RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familie en Jeugd
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84/014546-26 (P)
Datum vonnis: 20 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats],
wonende aan het [woonplaats].
1. De toelichting op dit vonnis
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welk strafbaar feit [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 20 april 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw, mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldiging vinden. Daarbij is rekening gehouden met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldiging vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.
De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat het feit dat de officier van justitie [verdachte] verwijt, kan worden bewezen.
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van professioneel (knal)vuurwerk. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: een geldboete van
€ 1.500,--.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat [verdachte] op 2 november 2024 in Duitsland samen met anderen of alleen opzettelijk professioneel (knal)vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in een personenauto voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Mitterteich in Duitsland, althans elders in Duitsland, opzettelijk tezamen en in verenigen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of alleen, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: -6 stuks Black Thunder (F4, 32 gram NEM; zie pagina 91 procesdossier) -3 stuks 3 inch shells (F4, 109 gram NEM; zie pagina 94 procesdossier) -2 stuks 1,5 inch shells met naam Al Capone professional (F4, 18 gram NEM; zie pagina 99 procesdossier) -2 stuks 4 inch shells (F4, 300 gram NEM; zie pagina 102 procesdossier) -3 stuks Monster 100 (F4, 300 gram NEM; zie pagina 105 procesdossier) -12 stuks Monster 50 (F4, 50 gram NEM; zie pagina 108 procesdossier) -600 stuks Dumbum 5g (F4, 5 gram NEM; zie pagina 112 procesdossier) -24 stuks Mini dumbum (F3, 2 gram NEM; zie pagina 117 procesdossier)4
-36 stuks FB004-49 (F4, 4,9 gram NEM; zie pagina 119 procesdossier) -30 stuks JC05 (F3, 0,35 gram NEM; zie pagina 127 procesdossier) -30 stuks Monster 8 (F4, 8 gram NEM; zie pagina 130 procesdossier) voorhanden heeft gehad in een auto met kenteken [kenteken].
3. De bewijsmotivering
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. [verdachte] heeft dit feit bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering – met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 20 april 2026;
een geschrift, te weten een vertaling van het Duitse procesdossier met dossiernummer BY3414-501322-24/8 over de aanhouding en inbeslagneming van vuurwerk, pagina’s 3 tot en met 10;
een proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk van 19 mei 2025, pagina’s 84 tot en met 141.
De bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 2 november 2024 te Mitterteich in Duitsland, opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: - 6 stuks Black Thunder (F4, 32 gram NEM), -3 stuks 3 inch shells (F4, 109 gram NEM), -2 stuks 1,5 inch shells met naam Al Capone professional (F4, 18 gram NEM), -2 stuks 4 inch shells (F4, 300 gram NEM), -3 stuks Monster 100 (F4, 300 gram NEM), -12 stuks Monster 50 (F4, 50 gram NEM), -600 stuks Dumbum 5g (F4, 5 gram NEM), -24 stuks Mini dumbum (F3, 2 gram NEM), -36 stuks FB004-49 (F4, 4,9 gram NEM), -30 stuks JC05 (F3, 0,35 gram NEM), -30 stuks Monster 8 (F4, 8 gram NEM), voorhanden heeft gehad in een auto met kenteken [kenteken].
De rechtbank vindt niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit, krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.500,--.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het gepleegde feit
[verdachte] heeft zich anderhalf jaar geleden samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk , waaronder zelfs mortierbommen. Dit vuurwerk (met in totaal een netto explosieve massa van ten minste zes kilogram) is de auto van [medeverdachte 1] aangetroffen. [verdachte] en zijn twee vrienden, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben dat illegale vuurwerk op een markt in Tsjechië gekocht. De Duitse politie heeft hen vervolgens aan de grens aangehouden en het illegale vuurwerk in beslag genomen. Het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk is zeer gevaarlijk, vooral als het gaat om professioneel vuurwerk dat massa-explosief kan reageren, zoals bij de partij in dit geval sprake was. Dit betekent dat als één stuk in een partij tot ontbranding komt en explodeert, de kans bestaat dat de hele partij sympathisch mee-explodeert. Het gebied rondom zo’n explosie waarbinnen als gevolg van die explosie kans op letsel en materiële schade bestaat, wordt daarmee vergroot. De wetgever heeft de bedoeling gehad door middel van het Vuurwerkbesluit regels te maken om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de ongewenste effecten die vuurwerk kan veroorzaken en op die manier de illegale handel in vuurwerk te bestrijden. [verdachte] heeft zich niet aan deze regels gehouden. Hij wist dat sprake was van illegaal vuurwerk, maar heeft dit vuurwerk toch gekocht en in de auto mee genomen, midden tussen andere personen en voertuigen. De risico’s daarvan heeft [verdachte] voor lief genomen. Dat neemt de rechtbank [verdachte] kwalijk.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van
19 februari 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Dat vindt de rechtbank positief. De rechtbank heeft daarnaast het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 31 maart 2026 gelezen en geluisterd naar de toelichting die de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting heeft gegeven. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld.
[verdachte], een nu 18-jarige jongen, woont bij zijn ouders, volgt een mbo-BBL-opleiding tot technicus megatronica en werkt fulltime bij een bedrijf voor grondwatertechniek. Hij lijkt zijn leven qua school, werk, financiën en vrijetijdsbesteding op orde te hebben. [verdachte] heeft op de zitting gezegd dat hij zich niet meer met illegaal vuurwerk zal bezighouden. Hij lijkt van zijn fout te hebben geleerd. De Raad adviseert een taakstraf in de vorm van een werkstraf. [verdachte] hoopt dat kan worden volstaan met de oplegging van een forse geldboete, omdat een werkstraf lastig te combineren is met zijn school en werk.
De strafoplegging
Omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van het strafbare feit minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het inmiddels anderhalf jaar geleden is dat [verdachte] zich aan het bewezen verklaarde feit schuldig heeft gemaakt. Hij is daarna niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Ook heeft de rechtbank tijdens de zitting gehoord dat [verdachte] inziet wat hij heeft gedaan. Toch verdient hij naar het oordeel van de rechtbank wel een straf, gelet op de ernst van het feit en het signaal daarover naar hem en ook in de richting van andere jongeren die van vuurwerk houden. De rechtbank ziet door de persoon van [verdachte], in het bijzonder zijn opleiding en fulltime baan, geen meerwaarde in de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf. De rechtbank vindt een forse geldboete op zijn plaats.
De rechtbank vindt, alles afwegend, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal aan [verdachte] opleggen een geldboete van € 1.500,--.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen 77a, 77g, 77l en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.500,--;
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Mos, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en
mr. G.M.J. Vijftigschild, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
Buiten staat
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.