ECLI:NL:RBOVE:2026:2317

ECLI:NL:RBOVE:2026:2317

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 84/014524-26 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 1.500,- en bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 termijnen van 2 maanden, elke termijn groot € 500,-. De verdachte is schuldig bevonden aan het in voorhanden hebben van illegaal (knal)vuurwerk.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84/014524-26 (P)

Datum vonnis: 20 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1. De toelichting op dit vonnis

De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welk strafbaar feit [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.

Op 20 april 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw,

mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldiging vinden. Daarbij is rekening gehouden met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldiging vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.

De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat het feit dat de officier van justitie [verdachte] verwijt, kan worden bewezen.

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van professioneel (knal)vuurwerk. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: een geldboete van

€ 1.500,-- die hij in termijnen moet betalen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat [verdachte] op 2 november 2024 in Duitsland samen met anderen of alleen opzettelijk professioneel (knal)vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, in een personenauto voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:

hij op of omstreeks 2 november 2024 te Mitterteich in Duitsland, opzettelijk tezamen en in verenigen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of alleen, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: -6 stuks Black Thunder (F4, 32 gram NEM; zie pagina 91 procesdossier) -3 stuks 3 inch shells (F4, 109 gram NEM; zie pagina 94 procesdossier) -2 stuks 1,5 inch shells met naam Al Capone professional (F4, 18 gram NEM; zie pagina 99 procesdossier) -2 stuks 4 inch shells (F4, 300 gram NEM; zie pagina 102 procesdossier) -3 stuks Monster 100 (F4, 300 gram NEM; zie pagina 105 procesdossier) -12 stuks Monster 50 (F4, 50 gram NEM; zie pagina 108 procesdossier) -600 stuks Dumbum 5g (F4, 5 gram NEM; zie pagina 112 procesdossier) -24 stuks Mini dumbum (F3, 2 gram NEM; zie pagina 117 procesdossier)4 -36 stuks FB004-49 (F4, 4,9 gram NEM; zie pagina 119 procesdossier) -30 stuks JC05 (F3, 0,35 gram NEM; zie pagina 127 procesdossier) -30 stuks Monster 8 (F4, 8 gram NEM; zie pagina 130 procesdossier) voorhanden heeft gehad in een auto met kenteken [kenteken].

3. De bewijsmotivering

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. [verdachte] heeft dit feit bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering – met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:

de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 20 april 2026;

een geschrift, te weten een vertaling van het Duitse procesdossier met dossiernummer BY3414-501322-24/8 over de aanhouding en inbeslagneming van vuurwerk, pagina’s 3 tot en met 10;

een proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk van 19 mei 2025, pagina’s 84 tot en met 141.

De bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 2 november 2024 te Mitterteich in Duitsland, opzettelijk tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten: -6 stuks Black Thunder (F4, 32 gram NEM); -3 stuks 3 inch shells (F4, 109 gram NEM); -2 stuks 1,5 inch shells met naam Al Capone professional (F4, 18 gram NEM); -2 stuks 4 inch shells (F4, 300 gram NEM); -3 stuks Monster 100 (F4, 300 gram NEM); -12 stuks Monster 50 (F4, 50 gram NEM); -600 stuks Dumbum 5g (F4, 5 gram NEM); -24 stuks Mini dumbum (F3, 2 gram NEM); -36 stuks FB004-49 (F4, 4,9 gram NEM); -30 stuks JC05 (F3, 0,35 gram NEM); -30 stuks Monster 8 (F4, 8 gram NEM); voorhanden heeft gehad in een auto met kenteken [kenteken].

De rechtbank vindt niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit, krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6. De op te leggen straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.500,--.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie en heeft verzocht de geldboete op te leggen in termijnen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van het gepleegde feit

[verdachte] heeft zich anderhalf jaar geleden samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk, waaronder zelfs mortierbommen. Dit vuurwerk (met in totaal een netto explosieve massa van ten minste zes kilogram) is de auto van [medeverdachte 1] aangetroffen. [verdachte] en zijn twee vrienden, [medeverdachte 1] en Wesley [medeverdachte 2], hebben dat illegale vuurwerk op een markt in Tsjechië gekocht. De Duitse politie heeft hen vervolgens aan de grens aangehouden en het illegale vuurwerk in beslag genomen. Het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk is zeer gevaarlijk, vooral als het gaat om professioneel vuurwerk dat massa-explosief kan reageren, zoals bij de partij in dit geval sprake was. Dit betekent dat als één stuk in een partij tot ontbranding komt en explodeert, de kans bestaat dat de hele partij tegelijk mee-explodeert. Het gebied rondom zo’n explosie waarbinnen als gevolg van die explosie kans op letsel en materiële schade bestaat, wordt daarmee vergroot. De wetgever heeft de bedoeling gehad door middel van het Vuurwerkbesluit regels te maken om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de ongewenste effecten die vuurwerk kan veroorzaken en op die manier de illegale handel in vuurwerk te bestrijden. [verdachte] heeft zich niet aan deze regels gehouden. Hij wist dat sprake was van illegaal vuurwerk, maar heeft dit vuurwerk toch gekocht en in de auto mee genomen, midden tussen andere personen en voertuigen. De risico’s daarvan heeft [verdachte] voor lief genomen. Dat neemt de rechtbank [verdachte] kwalijk.

De persoon van [verdachte]

Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van

19 februari 2026. Hieruit volgt dat [verdachte] niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Dat vindt de rechtbank positief. De rechtbank heeft daarnaast het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 31 maart 2026 gelezen en geluisterd naar de toelichting die de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting heeft gegeven. Ook heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld.

[verdachte], een inmiddels 19-jarige jongen, woont bij zijn ouders en volgt een opleiding elektrotechniek. Hij wil daarna een opleiding tot loodgieter gaan volgen. Hij werkt fulltime bij een installatiebedrijf en heeft daarnaast een grote vriendengroep. Hij heeft zijn leven goed op orde. Hij heeft op zitting laten zien dat hij veel spijt heeft van deze actie, waar hij op dat moment niet goed over had nagedacht. Hij is erg geschrokken van de gevolgen en heeft geleerd van zijn fout. De Raad adviseert een taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf. [verdachte] hoopt dat kan worden volstaan met de oplegging van een forse geldboete, te betalen in termijnen, omdat een werkstraf lastig te combineren is met zijn school en werk.

De strafoplegging

Omdat [verdachte] ten tijde van het plegen van het strafbare feit minderjarig was, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het inmiddels anderhalf jaar geleden is dat [verdachte] zich aan het bewezen verklaarde feit schuldig heeft gemaakt. Hij is daarna niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Ook heeft de rechtbank duidelijk gezien dat [verdachte] inziet wat hij heeft gedaan en heeft geleerd van zijn gedrag. Toch verdient hij naar het oordeel van de rechtbank wel een straf, gelet op de ernst van het feit en het signaal daarover naar hem en ook in de richting van andere jongeren die van vuurwerk houden.

De rechtbank ziet door de persoon van [verdachte], in het bijzonder gelet op zijn opleiding en fulltime baan, geen meerwaarde in de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf.

De rechtbank vindt een forse geldboete op zijn plaats.

De rechtbank vindt, alles afwegend, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal aan [verdachte] opleggen een geldboete van € 1.500,--, te betalen in drie tweemaandelijkse termijnen van € 500,--.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen 24a, 77a, 77g, 77l en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.500,--;

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen;

- bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 2 (twee) maanden, elke termijn groot € 500,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Mos, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en

mr. G.M.J. Vijftigschild, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.

Buiten staat

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. de Mos

Griffier

  • mr. A. de Bruin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?