ECLI:NL:RBOVE:2026:2347

ECLI:NL:RBOVE:2026:2347

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 346664 KG RK 26-183
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van de rechters toe.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

beslissing

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 346664 KG RK 26-183

Beslissing van 28 april 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

volgens de dagvaarding geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de PI [locatie] ,

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam.

1. De procedure

In de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 71.310282-23 heeft op 31 maart 2026 een eerste openbare terechtzitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden, waarin onder andere als voorzitter mr. M. Melaard en als oudste rechter mr. A.J. de Loor (hierna: de rechters) zitting hadden.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van de rechters gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 31 maart 2026. Eerder had verzoeker schriftelijk verzocht om verschoning, welk verzoek door de rechters niet is gehonoreerd.

De rechters hebben niet berust in de wraking. De voorzitter en de oudste rechter hebben op 14 april 2026 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. De rechters hebben uitgelegd waarom zij vinden dat verzoeker geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid van de rechters, zodat het wrakingsverzoek ongegrond is.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 17 april 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: verzoeker, met bijstand van een tolk Tingrinja en zijn advocaat mr. Malewicz, en (via een videoconferentie met een directe beeld- en geluidsverbinding met de wrakingskamer) de officier van justitie mr. J.F. de Boer. De rechters zijn niet verschenen en hebben dit ook op voorhand laten weten. Bij de mondelinge behandeling is het wrakingsverzoek toegelicht. Deze toelichting is op schrift gesteld.

2. De beoordeling

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek het volgende. Wraking in het strafproces is mogelijk op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering. Hierin is bepaald dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Dit verzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van een procedure tot de einduitspraak worden gedaan.

Verzoeker heeft het onderhavige wrakingsverzoek van de rechters mondeling gedaan (en ook schriftelijk gemotiveerd) tijdens de terechtzitting van 31 maart 2026, nadat de rechters op de zitting gemotiveerd hebben beslist geen aanleiding te zien om zich te verschonen. De gronden en het verloop van de zitting zijn vervolgens in het proces-verbaal van die zitting vastgelegd.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de wrakingskamer met zich dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend en dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

Het uitgangspunt bij de beoordeling van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer overweegt met betrekking tot het uitgangspunt bij de boordeling van een wrakingsverzoek het volgende. In juridische zin houdt een wrakingsverzoek een beroep in op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6, lid 1 van het EVRM en artikel 14, lid 1 van het IVBPR. Het is vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van zo’n beroep voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechters door objectieve factoren gerechtvaardigd is. Dit wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is of die schijn heeft gewekt.

Omdat het verzoek tot wraking van de rechters verband houdt met het op 27 januari 2026 gewezen vonnis van de meervoudige kamer in de strafzaak tegen [medeverdachte] met parketnummer 71.253617-22, overweegt de wrakingskamer in aanvulling op het voorgaande het volgende. [medeverdachte] kan worden gezien als medeverdachte. Onder de verdenking tegen verzoeker en tegen [medeverdachte] ligt hetzelfde procesdossier. Uit de rechtspraak volgt dat de enkele omstandigheid dat de rechters zich reeds hebben uitgesproken over soortgelijke maar niet-samenhangende strafbare feiten of een medeverdachte al in een afzonderlijke strafprocedure hebben berecht, op zichzelf onvoldoende is om de onpartijdigheid van de rechters in twijfel te trekken. Het is immers de normale wettelijke taak van een strafrechter dat deze op basis van wat aan verdachte ten laste is gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting moet oordelen over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, waarbij een oordeel in een zaak tegen andere (mede)verdachten buiten beschouwing moet worden gelaten. De schijn van partijdigheid kan echter objectief bezien wel zijn gewekt als een vonnis in een andere zaak waarin dezelfde rechters hebben geoordeeld vaststellingen bevat met betrekking tot de vraag naar de schuld van de verzoeker tot wraking.

De wrakingskamer zal hierna, met inachtneming van het voorgaande, de wrakingsgronden die tot het verzoek van wraking van de rechters hebben geleid, beoordelen.

De wrakingsgronden

De wrakingsgronden, die volgens verzoeker maken dat de rechters de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt, zijn de volgende.

Ten eerste hebben de rechters zich in het strafvonnis tegen medeverdachte [medeverdachte] reeds uitgelaten over de vraag of de rechtbank bevoegd is en rechtsmacht heeft en in het vervolg daarvan of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verzoeker (de eerste wrakingsgrond).

Ten tweede hebben de rechters zich al begeven op het terrein van de bewijswaardering – en in het verlengde daarvan – impliciet over de vraag naar de schuld van verzoeker (de tweede wrakingsgrond).

Het oordeel van de wrakingskamer over de eerste wrakingsgrond

De wrakingskamer overweegt ten aanzien van de eerste wrakingsgrond het volgende. In het strafvonnis tegen medeverdachte [medeverdachte] heeft de rechtbank zich in die zaak uitgelaten over de bevoegdheid en de rechtsmacht van de rechtbank en in het verlengde daarvan of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van [medeverdachte] . Daarbij heeft de rechtbank zich uitgelaten over de vraag of er in die zaak voldoende aanknopingspunten zijn met Nederland en of de feiten waarvan [medeverdachte] verdacht werd in Nederland zijn gepleegd.

Het ligt op de weg van verzoeker om feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen dat de situatie van verzoeker identiek dan wel in grote mate vergelijkbaar is met die van [medeverdachte] op grond waarvan in die zaak rechtsmacht is aangenomen. Alleen dan kan de wrakingskamer beoordelen of de door verzoeker geuite vrees van vooringenomenheid van de rechters, die hebben geoordeeld in de strafzaak tegen [medeverdachte] en nog te oordelen hebben over het aan verzoeker ten laste gelegde, door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer constateert dat daarvoor door verzoeker onvoldoende is aangevoerd. Het enkele gegeven dat de verdenking is gebaseerd op eenzelfde procesdossier is op zichzelf daarvoor niet voldoende. Als gevolg daarvan acht de wrakingskamer deze wrakingsgrond onvoldoende onderbouwd.

Het verzoek tot wraking is wat betreft de eerste wrakingsgrond ongegrond.

Het oordeel van de wrakingskamer over de tweede wrakingsgrond

De wrakingskamer overweegt ten aanzien van de tweede wrakingsgrond het volgende. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat de hierna genoemde [naam 1] dezelfde persoon is als verzoeker (naar de wrakingskamer begrijpt is [naam 1] een van de voornamen van verzoeker). In het strafvonnis tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna in het citaat aldus aangeduid als “verdachte”) heeft de rechtbank op pagina’s 18 en 19 het volgende overwogen:

“5.4.1. Medeplegen met [naam 1]

(…) 5.4.1.2. Het oordeel van de rechtbank

Zoals opgemerkt acht de rechtbank het – tegen de achtergrond van het dossier en het standpunt van het Openbaar Ministerie inzake het medeplegen – van belang eerst vast te stellen of er sprake is geweest van het medeplegen van verdachte en [naam 1] bij de ten laste gelegde mensensmokkelfeiten, met name met het oog op de bewijsbaarheid van de feiten 9 en 10 . (…)

De rechtbank overweegt dat het dossier , waaronder de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de Facebook-accounts van verdachte en [naam 1] , aanwijzingen bevat dat verdachte en [naam 1] contact met elkaar hadden . Door het Openbaar Ministerie is naar voren gebracht dat uit het dossier volgt dat verdachte en [naam 1] een gedeelde loods hadden op hetzelfde perceel en dat werd gezien dat zij op dit perceel vriendelijk met elkaar omgingen. Verder verklaren meerdere getuigen dat zij bij aankomst op het perceel in [plaats] [medeverdachte] werden ondergebracht in een loods die bij helfte was verdeeld in een deel in gebruik bij [naam 1] en het andere deel bij verdachte. Beide helften waren door een stenen muur van elkaar gescheiden. De migranten “waren” of van [medeverdachte] of van [naam 1] . Ook lijkt uit de getuigenverklaringen te volgen dat er in sommige boten migranten zaten uit zowel de loodshelft van verdachte als de loodshelft van [naam 1] . Daarnaast lijkt er uit de Facebookcontacten tussen verdachte en de gebruiker van het account “ [gebruikersnaam] ”, waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat de gebruiker daarvan [naam 1] was, te volgen dat verdachte en [naam 1] “zakelijke” contacten hadden. Ook het contact over het valse paspoort op naam van verdachte en voorzien van diens foto, dat hij bij zich droeg ten tijde van zijn aanhouding, ziet het Openbaar Ministerie als een aanwijzing voor hun samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden weliswaar lijkt te volgen dat er in de ten laste gelegde periode contact en mogelijk enige vorm van samenwerking is geweest tussen verdachte en [naam 1] , maar dat dit onvoldoende is om wettig en overtuigend bewezen te achten dat [naam 1] bij het smokkelen van de specifiek in de tenlastelegging genoemde migranten als medepleger betrokken is geweest. Uit de getuigenverklaringen blijkt immers evenzeer dat verdachte, met een groep handlangers, de leiding had over een eigen groep migranten in een afgescheiden deel van de loods. In de getuigenverklaringen maken de migranten nadrukkelijk onderscheid wie bij [medeverdachte] hoorde en wie bij een andere smokkelaar.

De rechtbank overweegt dat het hebben van onderling contact, het maken van een verdeling van de gesmokkelde personen, het onderbrengen van groepen migranten in afgescheiden gedeeltes van dezelfde loods, het nu en dan gebruik maken van dezelfde boten en het mogelijk op enig moment via Facebook communiceren over een vals paspoort voor verdachte, geen handelingen zijn die een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht opleveren om als medepleger te kunnen gelden bij de smokkel van de specifiek in de tenlastelegging genoemde personen .

Dat betekent andersom ook dat ten aanzien van migranten die nadrukkelijk verklaren door een ander dan verdachte te zijn gesmokkeld, niet kan worden gezegd dat de verdachte daarbij zonder meer als medepleger betrokken is geweest.”

De wrakingskamer is van oordeel dat de voornoemde overwegingen in het strafvonnis tegen medeverdachte [medeverdachte] , in het bijzonder de tekst die vetgedrukt is, bezien in het licht van het aan verzoeker ten laste gelegde, met zich brengen dat de door verzoeker geuite vrees van vooringenomenheid bij de rechters die hebben geoordeeld in de strafzaak tegen [medeverdachte] en nog te oordelen hebben over het aan verzoeker ten laste gelegde, gerechtvaardigd is. Aan verzoeker zijn soortgelijke (waarvan enkele gelijkluidende) en deels samenhangende feiten (zoals weergegeven in het vonnis tegen [medeverdachte] ) ten laste gelegd als aan medeverdachte [medeverdachte] . De door de rechters gebruikte bewijsmiddelen in het strafvonnis tegen medeverdachte [medeverdachte] hebben weliswaar niet geleid tot de kwalificatie medeplegen, maar met het gebruik van die bewijsmiddelen hebben de rechters zich wel uitgelaten over de betrokkenheid van verzoeker bij een deel van de ten laste gelegde feiten en dus indirect ook over de schuld van verzoeker. Dat de door verzoeker geuite vrees voor partijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd is, betekent dat de rechters de schijn hebben gewekt dat zij niet meer zonder vooringenomenheid over het aan verzoeker ten laste gelegde kunnen oordelen. Er is sprake van een uitzonderlijke omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Het verzoek tot wraking wat betreft de tweede wrakingsgrond is gegrond.

Een afsluitende overweging van de wrakingskamer over het overige aangevoerde

Voor zover verzoeker als wrakingsgrond heeft willen opvoeren dat de vrees voor vooringenomenheid van de rechters objectief gerechtvaardigd is omdat de rechters vanwege hun betrokkenheid in de zaak van de medeverdachte over méér informatie (zoals processen-verbaal van getuigenverhoren en pro-formazittingen met de daarin vermelde tussenbeslissingen) beschikken dan de informatie die verzoeker in het strafdossier heeft, overweegt de wrakingskamer ten overvloede het volgende.

De enkele omstandigheid dat de rechters vanwege hun betrokkenheid in de zaak van een medeverdachte over méér informatie kunnen beschikken, kan geen objectief gerechtvaardigde vrees met zich brengen dat die rechters ook een vooringenomenheid koesteren in de richting van verzoeker. De strafzaak van verzoeker bevindt zich in een stadium waarin onderzoekswensen kunnen worden ingediend en stukken kunnen worden gevoegd. De vrees van verzoeker, die hij niet nader heeft onderbouwd, is daarom prematuur.

3. De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechters mr. M. Melaard en mr. A.J. de Loor toe.

Deze beslissing is gegeven door de rechters mr. A. van Holten, mr. A. Smedes en

mr. M. van Bruggen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Klunder, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Melaard

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand