevolg is van een gebrek in de prestatie van [gedaagde], onvoldoende onderbouwd. In het deskundigenrapport waarop [eiser] zich beroept, is vermeld dat de problemen waarschijnlijk het resultaat zijn van één van drie mogelijke oorzaken, namelijk dat bij het leggen van de vloer mogelijk niet het juiste voorstrijkmiddel is gebruikt, dat het voorstrijkmiddel mogelijk te veel is verdund of dat de vloer mogelijk is gelegd onder ongeschikte condities. Als [gedaagde] inderdaad een of meer van de bovengenoemde fouten heeft gemaakt bij het leggen van de vloer, en de problemen daardoor zijn veroorzaakt, dan is [gedaagde] daarvoor in beginsel aansprakelijk. [gedaagde] weerspreekt echter dat hij die fouten heeft gemaakt en wijst op mogelijke andere oorzaken voor de onthechtingsproblematiek, zoals optrekkend grondwater. Uit het deskundigenrapport blijkt niet dat nader is onderzocht hoe aannemelijk het is dat in dit geval daadwerkelijk een ongeschikt of overmatig aangelengd voorstrijkmiddel is gebruikt, en dat de vloer inderdaad onder te koude of vochtige condities is gelegd. Nu de vloer vijf jaar zonder problemen heeft gelegen, kan [eiser] niet volstaan met de overlegging van een rapport dat blijft steken in algemeenheden waar het gaat om de mogelijke oorzaken voor het loslaten van de vloer, zonder concreet in te gaan op de specifieke omstandigheden van het geval.
[eiser] heeft in de dagvaarding nog gesteld dat [gedaagde] een garantie van vijftien jaar op de vloer heeft gegeven, maar op dat standpunt is hij ter zitting teruggekomen. Wel heeft [gedaagde] naar eigen zeggen aan [eiser] meegedeeld dat de vloer normaal gesproken wel vijftien jaar meegaat, maar dat neemt niet weg dat het op de weg van [eiser] lag om voldoende te onderbouwen dat de problemen te wijten zijn aan een gebrek in de prestatie van [gedaagde].
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van non-conformiteit of, meer in het algemeen, een tekortkoming in de nakoming door [gedaagde]. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser], als genoemd onder III-V, afwijzen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.