ECLI:NL:RBOVE:2026:2375

ECLI:NL:RBOVE:2026:2375

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 71.034874.24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaren en beveelt de gevangenneming van de verdachte met ingang van heden. De verdachte is schuldig bevonden aan deelnemen aan een criminele organisatie en het handelen in drugs, meermalen gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 71.034874.24 (P)

Datum vonnis: 22 april 2026

Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in Mexico,

onbekende woon- of verblijfplaats.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 maart 2026 en 22 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie. Verdachte is niet verschenen.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van drugsgerelateerde misdrijven, valsheid in geschrifte en/of witwassen;

feit 2: samen met anderen, opzettelijk, cocaïne, (meth)amfetamine en/of heroïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of aanwezig heeft gehad en/of vervaardigd in [plaats 1] en/of [plaats 2] ;

feit 3: samen met anderen, opzettelijk 40,379 kilogram cocaïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad;

feit 4: samen met anderen een totaalbedrag van ongeveer € 8.522.581,00 en € 1.040.001,00 heeft witgewassen en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2021 in de

gemeente Schiedam en/of Rotterdam en/althans (elders) in Nederland en/of

Spanje en/of elders heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande een

samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in:

- artikel 2 van de Opiumwet, en/of

- artikel(en) 225, 420bis Wetboek van Strafrecht (zaakdossier 01);

2

hij op nader te noemen tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2020 tot en met 1 juni 2021 op nader te noemen plaatsen en/althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of

- opzettelijk aanwezig gehad, en/of

- opzettelijk heeft vervaardigd.

een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende

cocaïne en/of (meth)amfetamine en/of heroïne en/althans (telkens) zijnde een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

en wel:

- in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 maart 2020 in een

schuur aan de [adres 1] te [plaats 1] (zaaksdossier 02), en/of

- in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 in een

schuur/loods aan de [adres 2] te [plaats 2] (zaaksdossier 03);

3

hij op een of meer (nader te noemen) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of elders

in Nederland en/althans elders tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens)

- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of

- vervaardigd, en/of

- in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)(en) bevattende

methamfetamine en/of cocaïne, en/althans (telkens) zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet

en wel:

- op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maanden april 2020 en/of mei

2020 in totaal circa 40,379 kilogram cocaïne (26Donau, zaaksdossier 04);

4

hij op een of meer nader te noemen tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021, te Rotterdam en/of Amsterdam en/of elders in

Nederland en/of elders

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen,

althans eenmaal

(van) een of meer geldbedrag(en), te weten:

- in of omstreeks de periode van 24 april 2020 en/of 15 mei 2020 een of meer

geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van circa 8.522.581,-- euro, in elk geval enig(e)

geldbedrag(en), (zaakdossier 4), en/of

- in of omstreeks de periode van 16 mei 2020 tot en met 22 mei 2020 een of meer

geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van circa 1.040.001,-- euro, in elk geval enig(e)

geldbedrag(en), (zaakdossier 4)

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die

geldbedrag(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden

had(den)

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist (en) dat dat/die geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

lid 1

- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3. De bewijsmotivering

Inleiding

Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.

Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.

De organisatie zou de beschikking hebben gehad over drugslaboratoria in [plaats 1] en [plaats 2] , waar Mexicaanse leden van de organisatie werkzaam waren, vanwege hun specifieke kennis van onder meer het productieproces. Kiloblokken cocaïne die uit deze laboratoria afkomstig zouden zijn, zouden worden voorzien van logo's/stempels en worden ondergebracht in een ‘safehouse’ in een verborgen ruimte. Wanneer de organisatie een afnemer voor de cocaïne zou hebben, zouden de blokken uit het safehouse worden gehaald en op straat worden overgedragen in ruil voor contant geld. De verdovende middelen en het geld zouden worden vervoerd in voertuigen met een verborgen ruimte. Binnen het onderzoek 26Donau/26Wayne is zicht gekregen op een ‘safehouse’ aan de [adres 3] . Tijdens een inval door de politie op 11 maart 2021 is daar een aantal verdachten aangehouden en zijn onder meer hoeveelheden cocaïne, contant geld en wapens in beslag genomen.

Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.

Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie gezien als een persoon die als lid van een criminele organisatie strafbare betrokkenheid heeft gehad bij de drugslaboratoria en bij meerdere geldoverdrachten. Zo zou hij na het afbranden van het lab in [plaats 1] tickets hebben geregeld voor de terugreis van personen die hebben meegewerkt aan- of in het lab en zich daarna samen met Mexicaanse verdachten hebben beziggehouden met het verkrijgen en het in werking stellen van een nieuw drugslab in [plaats 2] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3 en 4 (de beschreven transacties opgenomen onder de letters h en i) ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient vrijgesproken te worden van de onder feit 4 beschreven transacties opgenomen onder de letters a tot en met g en j. Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie kan een bewezenverklaring volgen voor deelname in de periode 1 november 2018 tot en met 1 juni 2021.

Het oordeel van de rechtbank

Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van de feiten, worden eerst de identificaties van de verschillende EncroChat-accounts besproken. Daarna zal de rechtbank de feiten 2, 4 en 3 bespreken, waarna zij in zal gaan op feit 1 (de criminele organisatie).

De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast, waarbij in de voetnoten zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen.

Identificaties van de EncroChat-accounts

Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-data. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende verdachten gebruik hebben gemaakt van telefoontoestellen waarop deze dienst geïnstalleerd was. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd. In het geval van EncroChat werd gebruik gemaakt van een nickname eindigend op @encrochat.com. De vraag die in deze zaak en in de zaken van verschillende medeverdachten moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie het Openbaar Ministerie in dit onderzoek de vervolging heeft ingesteld, te identificeren zijn als de gebruikers van de aan ieder van hen toegeschreven accounts.

De EncroChat-berichten in het dossier worden weergegeven in UTC-tijd, wat inhoudt dat het in de periode van 29 maart 2020 tot 25 oktober 2020 (zomertijd) in Nederland twee uren later was dan de weergegeven UTC-tijd. Wanneer hierna over tijden wordt gesproken, is dat omgerekend naar de Nederlandse tijd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de nickname ‘ [accountnaam 25] ’, medeverdachte [medeverdachte 2] van de nicknames ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’, medeverdachte [medeverdachte 1] van de nicknames ‘ [accountnaam 4] ’ en ‘ [accountnaam 5] ’, medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) van ‘ [accountnaam 6] ’, medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) van de nickname ‘ [accountnaam 7] ’, medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) van de nickname ‘ [accountnaam 8] ’, medeverdachte [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) van de nickname ‘ [accountnaam 9] ’, medeverdachte [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) van de nickname ‘ [accountnaam 10] ’, medeverdachte [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) van de nicknames ‘ [accountnaam 11] en ‘ [accountnaam 12] ’, medeverdachte [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) van de nickname ‘ [accountnaam 13] ’

Bij de verdere bespreking van het bewijs gaat de rechtbank steeds uit van de bovenstaande identificaties en zal de rechtbank verdachte aanduiden als de gebruiker van de nickname [accountnaam 25] .

Feit 2, zaaksdossier 2 en 3

3.3.3.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aantreffen uitgebrand drugslaboratorium in [plaats 1]

Op 27 maart 2020 werd melding gedaan van een uitslaande brand in een schuur gelegen aan de [adres 1] in [plaats 1] . Bij deze brand deden zich meerdere krachtige ontploffingen voor. In de schuur was een laboratorium voor grootschalige productie van cocaïne gevestigd. Na de brand werden meerdere ketels en grondstoffen voor de productie van verdovende middelen en een grote hoeveelheid drugsafval aangetroffen. De kelder onder de loods bleek vol te staan met bluswater en chemicaliën. De aanwezige 28 schapen die in de schuur stonden, kwamen om het leven.

De EncroChat-gesprekken met betrekking tot (de brand in) het laboratorium

Op 26 maart 2020 spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] via EncroChat over problemen met de afzuiginstallatie, waarbij [medeverdachte 2] zei dat een reparateur de reparaties zelf had uitgevoerd en dat het echt gevaarlijk was. [medeverdachte 2] sprak ook over ‘the lams’ (de schapen). Op diezelfde dag stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] dat er nog niets uitgekomen was en dat ze nog niet klaar waren. Het werkte volgens [medeverdachte 2] nu. [medeverdachte 2] wilde de volgende ochtend ‘100’ afleveren. Hij wilde dan ‘materials’ meenemen. [medeverdachte 3] vroeg aan de gebruiker van het Encrochat-account [accountnaam 14] @encrochat.com (hierna: [accountnaam 14] ) of hij wist hoeveel er morgenvroeg ongeveer weg zouden gaan/uit zouden komen.

Even later stuurde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] dat hij morgen rond 4:00 uur bij [medeverdachte 4] in moest stappen om ‘100’ bij [naam 1] te halen. Direct hierna stuurde [medeverdachte 2] een bericht naar de gebruiker van het account [accountnaam 15] @encrochat.com (hierna: [accountnaam 15] ). [accountnaam 15] moest er voor zorgen dat morgenochtend om 4:00 uur 100 kilo gereed zou staan, omdat [medeverdachte 4] en ‘ [alias 1] ’ (de rechtbank begrijpt: het Encrochat-account van [medeverdachte 5] ) dit op kwamen halen. Diezelfde dag gaf [accountnaam 14] kennelijk antwoord op de eerdere vraag van [medeverdachte 3] hoeveel er morgenvroeg ongeveer weg zouden gaan/uit zouden komen. [accountnaam 14] noemde ‘[code 1] ’. [accountnaam 14] gaf dit op 27 maart 2020 ook door aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] gaf aan dat hij in het bezit was van een stempel van ‘hun’ en dat [medeverdachte 4] die mee zou nemen naar het lab. [accountnaam 14] zei: ‘110 is 81 geworden’, waarop [medeverdachte 5] antwoorde: ‘vorige keer kwam er meer uit of niet’.

Op 27 maart 2020 was [medeverdachte 4] om 04:09 uur bij [medeverdachte 5] . [accountnaam 15] bevestigde aan [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] waren geweest en weer weg waren. [medeverdachte 2] bracht [medeverdachte 3] om 09:03 uur op de hoogte van het verloop en zei dat ‘ [alias 2] ’ eraan zou komen met ‘81’ en dat er ‘100’ gebracht was. Daarna zei hij tegen [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 4] eraan zou komen met ‘handel’. Om 13:55 uur vroeg [medeverdachte 3] aan [accountnaam 14] : ‘broer van wat jullie produceren van die gekomen zijn wil je op de helft daarvan de stempel van de beer zetten’. [medeverdachte 3] wilde daarnaast het gewicht weten van wat er was gebracht die dag. [accountnaam 14] antwoordde ‘Zuiver/netto 100’.

Door [medeverdachte 6] werd via EncroChat om 21:40 uur een foto verstuurd naar [medeverdachte 1] met daarop een wit blok. Op dit blok stond de stempel ‘380’. De gebruiker van het account met de nickname ‘ [accountnaam 16] ’ stuurde om 18:51 uur een foto van een blok met daarop de stempel ‘PP1’ naar [medeverdachte 2] .

Om 21:41 uur zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 3] dat er brand was geweest, dat ‘ze’ waren gevlucht en dat hij [medeverdachte 3] wil zien. Vervolgens stuurde hij een foto van de brandende loods naar [medeverdachte 3] . Hij was bang dat ‘ze’ allemaal op straat zouden worden opgepakt. [medeverdachte 3] stuurde ‘I am at [alias 8] place…’ en zei dat hij op hem wachtte. [medeverdachte 3] gaf vervolgens om 21:50 uur aan gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam 17] @encrochat.com (hierna: [accountnaam 17] ) door dat de ‘rancho’ verkloot was en dat [accountnaam 17] voorzichtig moest zijn met het geld, geen enkele uitgave moest doen en dat er problemen waren of zouden gaan komen. Om 23:11 uur hadden [medeverdachte 3] en [verdachte] contact met elkaar over de brand in het lab en stuurde [medeverdachte 3] twee foto's ter bevestiging. Hij stuurde onder andere een foto door die hij van [medeverdachte 2] ontving. [verdachte] vroeg hoe het met de [alias 14] ging, waarop [medeverdachte 3] antwoordde dat het nog niet duidelijk was, dat er veel politie was en dat hij hierdoor in de stress raakte.

Op 28 maart 2020 spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] elkaar vanaf 07:12 uur over de brand en over de personen die uit het laboratorium waren gevlucht. Ze probeerden deze personen te vinden en ergens onder te brengen. Door beiden werden auto’s gestuurd. [medeverdachte 2] gaf het adres door aan [medeverdachte 3] en noemde dit ‘ [plaats 1] ’. Om 08:15 uur vroeg [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] of hij een ‘ooso’ (huis) had voor vier mannen om te slapen. [medeverdachte 6] stuurde het adres [adres 4] . [medeverdachte 6] zou de vier mannen daar opwachten. [medeverdachte 2] gaf dit adres vervolgens door aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] vertelde aan [medeverdachte 6] dat ‘ons boerderij’ gisteren is afgebrand.

Bij een politiecontrole op 28 maart 2020 werden op de Philipsdam twee Mexicaanse mannen, genaamd [naam 2] en [naam 3] , aangetroffen. Zij vroegen om een lift naar Rotterdam. Op diezelfde dag vond er een verkeerscontrole plaats op de A13 ten gevolge van een ANPR-hit. In het voertuig zaten drie personen. De bestuurder was [medeverdachte 5] . Op de achterbank werden twee Mexicaanse mannen aangetroffen, namelijk de eerder op de Philipsdam aangetroffen [naam 2] en een man genaamd [naam 4] . In het navigatiesysteem stond als meest recente locatie de [adres 4] .

Tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] werd vervolgens gesproken over een politiecontrole en de gevluchte personen. [medeverdachte 3] vertelde aan [medeverdachte 2] : ‘al are freee’. [medeverdachte 2] vertelde dat er maar twee tegelijk vervoerd mochten worden, gezien de toen geldende coronamaatregelen. [medeverdachte 2] was bezig met het regelen van vervoer voor [accountnaam 18] . [accountnaam 18] betreft vermoedelijk [naam 3] . [naam 3] was eerder aangetroffen op de Philipsdam samen met [naam 2] . Daarnaast was hij op 16 juni 2019 te zien op beelden van een politiecamera in de loods aan de [adres 5] .

Op 29 maart 2020 hadden de EncroChat-gebruikers [accountnaam 19] @encrochat.com (geïdentificeerd als [medeverdachte 10], hierna: [medeverdachte 10] ) en [accountnaam 20] @encrochat.com contact met elkaar. [medeverdachte 10] vertelde dat [medeverdachte 2] tien dagen mocht werken in de boerderij en dat er een explosie had plaatsgevonden. [medeverdachte 2] had daardoor 100 kilogram base verloren.

Op 30 maart 2020 stuurde [medeverdachte 4] naar de gebruiker van het account [accountnaam 21] @encrochat.com (hierna: [accountnaam 21] ): ‘Vrijdagavond de hele locatie plat gebrand.. Vrijdag morgen 200 kilo base gebracht.. Gelukkig geen doden.. En iedereen veilig terug gekomen’. Vervolgens stuurde hij: ‘Ik deed alle aanvoer van alles.. En alles regelen.. Was er nog die dag.. Maar als je alles in rook op ziet gaan na zoveel werk’ en ‘Iedereen veilig thuis gekomen.. Ze rennend er vandoor gegaan.. Echt mazzel.. 20.000 liter chemicaliën stonden er ook.. Lekker fikkie’. Ook stuurde hij: ‘Heb mijn mail op nieuwe encro laten zetten. Deze kunnen ze met die locatie neer zetten.. Dit toestel is daar nooit geweest’.

Op 5 mei 2020 vinden EncroChat-gesprekken plaats tussen [verdachte] en nn-midcalm. [verdachte] stuurde dat hij een vlucht aan het zoeken is voor de jongens. Dat hij nog geen tickets heeft voor ‘ [alias 3] ’, ‘ [alias 4] ’, ‘ [alias 5] ’ en hemzelf. Van [alias 3] , [alias 4] en [alias 5] is het bij het onderzoeksteam bekend geworden dat deze personen in het lab in [plaats 1] werkzaam zijn geweest.

EncroChat-gesprekken over een nieuw laboratorium

Op 29 en 30 maart 2020 voerden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] EncroChat-gesprekken over een nieuw op te zetten laboratorium. Uit deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 2] twee opties had voor een nieuw laboratorium: een laboratorium dat al in werking was of een varkensboerderij. Kort daarna vertelde hij dat de varkensboerderij niet meer beschikbaar was, maar dat zijn contact mogelijk nog een andere locatie had en met een boer ging praten. Op 29 maart 2020 informeerde [medeverdachte 2] bij de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam 22] @encrochat.com naar de levertijd van nieuwe ketels.

Op 3 april 2020 gaf [verdachte] via EncroChat aan [accountnaam 23] door dat een derde persoon aan ‘ [alias 6] ’ minimaal ‘120’ moest vragen om daar te kunnen beginnen. [accountnaam 23] gaf aan dat ze het aan ‘ [medeverdachte 2] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) moesten vragen. Vervolgens stuurde [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat hij met ‘ [alias 7] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7]) in gesprek was en dat hij alleen de plek van de vorige keer kon krijgen. Er moest een lening van ongeveer ‘130’ worden geregeld. [accountnaam 23] zei tegen [verdachte] dat het aan [medeverdachte 2] gevraagd moest worden, omdat het ‘hun verantwoordelijkheid’ was. In verschillende chatgesprekken werd door [verdachte] , [medeverdachte 3] en [accountnaam 23] gesproken over de benodigde investeringen in het nieuwe laboratorium: opbouwkosten, het weghalen van afval en het brengen van eten. Ze spraken onder meer over filters, verbetering van het systeem met in- en uitvoer van lucht en siliconen op magnetrons. Waarna [accountnaam 23] naar [verdachte] stuurde ‘zodat niet meer gebeurd wat ons vorig keer is overkomen’.

Op diezelfde dag stuurde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] dat het geld er voor maandag moest zijn en dat hij het aan [medeverdachte 7] moest geven. Volgens [medeverdachte 2] was dit geen probleem. In een gesprek van 3 april 2020 stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat ze ‘130.000’ gingen lenen aan ‘ [alias 8] ’ (de rechtbank begrijpt: [verdachte] , nu ‘ [alias 8] ’ een bijnaam is van [verdachte]), dat ze op dezelfde plek gingen werken als de vorige keer en dat ze volgende week zouden starten. [medeverdachte 1] ging akkoord. Dit geldbedrag is een investering voor het drugslab dat gerund gaat worden door [medeverdachte 7] . Op 5 april 2020 stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat hij niet moest vergeten dat morgenvroeg ‘ [alias 9] ’ zou komen ‘voor 130’. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 2] of ‘ [alias 9] ’ bij de Lidl kon komen, daar waar hij altijd kwam. [medeverdachte 2] instrueerde [medeverdachte 5] vervolgens dat hij met de auto naar de Turk moest gaan. De turk ging ‘130.000’ geven, die de volgende dag aan de Colombiaan zou worden gegeven. [medeverdachte 5] moest het geld naar ‘ [alias 10] ’ brengen om het te tellen. Ongeveer twee uren later stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 5] daar was. [medeverdachte 5] stuurde kort daarna naar [medeverdachte 2] dat hij weer thuis was. De volgende ochtend gaf [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] de opdracht om het geld in de [adres 6] aan ‘de Dominicaan’ over te dragen. Kort daarna zei [medeverdachte 5] tegen [medeverdachte 2] dat het ‘safe’ was. Volgens [medeverdachte 5] had de Turk gisteren 129.900 gegeven.

Uit EncroChat-gesprekken volgt dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] bezig waren met de opbouw van het laboratorium. Ze spraken onder meer over aansluitingen voor krachtstroom, voor de pers en de mixer. [medeverdachte 8] zei daarnaast tegen de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam 24] @encrochat.com dat er 6 ‘colos’ (de rechtbank begrijpt (Colombianen) klaar stonden om te werken.

Op 6 april 2020 stuurde [medeverdachte 9] een groot aantal foto’s naar [medeverdachte 8] van verschillende soorten jerrycans met chemicaliën.

Op 8 april 2020 stuurde [medeverdachte 7] naar [accountnaam 23] dat alles gereed was om te draaien en dat iedereen op 12 april 2020 naar binnen kon om te beginnen. Het enige wat nog gedaan moest worden was ‘het laten komen van de base’. Volgens [medeverdachte 7] kwam er ‘100’. Op 13 april 2020 zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 3] dat hij om 6:00 uur ‘100’ zal geven.

Op 15 april 2020 vroeg [accountnaam 23] aan [medeverdachte 7] hoe het afgelopen was. [medeverdachte 7] gaf aan dat het goed was gegaan en dat het eerste monster er uit gekomen was. Hij stuurde vervolgens een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘BSB’. [medeverdachte 7] zei dat hij de andere 100 ging regelen voor de volgende dag. Diezelfde avond stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] dat ze morgen om 18:00 uur ‘100 base’ gingen geven, omdat [medeverdachte 7] hier om had gevraagd. Op 16 april 2020 stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] dat hij morgenochtend nog eens 100 ging geven.

Op 17 april 2020 stuurde [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 8] dat hij alleen 80 stuks hoefde te produceren en dat het gisteren niet lukte. De hydrochloride die [medeverdachte 8] had geleverd, was moeilijk te verwerken. Het ‘spul’ werd geel. Vandaag probeerden ze het af te krijgen. Diezelfde dag stuurde ook [medeverdachte 9] naar [medeverdachte 8] dat de base niet zo goed was en dat ze een verlies van 20% hadden. Op 24 april 2020 zei [medeverdachte 7] dat er van de 100 base maar 85 of 90 uit kwam en dat de materialen niet goed waren. [medeverdachte 8] gaf aan dat deze mensen het zouden moeten weten, omdat ze op de eerste locatie – waar vuur is geweest – ook hebben geproduceerd. [medeverdachte 7] gaf vervolgens aan dat ze daar dezelfde problemen hadden. Daar maakten ze van 100 base maar 81.

Op 2 mei 2020 stuurde [medeverdachte 7] naar [accountnaam 23] dat hij naar de boerderij moest, omdat het de laatste dag was. Op 5 mei 2020 vroeg [accountnaam 23] aan [medeverdachte 7] of hij foto’s had van het materiaal dat al weg was gegaan. [medeverdachte 7] stuurde een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘636’. [medeverdachte 7] stuurde dat ze ‘die’ voor de Marokkanen hadden gedaan. Vervolgens stuurde [medeverdachte 7] nog een foto van een wit blok met daarop de stempel van ‘marshmallow’ en een foto van meerdere blokken voorzien van stempel ‘636’. In een gesprek van 4 mei 2020 spraken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] over ‘base’ en ‘BSB’. Bij de laatste levering kwam [medeverdachte 2] ‘2 BSB’ tekort. Dit was de laatste levering die ze gemaakt hadden.

Op basis van de chats tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] , de foto’s die door [medeverdachte 9] waren verstuurd en het feit dat de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 9] in april veelvuldig telefoonmasten in de omgeving van [plaats 2] aanstraalde, werd door verbalisanten vastgesteld dat de locatie van het drugslaboratorium de [adres 2] in [plaats 2] moest zijn. Op die locatie werd op 12 januari 2021 een ‘slapend laboratorium’ aangetroffen. De ruimte was dusdanig ingericht dat hij opnieuw gebruikt kon worden voor de productie van verdovende middelen.

Op die locatie werd een soortgelijke grijskleurige vloer met hooi of mest met daarachter een groenkleurige schuur gezien als op de door [medeverdachte 9] verstuurde foto’s. Ook werd in de chats gesproken over vaten en jerrycans in een container. Op de locatie werd een onder camouflagenetten verstopte zeecontainer aangetroffen, die direct verbonden was met de schuur. Tijdens de doorzoeking in de loods werden door de forensische opsporing foto’s gemaakt. De foto van jerrycans met chemicaliën die [medeverdachte 9] naar [medeverdachte 8] stuurde, kwam overeen met de foto die door de forensische opsporing werd gemaakt.

Op 23 maart 2021 werd op een afstand van 40 meter van de loods een afgedekte put aangetroffen die is gebruikt bij het illegaal lozen van verdovende middelen. In de put zijn chemicaliën geloosd die in de aangetroffen samenstelling worden gebruikt bij het uitwassen van cocaïne.

3.3.3.2 Overwegingen

Vaststelling dat het om cocaïne gaat

In de Encrochat-gesprekken met betrekking tot het laboratorium in [plaats 1] werd op de vraag van [medeverdachte 2] ‘hoeveel er morgen uit zou komen’ geantwoord dat dit er 39 met de stempel PP1 en 42 met de stempel 380 zouden zijn. Daarnaast werden door onder meer [medeverdachte 6] foto’s verstuurd met daarop witte samengeperste blokken met de ingeperste logostempels PP1 en 380. Met betrekking tot het nieuwe laboratorium in [plaats 2] werden ook foto’s verstuurd van witte samengeperste blokken met daarop de stempels 636 en BSB. Daarnaast is door Forensische Opsporing vastgesteld dat in een put op zeer korte afstand van de schuur in [plaats 2] chemicaliën zijn aangetroffen die gebruikt worden voor het uitwassen van cocaïne.

Het is algemeen bekend dat met een ‘blok/stuk’ één kilo cocaïne wordt bedoeld. Cocaïne wordt doorgaans na de productie in blokken van één kilo per stuk samengeperst, verpakt en vervoerd. Daarnaast werd in de EncroChat-gesprekken met betrekking tot beide locaties door verdachten gesproken over (aan) cocaïne (gerelateerde zaken). Een voorbeeld hiervan is dat er werd gesproken over het leveren van honderden kilo’s base voor het drugslaboratorium. De base is noodzakelijk voor de productie van (snuif)cocaïne.

De rechtbank is gezien het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is van cocaïne. De aanwezigheid/productie van (meth)amfetamine in de laboratoria in [plaats 1] en [plaats 2] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Betrokkenheid en rol van verdachte bij dit feit en medeplegen

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen aan een delict, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Deze samenwerking kan in sommige gevallen afgeleid worden uit een gezamenlijk plan of gezamenlijk optreden. Het begrip samenwerking heeft ook een intentionele betekenis; uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen kan in bepaalde gevallen het doelgerichte karakter worden afgeleid en daarmee ook de gezamenlijke intenties van de betrokken verdachten om het doel te verwezenlijken.

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat uit de EncroChat-gesprekken volgt dat verdachte een substantiële rol en financieel belang had bij de laboratoria. Wat betreft [plaats 1] had hij betrokkenheid bij het laboratorium en had hij kennis wie daar aan het werk waren. Zo regelde hij onder andere de tickets voor de terugreis naar Mexico van de personen die werkzaam waren in het laboratorium in [plaats 1] . Bovendien sprak hij met [accountnaam 23] , in de periode van [plaats 2] , erover dat er niet weer mocht gebeuren wat hen eerder is overkomen. De rechtbank begrijpt uit de context van dit gesprek dat gesproken werd over de brand in het laboratorium van [plaats 1] . Gelet op dit gesprek en zijn betrokkenheid bij het drugslab in [plaats 2] , wijst dit ook op nauwe betrokkenheid van verdachte bij het drugslab in [plaats 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat het drugslaboratorium in [plaats 2] door een aantal personen is opgestart na de brand in [plaats 1] . Op verzoek van verdachte en [medeverdachte 3] investeerde [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] een groot geldbedrag in het drugslaboratorium in [plaats 2] . In chatgesprekken die verdachte met [medeverdachte 3] en [accountnaam 23] voerde, werd gesproken over de benodigde investeringen in het nieuwe laboratorium en een daarvoor benodigde lening. In dit nieuwe laboratorium is de productie van cocaïne vervolgens verder gegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook een belangrijke (organiserende) rol gespeeld bij de werkzaamheden ten behoeve van de productie van verdovende middelen in de laboratoria in [plaats 1] en [plaats 2] .

Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door onder meer verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bij de productie van cocaïne in [plaats 1] . Daarnaast blijkt van een gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door onder meer verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 8] bij de productie van cocaïne in [plaats 2] . Uit onder meer de telefonische contacten en de onderlinge taakverdeling blijkt dat zij allen een cruciale rol binnen het geheel hadden en ieder een onmiskenbare schakel vormden bij de opbouw en de inrichting van het laboratorium, de productie en het vervoeren/afleveren van cocaïne(base).

Als één van de verdachten zou wegvallen, zou dat gevolgen hebben voor het al dan niet slagen van de productieprocessen. Een nauwe en bewuste samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank daarmee gegeven. Daarom kunnen de gedragingen van verdachte worden gekwalificeerd als medeplegen.

3.3.3.3 Het oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde

De rechtbank is naar aanleiding van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van cocaïne in de drugslaboratoria in [plaats 1] en [plaats 2] . Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en het aanwezig hebben van die cocaïne.

Feit 4, zaaksdossier 4

3.3.4.1 Feiten en omstandigheden

Uit het onderzoek 26Lemont naar – de op dat moment onbekende – ‘ [accountnaam 25] ’ volgt dat hij op 16 mei 2020 via EncroChat een aantal foto's heeft gestuurd naar [accountnaam 23] . [accountnaam 23] blijkt in Mexico te verblijven en ‘ [accountnaam 25] ’ ( [verdachte] ) verbleef op dat moment nog in Nederland. [verdachte] is diezelfde avond nog vanuit Nederland naar Mexico vertrokken.

Op 16 mei 2020 stuurde [verdachte] elf foto's van handgeschreven documenten naar [accountnaam 23] . Op deze documenten werd kennelijk een administratie bijgehouden van onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] . Zo werd [medeverdachte 2] op de documenten aangeduid met de letter ' [alias 6] ' en [medeverdachte 7] met de letter ' [alias 11] '.

[medeverdachte 7] heeft vanaf 24 april tot en met 15 mei in totaal € 8.522.581 afgedragen. ‘ [alias 11] ’ heeft namelijk volgens de informatie op de foto van de documenten op 24 april € 500.000,00, op 28 april € 1.000.000,00, op 29 april € 500.000,00, op 1 mei € 500.000,00 en € 700.000,00, op 4 mei € 1.000.000,00, op 7 mei € 1.000.000,00, op 8 mei € 1.000.000,00, op 13 mei tweemaal € 500.000,00 en op 15 mei € 1.000.000,00 en € 322.581,00 afgedragen.

Uit de foto’s 3 tot en met 6 volgt dat in de administratie bedragen werden benoemd met bijbehorende cijfers, hetgeen overeenkomstig is met de aantallen kilo's en de bijbehorende prijzen/kosten. De prijs van een kilo betrof vermoedelijk € 24.000. Betalingen waren veelal voorzien van datum, tokencode en (bij)naam.

Op foto 10 en foto 11 is ook de administratie van [alias 7] ( [medeverdachte 7] ) weergegeven. Hieruit volgt dat aan hem in totaal 485 kilo verdovende middelen is toegekend en dat hij nog een schuld had openstaan van € 1.203.419.

Op foto 12 is zichtbaar dat [medeverdachte 7] op 16 mei € 483.871,00, op 21 mei € 132.258,00, op 22 mei € 306.452,00 en op 22 mei € 117.420,00 heeft afgedragen. In totaal betrof dit een bedrag van € 1.040.001,00. Er stond nog een bedrag open van € 163.418,00 dat [medeverdachte 7] moest betalen.

Op 16 mei 2020 vroeg [accountnaam 23] aan [verdachte] of [medeverdachte 7] en [naam 5] ‘ZD111 heeft gegeven’. [verdachte] bevestigde dat [medeverdachte 2] het gegeven heeft en stuurde een foto naar [accountnaam 23] met daarop een bestand waarin staat dat 1.000.000,00 op 15 mei 2020 is afgedragen met serienummer [nummer 1] . Daarna stuurde [verdachte] een foto naar [accountnaam 23] waarop een token stond afgebeeld zijnde een 5 euro biljet voorzien van het serienummer [nummer 2] .

Op de administratielijst van ' [alias 7] ' die [verdachte] op 25 mei om 14.23 uur naar [medeverdachte 7] heeft gestuurd stond een geldoverdracht die heeft plaatsgevonden op 22 mei. Naast het bedrag van € 950.000.000,00 stond er ook de tokencode [code 2] . Het bedrag van € 950.000.000,00 werd gedeeld door 3100 waarna het bedrag van € 306.452,00 op de lijst werd afgeschreven. Om 14.14 uur, net voordat deze administratielijst door [verdachte] aan [medeverdachte 7] werd gestuurd, stuurde [medeverdachte 7] een foto naar [verdachte] met daarop afgebeeld een bankbiljet van 5 miljoen Colombiaanse pesos. Op het biljet stond geschreven ‘Mei 22-2020, 950.000.000’. Het serienummer van het biljet kwam overeen met het serienummer op de administratielijst.

Overwegingen en het oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde

Ten eerste is aan verdachte ten laste gelegd het plegen van verbergingshandelingen of verhullingshandelingen in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen. Nu de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat verhullingshandelingen in de zin van dit artikel hebben plaatsgevonden, zal zij verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Verder is als alternatieve gedraging aan verdachte ten laste gelegd dat hij deze geldbedragen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of hiervan gebruikt heeft gemaakt als bedoeld in artikel 420bis,eerste lid, onder b, Sr. Voor een bewezenverklaring van deze gedraging(en) is het in de eerste plaats relevant of aannemelijk is dat de voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf en vervolgens of die voorwerpen onmiddellijk dan wel middellijk afkomstig zijn uit dat misdrijf. Van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen is onder meer sprake indien de voorwerpen de opbrengst uit eigen misdrijf betreffen of de buit van een door de verdachte begaan vermogensdelict.

De rechtbank acht bewezen dat de contante geldbedragen die verdachte heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft (laten) overgedragen, afkomstig zijn van eigen misdrijf, omdat uit de bewijsmiddelen evident blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in harddrugs. Tevens is van legale inkomsten niet gebleken.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001) blijkt dat voor de strafbaarheid van het verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen, moet blijken dat naast het bewezen verklaarde verwerven en voorhanden hebben ook sprake is geweest van een gedraging van verdachte die gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen. In het bijzondere geval dat het overdragen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin verdachte onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, is eveneens voor de strafbaarheid daarvan een gedraging vereist die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen gericht karakter heeft (HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714).

Op grond van het dossier heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte een gedraging heeft verricht die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen gericht karakter heeft. Om die reden kunnen de ten laste gelegde gedragingen weliswaar worden bewezen verklaard, maar levert de bewezenverklaring niet het strafbare feit van artikel 420bis, eerste lid 1, onder b, Sr op en zal ontslag van alle rechtsvervolging volgen ter zake van witwassen.

De rechtbank overweegt dat in dit geval wel sprake zou kunnen zijn van de met een aanzienlijk lichter strafmaximum bedreigde delicten van eenvoudig witwassen of eenvoudig schuldwitwassen als bedoeld in de artikelen 420bis.1 Sr en 420quater.1 Sr. Deze delicten zijn evenwel niet ten laste gelegd.

Ten slotte is aan verdachte onder dit feit alternatief de opzetheling van de geldbedragen ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat ook de daarop betrekking hebbende feitelijke gedragingen op zichzelf wel bewezen verklaard kunnen worden, maar deze bewezenverklaring niet het strafbare feit van artikel 416, eerste lid, Sr oplevert. In het wettelijke systeem heeft het delict heling immers het karakter van een begunstigingsdelict, zodat moet worden aangenomen dat de kwalificatie voor dit delict is uitgesloten wanneer aannemelijk is dat verdachte de misdrijven waarmee de voorwerpen zijn verkregen, zelf (mede) heeft begaan. Om die reden zal ook ontslag van alle rechtsvervolging volgen ter zake van opzetheling.

Feit 3, zaaksdossier 4

Uit de hiervoor onder ‘3.3.4.1 Feiten en omstandigheden’ genoemde administratie die door verdachte aan [accountnaam 23] op 16 mei 2020 verstuurd werd, volgt dat [medeverdachte 7] 485 kilo heeft gekregen en ‘ [alias 6] ’ ( [medeverdachte 2] ), [alias 12] (is onbekend) en ‘ [alias 11] ’( [medeverdachte 3] ) in totaal 361,111 (kilo). Verder had [medeverdachte 7] nog een schuld openstaan van € 1.203.419 en [alias 6] / [alias 12] , [alias 11] van

€ 1.000.639,00. Op foto 7 van de administratie is weergegeven dat aan ‘ [alias 13] ’ 60 kilo verdovende middelen werd toegekend. [alias 13] is geïdentificeerd als verdachte. Verdachte heeft volgens deze administratie uiteindelijk 40,379 kilo ontvangen en heeft een nog openstaande schuld van € 826.000,00.

Zoals reeds is gebleken volgt uit de foto’s 3 tot en met 6 dat in de administratie bedragen werden benoemd met bijbehorende cijfers, hetgeen overeenkomt met de aantallen kilo's en de bijbehorende prijzen/kosten. De prijs van een kilo betrof vermoedelijk € 24.000.

In een chat tussen twee andere subjecten binnen dit onderzoek werd gesproken

over de prijs van BSB. Op een via de EncroChat verzonden foto (nr. 13) is te zien dat daarmee een blok cocaïne werd bedoeld met daarop het stempel BSB. Ook zijn er foto's verstuurd van dergelijke blokken. In deze chat werd gesproken over een prijs van 24.500 en 25. Volgens de verbalisanten kan daarom gesteld worden dat het bedrag van € 24.000 die voorkomt in de verschillende administraties de prijs voor een kilo cocaïne betrof.

Uit de administratie volgt vervolgens dat er in totaal 1.566,125 kilo cocaïne is verstrekt aan de diverse personen, waarvan 40,379 kilo aan verdachte.

Gelet op deze feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021 40,379 kilogram cocaïne heeft verworven en voorhanden heeft gehad. De rechtbank heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat verdachte betrokken is geweest bij twee drugslaboratoria, waarbij op grote schaal cocaïne is geproduceerd. De rechtbank zal verdachte voor de overige ten laste gelegde handelingen vrijspreken, nu de rechtbank deze handelingen niet heeft kunnen vaststellen.

Feit 1, zaaksdossier 1

Beoordelingskader

Aan verdachte is ook ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet en als bedoeld in artikel 140 Sr.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een organisatie in de zin van artikel 140 Sr en artikel 11b Opiumwet moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Er dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle anderen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

Voor deelneming aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven (in dit geval drugsgerelateerde misdrijven, witwassen en valsheid in geschrifte) tot oogmerk heeft.

Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van bovengenoemde misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van een verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op.

Overwegingen

Over het bestaan van een criminele organisatie, de structuur daarvan en de bijdrage van verdachte daaraan overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] beiden een netwerk van personen om zich heen hadden die in hun opdracht drugsgerelateerde werkzaamheden verrichtten. Zij werkten met hun netwerk nauw samen met een groep Mexicaanse en Colombiaanse verdachten – waaronder verdachte – die ervoor zorgden dat cocaïne-base vanuit Mexico via Spanje naar Nederland werd verscheept. Vanuit Mexico werden leden van die groep naar Nederland gestuurd om hier te werken in verschillende drugslaboratoria. Samen met de leden afkomstig uit Mexico werd de cocaïne-base in verschillende laboratoria in Nederland bewerkt tot een eindproduct.

Binnen het netwerk van Nederlandse en Mexicaanse verdachten werd gecommuniceerd via crypto-telefoons. Dat sprake was van een duidelijke structuur, maar ook van hiërarchie blijkt onder meer uit de gang van zaken bij de verkoop/overdrachten van de cocaïne. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] elk de medeverdachten in hun eigen lijn instrueerden over de dag, het tijdstip en de plaats van de overdracht, het voertuig waarin werd gereden en de code voor de overdracht.

Verder informeerde [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 3] over de laboratoria en het in ontvangst nemen en overdragen van contante geldbedragen en stonden zij nauw in contact met elkaar. Na de brand in het drugslaboratorium in [plaats 1] zorgden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] voor het onderbrengen van de Mexicanen die werkzaam waren in het laboratorium. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stuurden in dit kader beide andere personen aan om de Mexicaanse mannen naar een door hen georganiseerd verblijfsadres te vervoeren. [medeverdachte 3] informeerde verdachte over de brand in [plaats 1] en maakte zich zorgen om de hoeveelheid politie. Verdachte vroeg vervolgens aan hem hoe het met ‘ [alias 14] ’ ging. Later stuurde verdachte via EncroChat dat hij een vlucht aan het zoeken is voor de jongens ‘ [alias 3] ’, ‘ [alias 4] ’,‘ [alias 5] ’ waarvan bekend is dat zij in het laboratorium in [plaats 1] hebben gewerkt. Verdachte heeft zich na de brand in [plaats 1] ook bezig gehouden met het verkrijgen en het in werking stellen van het nieuwe drugslaboratorium in [plaats 2] . Hij heeft hiervoor gesprekken gevoerd met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [accountnaam 23] over een lening om het nieuwe laboratorium te kunnen bekostigen. In [plaats 2] is vervolgens de productie van cocaïne voortgezet. Bij beide laboratoria stond verdachte nauw in contact met de Mexicaanse verdachten [medeverdachte 3] en [accountnaam 14] .

Uit EncroChat-gesprekken zijn ook duidelijke aanwijzingen naar voren gekomen die wijzen op criminele geldstromen. In de gesprekken werd veel gesproken over grote geldbedragen en overdrachten. Daarnaast is vastgesteld dat minimaal overdrachten van zeer grote geldbedragen hebben plaatsgevonden door bijvoorbeeld [medeverdachte 5] onder aansturing van [medeverdachte 2] en aanwijzing van [medeverdachte 3] en verdachte. Door de Mexicaanse verdachten werd een administratie bijgehouden van de handel in verdovende middelen en de betalingen daarvan. Zo stuurde verdachte immers op 16 mei 2020 meerdere foto’s naar de in Mexico verblijvende [accountnaam 23] met daarop handgeschreven administratie. Uit deze administratie kwam naar voren dat [medeverdachte 2] in mei 2020 in twee weken tijd rond de € 4.500.000,00 heeft overgedragen aan [medeverdachte 3] en verdachte. Verdachte was een spin in het web van de organisatie voor de financiële afhandelingen. Hij wist wie wat betaald had of nog verschuldigd was en communiceerde dit met [accountnaam 23] .

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het bovenstaande in dit geval sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, onder meer bestaande uit [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] en [accountnaam 23] dat tot oogmerk had het plegen van drugsgerelateerde misdrijven en het witwassen van daarmee verdiende geldbedragen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op de hoogte was van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven (de handel in verdovende middelen en het witwassen van grote geldbedragen). Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen van de hiervoor besproken feiten, is daarmee het oogmerk van de organisatie op het plegen van die misdrijven een vaststaand gegeven. Dat verdachte op de hoogte was van het criminele oogmerk van de organisatie is, mede gelet op zijn uitvoerende en organiserende rol, zijn betrokkenheid bij de drugslaboratoria in [plaats 1] en [plaats 2] en zijn betrokkenheid bij het witwassen van grote geldbedragen, en de aard van de door hem gevoerde gesprekken, evident.

Het oordeel ten aanzien van het ten laste gelegde

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 2 Opiumwet en artikel 420bis Sr, zoals dat ten laste is gelegd.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie zag op het plegen van het misdrijf valsheid in geschrifte en zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten laste is gelegd dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2021 zou hebben deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank zal deze periode wijzigen, in die zin dat deelgenomen is in de periode van 1 november 2018 tot en met 1 juni 2021. De betrokkenheid van verdachte in de periode vóór 1 november 2018 kan, op basis van het onderzoeksdossier, niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 november 2018 tot en met 1 juni 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in:

- artikel 2 van de Opiumwet, en

- artikel 420bis Wetboek van Strafrecht;

2

hij op nader te noemen tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 juni 2021 op nader te noemen plaatsen tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens

- opzettelijk bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en

- opzettelijk aanwezig gehad, en

- opzettelijk heeft vervaardigd,

hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne telkens zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, en wel:

- in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 maart 2020 in een schuur aan de [adres 1] te [plaats 1] , en

- in de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 in een schuur/loods aan de [adres 2] te [plaats 2] ;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021 in Nederland en/althans elders tezamen en in vereniging met anderen,

- vervaardigd, en/of

- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en wel:

- in of omstreeks de maanden april 2020 en/of mei 2020 in totaal circa 40,379 kilogram cocaïne;

4

hij op nader te noemen tijdstippen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2021, in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

van geldbedragen, te weten:

• in de periode van 24 april 2020 en/of 15 mei 2020 geldbedragen tot een totaalbedrag van circa 8.522.581,00 euro, en

• in de periode van 16 mei 2020 tot en met 22 mei 2020 geldbedragen tot een totaalbedrag van circa 1.040.001,00 euro,

Sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op die

geldbedragen was, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie die geldbedragen voorhanden

hadden

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

lid 1

- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 4 geoordeeld dat het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen respectievelijk opzetheling. Het bewezen verklaarde levert daarom geen strafbare feiten op. De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze feiten.

Het onder de overige feiten bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 140 Sr en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

de misdrijven: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;endeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2

de misdrijven: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

de misdrijven: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met onder andere de productie en het verhandelen van harddrugs in Nederland en met witwassen. Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte en medeverdachten laat in volle omvang zien welke negatieve effecten van dit soort misdrijven uitgaan. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. De handel in drugs gaat regelmatig gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweld, waarbij eventueel zelfs (zware) wapens worden gebruikt, en andere ondermijnende handelingen. Deze nadelige effecten zijn ook de reden dat op opiumwetdelicten forse straffen zijn gesteld.

Door het witwassen van criminele winsten is bovendien de onderliggende criminaliteit verhuld (en daarmee ook gefaciliteerd). Dit vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Verdachte heeft zich duidelijk niet om dit alles bekommerd, maar alleen oog gehad voor zijn eigen (financiële) belangen.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat de bewerking/productie van verdovende middelen, die vaak plaatsvindt in ‘drugslabs’, leidt tot ontploffings- en brandgevaar en schade aan het milieu. Terecht heeft de officier van justitie bij requisitoir stilgestaan bij de enorme milieuschade die is opgetreden in [plaats 2] , die voor Nederlandse begrippen van een ongekend omvang is en zes jaar na dato nog steeds in het nieuws komt. In de media wordt zelfs gesteld dat het de ‘grootste drugsput van Europa’ betreft. De sanering zal jaren in beslag nemen en miljoenen euro’s kosten, waarbij het maar zeer de vraag is of die kosten ooit verhaald kunnen worden op de personen die de schade hebben veroorzaakt.

Verdachte is voortvluchtig en heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Niet alleen de hiervoor omschreven negatieve effecten van drugshandel en witwassen, maar ook een opstelling zoals die van verdachte, die zich kennelijk onaantastbaar waant, leidt in de maatschappij tot een steeds luidere roep om strengere straffen in zaken als deze. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De redelijke termijn

De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft lang geduurd. Ondanks dat geen concreet aanvangsmoment kan worden vastgesteld, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden in strafverminderende zin.

De strafoplegging

Gelet op de aard en ernst van de feiten en de substantiële rol die verdachte daarin gedurende een langere periode heeft vervuld, is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is, ondanks dat de redelijke termijn is overschreden. Dat is ook in overeenstemming met de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de invoer van meer dan 20 kilogram harddrugs hanteert de rechtspraak, indien er sprake is van een organisatie, een oriëntatiepunt beginnend bij 72 maanden gevangenisstraf. Omdat verdachte ook wegens deelname aan een criminele organisatie wordt veroordeeld, acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven jaren in dit geval passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De gevangenneming

In de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de strafoplegging, en de aanwezigheid van gronden voor voorlopige hechtenis, ziet de rechtbank aanleiding om met onmiddellijke ingang de gevangenneming van de verdachte te bevelen. Deze beslissing is in een afzonderlijk bevel geminuteerd. Een kopie van dit bevel is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 57 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

de misdrijven: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;endeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2

de misdrijven: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

de misdrijven: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4

- verklaart dat het onder feit 4 bewezen verklaarde geen strafbare feiten oplevert en ontslaat verdachte hiervoor van alle rechtsvervolging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

gevangenneming

- beveelt de gevangenneming van de verdachte met ingang van heden, welk bevel apart is

geminuteerd en waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand