RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11877703 \ CV EXPL 25-2734
Vonnis van 7 april 2026
in de zaak van
KONINKLIJKE POSTNL B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: PostNL
gemachtigden: mr. S. Pelgrim en H.J. Schouten Vandervelden,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat om de vraag of PostNL recht heeft op betaling van een aantal onbetaald gelaten facturen door [gedaagde], waaronder verrekening van jaarvolumekorting omdat [gedaagde] het voor die korting benodigde volume niet heeft gehaald. [gedaagde] voert aan dat PostNL is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor hij schade heeft geleden en een deel van de facturen van PostNL niet hoeft te betalen. De kantonrechter zal de vorderingen van PostNL grotendeels toewijzen en legt hierna uit waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 augustus 2025,- de conclusie van antwoord,
- de akte overlegging producties van de zijde van PostNL,
- de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde],
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging van een aanvullende productie van de zijde van PostNL,
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Partijen hebben op 18 januari 2023 een vervoerovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst), op grond waarvan PostNL in opdracht van [gedaagde] buitenlandse en brievenbuspakketten zou vervoeren.
In de overeenkomst is een bepaling opgenomen, op grond waarvan
aan het einde van het contractjaar aan de hand van het daadwerkelijk aantal verstuurde pakketten, de korting definitief wordt vastgesteld en het vooraf ingeschatte tarief, zo nodig, naar boven of beneden wordt gecorrigeerd.
PostNL heeft in 2023 en 2024 pakketten voor [gedaagde] bezorgd en heeft in totaal negen facturen aan [gedaagde] gestuurd. Eén factuur (namelijk die van 4 juni 2024) bevat een verrekening van de jaarvolumekorting van de brievenbuspakketten ter hoogte van € 2.241,74 (exclusief btw). De overige in de facturen opgenomen bedragen, van in totaal € 359,77 exclusief btw, hebben betrekking op door PostNL verzonden buitenlandse en brievenbuspakketten.
4. Het geschil
PostNL vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.072,27 vermeerderd met rente en kosten.
PostNL legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de vervoerovereenkomst en daarom haar facturen dient te betalen. Het grootste deel van de vordering van PostNL bestaat uit de verrekening van de vooraf toegekende jaarvolumekorting ten bedrage van € 2.712,50 (inclusief btw). Het resterende bedrag van € 359,77 (inclusief btw) bestaat uit facturen voor door haar verstuurde pakketten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat hij de € 2.712,50 aan verrekende jaarvolumekorting niet hoeft te betalen. [gedaagde] stelt dat PostNL is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de vervoersovereenkomst, omdat door PostNL 10% van de door [gedaagde] verstuurde pakketten zijn kwijtgeraakt. [gedaagde] was daarom genoodzaakt om naar een andere vervoerder over te stappen. [gedaagde] stelt hierdoor schade te hebben geleden in de vorm van extra kosten, klantklachten, reputatieschade en oninbare verzendkosten. Bij de mondelinge behandeling is [gedaagde] niet verschenen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[gedaagde] moet de facturen betalen
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of [gedaagde] dat deel van de facturen moet betalen dat ziet op terugbetaling van een achteraf bezien te hoge jaarvolumekorting (ter hoogte van € 2.712,50). Voor de beantwoording van die vraag is relevant of het verweer van [gedaagde] slaagt. De kantonrechter leest het verweer van [gedaagde] dat hij gedwongen was om zijn pakketten bij een andere vervoerder onder te brengen, dat hij schade heeft geleden onder meer in de vorm van extra kosten, klantklachten, reputatieschade en oninbare verzendkosten en dat hij het daarom niet eens is met de correctie van de jaarvolumekorting, als een beroep op een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) en dat hij deze vordering tot schadevergoeding wenst te verrekenen in de zin van artikel 6:127 BW met de vordering van PostNL. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
Hoewel [gedaagde] stelt dat PostNL tekort is geschoten, heeft hij ter onderbouwing van zijn stelling enkel een document met een opsomming van pakketten met track&trace-codes ingediend. [gedaagde] heeft geen nadere toelichting gegeven en is niet ter zitting verschenen, waardoor het de kantonrechter onduidelijk is wat [gedaagde] met dit document wenst te onderbouwen. PostNL heeft daarentegen gemotiveerd betwist dat zij pakketten van [gedaagde] is kwijtgeraakt en dat [gedaagde] schade heeft geleden. PostNL heeft in dat kader ter zitting aangevoerd dat [gedaagde] geen meldingen heeft gemaakt van verloren pakketten en tot op heden nog steeds gebruik maakt van de diensten van PostNL. De kantonrechter is gelet op de gemotiveerde betwisting door PostNL van oordeel dat [gedaagde] zijn stelling dat PostNL haar verplichtingen niet is nagekomen onvoldoende heeft onderbouwd.
De kantonrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat [gedaagde] geen vordering heeft op PostNL op grond van wanprestatie en dus gehouden is om de overeenkomst met PostNL na te komen. Hij moet daarom de correctie van de jaarvolumekorting betalen. De verschuldigdheid van de andere factuurbedragen, van in totaal € 359,77, wordt door [gedaagde] niet betwist. Deze vordering van PostNL tot betaling van deze facturen zal daarom ook worden toegewezen. [gedaagde] zal dus veroordeeld worden om in totaal (359,77 + € 2.712,50 =) € 3.072,27 aan PostNL te betalen.
Wettelijke handelsrente
PostNL vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf de datum dat het verzuim van [gedaagde] is ontstaan. PostNL stelt dat deze rente, berekend tot 8 augustus 2025, € 403,31 bedraagt. PostNL laat echter na aan te geven vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is.
Op grond van artikel 6:82 BW is voor het intreden van verzuim in principe een aanmaning is vereist waarin de schuldenaar een termijn wordt gegund om alsnog kosteloos na te komen (een ingebrekestelling). PostNL heeft niet gesteld of, en zo ja wanneer, zij een ingebrekestelling heeft verstuurd. Echter kan ook een dagvaarding worden gezien als een aanmaning in de zin van artikel 6:82 BW. Dit betekent dat de kantonrechter de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 3.072,27 zal toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, 21 augustus 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
PostNL vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). PostNL heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. PostNL heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 432,23 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van PostNL worden begroot op:
- dagvaarding
€
123,73
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
Totaal
€
1.270,23
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan PostNL te betalen
een bedrag van € 3.072,27 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a met ingang van 21 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling.
een bedrag van € 432,23 aan buitengerechtelijke incassokosten.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.270,23 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.