ECLI:NL:RBOVE:2026:2378

ECLI:NL:RBOVE:2026:2378

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer ak_26_1187
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens afwezigheid van spoedeisend belang bij een financieel geschil. Een voorlopige voorzieningenprocedure is niet bedoeld om een voorlopig rechterlijk oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van het besluit.

Uitspraak

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, gericht op het niet uitbetalen van zijn uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het college heeft de uitkering over de maand maart 2026 op nihil gesteld en hiervan een uitkeringsspecificatie verstrekt. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Verzoeker is met ingang van 23 februari 2026 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de PW, naar de norm van een 21-jarige met één kostendelende medebewoner.

Uit de door verzoeker in het kader van zijn aanvraag aan het college verstrekte informatie volgt dat verzoeker bij zijn moeder woont. Zijn moeder ontvangt een uitkering. De vader van verzoeker woont in een verzorgingstehuis. De vaste lasten van de woning worden door de ouders betaald. Verzoeker heeft overzichten van een cryptorekening overgelegd aan het college. Uit de transactiegeschiedenis volgt dat sprake is van verkopen, kopen en rewards.

Het college heeft het recht op bijstand over de maand maart 2026 vastgesteld op € 0,00 (nul), omdat er volgens het college over de maand maart 2026 een bedrag van € 2.717,61 aan crypto-inkomsten in aanmerking moet worden genomen. Dit bedrag ligt boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze nihilstelling is neergelegd in de aan verzoeker verstrekte uitkeringsspecificatie.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van zijn uitkering. Het college heeft het bezwaar aangemerkt als gericht tegen de uitkeringsspecificatie van maart 2026. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de blokkade op te schorten en het college te gelasten de betaling over de maand maart 2026 met onmiddellijke ingang te herstellen.

Volgens verzoeker is er sprake van financiële nood. Het college categoriseert elke opname uit zijn resterende cryptovermogen ten onrechte direct en volledig als 'inkomen' in plaats van een opname uit eigen vermogen. Als verzoeker een deel van dit vermogen liquideert om zijn huur of brood te betalen wordt de uitkering de maand daarop met exact datzelfde bedrag gekort. De nabetalingen van het UWV die hij in maart 2026 ontving heeft hij aangewend voor het aanzuiveren van substantiële achterstanden en schulden. Ook woont hij weliswaar bij zijn moeder in, maar moet haar maandelijks een bedrag van € 500,- betalen voor huur en gedeelde lasten. Er is sprake van achterstanden in de betaling van de zorgverzekering, zijn aflossing aan de belastingdienst heeft hij moeten bijstellen naar € 35,- per maand en andere betalingsregelingen kan verzoeker momenteel niet nakomen.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeelt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) namelijk alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Deze procedure is niet bedoeld om de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure te bespoedigen of alvast een voorlopig rechterlijk oordeel te krijgen over de rechtmatigheid van het besluit. Bij een financieel geschil, zoals hier, is niet snel sprake van onverwijlde spoed. In beginsel kan na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat immers alsnog worden betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld een faillissement of uithuiszetting), of geen sprake is van zodanig acute financiële nood dat niet meer kan worden voorzien in elementaire levensbehoeften (zoals eten en onderdak), neemt de voorzieningenrechter aan dat het spoedeisend belang ontbreekt en treft hij geen voorlopige voorziening.

De financiële positie van verzoeker, uiteengezet in 2.5, levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Verzoeker woont bij zijn moeder. De ouders betalen de vaste lasten. Van een dreigende uithuiszetting, van broodnood of van afsluiting van de voorzieningen is niet gebleken. Ook is van belang dat er sprake is van vermogen in de vorm van cryptovaluta. Dit kan verzoeker in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure aanwenden om in zijn primaire levensonderhoud te voorzien. Verzoeker heeft zelf ook uiteengezet dat hij dit vermogen aanwendt voor huur of brood. Het probleem is volgens verzoeker dat het college zijn cryptovaluta niet op de juiste wijze in aanmerking neemt. De argumenten die hij op dit punt aanvoert moet het college in de bezwaarprocedure beoordelen. De voorzieningenrechter ziet geen reden aan te nemen dat verzoeker de uitkomst hiervan niet zou kunnen afwachten.

Conclusie en gevolgen

4. Het hiervoor vermelde betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening zal treffen en het verzoek als kennelijk ongegrond afwijst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Ernens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand