ECLI:NL:RBOVE:2026:2396

ECLI:NL:RBOVE:2026:2396

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 08.181269-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Verdachte heeft op 11 juni 2025 op klaarlichte dag, op straat, samen met een ander een jong slachtoffer gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen. Het slachtoffer werd achtervolgd en hardhandig tegen een muur geduwd, en hij moest zich op initiatief van verdachte en onder bedreiging van een mes zelfs uitkleden. Verdachte heeft met dit gedrag totaal geen respect getoond voor het eigendom en de gevoelens van veiligheid van een ander. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen overtuiging dat hij nog geld tegoed had van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer bedreigend en beangstigend zijn geweest. Daarnaast leiden berovingen als deze, die nota bene is gepleegd op klaarlichte dag, in een woonwijk en is waargenomen door een jonge getuige, tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Uitgangspunt bij een meerderjarige is toepassing van het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet, conform het advies van de deskundigen en de reclassering, geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank acht, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast noodzaakt de bescherming van de veiligheid van de samenleving het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging. De totale duur van deze maatregel kan een periode van vier jaren te boven gaan.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.181269-25 (P)

Datum vonnis: 4 mei 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in [verblijfplaats] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Aarts, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt, kort en bondig weergegeven, erop neer dat verdachte op 11 juni 2025 in Zwolle samen met een ander (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer] op straat heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Zwolle,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld en/of bedreiging met geweld,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas en/of een broek en/of een pet

en/of een tas (met inhoud), in elk geval enig(e) goed(eren),

dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n),

door:

- die [slachtoffer] één of meermalen vast te pakken en/of

- die [slachtoffer] één of meermalen (hardhandig) tegen een muur te duwen en/of

- (vervolgens) aan die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen ''Je gaat mij al

je kleding afgeven'', althans woorden van (soort)gelijke dreigende en/of dwingende

aard of strekking en/of

- (vervolgens, nadat die [slachtoffer] weigerde zijn kleding af te geven) (aan) die [slachtoffer]

(dreigend) een mes te tonen/voor te houden.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt de ten laste gelegde afpersing (onder bedreiging) met geweld op de openbare weg in vereniging wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het ten laste gelegde “tonen/voorhouden van een mes”.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt als volgt.

De feiten en omstandigheden

[slachtoffer] verklaart bij de politie dat hij op woensdag 11 juni 2025 omstreeks 15:00 uur bij de [school] in [plaats] was. Hij kent verdachte al een jaar en heeft een conflict met hem. Toen [slachtoffer] verdachte zag fietsen, rende hij weg. Toen [slachtoffer] een steegje bij de [adres 1] inging, zag hij dat verdachte achter hem aan fietste en hem in dat steegje vastpakte. [slachtoffer] hoorde verdachte zeggen: “Je gaat mij al je kleding afgeven”. [slachtoffer] zei vervolgens: “Nee, dat doe ik niet”. Daarna zag [slachtoffer] dat verdachte uit zijn rechterbroekzak een mes pakte. [slachtoffer] verklaart dat verdachte het mes met zijn rechterhand vasthield, ter hoogte van zijn benen, met de punt van het mes in de richting van het gezicht van [slachtoffer] gericht. [slachtoffer] deed op dat moment zijn kleding uit, behalve zijn onderbroek, T-shirt en slippers. De uitgetrokken kleding gaf hij aan verdachte. Toen kwam een vriend van verdachte aanfietsten, die daarna samen met verdachte is weggefietst. [slachtoffer] verklaart dat hij de volgende kleding aan verdachte moest afgeven: een beige vest/jas van het merk Asics, een broek van het merk Nike Tech, een pet van het merk Gucci en een tasje van het merk Quotrell, met de volgende inhoud: twee biljetten van € 10,--, één biljet van € 20,--, een Dior-luchtje, een portemonnee met losgeld (naar de rechtbank begrijpt: muntgeld) en bonnetjes.

[getuige] verklaart tegenover de politie dat hij (de rechtbank begrijpt: op 11 juni 2025) omstreeks 16:15/16:30 uur in de keuken van zijn woning aan de [adres 2] stond (de rechtbank begrijpt: in de directe nabijheid van het steegje) en uit het raam keek. Hij zag een jongen op een fiets. Die jongen kwam van rechts, had een beige vest aan en een zwart zijtasje voor mannen bij zich. [getuige] verklaart dat de jongen zijn fiets neerlegde en wegrende. Toen kwam er, ook van rechts, een andere jongen aanrennen met een (zwarte of blauwe) capuchon op en die rende achter de eerste jongen aan. De eerste jongen deed zijn armen in de lucht en zei iets van “sorry, sorry”. Hij werd tegen de muur aan geduwd en moest van die andere jongen zijn vest en tasje afgeven.”

De rechtbank heeft ter terechtzitting de twee video’s met beelden van een deurbelcamera van een omliggende woning getoond, waarbij de rechtbank onder meer het volgende heeft waargenomen. Op de eerste video (met een duur van zeven seconden) is te zien dat [slachtoffer] rent en dat verdachte achter hem aan fietst. Op de tweede video (met een duur van 30 seconden) is te zien dat een andere jongen op een fiets met de kleding van [slachtoffer] onder zijn arm wegfietst en dat verdachte daar achteraan fietst.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat het klopt dat hij achter [slachtoffer] is aan gefietst, en dat hij vervolgens over kleding is begonnen tegen [slachtoffer] nadat verdachte aan hem had gevraagd wanneer [slachtoffer] zou gaan betalen. Ook zegt verdachte dat het klopt dat hij, nadat [slachtoffer] zijn kleding had uitgetrokken, samen met de andere jongen op de beelden is weggefietst met de kleding en het tasje van [slachtoffer] . Verdachte ontkent een mes bij zich te hebben gehad.

Overwegingen en oordeel

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 juni 2025 in Zwolle op de openbare weg aangever [slachtoffer] heeft gedwongen om zijn jas, broek, pet en tas met inhoud af te geven. Dit heeft hij samen met een ander gedaan. Verdachte is degene die [slachtoffer] heeft vastgepakt en tegen een muur heeft geduwd. Daarbij heeft hij tegen [slachtoffer] gezegd: “Jij gaat mij al je kleding afgeven”. Toen [slachtoffer] dit weigerde, toonde verdachte dreigend een mes. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] dat er een mes in het spel was. Verdachte en de andere betrokken jongen zijn vervolgens samen fietsend vertrokken met de buitgemaakte spullen van [slachtoffer] . De mate van betrokkenheid van verdachte is voldoende om hem als medepleger aan te merken. Verdachte en de andere betrokken jongen hebben de afpersing namelijk samen uitgevoerd en zijn samen vertrokken met de buit. Daarmee is de ten laste gelegde afpersing (onder bedreiging) met geweld, gepleegd op de openbare weg en in vereniging, wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 11 juni 2025 te Zwolle,

tezamen en in vereniging met een ander,

op de openbare weg,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld en bedreiging met geweld,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas, een broek, een pet en een tas (met inhoud), die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden,

door:

- [slachtoffer] vast te pakken,

- [slachtoffer] tegen een muur te duwen,

- aan [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “Je gaat mij al je kleding afgeven”, althans woorden van (soort)gelijke dreigende en/of dwingende aard of strekking, en,

- vervolgens, nadat die [slachtoffer] weigerde zijn kleding af te geven, aan die [slachtoffer]

dreigend een mes te tonen/voor te houden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6. De motivering van de straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast eist de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Als de rechtbank tot een veroordeling komt, verzoekt de verdediging tot toepassing van het jeugdstrafrecht en om te volstaan met de oplegging van een jeugddetentie die gelijk is aan de duur van het voorarrest, dan wel een PIJ-maatregel of een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw bepleit dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor oplegging van de TBS-maatregel, en dat TBS met dwangverpleging in deze zaak disproportioneel is. Uiterst subsidiair bepleit de verdediging dat moet worden volstaan met de oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden, dan wel een gemaximeerde TBS-maatregel.

De gronden voor de straf en maatregel

De rechtbank houdt bij het opleggen van de na te melden straf en maatregel rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van het gepleegde feit

Verdachte heeft op 11 juni 2025 op klaarlichte dag, op straat, samen met een ander een jong slachtoffer gedwongen tot de afgifte van meerdere voorwerpen. Het slachtoffer werd achtervolgd en hardhandig tegen een muur geduwd, en hij moest zich op initiatief van verdachte en onder bedreiging van een mes zelfs uitkleden. Verdachte heeft met dit gedrag totaal geen respect getoond voor het eigendom en de gevoelens van veiligheid van een ander. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen overtuiging dat hij nog geld tegoed had van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer bedreigend en beangstigend zijn geweest. Daarnaast leiden berovingen als deze, die nota bene is gepleegd op klaarlichte dag, in een woonwijk en is waargenomen door een jonge getuige, tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaard feit kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 4 februari 2026, waaruit volgt dat verdachte al eens eerder voor een straatroof is veroordeeld. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin in aanmerking.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het pro Justitia-rapport van

13 april 2025, waarin over verdachte is gerapporteerd door dr. T.W.D.P. van Os, forensisch psychiater, en N. van der Weegen, GZ-psycholoog (hierna: de deskundigen), en de door hen op de zitting gegeven toelichting op hun adviezen.

Bij verdachte, een nu 19-jarige jongen, is volgens de deskundigen sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. Deze stoornis was volgens de deskundigen ook aanwezig ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit. De persoonlijkheidsstoornis bij verdachte is volgens de deskundigen gebaseerd op een stoornis in de gehechtheid. Daardoor heeft verdachte problemen in (afhankelijkheids)relaties en toont hij zich onverschillig ten opzichte van de gevolgen die zijn gedrag veroorzaken. Verdachte gaat zijn eigen gang. Hij heeft weinig remmende krachten om met zijn negatieve emoties om te gaan. Ook in detentie is hij betrokken bij veel incidenten die in de jeugdinrichting hebben plaatsgevonden. De deskundigen concluderen dat de stoornis van verdachte zijn gedrag ten tijde van het plegen van het feit heeft beïnvloed. Het advies van de deskundigen is om verdachte het bewezen verklaarde feit in verminderde mate toe te rekenen.

Verdachte heeft volgens de deskundigen vanwege zijn leeftijd nog veel werk te verzetten om de volwassenheid op zijn schouders te nemen. De drie belangrijkste taken om zich volwassen te kunnen gedragen zijn onvoldoende doorlopen. Verdachte moet door middel van verwerking afscheid nemen van zijn kindertijd. Daarnaast moet hij leren controle te krijgen over zijn impulsen. Ook moet gewerkt worden aan het opbouwen van een netwerk dat het beste uit verdachte naar voren haalt. Het voorgaande zou met zich kunnen brengen dat verdachte in aanmerking komt voor de toepassing van het jeugdstrafrecht, ondanks dat hij de leeftijd van 18 jaar gepasseerd is. Toch adviseren de deskundigen dat uitdrukkelijk niet. De vele incidenten in de jeugdinrichting en de hiermee gepaard gaande onveilige situaties in de jeugdinrichting, alwaar behandeling en begeleiding gebaseerd is op een groepsgerichte aanpak, maken echter dat de deskundigen het toepassen van het jeugdstrafrecht niet aangewezen vinden. Zij hebben hun afwegingen hierover gebaseerd op de daartoe aangewezen (ASR) indicatiecriteria. Bij die afweging spelen de volgende constateringen van de deskundigen een rol. De handelingsvaardigheden van verdachte zijn voldoende. Hij functioneert niet op verstandelijk beperkt niveau. Verdachte kan de gevolgen en risico’s van zijn gedrag inschatten. Hij maakt een verharde indruk. Verdachte profiteert niet van een pedagogisch klimaat, zo blijkt uit zijn voorgeschiedenis. In de jeugdinrichting zijn er bovendien vele incidenten geweest. Gezinsgerichte hulpverlening is niet aan de orde. Ten slotte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met ingesleten patronen. Het advies van de deskundigen is daarom om het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Het risico op gewelddadig gedrag van verdachte in de toekomst wordt door de deskundigen ingeschat als hoog. Dit blijft volgens de deskundigen zonder behandeling en begeleiding onveranderd. Eerdere behandeltrajecten, zowel ambulant als klinisch, hebben niet tot een gedragsverandering bij verdachte geleid. Een langdurige gedwongen klinische behandeling in een gespecialiseerde gesloten forensische setting is daarom nodig. Tijdens dit traject moet gewerkt worden aan de samenwerkingsvaardigheden en de persoonlijkheidskenmerken van verdachte die leiden tot gewelddadig gedrag, zoals de beperkte impulscontrole, de beperkte agressieregulatie, de beperkte coping en gebrekkige gewetensvorming. Als de klinische fase van de behandeling voorbij is, dan zal in de resocialisatiefase duidelijk moeten worden hoeveel verdachte aankan. Bij verdachte is sprake van een gebrek aan probleembesef en -inzicht. Zijn motivatie om zich te conformeren aan de noodzakelijk gevonden behandeling moet extern worden aangestuurd. Verdachte heeft volgens de deskundigen langdurig begeleiding (qua steun, structuur, organisatie en planning) nodig om zijn problematiek te adresseren. Alleen een TBS-maatregel geeft voldoende garantie om het gevaar terug te dringen en een behandeling en resocialisatie te realiseren. Vanwege het gebrek van verdachte aan inzicht en duurzame motivatie, gecombineerd met het hoge recidiverisico op geweld, zien de deskundigen geen mogelijkheden voor een behandeling en begeleiding in een ander kader om het recidivegevaar dat van verdachte uitgaat tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Ook TBS met voorwaarden biedt volgens de deskundigen onvoldoende garanties. Verdachte heeft zich eerder niet aan voorwaarden gehouden. Hij kan het wel beloven, maar hij houdt het niet vol. Daarbij is onttrekking ook een risico. Het advies van de deskundigen is om aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank acht de conclusies van de deskundigen inzichtelijk en gedegen onderbouwd. In het rapport is helder en concludent gemotiveerd hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies daarom over en maakt die tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen. Evenals de deskundigen ziet de rechtbank geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 april 2026, opgemaakt door de reclasseringswerker

[reclasseringswerker], en de door haar op de zitting gegeven toelichting. Hieruit volgt dat de reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden (interventies of toezicht) de risico’s te beperken en/of het gedrag van verdachte te veranderen. De rechtbank houdt ook hier rekening mee.

De oplegging van een gevangenisstraf

Uitgangspunt bij een meerderjarige is toepassing van het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet, conform het advies van de deskundigen en de reclassering, geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd.

De rechtbank acht, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest.

De oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank stelt vast dat, anders dan door de verdediging is bepleit, is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de TBS-maatregel. De rechtbank beschikt immers over een advies van deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht. Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat dit ook geldt voor de verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de forse, diepgewortelde persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar zodanig zijn dat langdurige, klinische behandeling in een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is. De rechtbank is zich terdege bewust van de nog relatief jonge leeftijd van verdachte en van de ingrijpendheid van oplegging van de maatregel van TBS met verpleging. Feit is echter dat de noodzakelijke behandeling van verdachte niet verantwoord op een andere manier kan worden vormgegeven, zoals (ook) ter terechtzitting uitvoerig is onderbouwd door de deskundigen en de reclassering. De bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt daarom het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

7. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de wetsartikelen 37a, 37b en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het de volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.M.J. Vijftigschild en

mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.

Buiten staat

Mr. De Mos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.T.C. Jordaans
  • mr. G.M.J. Vijftigschild
  • mr. P. de Mos

Griffier

  • mr. N. Klunder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand