ECLI:NL:RBOVE:2026:2397

ECLI:NL:RBOVE:2026:2397

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 08-091603-24 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 68-jarige man tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk en betaling van schadevergoeding aan de slachtoffers. De verdachte heeft zich als leidinggevende gedurende een periode van ongeveer drie en een half jaar herhaaldelijk schuldig gemaakt aan het aanranden van acht medewerksters. De slachtoffers hebben allemaal een verstandelijke of psychische beperking, wat verdachte wist.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-091603-24 (P)

Datum vonnis: 4 mei 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] voorgedragen slachtofferverklaringen en van wat namens hen en namens [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] is aangevoerd door mr. A.P. Drosten (namens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) en door [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland (namens overige voornoemde benadeelde partijen).

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 20 april 2023 acht vrouwen van wie hij de leidinggevende was heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij

- [slachtoffer 1]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot

en met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar vulva en/of borsten en/of billen en/of (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 2]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en

met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar borsten en/of liezen en/of (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 3]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2021 tot en met

20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar vulva en/of borsten en/of billen en/of liezen en/of (boven)benen te

betasten;

- [slachtoffer 4]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2021 tot

en met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar billen en/of heupen te betasten;

- [slachtoffer 7]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2022 tot en

met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar borsten en/of billen en/of (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 5]

in of omstreeks de periode van 1 maart 2022 tot en met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar (dij)benen te betasten;

- [slachtoffer 6]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 april 2022 tot en

met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar borsten en/of billen en/of (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 8]

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2022 tot

en met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen

door haar borsten te betasten;

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid,

dat/die erin heeft/hebben bestaan dat verdachte

telkens, althans meermalen,

- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft gepleegd en/of

voornoemde vrouwen hiermee heeft overrompeld en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand

van voornoemde vrouwen en/of

- misbruik heeft gemaakt van zijn (verstandelijke en/of psychische) overwicht op

voornoemde vrouwen, gelet op het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en

voornoemde vrouwen en/of de (verstandelijke en/of psychische) beperkingen en

kwetsbaarheid van voornoemde vrouwen en/of

- misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke en/of ondergeschikte positie waarin

voornoemde vrouwen zich ten opzichte van hem bevonden, immers was hij de

leidinggevende van de afdeling binnen het bedrijf waar voornoemde vrouwen

werkten en/of

- ( hierdoor) voornoemde vrouwen in een zodanig weerloze en/of afhankelijke

toestand heeft gebracht en/of een zodanig beangstigende situatie heeft gecreëerd

dat voornoemde vrouwen zich niet aan bovengenoemde ontuchtige/seksuele

handelingen konden en/of durfden te onttrekken.

3. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verklaringen van de getuigen zijn betrouwbaar. Het dossier bevat voldoende steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ). Ook voor de verklaringen van [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ), [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ), [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ), [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is voldoende (ondersteunend) bewijs aanwezig door middel van een schakelbewijsconstructie, nu alle verklaringen op essentiële punten met elkaar overeenkomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] onbetrouwbaar zijn door aantoonbare tegenstrijdigheden, wisselende herinneringen en “collaborative storytelling”. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen forensisch bewijs ter ondersteuning van de getuigenverklaringen bevat en evenmin ander objectief en onafhankelijk steunbewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten die niet ter discussie staan

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende, niet ter discussie staande, feiten vast.

Verdachte is sinds 2011 werkzaam bij [bedrijf] in [vestigingsplaats] als supervisor van de zogeheten [afdeling] . Dit betreft een leidinggevende rol. Op deze afdeling werken mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zo ook [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] . Zij hebben allen een verstandelijke en/of psychische beperking en/of kwetsbaarheid. Verdachte is hiervan op de hoogte. Op 20 april 2023 is [slachtoffer 3] op het kantoor van verdachte. Nadat zij het kantoor van verdachte verlaat gaat zij met [slachtoffer 1] naar de toiletten. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] gaan vervolgens ook naar de toiletten. Daarna wordt [de tweede supervisor] (hierna: [de tweede supervisor] ), de tweede supervisor van de [afdeling] , naar de toiletten geroepen. [slachtoffer 3] vertelt dan dat verdachte eerder die dag zijn hand in haar onderbroek heeft gedaan. Er wordt ook besproken dat dit vaker is gebeurd. Dit leidt tot een gesprek met zes vrouwen op het kantoor van [HR-manager] (hierna: [HR-manager] ), de HR-manager van [bedrijf] , waarin wordt gesproken over de vermeende ongewenste seksuele handelingen van verdachte. Verdachte wordt op non-actief gesteld en het dienstverband van verdachte wordt uiteindelijk beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Op 16 mei 2023 doet [HR-manager] namens tien werkneemsters aangifte tegen verdachte. Het onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie uitgevoerde opsporingsonderzoek leidt tot de vervolging van verdachte voor de aanranding van acht werkneemsters. Zij zijn allen als getuigen gehoord, zowel bij de politie als – op verzoek van de verdediging – bij de rechter-commissaris. In dit vonnis worden zij daarom telkens aangeduid als getuigen en niet als aangeefsters.

Over de vermeende ontuchtige handelingen lopen de verklaringen van verdachte en de voornoemde vrouwen uiteen. De rechtbank zal deze verklaringen later bespreken.

De beoordeling van bewijs in zedenzaken

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader.

Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen met zich dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van voldoende steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De vraag of aan dit zogenaamde bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, allereerst gesteld voor de vraag of de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij de werkneemsters met een seksuele intentie heeft aangeraakt. Hij beschrijft zichzelf als “pakkerig” en amicaal, maar van seksueel grensoverschrijdend gedrag is volgens hem geen sprake geweest. Hij heeft verklaard dat hij wel eens een arm om de schouder van een aantal dames sloeg en dat hij zijn hand wel eens op hun been, net boven de knie, legde als hij naast hen zat in de kantine, bijvoorbeeld om te vragen of zij iets dat op tafel stond wilden aangeven. Ook heeft hij verklaard dat hij bij [slachtoffer 4] tweemaal zijn duim en wijsvinger, met beide handen, in haar heup heeft gezet, omdat hij achter haar langs moest lopen of omdat hij haar wilde instrueren op welke plaats zij moest staan.

De verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] en de betrouwbaarheid daarvan

[slachtoffer 1]

heeft verklaard dat zij sinds februari 2019 werkzaam is bij [bedrijf] . Na een periode van een half jaar of acht maanden is verdachte begonnen met het wrijven over haar benen. Hij heeft ook heel vaak aan haar borsten gezeten. Deze handelingen vonden plaats in de kantine, in het magazijn en in het kantoor. [slachtoffer 1] heeft verklaard over een situatie waarbij verdachte achter haar stond en ineens haar borsten vastpakte. Hij zei toen “oeps”. Verdachte heeft ook over de billen van [slachtoffer 1] geaaid en in de billen geknepen, zowel in als over de broek van [slachtoffer 1] . Ook is hij met zijn hand tussen haar benen naar haar “poes” bewogen. Hij drukte dan met zijn vingers en kriebelde bij haar vagina. Verdachte is eenmaal met zijn hand in de onderbroek van [slachtoffer 1] gegaan en heeft toen zijn hand op de huid en het schaamhaar van [slachtoffer 1] gelegd. Dit gebeurde onverwachts op het kantoor van verdachte. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte een keer de armen van [slachtoffer 6] vasthad. Ook heeft zij verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte over de rug van [slachtoffer 3] wreef.

[slachtoffer 2]

heeft verklaard dat zij sinds 2020 werkzaam is bij [bedrijf] . Na een paar maanden wilde zij in gesprek met een vertrouwenspersoon, waarop verdachte te kennen had gegeven dat hij de vertrouwenspersoon was. Er volgde een gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 2] waarbij verdachte zijn hand op het been van [slachtoffer 2] legde en over haar been streek. Ook zat verdachte aan de achterkant van haar been als zij bij hem op het kantoor stond. Dit gebeurde uit het niets. Verdachte zei tegen [slachtoffer 2] , als zij bij hem op kantoor stond, dat zij wel dichterbij mocht komen staan. Toen zij vervolgens dichterbij verdachte stond sloeg hij een arm om haar heen en legde hij zijn hand op haar borst. Dit is één keer gebeurd. In de kantine ging verdachte naast [slachtoffer 2] zitten en legde hij zijn hand op haar schoot. Hij streelde dan over en kneep in haar bovenbeen en ging steeds verder omhoog naar haar liezen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] over hun benen heeft gestreeld/gewreven. Ook heeft zij verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 6] naar zich toetrok.

[slachtoffer 3]

heeft verklaard dat zij sinds mei 2021 werkzaam is bij [bedrijf] . De aanrakingen van verdachte begonnen vanaf het begin van haar dienstverband. Dit begon met aanrakingen bij de schouders en ging daarna steeds verder naar onderen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte haar eenmaal bij haar borst heeft aangeraakt. Ook heeft verdachte haar kont en liezen gestreeld en hierin geknepen. Dat is vaker gebeurd. Het aanraken van de kont speelde zich veelal af in het kantoor van verdachte, als [slachtoffer 3] bij verdachte aan het bureau stond, en het aanraken van de liezen in de kantine, als verdachte naast [slachtoffer 3] ging zitten. Op 20 april 2023 was [slachtoffer 3] op het kantoor van verdachte. Zij had het koud en ging tegen de verwarming aan staan. Daarna moest [slachtoffer 3] iets op de computer van verdachte bekijken en ging zij naast hem staan. Verdachte legde toen zijn hand op de kont van [slachtoffer 3] en ging toen steeds verder met zijn hand naar haar liezen. [slachtoffer 3] heeft ook verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte aan de borst van [slachtoffer 1] zat.

[slachtoffer 4]

heeft verklaard dat zij sinds 2018 werkt bij [bedrijf] . Verdachte pakte haar meermalen bij de heupen vast, als hij achter haar langs liep. Ook heeft verdachte tweemaal in haar kont geknepen, toen zij stickers aan het plakken was in een daarvoor bestemde (afgezonderde) ruimte. Dit alles gebeurde telkens onverwachts. [slachtoffer 4] had hier wel eens wat van gezegd en had ook gezegd “hallo, ik heb hier al een vriend rondlopen”. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat dit in september 2021 gebeurde. [slachtoffer 4] heeft ook verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte in de pauze naast [slachtoffer 1] zat in de kantine en met zijn hand over haar been ging wrijven. Ook heeft zij verklaard gezien te hebben dat verdachte in zijn kantoor een arm om [slachtoffer 1] heensloeg en daarbij aan haar borsten zat, boven haar kleding, en dat hij haar met zijn hand bij haar vagina en op haar bovenbeen aanraakte.

[slachtoffer 7]

heeft verklaard dat zij sinds ongeveer 2020 werkzaam is bij [bedrijf] . Vanaf omstreeks maart 2022 moest [slachtoffer 7] vaker naar het kantoor van verdachte komen waar hij haar vervolgens betastte. Hij trok dan aan haar arm, omdat zij dichterbij moest komen staan. Vervolgens raakte hij haar bovenbeen aan en legde hij zijn hand op haar billen. Dit heeft ongeveer tien keer plaatsgevonden. Ook sloeg hij een arm om haar heen en legde dan zijn hand op haar borst. Dan zei hij “oeps, wat doe ik nou”. [slachtoffer 7] drukte de arm van verdachte dan weg. Dit gebeurde anderhalf jaar lang ongeveer twee keer per week. De aanrakingen waren allemaal over de kleding.

[slachtoffer 5]

heeft verklaard dat zij sinds maart 2022 werkzaam is bij [bedrijf] . Verdachte heeft zijn hand op haar rechterdij gelegd. Dit is eenmaal gebeurd. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte aan de kont en de bovenbenen van [slachtoffer 1] zat of achter haar shirt probeerde te komen.

[slachtoffer 6]

heeft verklaard dat zij ongeveer sinds september 2021 werkzaam is bij [bedrijf] . Als zij naar het kantoor van verdachte ging om hem iets te vragen, stak hij zijn hand uit en zei hij dat hij haar niet goed kon horen zodat zij dichterbij kwam staan. Als zij dichterbij kwam, trok hij haar nog dichter naar zich toe en ging met zijn hand – zowel boven als onder haar hemd – dichtbij haar BH. Ook zat hij met zijn hand aan haar kont, zowel boven als onder de werkbroek. Als verdachte naast haar zat in de kantine, wreef hij met zijn hand over haar been. De handelingen begonnen in april 2022. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte op 20 april 2023 via de achterkant onder de werkbroek van [slachtoffer 3] aan haar kont ging zitten. [slachtoffer 3] reageerde geschrokken/geschokt. Ook heeft zij verklaard te hebben gezien dat verdachte aan de arm van [slachtoffer 1] trok, omdat zij dichterbij moest komen staan. Hij ging dan met zijn hand over haar kont, zowel over als onder de broek. Ook raakte hij met zijn hand haar borst aan. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij vaak heeft gezien dat verdachte aan [slachtoffer 1] zat en dat [slachtoffer 1] er op die momenten gestrest uitzag.

[slachtoffer 8]

heeft verklaard dat zij in 2022, op zeventienjarige leeftijd, stage is komen lopen bij [bedrijf] . Verdachte zat vaak aan haar. Dit begon met het aanraken van de schouders. Daarna heeft hij aan haar borsten gezeten, door met zijn hand in haar T-shirt en haar BH te gaan. Hij voelde aan beide borsten of kneep hierin. Dit is vaak gebeurd en zowel op als onder haar kleding. Het gebeurde op de plek waar [slachtoffer 8] vaak werkte, naast het kantoor. [slachtoffer 8] heeft een specifieke situatie beschreven waarin verdachte achter haar ging staan, haar liet schrikken door op haar schouder te slaan en daarna aan haar borsten zat achter haar BH.

De betrouwbaarheid van de verklaringen

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van alle getuigen betrouwbaar zijn. De verklaringen komen authentiek over. De getuigen hebben in grote lijnen consistent verklaard en hun verklaringen sluiten op elkaar aan. Daarbij zijn hun verklaringen op onderdelen, over wat er tussen ieder van hen en verdachte is voorgevallen, onder welke omstandigheden dit gebeurde en hoe zij zich daarbij voelden, gedetailleerd. Die details over de omstandigheden of de tijd en plaats worden door de verdachte meermalen bevestigd in zijn lezing van de gebeurtenissen. Verder blijkt niet dat de getuigen de zaken hebben aangedikt in hun verklaringen en verklaren zij bij de rechter-commissaris ook dat zij zich sommige dingen uit hun eerdere verklaringen niet meer kunnen herinneren. Dat de verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris op onderdelen afwijken van hun verklaringen tijdens het politieverhoor, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien in het licht van het grote tijdsverloop tussen die twee verhoormomenten en de beperkingen van de getuigen. Die twee factoren in aanmerking nemende, bevreemden de discrepanties tussen de verklaringen niet. Dat er in onderhavige zaak sprake is van “collaborative storytelling”, zoals is bepleit door de raadsman, is de rechtbank niet gebleken. Dat de verklaringen van de acht getuigen onderling veel overeenkomsten vertonen, draagt voor de rechtbank juist in grote mate bij aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen en wijst naar het oordeel van de rechtbank op een specifieke handelwijze van verdachte. De rechtbank wijst in dat verband ook op de verschillen in de verklaringen van de getuigen. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard over seksuele handelingen die verder gingen dan die waarover de andere getuigen in het dossier hebben verklaard. Dat past niet in het beeld van “collaborative storytelling”. Ook wordt de betrouwbaarheid van hun verklaringen versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten dat er voor de getuigen aanleiding was om verdachte – hun (oud) leidinggevende – ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, over een nog te plannen bedrijfsuitje waarover onenigheid was ontstaan en waar verdachte de getuigen op zou hebben aangesproken, maakt dat niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de getuigen betrouwbaar en geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank zal de verklaringen die de getuigen bij de politie hebben afgelegd gebruiken voor het bewijs, nu de getuigen deze verklaring kort(er) na het incident hebben afgelegd. De gebeurtenissen lagen op dat moment verser in het geheugen en het is op dat moment (nog) onwaarschijnlijker dat de getuigenverklaringen beïnvloed zijn door andere verklaringen uit het dossier.

Steunbewijs

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van de getuigen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, gelet op het volgende.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij wel eens een arm over of een hand op de schouders van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] heeft gelegd. Ook heeft hij verklaard dat hij wel eens zijn hand op het been, net boven de knie, van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gelegd. Bij [slachtoffer 4] heeft hij op twee verschillende momenten zijn duim en wijsvinger, van beide handen, op haar heupen gezet.

De getuigenverklaringen

De verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] worden ondersteund door getuigenverklaringen, waarin de betreffende getuigen beschrijven dat zij hebben waargenomen dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] door verdachte werden betast of aangeraakt. Ten aanzien van [slachtoffer 1] betreffen dit de verklaringen van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Ten aanzien van [slachtoffer 3] geldt dit voor de verklaringen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] en ten aanzien van [slachtoffer 6] voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De waargenomen emoties

[de tweede supervisor] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] op 20 april 2023 overstuur in het toilet heeft aangetroffen, nadat [slachtoffer 7] hem had opgehaald. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] waren in paniek en aan het huilen. Daarna heeft er een gesprek met zes medewerksters plaatsgevonden over het seksueel grensoverschrijdende gedrag van verdachte in aanwezigheid van onder meer [HR-manager] . De medewerksters waren tijdens dit gesprek boos, verdrietig en overstuur. Er kwamen volgens [de tweede supervisor] veel extreme gevoelens los, zoals boosheid. Ook [HR-manager] heeft verklaard dat de medewerksters tijdens het gesprek op 20 april 2023 erg emotioneel en overstuur waren.

Het schakelbewijs

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde aanrandingen van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] nog het volgende. De rechtbank maakt voor de bewezenverklaring gebruik van zogenoemd schakelbewijs. Dit is een wijze van bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarvan is in deze zaak sprake. Het bewijsmateriaal voor de feiten vertoont op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen en duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte. De overeenkomsten zijn als volgt. Alle vrouwen waren werkzaam op de afdeling waarvan verdachte de leidinggevende was. De ontuchtige handelingen vonden plaats op de werkvloer, waaronder ook het kantoor van verdachte. Meerdere getuigen verklaren dat [de tweede supervisor] ook wel eens in het kantoor aanwezig was, terwijl verdachte hen betastte, maar dat zijn zicht werd belemmerd door de computerbeeldschermen in het kantoor. De ontuchtige handelingen bestonden telkens uit het onverhoeds betasten van de bovenbenen, borsten, billen en in een enkel geval ook de vulva. Door meerdere getuigen wordt verklaard dat verdachte hen, als zij bij hem op het kantoor stonden, dichterbij riep of dichterbij trok en hen vervolgens betastte. Daarnaast wordt door meerdere getuigen verklaard dat zij door verdachte werden betast op het moment dat zij naast hem in de kantine zaten. Ook wordt door meerdere getuigen verklaard dat verdachte “oeps” zei nadat hij hun borsten had betast. In samenhang bezien versterken de feiten en omstandigheden het bewijs in alle zaken en zijn zij over en weer redengevend, omdat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.

Daarmee is de rechtbank van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de afzonderlijke getuigenverklaringen.

Conclusie

Al hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en in samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen, met uitzondering van het betasten van de borsten van [slachtoffer 6] en het betasten van de vulva van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 6] heeft weliswaar bij de politie verklaard dat verdachte later aan haar borsten begon te zitten, maar bij de rechter-commissaris heeft zij stellig gezegd dat hij haar niet aan de borsten aanraakte, maar richting de beha, de ene keer boven en een andere keer onder haar shirt. De rechtbank acht het betasten van de borsten daarom niet bewezen. [slachtoffer 3] heeft weliswaar verklaard dat verdachte met zijn handen richting haar vagina ging en bij het begin van haar vagina zat, maar niet dat verdachte de vagina daadwerkelijk heeft betast, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de overige handelingen aan te merken zijn als ontuchtig en dat verdachte door zijn handelingen de slachtoffers opzettelijk in zodanige situaties heeft gebracht dat zij zich niet tegen de seksuele handelingen konden verzetten en zij zich daaraan niet konden of durfden te onttrekken. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij

- [slachtoffer 1] op meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar vulva en borsten en billen en (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 2] op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar borst en/of liezen en/of (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 3] op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 mei 2021 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar borst en/of billen en liezen en (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 4] op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2021 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen

door haar billen en heupen te betasten;

- [slachtoffer 7] op meerdere tijdstippen in de periode van 1 maart 2022 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar borst en billen en (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 5] in de periode van 1 maart 2022 tot en met 20 april 2023 te Enschede

heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling door haar (dij)been te betasten;

- [slachtoffer 6] op meerdere tijdstippen in de periode van 30 april 2022 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar billen en (boven)benen te betasten;

- [slachtoffer 8] op meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 20 april 2023 te Enschede heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen door haar borsten te betasten;

door een andere feitelijkheid, die erin heeft bestaan dat verdachte telkens,

- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft gepleegd en/of voornoemde vrouwen hiermee heeft overrompeld en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand

van voornoemde vrouwen en/of

- misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht op voornoemde vrouwen, gelet op het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en voornoemde vrouwen en de (verstandelijke en psychische) beperkingen en kwetsbaarheid van voornoemde vrouwen en/of

- misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke en/of ondergeschikte positie waarin

voornoemde vrouwen zich ten opzichte van hem bevonden, immers was hij de

leidinggevende van de afdeling binnen het bedrijf waar voornoemde vrouwen werkten en/of

- ( hierdoor) voornoemde vrouwen in een zodanig weerloze en/of afhankelijke

toestand heeft gebracht en/of een zodanig beangstigende situatie heeft gecreëerd

dat voornoemde vrouwen zich niet aan bovengenoemde ontuchtige/seksuele

handelingen konden en/of durfden te onttrekken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6. De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, gelet op de bepleite vrijspraak.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich als leidinggevende gedurende een periode van ongeveer drie en een half jaar herhaaldelijk schuldig gemaakt aan het aanranden van acht medewerksters. De slachtoffers hebben allemaal een verstandelijke of psychische beperking, wat verdachte wist, en waren werkzaam op een afdeling die speciaal is ingericht voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Waar het in het algemeen al moeilijk is om een leidinggevende aan te spreken op dergelijk gedrag, geldt dat zeker voor deze slachtoffers. Sommigen waren bang dat zij daardoor hun baan zouden verliezen. Verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van enerzijds de kwetsbaarheid van de slachtoffers en anderzijds zijn machtspositie en verantwoordelijkheid als leidinggevende. Hij heeft door zijn handelen de slachtoffers een veilige werkomgeving ontnomen en hen in plaats daarvan (een) traumatische ervaring(en) bezorgd. Verdachte heeft zich hierbij volledig laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers. Een van de slachtoffers was bovendien minderjarig op het moment dat de ongewenste intimiteiten van verdachte begonnen. Uit de slachtofferverklaringen en de namens hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding blijkt welke impact het handelen van verdachte op hun heeft gehad en nog altijd heeft. Tijdens de zitting heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij blijft volhouden dat er geen sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Alle verklaringen in het dossier zijn volgens de verdachte leugenachtig en voortgekomen uit een plan om hem in een kwaad daglicht te zetten. Met deze uitlatingen toont verdachte dat hij het laakbare en de ernst van zijn handelen niet inziet. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 8 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten van 26 maart 2026 en 14 augustus 2024. De reclassering rapporteert dat bij verdachte sprake is van stabiliteit op alle leefgebieden. Door zijn ontkennende houding kan er geen relatie worden gelegd tussen zijn persoonlijke omstandigheden en de verdenkingen. Evenmin kan er een gestructureerd professioneel oordeel worden gegeven over de eventuele risico’s op zedendelictgedrag. De reclassering ziet geen meerwaarde in reclasseringsbemoeienis en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden met ongeveer drie maanden. De rechtbank overweegt hierover dat het onderzoek is afgerond in mei 2024 en dat de zaak aanvankelijk op een zitting in november 2024 gepland had kunnen worden. De verdediging heeft verzocht alle getuigen uit het dossier te horen en hiertoe op 23 april 2025 een gemotiveerd verzoek ingediend bij de rechter-commissaris, waarop op 19 mei 2025 is beslist. In verband met de verhinderdata van de raadsman konden de eerste getuigenverhoren pas in september 2025 gepland worden. Gelet op de geringe mate waarin de redelijke termijn is overschreden, en omdat het tijdsverloop in deze zaak voor een groot deel toegeschreven kan worden aan de verdediging, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij aan deze overschrijding geen gevolgen.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, om te voorkomen dat verdachte opnieuw dergelijke feiten begaat, zeker nu verdachte aantoonbaar weinig inzicht heeft in (de motieven voor) zijn gedrag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7. De schade van benadeelden

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.448,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico € 563,53

- toekomstige kosten psychologische behandeling € 385,--

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.500,-- gevorderd.

[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 15.653,37 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico (medicatie Salbutamol) € 84,37

- verlies verdiencapaciteit € 9.069,--

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.500,-- gevorderd.

[slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.685,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten inwinnen medische informatie bij huisarts € 62,28

- niet-vergoede zorgkosten 2023 en 2024 € 678,75

- niet-vergoede medicatie (Oxazepam) € 24,17

- reiskosten negen bezoeken praktijkondersteuner € 13,07

- verlies verdiencapaciteit € 3.407,--

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.500,-- gevorderd.

[slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.085,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post “therapie door middel van paarden-coaching” ad € 1.085,--. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,-- gevorderd.

[slachtoffer 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.532,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten psycholoog € 1.498,80

- reiskosten € 283,95

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.750,-- gevorderd.

[slachtoffer 5]

[bewindvoerder], bewindvoerder van [slachtoffer 5] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

[slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

[slachtoffer 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 7.123,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post “kosten psycholoog” ad € 623,63. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.500,-- gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in het geheel toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet toewijsbaar zijn, voor zover deze zien op het gevorderde bedrag ter vergoeding van het verlies van verdiencapaciteit. Voor het overige heeft de raadsman geen verweren ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overwegingen

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is, gelet op hetgeen zij hiervoor reeds heeft overwogen, van oordeel dat in onderhavig geval sprake is van zo’n uitzonderingssituatie. De rechtbank zal hieronder per benadeelde partij de omvang van de immateriële schade (naar billijkheid) vaststellen. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de smartengeldbedragen die worden geïndiceerd in de Rotterdamse Schaal in het geval van aanranding in de meest ernstige categorie, zijnde bedragen tussen € 5.000,-- en € 6.500,--, en de ernstige categorie, zijnde bedragen tussen € 1.000,-- en € 5.000,--. De in de Rotterdamse Schaal vermelde bedragen zijn gebaseerd op de in de Nederlandse rechtspraak toegewezen smartengeldbedragen en geïndexeerd tot 1 juni 2025. De rechtbank acht de Rotterdamse Schaal in onderhavig geval een passend instrument om de hoogte van het smartengeld te bepalen. De rechtbank heeft hierbij tevens telkens rekening gehouden met (onder meer) de duur van de periode waarin de aanrandingen zich hebben voorgedaan, de aard en frequentie van de ontuchtige handelingen en de leeftijd en de afhankelijke positie van de benadeelde partijen.

Wettelijke rente

De toegewezen bedrag zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf de datum zoals in het dictum van dit vonnis genoemd.

[slachtoffer 1]

Materieel

De vordering tot vergoeding van de schadepost “eigen risico” is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade (toekomstige kosten psychologische behandeling) het volgende. Toekomstige schade kan op grond van artikel 6:105 BW “na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden”. Dat kan alleen als voldoende concreet onderbouwd wordt dat deze schade ook daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook daadwerkelijk in die grootte zal worden geleden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze betrekking heeft op toekomstige schade.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom geheel toe.

[slachtoffer 2]

Materieel

De vordering tot vergoeding van de schadepost “eigen risico” is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van het verlies van verdiencapaciteit onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 2.000,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 3]

Materieel

De vordering tot vergoeding van de schadeposten “kosten inwinnen medische informatie bij huisarts”, “niet-vergoede medicatie” en “reiskosten negen bezoeken praktijkondersteuner” zijn voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Ten aanzien van de post “niet-vergoede zorgkosten 2023 en 2024” blijkt uit de onderbouwing dat een bedrag van € 119,18 betrekking heeft op “specialist chirurgie Medisch Spectrum Twente” en bedragen tot een totaal van € 55,71 op “laboratoriumonderzoek”. De raadsman kon desgevraagd ter zitting niet onderbouwen wat het verband tussen deze posten en het tenlastegelegde feit is. De rechtbank ziet dit verband zonder nadere onderbouwing ook niet. Voor zover de post “niet-vergoede zorgkosten 2023 en 2024” ziet op de kosten van de specialist chirurgie en laboratoriumonderzoek wordt deze afgewezen. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het overige gevorderde bedrag. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van het verlies van verdiencapaciteit onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 4]

Materieel

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 2.000,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 7]

Materieel

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 4.500,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 5]

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 6]

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

[slachtoffer 8]

Materieel

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immaterieel

De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor in algemene zin heeft overwogen, van oordeel dat een vergoeding van € 3.500,-- billijk is. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met de in het dictum genoemde aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding [slachtoffer 1]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.063,53 (bestaande uit € 563,53 materiële schade en € 6.500,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 7.063,53 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 6.500,--, vanaf 26 januari 2026 over € 396,49 en vanaf 16 februari 2026 over € 167,04);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.063,53, (zegge: zevenduizend drieënzestig euro en drieënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 6.500,--, vanaf 26 januari 2026 over € 396,49 en vanaf 16 februari 2026 over € 167,04, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 (zestig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 385,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

schadevergoeding [slachtoffer 2]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.084,37 (bestaande uit € 84,37 materiële schade en € 2.000,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.084,37 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over € 84,37);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.084,37, (zegge: tweeduizend vierentachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over € 84,37, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 20 (twintig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding [slachtoffer 3]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.603,38 (bestaande uit € 603,38 materiële schade en € 3.000,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.603,38 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over € 603,38);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.603,38, (zegge: drieduizend zeshonderdendrie euro en achtendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over € 603,38, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 36 (zesendertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding [slachtoffer 4]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.085,-- (bestaande uit € 1.085,-- materiële schade en € 2.000,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.085,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 16 april 2026 over € 1.085,--);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.085,--, (zegge: drieduizend vijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 16 april 2026 over € 1.085,--, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 (dertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 3.000,-- (bestaande uit

immateriële schade);

schadevergoeding [slachtoffer 7]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.282,85 (bestaande uit € 1.782,85 materiële schade en € 4.500,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 6.282,85 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 4.500,-- en vanaf 16 april 2026 over € 1.782,85);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.282,85, (zegge: zesduizend tweehonderdtweeëntachtig euro en vijfentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 4.500,-- en vanaf 16 april 2026 over € 1.782,85, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 1.250,-- (bestaande uit

immateriële schade);

schadevergoeding [slachtoffer 5]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.500,-- (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,--, (zegge: duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 15 (vijftien) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 3.500,-- (bestaande uit

immateriële schade);

schadevergoeding [slachtoffer 6]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.000,-- (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.000,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,--, (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 (veertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 1.000,-- (bestaande uit immateriële schade);

schadevergoeding [slachtoffer 8]

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.123,63 (bestaande uit € 623,63 materiële schade en € 3.500,-- immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.123,63 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.500,-- en vanaf 16 april 2026 over € 623,63);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.123,63, (zegge: vierduizend honderddrieëntwintig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.500,-- en vanaf 16 april 2026 over € 623,63, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 41 (eenenveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 3.000,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.

Buiten staat

Mr. P.A.M. Miltenburg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023174725 en onder de naam Alabama. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben in 2011 begonnen bij [bedrijf] in [vestigingsplaats] . Ik was de supervisor van de [afdeling] . Ik was verantwoordelijk voor bijna alle zaken op de afdeling. Alles wat er op de werkvloer gebeurde, kwam eerst bij mij terecht. Ik bepaalde ook wie er binnenkwam en wie er wegging. Op de afdeling werkten mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ik was mij ervan bewust dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 8] verstandelijk/psychisch beperkt dan wel kwetsbaar waren. Ik heb wel eens een arm over de schouder van [slachtoffer 3] gelegd. Ik heb ook wel eens mijn hand op haar been, net boven haar knie, gelegd in de kantine en toen ik met haar in mijn auto zat. Bij [slachtoffer 4] heb ik tweemaal mijn wijsvinger en duim van mijn beide handen op haar heupen gezet. Ik heb [slachtoffer 6] wel eens bij haar schouder vastgepakt. Ook heb ik wel eens met mijn hand op haar been getikt, terwijl wij in de kantine zaten. Dit geldt ook voor [slachtoffer 1] . Bij [slachtoffer 5] heb ik een keer mijn handen op haar schouders gelegd toen ik achter haar stond. Bij [slachtoffer 2] heb ik wel eens mijn hand op haar been, net boven de knie, gelegd in de kantine. Ik heb vast ook een keer mijn arm over haar schouder gelegd. Zij was vaak ziek. Ik heb toen tegen haar gezegd dat er iets moest veranderen, omdat anders haar contract niet zou worden verlengd. [slachtoffer 8] heb ik een keer bij haar schouders vastgepakt. Zij is in [maand] 2023 achttien geworden.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [HR-manager] van 16 mei 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven op pagina 4-7:

Aangeefster vertelde dat ze HR-manager is bij [bedrijf] en dat ze [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) naar haar kantoor heeft gehaald, hem heeft uitgelegd dat er meerdere meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag waren gedaan, dat er onderzoek zou worden gedaan en dat hij per direct op non-actief gesteld werd. Hij reageerde totaal onaangedaan, verdedigde zichzelf niet en kwam een beetje onverschillig over. Hij heeft dit niet ontkend.

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [HR-manager] door de rechter-commissaris van 2 september 2025, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven:

Ik zat op donderdag 20 april 2024 (de rechtbank begrijpt: 2023) op kantoor en toen kwam de heer [de tweede supervisor] , de rechterhand van [verdachte] , binnen met een aantal dames die erg overstuur waren. Ze waren erg emotioneel.

4.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [de tweede supervisor] van 2 november 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 84-90:

[slachtoffer 3] werd op kantoor geroepen bij [verdachte] . Toen is [slachtoffer 7] naar me toe gekomen in het magazijn voor de werkruimte want ze wilde me iets vertellen. Ik werd naar de toiletten geroepen en trof daar [slachtoffer 7] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Ze stonden te huilen en er was paniek. Ze waren aan het stotteren.

V: Welke dag was het dat jij werd opgehaald uit het magazijn?

A: Dat was de donderdag voor Koningsdag (de rechtbank begrijpt: 20 april 2023).

V; Wat zag je aan de dames?

A: Ze waren overstuur, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] waren overstuur, in paniek. Ik zag paniekaanvallen, zoals huilen en vertellen wat er gebeurd was en vragen of dit aan hen lag.

5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 28 september 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 45-52:

V: Sinds wanneer werk jij bij [bedrijf] ?

A: Februari 2019.

V: welke dingen heeft hij (de rechtbank begrijpt hierna telkens: verdachte) gedaan?

A: Bij de borsten gezeten en bij de bovenbenen.

V: Waar deed hij dat?

A: In de kantine bij de vaatwasser, het magazijn heel vaak en in het kantoor.

V: Tussen jouw benen, was dit over of onder de kleding?

A: Zijn hand was op mijn huid en in onderbroek. Ik voelde zijn hand op mijn huid.

V: En aan de achterkant was over jouw kleding en is dat vaker gebeurd?

A: hij is er vanaf vorig jaar september mee begonnen. 4 a 5 keer is dat gebeurd. Hij ging toen over de kleding van de achterkant, tussen mijn benen naar voren naar waar mijn poes zit. En hij maakt dan bewegingen, echt drukken. Hij drukte met zijn vingers en kriebelde en drukte dan mijn kleding fijn en bewoog met zijn vingers en drukte. Ik voelde dit bij de voorkant, bij de hele vagina.

O: [slachtoffer 1] laat zien dat haar hand achter haar broeksband gaat.

V: Dus hij deed zijn hand achter jouw broek, en je had al verteld onder je onderbroek, en toen?

A: Hij rustte met zijn hand op mijn huid en lag op mijn schaamhaar.

V: Ik hoorde je zeggen: ook spontaan bij het kruis pakken, is dat 1 x of vaker gebeurd?

A: Ik was dan op kantoor bij hem. Hij had dan een bureaustoel en trok zich dan naar mij toe, waarbij hij mijn arm vastpakte en dan begon hij bij mijn benen, mijn bovenbenen. Aan de binnenkant van mijn bovenbenen.

V: Je vertelde ook iets over dat je met displays met pindakaaspotjes bezig was.

A: Ja, ik was aan het werk en hij stond ineens achter mij en hoorde ineens keer zijn stem. Ik was gefocust op mijn werk en ineens pakte hij mij bij de borsten en ik kan me nog heel goed herinneren dat hij zei: “Oeps.” Dit was over de kleding.

V: Hoe komt hij dan bij jouw borsten?

A: Hij staat achter mij, en gaat met zijn armen langs mijn lichaam aan beide kanten en pakte hij mijn borsten over de kleding vast.

V: Ik ga het opsommen, we hebben het gehad bij de borsten pakken, over en onder de kleding. Tussen de benen, hij heeft je schaamhaar aangeraakt, aan de voorkant. Via de achterkant over de kleding naar de vagina en het aaien over de billen wat gezien is en dan moeten we het nog over het stukje van het knijpen in de billen.

A; Hij heeft me met zijn hand bij mijn billen geknepen. Achter mijn broek, of strelen of zijn hand laten rusten.

V: Wanneer zijn die aanrakingen begonnen?

A: 2019 februari ben ik begonnen. Na een halfjaar of 8 maanden is het benen wrijven begonnen.

V: Je hebt iets aangegeven over [slachtoffer 6] en knuffelen.

A: Ik zag dat [verdachte] haar armen naar beneden wilde doen. En [slachtoffer 3] , ik zag dat hij bij haar over haar rug wreef. [slachtoffer 3] vertelde dat zij naar [verdachte] was geweest en een bedrukt gezicht had. Ik vroeg wat er was. En [verdachte] had net ook bij [slachtoffer 3] via de achterkant naar de voorkant bij haar gewreven wat hij bij mij ook had gedaan. [slachtoffer 3] was helemaal van streek, ik huilde. Dit was in april dit jaar. Ik zei: “Kom, we gaan naar de wc.” en vertelde dat hij dit ook bij mij deed.

6.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 7 november 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 78-81:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: Bij [bedrijf] .

V: Hoe lang werk jij daar?

A: Bijna drie jaar.

V: Wat is er nu precies gebeurd op het werk waardoor jij nu hier bij de politie zit?

A: Ik kwam in het begin te werken bij [bedrijf] . Een paar maanden verder wilde ik met iemand in gesprek, ik vroeg dat aan hem wie de vertrouwenspersoon was. Hij zei, dat kan je met mij doen want ik ben de vertrouwenspersoon. Ik ging met hem in gesprek, hij legde zijn hand op mijn been, streek over mijn been. Op het kantoor stond of zat ik naast hem, hij ging dan aan de achterkant van mijn been zitten vanuit het niets. Ik nam steeds meer afstand van het bureau, hij zei toen: “Je mag wel dichterbij komen ik bijt niet, je mag wel dichterbij komen ik doe je niets”. Ik ging dan dichterbij staan en dan ging hij weer opnieuw aanraken. Hij ging een arm om mij heen slaan, hand op mijn borst. In de kantine ging hij wel eens naast mij zitten, dan deed hij zijn hand op mijn schoot, steeds dichterbij mijn lies. Hij liep te dreigen met mijn contract, hij zei dan: Dit kan niet langer zo doorgaan. Anders zorg ik dat je contract niet wordt verlengd”. Of ik ga ervoor zorgen dat je hier niet meer kan werken. Dan begon ik te huilen, hij begon mij te strelen, hand naar de borst of over mijn arm heen te strelen.

V: Je vertelde dat [verdachte] met zijn hand op jou schoot ging en dan steeds verder naar jou lies. Vertel daar eens over

A: Dan zat je naast hem en dan ging hij knijpen in je bovenbeen en strelen over mijn bovenbeen. En dan ging hij steeds verder omhoog richting mijn liezen.

V: Is dit één keer of vaker gebeurd?

A: Bij mij is dat twee keer gebeurd en verder op het bovenbeen of achterbeen.

V: Die hand op jou borst heeft hij dat één keer of vaker gedaan?

A: 1 keer.

V: Wat zag je precies dat [verdachte] bij [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] deed?

A: Voornamelijk in de kantine dat hij over haar been streelde.

V: Wat zag je dat er bij [slachtoffer 3] gebeurde?

A: Ik zag haar staan op het kantoor, ik zag dat er over haar bovenbeen werd gewreven. Ik zat vaak naast [slachtoffer 3] in de kantine, als er plek naast [slachtoffer 3] was ging hij daar bijvoorbeeld zitten. Ik zag dat hij dan ook zijn hand op het bovenbeen van [slachtoffer 3] had, hij kneep dan in haar bovenbeen.

V: Wat heb je gezien bij [slachtoffer 6] ?

A: Ik heb wel eens gezien dat [verdachte] [slachtoffer 6] naar zichzelf toe trok omdat ze dan te ver weg stond op kantoor. Ik heb ook gezien dat hij haar bovenbeen streelde toen zij op kantoor was.

7.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] van 20 oktober 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 68-73:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: [bedrijf]

V: Hoe lang werk jij daar?

A: Vanaf mei 2021

V Dat aanraken bij je borsten, is dat één keer of vaker gebeurd?

A: Dat is één keer gebeurd. Het was bij mij in de liezen zitten en aan mijn kont zitten.

V: Dat aanraken bij je kont is dat één keer of vaker gebeurd

A: Dat is vaker gebeurd.

V: Dat aanraken bij je liezen, is dat één keer of vaker gebeurd?

A: Vaker gebeurd.

V: Vertel eens alles over die laatste keer (de rechtbank begrijpt: 20 april 2023)

A: hij zat alleen op kantoor en [de tweede supervisor] was weg. Ik moest even naar hem toe. Ik had het koud en ging tegen de verwarming aan staan. Ik moest iets op de computer bekijken en ging daarom naast hem staan. Hij ging aan mijn kont zitten, hij legde zijn hand op mijn kont. Hij ging steeds verder met zijn handen naar mijn liezen. Ik ben toen weggegaan, naar de hal. Ik zat er zo mee en heb het toen tegen donkere [slachtoffer 7] gezegd. [slachtoffer 7] moest ook huilen omdat ze zich herkende in mijn verhaal en we zijn toen samen naar de wc gelopen omdat we niet wilde dat hij ons zagen huilen. Blonde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwamen toen ook naar ons toe. [slachtoffer 1] heeft toen [de tweede supervisor] opgehaald.

V: Wat deed [verdachte] precies met zijn hand?

A: Strelen en een paar keer knijpen.

V: Jij vertelde dat hij vaker jou aanraakte bij de kont?

A: altijd in het kantoortje. Hij riep je dan bij zich omdat hij iets met je moest regelen. Ik stond dan naast hem en dan deed hij dat. Het gebeurde ook wel eens dat [de tweede supervisor] tegenover hem zat in het kantoor, dan deed [verdachte] het ook. De computer schermen staan tegenover elkaar dus daarom kon [de tweede supervisor] het niet zien.

V: Speelde dit weken, of maanden of jaren?

A: Dat speelde vanaf dat ik er ben gaan werken. Het begon met de schouder en daarna naar beneden.

V: Dat aanraken bij je liezen, je zei dat dat vaker was gebeurd. Waar gebeurde dit?

A: In de kantine tijdens de lunch.

V: Gebeurde het daar altijd?

A: Niet altijd, echt wanneer hij naast je ging zitten. Hij ging dan in je lies en over je been heen. Er was dan bijvoorbeeld een plekje naast mij over. Dan kwam hij naast mij zitten en dan ging hij over mijn been heen met zijn hand en aan mijn lies zitten.

8.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] van 22 september 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 35-39:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: Bij [bedrijf]

V: Hoe lang werkje daar al?

A: 5 jaar

V: Vertel daar eens alles over?

A: Hij (de rechtbank begrijpt hierna telkens: verdachte) zat bij mij iedere keer aan de heupen. Als hij dan achter mij langs moest dan pakte hij mijn heupen en dat zei hij “even achterlangs”.

V: En verder?

A: Ja hij zat ook wel eens aan mijn kont en dan ging hij er ook wel eens in knijpen. Ik heb er ook wel eens wat van gezegd en heb ook gezegd van: “hallo ik heb hier al een vriend rondlopen”. Maar daar deed hij niets op uit en dan deed hij het gewoon weer.

V: Hoe vaak heeft hij dat in de kontknijpen gedaan?

A: 2 keer

V: En deed hij dat op het kantoor, buiten, in het magazijn?

A: In een soort hok en daar werkte ik best vaak alleen.

V: Je vertelde dat hij je 2 keer in de kont had geknepen. Vertel hier eens alles over?

A: Ik was een bestelling aan het doen en moest alles stickeren. Ik voelde ineens een hand op mijn kont. Toen ik omkeek was het [verdachte] . Hij kneep in mijn billen.

V: Wanneer is dit gebeurd?

A: Twee jaar geleden.

V: Vertel eens alles over die tweede keer dat hij jou in de kont kneep?

A: Toen vroeg hij hoe ver ik was. Toen zei ik dat ik bijna klaar was. Hij liep weer weg en ik draaide me om, maar blijkbaar was hij weer terug gekomen want toen kneep hij mij in de kont.

V: Vertel eens alles over dat hij je vastpakt bij de heupen?

A: Ik stond een keer huisjes te plakken met tape in de hal en dan liep hij langs mij en dan stond er een pallet met al die huisjes achter mij waardoor hij achter mij langs loopt. Hij pakte dan mijn heupen als hij achter mij langs liep.

V: Wat deed dat met jou dat hij jou bij de heupen pakte en jou in de kont kneep?

A: Ik was wel iedere keer verbaasd of in de war over wat er gebeurde. Ook omdat het elke keer onverwacht was.

V: Heb je wel eens gezien dat [verdachte] dit wel eens bij iemand anders deed?

A: Zij heet [slachtoffer 1] . Ik zag dat [verdachte] in de kantine in de pauze naast [slachtoffer 1] zat en ik zag dat hij over haar been zat te wrijven. Hij ging haar ook steeds op het kantoor roepen en dan ging ik wel eens kijken wat daar gebeurde en dan zag ik dat hij bijvoorbeeld met zijn hand naar haar borsten ging en dat hij haar ook omhelsde.

V: Als je daar naar toe keek en [slachtoffer 1] en [verdachte] zag wat zag je dan?

A: Dat [verdachte] zijn arm om [slachtoffer 1] heen sloeg en dat [verdachte] dan aan haar borsten zat.

V: Was dat boven de kleding of onder de kleding?

A: Boven de kleding.

V: Heb je nog meer dingen gezien als ze in het kantoortje waren?

A: Ik zag dan bijvoorbeeld dat hij zijn hand bij haar vagina had en zijn hand op haar bovenbeen.

9.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] van 15 september 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 21-23:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: Bij [bedrijf] .

V: Hoe lang werk jij daar?

A: Drie jaar.

V: Wat is er nu precies gebeurd op het werk waardoor jij nu hier bij de politie zit?

A: Op een gegeven moment begon [verdachte] steeds meer aan mij te trekken. Op zijn kantoor roepen en dat soort dingen. Sinds een jaar, anderhalf jaar, moest ik steeds vaker op kantoor komen en dan raakte hij mij aan.

V: Vertel eens meer over?

A: Ik moest steeds vaker op kantoor komen en dan trok hij aan mijn arm. In zijn ogen stond ik te ver erg en moest ik dichterbij komen. Hij raakte mijn been aan, daar zocht ik niets achter, maar later ging hij naar mijn billen. Die ging hij vastpakken.

A: Hij sloeg vaak de arm om mij heen. Dan zei hij oeps wat doe ik nou en legde hij zijn hand op mijn borst. Dan sloeg hij zijn arm om mijn schouder en dan ging hij met zijn hand over mijn schouder naar mijn borsten.

V: Heeft hij kunnen merken dat jij dat niet prettig vond?

A: Zeker merkte hij dat. Ik zorgde er dan voor dat ik mijn arm tussen mijn borst en elle boog kreeg en dan drukte ik zijn arm weg. [verdachte] begon dan te lachen.

V: Hoe vaak is het gebeurd dat [verdachte] jouw borst aanraakte?

A: Dat was ongeveer twee keer per week, anderhalf jaar lang dat hij op deze manier in mijn borst kneep.

V: Wanneer was dat begonnen?

A: Anderhalf jaar geleden ongeveer.

V: Vertel eens precies hoe het aanraken van jouw billen ging?

A: Ik stond dan naast zijn bureau. [verdachte] zat dan gewoon op zijn stoel en keek gewoon recht naar voren naar zijn computerscherm. Hij begon dan met het aanraken van mijn been. Hij legde dan zijn hand aan de voorkant op mijn bovenbeen en ging dan naar achteren naar mijn billen.

10.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] van 4 oktober 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 63- 65:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: Bij [bedrijf] .

V: Hoe lang werk jij daar?

A: Ik werk daar sinds vorig jaar maart.

V: Wat heeft hij dan bij jou gedaan?

A: Hij (de rechtbank begrijpt hierna telkens: verdachte) heeft op mijn rechterbeen aan mijn dij gezeten.

V: Vertel eens over dat aanraken aan jouw rechterbeen door [verdachte]

A: Het was in het hok van [naam 2] , daar zat ik. Hij stond achter mij. Ik voelde zijn hand hier op mijn dij gaan.

V: Hoe vaak heeft hij jou daar aangeraakt?

A: Eén keer.

V: Wat heb jij zelf gezien of gehoord dat er bij anderen is gebeurd?

A: Bij mij viel op dat hij veel bij [slachtoffer 1] aan haar kont zat of achter haar shirt probeerde te komen.

V: Wat heb jij precies gezien van dat aanraken bij de kont van [slachtoffer 1] ?

A: De arm van [verdachte] was dan de op kont van [slachtoffer 1] en zijn hand was op het bovenbeen van [slachtoffer 1] .

11.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6] van 15 september 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 11-15:

V: Hoe lang werk jij daar (de rechtbank begrijpt: bij [bedrijf] )?

A: Ik werk daar nu ongeveer twee jaar.

V: Wat gebeurde er toen (de rechtbank begrijpt: op 20 april 2023) op het werk?

A: [verdachte] viel [slachtoffer 3] lastig. Toen ging hij van haar achteren bij haar, onder haar werkbroek, ging hij haar daar bij haar kont zitten.

V: Wat heb jij hiervan zelf gezien?

A: Dat hij dat deed dat heb ik zelf gezien.

V: Hoe reageerde [slachtoffer 3] op [verdachte] ?

A: Heel erg geschrokken en geschokt.

V: Wat zag je dan aan haar (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] )?

A: Als [verdachte] bij haar was dan plakte hij altijd heel erg aan haar. Hij raakte haar dan aan. De ene keer bij haar borsten of haar kont of bij haar broek achter haar werkbroek. Ook wel eens bij haar rug, dichtbij de BH. Dit heeft [slachtoffer 1] mij wel eens verteld. De ene keer had ik het gezien.

V: Nog meer?

A: Ze heeft me verteld dat hij het ook in zijn kantoor deed. Dat [verdachte] zijn hand uitstak en zei kom maar wat dichterbij want ik hoor je niet. Anders trok hij je wel aan haar arm dichterbij om maar naast hem te moeten staan. Ik heb dit zelf soms ook gezien omdat ik daar dan bij stond. Ik zag dat [slachtoffer 1] dan ongemakkelijk daar stond. Ik zag dat hij met zijn hand over haar kont of onder haar broek aan haar kont zat. Over haar rug ging aaien en in de richting van de ongewenste plekken ging.

V: Wat zag je dan wat hij deed met de borsten van [slachtoffer 1] ?

A: Ik zag dat hij met zijn hand haar borst ging aanraken.

V: Hoe vaak heb jij gezien dat [verdachte] aan [slachtoffer 1] zat?

A: Heel vaak.

V: Wat heb jij toen zelf verteld aan de dames HR?

A: Als ik naar het kantoor van [verdachte] ging om hem wat te vragen. Dat hij dan zijn hand uitstak en zei. Ik kan je niet goed horen. Dan stak hij zijn hand uit en wachtte hij totdat je naar hem toe kwam. Als je dan dichterbij kwam trok hij mij nog dichter naar mij toe. Hij zat dan onder mijn hemd, dicht bij mijn BH. Dat was met zijn hand. De ene keer boven mijn hemd en de andere keer onder mijn hemd. De ene keer zat hij aan mijn kont over mijn broek en de andere keer onder mijn werkbroek.

V: Wat deed hij dan met zijn hand bij jouw kont.

A: Ik was 20 jaar toen hij begon met mij.

A: Als je in de kantine zat. Als hij naast mij zat, ook gewoon sneaky, met zijn hand bij mijn been te wrijven.

V: Je wijst nu de binnenkant van jouw bovenbeen aan.

A: Ja dat klopt.

12.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 8] van 22 september 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 28-30:

V: Waar werk jij op dit moment?

A: Bij [bedrijf]

V: Hoe lang werk jij daar?

A: ik heb 15 augustus 2023 mijn contract getekend. Daarvoor liep ik er stage vanaf vorig jaar augustus.

V: Vertel eens precies wat er gebeurd is

A: Ik kwam vorige jaar stage lopen en toen was ik 17. Hij zat wel vaak aan mij, aan mijn schouders. Daar begon hij mee. Een week later ging hij met zijn hand in mijn T-shirt en in mijn BH aan mijn borsten zitten. En hij heeft ook wel zo aan mijn borsten gezeten. Hij bleef dit doen totdat hij ontslagen werd.

V: Je zei dat hij aan je borsten zat, is dat 1 keer of vaker gebeurd?

A: Dat is vaker gebeurd.

V: Waar gebeurde dat dan als hij aan je borsten zat?

A: Op de werkvloer, dat is het gedeelte waar ik vaak werk dat is naast het kantoor.

V: Ik weet niet of ik het al gevraagd heb maar wie zat er dan aan je borsten?

A: [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] )

V: Wat gebeurde er precies toen [verdachte] bij jou kwam?

A: hij ging achter mij staan, hij sloeg eerst hard op mijn schouder om mij te laten schrikken. Hij zat aan mijn schouders en hij ging aan mijn borsten zitten onder mijn shirt achter mijn BH aan mijn borsten voelen.

V: Vertel eens alles over hoe het ging toen die aan je borsten voelde?

A: Toen hij ging voelen draaide hij met zijn handen. Hij voelde aan beide borsten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand