RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.034891.24 (P)
Datum vonnis: 22 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
5 maart 2026 en 22 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 juni 2021 samen met anderen, opzettelijk, cocaïne, (meth)amfetamine en/of heroïne heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en/of aanwezig heeft gehad en/of vervaardigd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op nader te noemen tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 1 januari
2020 tot en met 1 juni 2021 op nader te noemen plaats(en) en/althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal (telkens)
- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig gehad, en/of
- opzettelijk heeft vervaardigd,
een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende
cocaïne en/of (meth)amfetamine en/of heroïne en/althans (telkens) zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en wel:
- in of omstreeks de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 in een
schuur/loods aan de [adres 1] te [plaats 1] (zaaksdossier 03).
3. De bewijsmotivering
Inleiding
Medio 2020 is het strafrechtelijk onderzoek 26Donau gestart naar aanleiding van informatie over personen die zich bezig zouden houden met de invoer van en de handel in verdovende middelen. Gedurende het onderzoek zijn meer dan dertig personen als verdachte aangemerkt, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Voor [medeverdachte 1] is een afzonderlijk deelonderzoek geopend onder de naam 26Wayne.
Het dossier 26Donau/26 Wayne beschrijft een internationale criminele organisatie waarvan een Nederlands deel, bestaande uit verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden, nauw samenwerkt met een deel van de criminele organisatie in Zuid-Amerika. De criminele organisatie zou verdovende middelen, waaronder cocaïne, vanuit Mexico via Spanje naar Nederland smokkelen in, aan of tussen dragermateriaal (zoals gasbetonblokken). De verdovende middelen zouden in Nederland uit het dragermateriaal worden verwijderd en/of in laboratoria (cocaïne-wasserijen) met behulp van chemicaliën verder worden bewerkt.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) worden ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan de criminele organisatie in Nederland. Zij zouden ieder afzonderlijk van elkaar de beschikking hebben gehad over een netwerk van personen van voornamelijk Turkse en Marokkaanse afkomst en nauw hebben samengewerkt met een deel van de criminele organisatie in Mexico.
De organisatie zou de beschikking hebben gehad over drugslaboratoria in [plaats 2] en [plaats 1] , waar Mexicaanse leden van de organisatie werkzaam waren, vanwege hun specifieke kennis van onder meer het productieproces. Kiloblokken cocaïne die uit deze laboratoria afkomstig zouden zijn, zouden worden voorzien van logo's/stempels en worden ondergebracht in een ‘safehouse’ in een verborgen ruimte. Wanneer de organisatie een afnemer voor de cocaïne zou hebben, zouden de blokken uit het safehouse worden gehaald en op straat worden overgedragen in ruil voor contant geld.
Het einddossier en de nadien aanvullend verstrekte stukken vormen de weerslag van de onderzoeksresultaten. Het zijn deze resultaten, gezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de tegen verdachte uitgebrachte tenlastelegging, die ter beoordeling voorliggen.
Verdachte wordt door het Openbaar Ministerie beschouwd als iemand die een faciliterende rol had bij het hiervoor genoemde drugslaboratorium in [plaats 1] . Na het afbranden van het laboratorium in [plaats 2] moest er een nieuw drugslaboratorium in [plaats 1] in werking worden gesteld. Ten behoeve van de inrichting en het leveren van de hardware en de chemicaliën, heeft [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) contact gehad met verdachten [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van methamfetamine en heroïne.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die gebruik heeft gemaakt van het EncroChat-account [accountnaam 1] @encrochat.com zodat ook niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger betrokken was bij het drugslaboratorium.
Het oordeel van de rechtbank
Voordat de rechtbank overgaat tot de bespreking van de feiten, zal zij eerst de identificaties van de verschillende EncroChat-accounts bespreken.
De bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast, waarbij in de voetnoten zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen.
3.4.1.1 Identificaties van de EncroChat-accounts
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen EncroChat-data. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende verdachten gebruik hebben gemaakt van telefoontoestellen waarop deze dienst geïnstalleerd was. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd. In het geval van EncroChat werd gebruik gemaakt van een nickname eindigend op @encrochat.com. De vraag die in deze zaak en in de zaken van verschillende medeverdachten moet worden beantwoord, is of de personen tegen wie het Openbaar Ministerie in dit onderzoek de vervolging heeft ingesteld, te identificeren zijn als de gebruikers van de aan ieder van hen toegeschreven accounts.
De EncroChat-berichten in het dossier worden weergegeven in UTC-tijd, wat inhoudt dat het in de periode van 29 maart 2020 tot 25 oktober 2020 (zomertijd) in Nederland twee uren later was dan de weergegeven UTC-tijd. Wanneer hierna over tijden wordt gesproken, is dat omgerekend naar de Nederlandse tijd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de nickname ‘ [accountnaam 1] ’, [medeverdachte 2] van de nicknames ‘ [accountnaam 2] ’, ‘ [accountnaam 3] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’, [medeverdachte 1] van de nicknames ‘ [accountnaam 5] ’ en ‘ [accountnaam 6] ’, [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) van ‘ [accountnaam 7] ’, [medeverdachte 3] van ‘ [accountnaam 8] ’, [medeverdachte 4] van ‘ [accountnaam 9] ’ en ‘ [accountnaam 10] ’, [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) van de nickname ‘ [accountnaam 11] ’ en medeverdachte [medeverdachte 5] van de nicknames ‘ [accountnaam 12] ’ en ‘ [accountnaam 13] ’.
Dat verdachte de gebruiker is van het EncroChat-account met de nickname ‘ [accountnaam 1] ’ blijkt uit het volgende.
De gebruiker van het account ‘ [accountnaam 1] ’ maakte gebruik van de bijnamen [alias 1] , [alias 2] , [verdachte] , [alias 3] en [alias 4] en van een telefoon voorzien van het IMEI-nummer [nummer 1] . [verdachte] is de voornaam van verdachte. Uit onderzoek blijkt dat het genoemde IMEI nummer in de periode van 28 maart 2020 tot en met 10 juni 2020 veelvuldig cell-id's aanstraalde in de directe omgeving van de [adres 2] , wat dezelfde straat is als waar verdachte destijds stond ingeschreven. Ook werden veelvuldig cell-id’s aangestraald in de buurt van de [adres 1] te [plaats 1] , waar het drugslaboratorium zich bevond.
De eigenaar van het perceel aan de [adres 1] is verhoord en verklaarde dat hij ‘klusjesman [verdachte] ’ had en dat deze [verdachte] toegang had tot de loodsen op het terrein. Hij heeft het telefoonnummer [telefoonnummer] van ‘klusjesman [verdachte] ’ doorgegeven en zei dat hij in een witte Volvo reed. Gelet op de gelijkluidende voornaam en de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer is verdachte degene die is omschreven als ‘klusjesman [verdachte] ’. Uit de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer blijkt namelijk dat in de periode van 28 juli 2020 tot en met 21 januari 2021 wederom veelvuldig cell-id’s zijn aangestraald in de directe omgeving van de [adres 2] en in de buurt van de [adres 1] in [plaats 1] .
Daarnaast is ‘ [accountnaam 1] ’ door de gebruiker van het EncroChat-account ‘ [accountnaam 14] @encrochat.com’ aangesproken met ‘ [verdachte] ’, de voornaam van verdachte, en stelde ‘ [accountnaam 1] ’ voor om elkaar aan de [adres 2] te ontmoeten, wat in de directe omgeving ligt van het adres waarop verdachte was ingeschreven in de basisregistratie personen.
Voorts is gebleken dat [accountnaam 1] op 7 april 2020 een foto vanuit een auto naar de gebruiker van het EncroChat-account ‘ [accountnaam 8] ’ ( [medeverdachte 3] ) stuurde. Op de foto is een gedeelte van een auto te zien, namelijk een witte motorkap met drie ‘sprayhuisjes’ voor de ruitensproeiervloeistof. Die details komen overeen met een Volvo V40 gebouwd in 2015. Verdachte was volgens gegevens van de RDW van december 2019 tot en met oktober 2020 kentekenhouder van een witte Volvo V40, met als bouwjaar 2015.
De gebruiker ‘ [accountnaam 1] ’ heeft veel contact gehad met een EncroChat-account met als naam ‘ [accountnaam 15] @encrochat.com’. Binnen onderzoek 26Donau is [naam] geïdentificeerd als de gebruiker van het EncroChat-account. Verdachte en [naam] zijn beiden in 2019 als verdachte aangemerkt met betrekking tot een aangetroffen hennepkwekerij. Gelet op het gezamenlijke verleden van [naam] en verdachte is ook dit een aanwijzing dat verdachte achter het account ‘ [accountnaam 1] ’ zat.
Verdachte heeft ter terechtzitting op 5 maart 2026 bevestigd dat hij inderdaad de klusjesman was voor de eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats 1] en dat hij destijds in een witte Volvo V40 reed.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank
– anders dan door de verdediging is bepleit – vast dat verdachte de gebruiker was van het EncroChat-account met de nickname ‘ [accountnaam 1] ’. Bij de verdere bespreking van het bewijs gaat de rechtbank steeds uit van de bovenstaande identificaties en zal de rechtbank verdachte aanduiden als de gebruiker van deze nickname.
3.4.1.2 Zaaksdossier 3 ‘Drugslaboratorium [plaats 1] ’
Uit EncroChat-gesprekken tussen de gebruikers [accountnaam 12] @encrochat.com ( [medeverdachte 5] ) en [accountnaam 1] @encrochat.com (verdachte) volgt dat zij, na de brand in het drugslaboratorium in [plaats 2] , bezig waren met de opbouw van een nieuw laboratorium. Ze spraken onder meer over aansluitingen voor krachtstroom, voor de pers en de mixer. Zo stuurde [medeverdachte 5] op 5 april 2020 naar de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam 16] @encrochat.com dat er een paar bussen met spullen en zes ‘colos’ (de rechtbank begrijpt: Colombianen) klaar stonden om te werken. Hierna stuurde [medeverdachte 5] dat ze morgen beginnen met opbouwen en dat hij onder zware druk staat van een paar kartel mensen. Op 5 april 2020 vroeg [medeverdachte 5] aan verdachte of hij er morgen ook zal zijn, waarop verdachte antwoordde dat hij er zal zijn.
Op 6 april 2020 stuurde [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 3] dat hij graag een lijst ontvangt, zodat hij kan berekenen welke spullen er al zijn en welke nog nodig zijn. [medeverdachte 3] stuurde vervolgens een lijst met de volgende chemicaliën:
Hexano cas number 1 10-54-3 (6000 litter)
Mek CA's number 78-93-3 (2000 litter)
Ethyl acetate CA's number 141-78-6 ( 6000 litters)
Sodium bisulfite CA's number 7681 -57-4 (100 kilograms)
Potassium permanganate CA's number 7722-64-7 (30 kilograms)
lsopropyl alcohol CA's number 67-63-0 (100 litter)
Hydrochloric acid CA's number 76-47-01-O (300 litter)
Sulfuric acid CA's number 7664-93-9 (60 litters)
Calcium chloride flakes tech 97% or 95% (300 kilograms)
Caustic soda 250 kilograms
And S/cases of pH strap's
And 3 (1000 ibc) tanks.
[medeverdachte 5] stuurde die dag ook aan [medeverdachte 3] door dat verdachte op locatie was en dat [medeverdachte 3] aan verdachte moest doorgeven wanneer ‘ [alias 5] ’ kon komen. [medeverdachte 5] gaf vervolgens aan verdachte door dat [medeverdachte 3] op locatie zal langskomen. Op diezelfde dag vond een chatgesprek plaats tussen verdachte en [medeverdachte 3] , waarin [medeverdachte 3] stuurde dat hij blij was dat ze weer aan het werk gingen. Ongeveer twee uur later stuurde verdachte een groot aantal foto’s naar [medeverdachte 5] van verschillende soorten jerrycans met chemicaliën.
Op 8 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] naar [accountnaam 17] dat alles gereed was om te draaien en dat iedereen op 12 april 2020 naar binnen kon om te beginnen. Op 9 april 2020 stuurde [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 3] dat hij morgen een groot aantal chemicaliën op de locatie zal afleveren en dat hij de rest volgende week kwam brengen.
Op 12 april 2020 stuurde verdachte naar [medeverdachte 5] dat de schuifdeur was geplaatst, dat hij de afzuiger in de werkruimte heeft afgemaakt en dat hij nog bezig was met de magnetronruimte.
Op 15 april 2020 vroeg [accountnaam 17] aan [medeverdachte 3] hoe het gegaan was en [medeverdachte 3] gaf aan dat het goed was gegaan, dat het eerste monster er was en hij stuurde vervolgens een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘BSB’. Even later stuurde [medeverdachte 3] naar [accountnaam 17] dat hij het ophalen van de andere 100 zal regelen, waarna [accountnaam 17] stuurde dat er eerst gebracht moest worden voordat er gehaald zou worden. Diezelfde avond stuurde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 6] dat ze morgen 100 base zullen geven. [medeverdachte 2] gaf aan dat [medeverdachte 3] erom gevraagd had. Op 14, 16 en 17 april 2020 werden elke dag 100 gebracht naar [medeverdachte 3] .
Op 17 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5] dat hij alleen 80 stuks hoefde te produceren en dat het gisteren niet lukte. De hydrochloride die [medeverdachte 5] had geleverd, was moeilijk te verwerken en het ‘spul’ werd geel. Vandaag probeerden ze het af te krijgen. Diezelfde dag vroeg [medeverdachte 5] aan verdachte hoeveel hij denkt dat er gemaakt was. Hierop op reageerde verdachte dat het er gisteren 78 waren. Verdachte stuurde vervolgens naar [medeverdachte 5] dat de base niet zo goed was en dat ze een verlies van 20% hadden. Verdachte gaf aan dat hij het in de gaten zou blijven houden.
Op 21 april 2020 rond 11:43 uur gaf [medeverdachte 5] aan verdachte aan dat hij morgen of overmorgen verdachte even moest zien en dat hij alvast geld voor hem had.Rond 17:24 uur stuurde [medeverdachte 5] naar [medeverdachte 3] dat morgen om 12.00 uur een bus zou komen om het afval op te halen. Verdachte wist er van af. [medeverdachte 3] bedankte [medeverdachte 5] en [medeverdachte 5] reageerde ‘No problem, it is our job’.
Op 24 april 2020 stuurde [medeverdachte 3] dat er van de 100 base maar 85 of 90 uit kwam en dat de materialen niet goed waren. [medeverdachte 5] reageerde dat deze mensen het zouden moeten weten, omdat ze op de eerste locatie – waar vuur is geweest – ook hebben geproduceerd. [medeverdachte 3] gaf vervolgens aan dat ze daar dezelfde problemen hadden. Daar maakten ze van 100 base maar 81.
Op 27 april 2020 voerden [medeverdachte 5] en verdachte een gesprek over afval en vroeg [medeverdachte 5] of er veel ‘jerry’s’ waren, waarop verdachte antwoorde ‘stuk of 40’.
Op 28 april 2020 stuurde verdachte naar [medeverdachte 5] dat ze bezig waren en ze nog een tas vol hadden staan.
Op 2 mei 2020 zei [medeverdachte 3] tegen [accountnaam 17] dat hij naar de boerderij moest, omdat het de laatste dag was. Op 5 mei 2020 vroeg [accountnaam 17] aan [medeverdachte 3] of hij foto’s had van het materiaal dat al weg was gegaan. [medeverdachte 3] stuurde een foto van een wit blok met daarop de stempel ‘636’ en zei dat ze ‘die’ voor de Marokkanen hadden gedaan. Vervolgens stuurde [medeverdachte 3] nog een foto van een wit blok met daarop de stempel van ‘marshmallow’ en een foto van meerdere blokken voorzien van stempel ‘636’.
Op basis van de chats tussen [medeverdachte 5] en verdachte, de foto’s die door verdachte waren verstuurd en het feit dat de telefoon in gebruik bij verdachte in april 2020 veelvuldig telefoonmasten in de omgeving van [plaats 1] aanstraalde, werd vastgesteld dat de locatie van het drugslaboratorium de [adres 1] in [plaats 1] moest zijn. Op die locatie werd op 12 januari 2021 een ‘slapend laboratorium’ aangetroffen. De ruimte was dusdanig ingericht dat hij opnieuw gebruikt kon worden voor de productie van verdovende middelen.
Op die locatie werd een soortgelijke grijskleurige vloer met hooi of mest met daarachter een groenkleurige schuur gezien als op de door verdachte verstuurde foto’s. Ook werd in de chats gesproken over vaten en jerrycans in een container. Op de locatie werd een onder camouflagenetten verstopte zeecontainer aangetroffen, die direct verbonden was met de schuur. Tijdens de doorzoeking in de loods werden door de forensische opsporing foto’s gemaakt. De foto van jerrycans met chemicaliën die verdachte naar [medeverdachte 5] stuurde, kwam overeen met de foto die door de forensische opsporing werd gemaakt.
Op 23 maart 2021 werd op een afstand van 40 meter van de loods een afgedekte put aangetroffen welke is gebruikt bij het illegaal lozen van drugsafval. In de put zijn chemicaliën geloosd die in de aangetroffen samenstelling worden gebruikt bij het uitwassen van cocaïne.
3.4.1.3 Overwegingen
Vaststelling dat het om cocaïne gaat
In EncroChat-gesprekken met betrekking tot het laboratorium in [plaats 1] werd gesproken over de levering en het gebruik van verschillende soort chemicaliën en ‘base’, over het wegwerken van afval en er werden foto’s verstuurd van onder andere witte samengeperste blokken met daarop de stempels 636, BSB en ‘marshmallow’. Door de Forensische Opsporing is vastgesteld dat in een put op zeer korte afstand van de schuur chemicaliën zijn aangetroffen die gebruikt worden voor het uitwassen van cocaïne.
Het is algemeen bekend dat met een ‘blok/stuk’ één kilo cocaïne wordt bedoeld. Cocaïne wordt doorgaans na de productie in blokken van één kilo per stuk samengeperst, verpakt en vervoerd. Daarnaast werd in de EncroChat-gesprekken door verdachten gesproken over (aan) cocaïne (gerelateerde zaken). Een voorbeeld hiervan is dat er werd gesproken over het leveren van honderden kilo’s base voor het drugslaboratorium. De base is noodzakelijk voor de productie van (snuif)cocaïne.
De rechtbank is gezien het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is van cocaïne. De aanwezigheid/productie van methamfetamine en heroïne in het laboratorium in [plaats 1] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Betrokkenheid en rol van verdachte bij dit feit en medeplegen
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen twee of meer personen aan een delict, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Deze samenwerking kan in sommige gevallen afgeleid worden uit een gezamenlijk plan of gezamenlijk optreden. Het begrip samenwerking heeft ook een intentionele betekenis; uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen kan in bepaalde gevallen het doelgerichte karakter worden afgeleid en daarmee ook de gezamenlijke intenties van de betrokken verdachten om het doel te verwezenlijken.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat onder andere verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] het drugslaboratorium in [plaats 1] gereed hebben gemaakt voor het productieproces van cocaïne en dat verdachte en [medeverdachte 3] ook daadwerkelijk aanwezig waren bij het productieproces. Zo hield verdachte zich onder andere bezig met de technische kant van het laboratorium, stuurde hij meerdere foto’s van chemicaliën naar [medeverdachte 5] , zei onder andere tegen [medeverdachte 5] dat de base niet zo goed was en dat ze een verlies leden. Ook ontving hij geld van [medeverdachte 5] . Gezien de grote hoeveelheden goederen, chemicaliën en afval waarover verdachte met [medeverdachte 5] sprak en waarvan hij ook foto’s stuurde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat deze goederen bestemd waren voor het vervaardigen van cocaïne in het drugslaboratorium – waar hij regelmatig aanwezig was – en dat bij hem sprake is geweest van opzet gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en vervaardigen van cocaïne.
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen door in ieder geval verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Zij hadden een gezamenlijk doel, namelijk onder meer het vervaardigen van cocaïne en zij onderhielden daarover intensief contact. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] is naar het oordeel van de rechtbank daarmee gegeven, en verdachte had een significante rol in het geheel. Daarom kunnen de gedragingen van verdachte worden gekwalificeerd als medeplegen.
3.4.1.4 Het oordeel ten aanzien van het tenlastegelegde
De rechtbank is naar aanleiding van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van cocaïne in de drugslaboratorium in [plaats 1] . Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en het aanwezig hebben van die cocaïne.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig gehad, en/of
- opzettelijk heeft vervaardigd,
hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne telkens zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en wel:
- in de periode van 29 maart 2020 tot en met 4 mei 2020 in een schuur/loods aan de [adres 1] te [plaats 1] .
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf. Er dient rekening gehouden te worden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende twee maanden, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het op grote schaal onder andere bewerken/vervaardigen en voorhanden hebben van cocaïne. Verdachte zorgde onder meer voor de opbouw van het drugslaboratorium, was betrokken bij het productieproces en de ‘afvalverwerking’. Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte en medeverdachten laat in volle omvang zien welke negatieve effecten van dit soort misdrijven uitgaan. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek. Dat heeft niet alleen zijn weerslag op de gebruikers zelf, maar ook op hun omgeving. De handel in drugs gaat regelmatig gepaard met allerlei vormen van zware criminaliteit, zoals geweld, waarbij eventueel zelfs (zware) wapens worden gebruikt, en andere ondermijnende handelingen. Deze nadelige effecten zijn ook de reden dat op opiumwetdelicten forse straffen zijn gesteld.
Daarnaast leidt de bewerking/productie van verdovende middelen, die vaak plaatsvindt in ‘drugslabs’, tot ontploffings- en brandgevaar en schade aan het milieu. Terecht heeft de officier van justitie bij requisitoir stilgestaan bij de enorme milieuschade die is opgetreden in [plaats 1] – die zelfs zes jaar na dato nog steeds in het nieuws komt – en die voor Nederlandse begrippen van een ongekende omvang is. In de media wordt zelfs gesteld dat het de ‘grootste drugsput van Europa’ betreft. De sanering zal jaren in beslag nemen en miljoenen euro’s kosten, waarbij het maar zeer de vraag is of die kosten ooit verhaald kunnen worden op de personen die de schade hebben veroorzaakt.
Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Omdat het om oude feiten gaat (2013 en 2004) zal de rechtbank dit niet bij de strafoplegging meewegen.
Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht dat hij werkzaam is als zzp’er bij het kinderdagverblijf van zijn dochter, dat hij financieel rond kan komen en geen schulden heeft, dat hij gescheiden is, dat hij in een geleende caravan woont die op een camping staat en dat hij door deze strafzaak minder contact heeft met zijn andere kinderen.
De redelijke termijn
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aanvangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur rechtvaardigen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht op grond waarvan bij verdachte de redelijke verwachting is gewekt dat hij strafrechtelijk zal worden vervolgd. Verdachte is op 19 oktober 2021 voor het eerst gehoord door de politie. De rechtbank stelt vast dat op die datum de redelijke termijn is aangevangen. Op het moment dat in deze zaak vonnis wordt gewezen, op 22 april 2026, heeft de vervolging van verdachte ruim vier jaar in beslag genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en ruim zes maanden is overschreden, buiten de schuld van verdachte om.
De rechtbank constateert daarmee een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt op dat zonder deze overschrijding een langdurige gevangenisstraf van ten minste 60 maanden passend was geweest.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit, de belangrijke rol die verdachte daarin heeft vervuld en het gegeven dat verdachte daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden in dit geval passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.