RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.140717.21 (P)
Datum vonnis: 22 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
5 maart 2026 en 22 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat in Duivendrecht, namens verdachte naar voren is gebracht. Verdachte is niet verschenen.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020, samen met anderen, opzettelijk, cocaïne, (meth)amfetamine en/of heroïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of aanwezig heeft gehad en/of vervaardigd (primair), dan wel in die periode, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van cocaïne (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 te [plaats 1]
,
(in een schuur/loods aan de [adres] )
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal (telkens)
- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig gehad, en/of
- opzettelijk heeft vervaardigd,
een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende
cocaïne en/of (meth)amfetamine en/of heroïne en/althans (telkens) zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(zaaksdossier 03);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en
met 4 mei 2020 te [plaats 1] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te
weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een stof bevattende cocaïne, in elk
geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een stof vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander, gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van
die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of
ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het
plegen van die/dat feit(en),
immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s),
althans alleen, toen aldaar
(ten behoeve van de opzet/werking van een drugslaboratorium aan [adres]
te [plaats 1] )
- + (ongeveer) 6000 liter Hexano cas number 110-54-3, en/of
+ (ongeveer) 2000 liter Mek CA's number 78-93-3, en/of
+ (ongeveer) 6000 liter Ethyl acetate CA's number 141-78-6, en/of
+ (ongeveer) 100 kilogram Sodium bisulfite CA's number 7681-57-4, en/of
+ (ongeveer) 30 kilogram Potassium permanganate CA's number
7722-64-7, en/of
+ (ongeveer) 100 liter Isopropyl alcohol CA's number 67-63-0, en/of
+ (ongeveer) 300 liter Hydrochloric acid CA's number 76-47-01-0, en/of
+ (ongeveer) 60 liter Sulfuric acid CA's number 7664-94-9, en/of
+ (ongeveer) 300 kilogram Calcium chloride flakes tech 97%/95%, en/of
+ (ongeveer) 250 kilogram Caustic soda, en/althans
(meermalen) een of meer hoeveelheden chemicaliën besteld en/of
gekocht en/of vervoerd/laten vervoeren en/of voorhanden gehad, en/of
- afzuigers/slangen/koppelstukken besteld en/of gekocht en/of voorhanden gehad,
en/of
- (telefonische) contact(en) en/of ontmoeting(en) gehad en/of (een) besprekingen
gevoerd en/of afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer leverancier(s),
transporteur(s), afnemer(s) en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid,
levering, betaling en/of het veroer van eerder genoemde chemicaliën en/of
goederen (zaakdossier 03).
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.
Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.
De organisatie zou de beschikking hebben gehad over drugslaboratoria in [plaats 2] en [plaats 1] , waar Mexicaanse leden van de organisatie werkzaam waren, vanwege hun specifieke kennis van onder meer het productieproces. Kiloblokken cocaïne die uit deze laboratoria afkomstig zouden zijn, zouden worden voorzien van logo's/stempels en worden ondergebracht in een ‘safehouse’ in een verborgen ruimte. Wanneer de organisatie een afnemer voor de cocaïne zou hebben, zouden de blokken uit het safehouse worden gehaald en op straat worden overgedragen in ruil voor contant geld.
Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.
Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie beschouwd als iemand die een faciliterende rol had bij het hiervoor genoemde drugslaboratorium in [plaats 1] . Na het afbranden van het laboratorium in [plaats 2] moest er een nieuw drugslaboratorium in [plaats 1] in werking worden gesteld. Ten behoeve van de inrichting, het leveren van de hardware en de chemicaliën, zou [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) contact hebben gehad met verdachten [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die gebruik heeft gemaakt van de EncroChat-accounts [accountnaam 1] @encrochat.com en [accountnaam 2] @encrochat.com.
Het oordeel van de rechtbank
Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van de feiten, zal zij eerst de identificaties van de verschillende EncroChat-accounts bespreken.
De bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast, waarbij in de voetnoten zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen.
3.4.1.1 Identificaties van de EncroChat-accounts
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-data. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende verdachten gebruik hebben gemaakt van telefoontoestellen waarop deze dienst geïnstalleerd was. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd. In het geval van EncroChat werd gebruik gemaakt van een nickname eindigend op @encrochat.com. De vraag die in deze zaak en in de zaken van verschillende medeverdachten moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie het Openbaar Ministerie in dit onderzoek de vervolging heeft ingesteld, te identificeren zijn als de gebruikers van de aan ieder van hen toegeschreven accounts.
De EncroChat-berichten in het dossier worden weergegeven in UTC-tijd, wat inhoudt dat het in de periode van 29 maart 2020 tot 25 oktober 2020 (zomertijd) in Nederland twee uren later was dan de weergegeven UTC-tijd. Wanneer hierna over tijden wordt gesproken, is dat omgerekend naar de Nederlandse tijd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de nicknames ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’, [medeverdachte 2] van de nicknames ‘ [accountnaam 3] ’, ‘ [accountnaam 4] ’ en ‘ [accountnaam 5] ’, [medeverdachte 1] van de nicknames ‘ [accountnaam 6] ’ en ‘ [accountnaam 7] ’, [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) van ‘ [accountnaam 8] ’, [medeverdachte 3] van ‘ [accountnaam 9] ’, [medeverdachte 4] van ‘ [accountnaam 10] ’ en ‘ [accountnaam 11] ’, [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) van de nickname ‘ [accountnaam 12] ’ en medeverdachte [medeverdachte 5] van de nickname ‘ [accountnaam 13] ’.
Dat verdachte de gebruiker is van de EncroChat-accounts met de nicknames ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ volgt onder meer uit het volgende.
Op 19 mei 2020 vond binnen het strafrechtelijk onderzoek ‘26Coalcity’ een observatie plaats. Tijdens deze observatie werd waargenomen dat een verdachte ter hoogte van een golfcentrum in Rotterdam contact maakte met een onbekende man. De onbekende man stapte vervolgens in een Volvo type XC90, voorzien van het kenteken [kenteken] ten name van [bedrijf] . De onbekende man werd aan de hand van een foto en een eerdere observatie herkend als [verdachte] , geboren op 20 mei 1978 te [geboorteplaats] .
Op diezelfde dag stuurde de gebruiker van het account ‘ [accountnaam 2] ’ een bericht tussen hem en het account ‘ [accountnaam 14] ’ door naar de gebruiker van het account ‘ [accountnaam 15] ’. In dit doorgestuurde bericht zei ‘ [accountnaam 2] ’ tegen ‘ [accountnaam 14] ’ dat hij die middag een vreemde situatie had meegemaakt. ‘ [accountnaam 2] ’ was twee keer een Volkswagen tegengekomen, waarvan hij vermoedde dat het ‘wouten’ waren, hetgeen een veelgebruikte bijnaam is voor politieagenten. ‘ [accountnaam 14] ’ vroeg of ‘ [accountnaam 2] ’ nog in de auto van [bedrijf] reed. ‘ [accountnaam 2] ’ antwoordde dat hij op 18 mei 2020 bij [bedrijf] van voertuig had gewisseld. ‘ [accountnaam 2] ’ vertelde de auto op eigen naam te hebben gehuurd. ‘ [accountnaam 14] ’ stuurde vervolgens dat observatieteams meestal met meerdere auto’s rijden en niet gezien worden.
Op 22 mei 2020 werden bij [bedrijf] de huurgegevens van verdachte opgevraagd. Hieruit bleek dat verdachte tussen 18 mei 2020 en 11 juni 2020 een Volvo type XC90 met kenteken [kenteken] had gehuurd. Later is gebleken dat verdachte in het bezit was van een telefoontoestel voorzien van het Imei-nummer [nummer 1] . Dit Imei-nummer bleek te behoren aan een telefoon van het merk BQ type Suro Carbon. Dit type telefoon wordt veelal gebruikt voor het versturen van versleutelde berichten.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank
– anders dan door de verdediging is bepleit – vast dat verdachte de gebruiker was van het EncroChat-account met de nickname ‘ [accountnaam 2] ’.
Het account ‘ [accountnaam 1] ’ was gekoppeld aan het Imei-nummer [nummer 2] . De Imei-nummers van de accounts ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 1] ’ waren beide gekoppeld aan een cryptotelefoon van het merk BQ Aquaris.
Het account ‘ [accountnaam 1] ’ werd gebruikt vanaf 27 maart 2020 tot en met 29 april 2020 en ‘ [accountnaam 2] ’ vanaf 2 juni 2020 tot en met 12 juni 2020. Uit het verrichte onderzoek blijkt dat de gebruiker van ‘ [accountnaam 2] ’ eerder gebruik maakte van het account ‘ [accountnaam 1] @encrochat.com’. De gebruikersnamen van beide accounts kwamen namelijk (gedeeltelijk) overeen. Beide accounts maakten gebruik van de namen: ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 16] ’, ‘ [accountnaam 17] ’, ‘ [accountnaam 18] ’, ‘ [accountnaam 19] ’ en ‘ [accountnaam 20] ’. Opvallend is dat ‘ [accountnaam 1] ’ gebruikt maakte van de namen ‘ [accountnaam 19] (1)’ en ’ [accountnaam 20] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ van de namen ‘ [accountnaam 19] (new)’ en ‘ [accountnaam 20] (II)’. Omdat het vrij specifieke en geen veelgebruikte gebruikersnamen zijn, waarbij van een aantal van deze namen een opvolgend cijfer is toegevoegd of de toevoeging ‘new’ wordt gebruikt, blijkt hieruit dat de gebruiker van het account ‘ [accountnaam 2] ’ eerder gebruik heeft gemaakt van het account ‘ [accountnaam 1] ’.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank
– anders dan door de verdediging is bepleit – vast dat verdachte niet alleen de gebruiker was van het EncroChat-account ‘ [accountnaam 2] ’, maar ook van het EncroChat-account ‘ [accountnaam 1] ’. Bij de verdere bespreking van het bewijs gaat de rechtbank steeds uit van de bovenstaande identificaties en zal de rechtbank verdachte aanduiden als de gebruiker van deze nicknames.
3.4.1.2 Zaaksdossier 3 ‘Drugslaboratorium [plaats 1] ’
Uit EncroChat-gesprekken tussen de gebruikers [accountnaam 1] @encrochat.com (verdachte) en [accountnaam 13] @encrochat.com ( [medeverdachte 5] ) volgt dat zij, na de brand in het drugslaboratorium in [plaats 2] , bezig waren met de opbouw van een nieuw laboratorium. Ze spraken onder meer over aansluitingen voor krachtstroom, voor de pers en de mixer. Zo stuurde verdachte op 5 april 2020 naar de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam 21] @encrochat.com dat er een paar bussen met spullen en zes ‘colos’ (de rechtbank begrijpt: Colombianen) klaar stonden om te werken. Hierna stuurde verdachte dat ze morgen beginnen met opbouwen en dat hij onder zware druk staat van een paar kartel mensen. Op 5 april 2020 vroeg verdachte aan [medeverdachte 5] of hij er morgen ook zal zijn, waarop [medeverdachte 5] antwoorde dat hij er zal zijn.
Op 6 april 2020 stuurde verdachte naar [medeverdachte 3] dat hij graag een lijst ontvangt, zodat hij kan berekenen welke spullen er al zijn en welke nog nodig zijn. [medeverdachte 3] stuurde vervolgens een lijst met de volgende chemicaliën:
Hexano cas number 1 10-54-3 (6000 litter)
Mek CA's number 78-93-3 (2000 litter)
Ethyl acetate CA's number 141-78-6 ( 6000 litters)
Sodium bisulfite CA's number 7681 -57-4 (100 kilograms)
Potassium permanganate CA's number 7722-64-7 (30 kilograms)
lsopropyl alcohol CA's number 67-63-0 (100 litter)
Hydrochloric acid CA's number 76-47-01-O (300 litter)
Sulfuric acid CA's number 7664-93-9 (60 litters)
Calcium chloride flakes tech 97% or 95% (300 kilograms)
Caustic soda 250 kilograms
And S/cases of pH strap's
And 3 (1000 ibc) tanks.
Verdachte stuurde die dag ook aan [medeverdachte 3] door dat [medeverdachte 5] op locatie was en dat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 5] moest doorgeven wanneer ‘ [alias] ’ kon komen. Verdachte gaf vervolgens aan [medeverdachte 5] door dat [medeverdachte 3] op locatie zal langskomen. Op diezelfde dag vond een chatgesprek plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] , waarin [medeverdachte 3] stuurde dat hij blij was dat ze weer aan het werk gingen. Ongeveer twee uur later stuurde [medeverdachte 5] een groot aantal foto’s naar verdachte van verschillende soorten jerrycans met chemicaliën.
Op 8 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] naar [accountnaam 22] dat alles gereed was om te draaien en dat iedereen op 12 april 2020 naar binnen kon om te beginnen. Op 9 april 2020 stuurde verdachte naar [medeverdachte 3] dat hij morgen een groot aantal chemicaliën op de locatie zal afleveren en dat hij de rest volgende week kwam brengen.
Op 12 april 2020 stuurde [medeverdachte 5] naar verdachte dat de schuifdeur was geplaatst, dat hij de afzuiger in de werkruimte heeft afgemaakt en dat hij nog bezig was met de magnetronruimte.
Op 15 april 2020 vroeg [accountnaam 22] aan [medeverdachte 3] hoe het gegaan was en [medeverdachte 3] gaf aan dat het goed was gegaan, dat het eerste monster er was en hij stuurde vervolgens een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘BSB’. Even later stuurde [medeverdachte 3] naar [accountnaam 22] dat hij het ophalen van de andere 100 zal regelen, waarna [accountnaam 22] stuurde dat er eerst gebracht moest worden voordat er gehaald zou worden. Diezelfde avond stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 6] dat ze morgen 100 base zullen geven. [medeverdachte 2] gaf aan dat [medeverdachte 3] erom gevraagd had. Op 14, 16 en 17 april 2020 werden elke dag 100 gebracht naar [medeverdachte 3] .
Op 17 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] naar verdachte dat hij alleen 80 stuks hoefde te produceren en dat het gisteren niet lukte. De hydrochloride die verdachte had geleverd, was moeilijk te verwerken en het ‘spul’ werd geel. Vandaag probeerden ze het af te krijgen. Diezelfde dag vroeg verdachte aan [medeverdachte 5] hoeveel hij denkt dat er gemaakt was. Hierop op reageerde [medeverdachte 5] dat het er gisteren 78 waren. [medeverdachte 5] stuurde vervolgens naar verdachte dat de base niet zo goed was en dat ze een verlies van 20% hadden. [medeverdachte 5] gaf aan dat hij het in de gaten zou blijven houden.
Op 21 april 2020 rond 11:43 uur gaf verdachte aan [medeverdachte 5] aan dat hij morgen of overmorgen hem ( [medeverdachte 5] ) even moest zien en dat hij alvast geld voor hem had.Rond 17:24 uur stuurde verdachte naar [medeverdachte 3] dat morgen om 12.00 uur een bus zou komen om het afval op te halen. [medeverdachte 5] wist er van af. [medeverdachte 3] bedankte verdachte en verdachte reageerde ‘No problem, it is our job’.
Op 24 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] dat er van de 100 base maar 85 of 90 uit kwam en dat de materialen niet goed waren. Verdachte reageerde dat deze mensen het zouden moeten weten, omdat ze op de eerste locatie – waar vuur is geweest – ook hebben geproduceerd. [medeverdachte 3] gaf vervolgens aan dat ze daar dezelfde problemen hadden. Daar maakten ze van 100 base maar 81.
Op 27 april 2020 voerden verdachte en [medeverdachte 5] een gesprek over afval en vroeg verdachte of er veel ‘jerry’s’ waren, waarop [medeverdachte 5] antwoorde ‘stuk of 40’.
Op 28 april 2020 stuurde [medeverdachte 5] naar verdachte dat ze bezig waren en ze nog een tas vol hadden staan.
Op 2 mei 2020 zei [medeverdachte 3] tegen [accountnaam 22] dat hij naar de boerderij moet, omdat het de laatste dag was. Op 5 mei 2020 vroeg [accountnaam 22] aan [medeverdachte 3] of hij foto’s had van het materiaal dat al weg was gegaan. [medeverdachte 3] stuurde een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘636’ en zei dat ze ‘die’ voor de Marokkanen hadden gedaan. Vervolgens stuurde [medeverdachte 3] nog een foto van een wit blok met daarop de stempel van ‘marshmallow’ en een foto van meerdere blokken voorzien van stempel ‘636’.
Op basis van de chats tussen verdachte en [medeverdachte 5] , de foto’s die door [medeverdachte 5] zijn verstuurd en het feit dat de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 5] in april 2020 veelvuldig telefoonmasten in de omgeving van [plaats 1] aanstraalde, werd vastgesteld dat de locatie van het drugslaboratorium de [adres] in [plaats 1] moest zijn. Op die locatie werd op 12 januari 2021 een ‘slapend laboratorium’ aangetroffen. De ruimte was dusdanig ingericht dat hij opnieuw gebruikt kon worden voor de productie van verdovende middelen.
Op die locatie werd een soortgelijke grijskleurige vloer met hooi of mest met daarachter een groenkleurige schuur gezien als op de door [medeverdachte 5] verstuurde foto’s. Ook werd in de chats gesproken over vaten en jerrycans in een container. Op de locatie werd een onder camouflagenetten verstopte zeecontainer aangetroffen, die direct verbonden was met de schuur. Tijdens de doorzoeking in de loods werden door de forensische opsporing foto’s gemaakt. De foto van jerrycans met chemicaliën die [medeverdachte 5] naar verdachte stuurde, kwam overeen met de foto die door de forensische opsporing werd gemaakt.
Op 23 maart 2021 werd op een afstand van 40 meter van de loods een afgedekte put aangetroffen welke is gebruikt bij het illegaal lozen van drugsafval. In de put zijn chemicaliën geloosd die in de aangetroffen samenstelling worden gebruikt bij het uitwassen van cocaïne.
3.4.1.3 Overwegingen
Vaststelling dat het om cocaïne gaat
In EncroChat-gesprekken met betrekking tot het laboratorium in [plaats 1] werd gesproken over de levering en het gebruik van verschillende soort chemicaliën en ‘base’, over het wegwerken van afval en er werden foto’s verstuurd van onder andere witte samengeperste blokken met daarop de stempels 636, BSB en ‘marshmallow’. Door de Forensische Opsporing is vastgesteld dat in een put op zeer korte afstand van de schuur chemicaliën zijn aangetroffen die gebruikt worden voor het uitwassen van cocaïne.
Het is algemeen bekend dat met een ‘blok/stuk’ één kilo cocaïne wordt bedoeld. Cocaïne wordt doorgaans na de productie in blokken van één kilo per stuk samengeperst, verpakt en vervoerd. Daarnaast werd in de EncroChat-gesprekken door verdachten gesproken over (aan) cocaïne (gerelateerde zaken). Een voorbeeld hiervan is dat er werd gesproken over het leveren van honderden kilo’s base voor het drugslaboratorium. De base is noodzakelijk voor de productie van (snuif)cocaïne.
De rechtbank is gezien het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is van cocaïne. De aanwezigheid/productie van methamfetamine en heroïne in het laboratorium in [plaats 1] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Betrokkenheid en rol van verdachte bij dit feit en medeplegen
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen aan een delict, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Deze samenwerking kan in sommige gevallen afgeleid worden uit een gezamenlijk plan of gezamenlijk optreden. Het begrip samenwerking heeft ook een intentionele betekenis; uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen kan in bepaalde gevallen het doelgerichte karakter worden afgeleid en daarmee ook de gezamenlijke intenties van de betrokken verdachten om het doel te verwezenlijken.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat onder andere verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] het drugslaboratorium in [plaats 1] gereed hebben gemaakt voor het productieproces van cocaïne. Zij hielden zich bezig met de opbouw daarvan. Maar ook na het gereedmaken van het laboratorium bleef verdachte erbij betrokken. Verdachte hield zich onder andere bezig met de levering van verschillende chemicaliën. Zo vroeg hij naar de voorraad daarvan en wat er geleverd moest worden, ontving hij foto’s van chemicaliën van [medeverdachte 5] , zeiden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] tegen verdachte dat de base niet zo goed was en zei [medeverdachte 5] dat ze een verlies leden. Ook bleek uit een chat dat verdachte [medeverdachte 5] betaalde. Bovendien zei verdachte tegen [medeverdachte 3] ‘it is our job’ toen hij hem bedankte voor het regelen van het ophalen van het afval. Hieruit blijkt van een gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door onder meer verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] bij de productie van cocaïne. Gezien de grote hoeveelheden goederen, chemicaliën en afval waarover verdachte met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] sprak, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat deze goederen bestemd waren voor het vervaardigen van cocaïne in het drugslaboratorium in [plaats 1] en dat bij hem sprake is geweest van opzet gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en vervaardigen van cocaïne.
[medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en verdachte hadden een gezamenlijk doel, namelijk onder meer het vervaardigen van cocaïne en zij onderhielden daarover intensief contact. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en verdachte is naar het oordeel van de rechtbank daarmee gegeven. Daarnaast is gebleken dat verdachte hierbij een cruciale rol speelde; hij was betrokken bij de opbouw van het drugslaboratorium, leverde allerlei chemicaliën en was verantwoordelijk voor het opruimen van het afval. Daarom kunnen de gedragingen van verdachte worden gekwalificeerd als medeplegen.
3.4.1.4 Het oordeel ten aanzien van het tenlastegelegde
De rechtbank is naar aanleiding van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van cocaïne in de drugslaboratorium in [plaats 1] . Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en het aanwezig hebben van die cocaïne.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 te [plaats 1] , in een schuur/loods aan de [adres] tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig gehad, en/of
- opzettelijk heeft vervaardigd,
hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne telkens zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk standpunt ingenomen over een op te leggen straf of maatregel.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende twee maanden, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het op grote schaal onder andere bewerken/vervaardigen en voorhanden hebben van cocaïne. Verdachte was onder meer betrokken bij de opbouw van het drugslaboratorium, de levering van grote hoeveelheden chemicaliën, het productieproces en de ‘afvalverwerking’. Hij was daarmee een onmiskenbare schakel in het geheel. Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte en medeverdachten laat in volle omvang zien welke negatieve effecten van dit soort misdrijven uitgaan. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. De handel in drugs gaat regelmatig gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweld, waarbij eventueel zelfs (zware) wapens worden gebruikt, en andere ondermijnende handelingen. Deze nadelige effecten zijn ook de reden dat op opiumwetdelicten forse straffen zijn gesteld.
Daarnaast leidt de bewerking/productie van verdovende middelen, die vaak plaatsvindt in ‘drugslabs’, tot ontploffings- en brandgevaar en schade aan het milieu. Terecht heeft de officier van justitie bij requisitoir stilgestaan bij de enorme milieuschade die is opgetreden in [plaats 1] – die zelfs zes jaar na dato nog steeds in het nieuws komt – en die voor Nederlandse begrippen van een ongekende omvang is. In de media wordt zelfs gesteld dat het de ‘grootste drugsput van Europa’ betreft. De sanering zal jaren in beslag nemen en miljoenen euro’s kosten, waarbij het maar zeer de vraag is of die kosten ooit verhaald kunnen worden op de personen die de schade hebben veroorzaakt.
Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte naar voren gebracht dat verdachte een stabiele gezinssituatie heeft. Hij heeft een vrouw en twee kinderen en de inval van de politie heeft veel indruk op hem en zijn gezin gemaakt. Verdachte is werkzaam als ‘bouwkundige brandpreventie’, heeft daarin een eigen onderneming en verdient daarmee zijn inkomen. Daarnaast verdient hij wat bij met het hobbymatig in- en verkopen van auto’s. Verdachte heeft nog een openstaande strafzaak die in juli 2026 door de rechtbank Amsterdam behandeld zal worden.
De redelijke termijn
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aanvangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht op grond waarvan bij verdachte de redelijke verwachting is gewekt dat hij strafrechtelijk zal worden vervolgd. Verdachte is op 31 mei 2021 voor het eerst gehoord door de politie. De rechtbank stelt vast dat op die datum de redelijke termijn is aangevangen. Op het moment dat in deze zaak vonnis wordt gewezen, op 22 april 2026, heeft de vervolging van verdachte bijna vijf jaar in beslag genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna drie jaar is overschreden, buiten de schuld van verdachte om.
De rechtbank constateert daarmee een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt op dat zonder deze overschrijding een langdurige gevangenisstraf van ten minste 60 maanden passend was geweest.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit, de cruciale rol die verdachte daarin heeft vervuld en het gegeven dat verdachte daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden in dit geval passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.