RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-134471-25 (P)
Datum vonnis: 23 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [reclasseringswerker] als deskundige gehoord.
De rechtbank heeft kennis genomen van wat door [naam] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland (SHN), namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er op neer dat verdachte zowel een meisje van twaalf jaar als een meisje van zeventien jaar heeft aangerand en daarbij dwang heeft gebruikt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1hij op of omstreeks 30 april 2025 te Enschede, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten, vastpakken en/of vasthouden van de borsten van die [slachtoffer 1] , en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds achterop de fatbike, waarop die [slachtoffer 1] zat, (proberen) te gaan zitten en (daarbij) zijn, verdachtes, armen om het lichaam van die [slachtoffer 1] heen te slaan en op onverhoedse wijze voornoemde seksuele handelingen te verrichten;
2hij op of omstreeks 30 april 2025 te Enschede, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2007, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van, vastpakken van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] , en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds achterop de fatbike, waarop die [slachtoffer 2] zat, (proberen) te gaan zitten en (vervolgens) op onverhoedse wijze voornoemde seksuele handelingen te verrichten.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Verklaring verdachte
Verdachte bekent dat hij op 30 april 2025 in Enschede bij [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) achterop hun fatbike is gaan zitten en hen heeft omarmd en heeft vastgehouden. Hij ontkent dat hij hun borsten heeft aangeraakt of daarin heeft geknepen.
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte is op 30 april 2025 in het centrum van Enschede. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn daar ook en zitten samen op de fatbike van [slachtoffer 2] . Verdachte gaat plotseling achter de achteropzittende [slachtoffer 1] op de fatbike zitten en slaat zijn armen om haar heen. Hij pakt daarbij de borsten van [slachtoffer 1] vast, blijft die vasthouden en knijpt er in. [slachtoffer 1] zegt: “Nein, nein” en [slachtoffer 2] maakt slaande bewegingen naar verdachte, maar hij laat niet los. Ook pakt hij de borsten van [slachtoffer 2] vast en knijpt daar in.
Bewijsoverwegingen en conclusie
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de aangifte van [aangever] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op onverhoedse wijze de ten laste gelegde seksuele gedragingen heeft verricht.
Verdachte heeft door onverhoeds te handelen de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor lief genomen (opzetaanranding) en hij heeft die opzetaanranding van dwang vergezeld laten gaan. De slachtoffers hebben verdachte van zich af moeten slaan en omstanders moesten uiteindelijk ingrijpen om te zorgen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] losliet.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1hij op of omstreeks 30 april 2025 te Enschede, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten, vastpakken en/of vasthouden van de borsten van die [slachtoffer 1] , en welke aanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds achterop de fatbike, waarop die [slachtoffer 1] zat, (proberen) te gaan zitten en (daarbij) zijn, verdachtes, armen om het lichaam van die [slachtoffer 1] heen te slaan en op onverhoedse wijze voornoemde seksuele handelingen te verrichten;
2hij op of omstreeks 30 april 2025 te Enschede, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2007, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van vastpakken van en/of knijpen in de borsten van die [slachtoffer 2] , en welke aanranding werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds achterop de fatbike, waarop die [slachtoffer 2] zat, (proberen) te gaan zitten en (vervolgens) op onverhoedse wijze voornoemde seksuele handelingen te verrichten.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
feit 2
het misdrijf: gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden dienen de voorwaarden te worden gesteld zoals door de reclassering zijn geadviseerd met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van een opname van verdachte bij de forensische kliniek [locatie] . Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding met dwang van twee meisjes van twaalf en zeventien jaar door onverhoeds hun borsten vast te pakken, vast te houden en hierin te knijpen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de jonge, minderjarige, slachtoffers. Dit soort feiten is in de regel traumatiserend voor de slachtoffers. Zij ondervinden vaak nog lang de negatieve gevolgen ervan. Dat geldt ook voor de slachtoffers in deze zaak zoals blijkt uit de toelichting bij de ingediende schadevergoedingsformulieren. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij door zijn handelen deze angstgevoelens bij de jonge slachtoffers heeft veroorzaakt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 12 augustus 2025;
- een pro justitia rapport van 26 augustus 2025 en een (aanvullend) rapport van 3 april 2026, beide opgemaakt door D.R. van Velden, GZ-psycholoog;
- een pro justitia rapport van 3 april 2026, opgemaakt door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater;
- een pro justitia rapport neuropsychologisch onderzoek van 8 april 2026, opgemaakt door dr. F.A. Jonker, klinisch neuropsycholoog;
- een reclasseringsadvies van 26 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld
voor een strafbaar feit.
De rechtbank overweegt het volgende.
- Voorgeschiedenis
Verdachte is kort voor de bewezen verklaarde feiten ontsnapt uit een psychiatrische kliniek in [plaats] (Duitsland) en de grens overgefietst naar Enschede, waar hij de feiten heeft gepleegd. De kliniek zag geen noodzaak tot opsporing van hun ontsnapte patiënt. Verdachte werd in de jaren 1998 tot 2025 keer op keer en al dan niet gedwongen opgenomen maar beëindigde even zo vaak de opname en meestal tegen de adviezen in. Verdachte heeft niet de intentie in Nederland te blijven. Het is de bedoeling dat hij na zijn straf naar Duitsland terugkeert. Er zijn bij terugkeer in de maatschappij weinig beschermende factoren. Verdachte heeft geen huisvesting en geen sociaal netwerk waarop hij kan terugvallen, waardoor hij vermoedelijk na zijn invrijheidsstelling al snel weer psychisch zal ontregelen, zeker als hij zijn medicatiegebruik staakt. De reclassering heeft contact opgenomen met de mentor van verdachte in Duitsland. In Duitsland wordt een klinische opname noodzakelijk geacht.
- Bevindingen en conclusies deskundigen
Zowel de psychiater als de psycholoog komen tot de volgende bevindingen en conclusies. Bij verdachte is sprake is van een (organische) bipolaire stemmingsstoornis - volgens de psycholoog ook van een organische persoonlijkheidsstoornis (die de psychiater niet kan vaststellen of uitsluiten) - bij onderliggend lichamelijk lijden (Multiple Sclerose, Lange QT-syndroom). Een seksuele stoornis wordt niet gezien. Dit was ook zo ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het is aannemelijk dat verdachte tijdens de bewezen verklaarde feiten in een manische toestand verkeerde en daardoor de controle over zijn handelen en het kritische vermogen om zijn handelen te wegen was verloren. Het eensluidend advies van psychiater en psycholoog is de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank volgt dat advies. Er is door de frequente stemmingswisselingen recidivegevaar voor grensoverschrijdend gedrag, maar niet per se voor grensoverschrijdend seksueel gedrag richting jonge meisjes. Klinische behandeling is wel geboden. Behandeling zal het recidivegevaar verminderen, hoewel de kans op herhaling van seksuele delicten ook zonder dat als laag wordt ingeschat.
De neuropsycholoog kan geen organische oorzaak voor de bipolaire stoornis vaststellen.
- Overwegingen rechtbank
Tot zover neemt de rechtbank de conclusies – die op goede gronden zijn genomen – over en maakt deze tot de hare.
Het vervolg van de adviezen is ingewikkelder. De deskundigen zijn het er over eens dat verdachte tot klinische behandeling en resocialisatie verplicht zou moeten worden, een en ander bij voorkeur in Duitsland. Terbeschikkingstelling wordt niet geadviseerd, is niet gevorderd en naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan de orde. De strafrechtelijke route naar een verplichte klinische behandeling blijkt praktisch bezien een ingewikkelde, met een tussenstop in forensische kliniek [locatie] (hierna: [locatie] ). Die route gaat onvoorzienbaar veel tijd kosten en het volgen ervan zou een nog langer voorarrest betekenen. De reclassering heeft zich ervoor ingezet de situatie van verdachte in Duitsland in beeld te brengen, te overleggen met de Duitse mentor en het verdere traject te onderzoeken en zover mogelijk in gang te zetten. Daartoe heeft de reclassering een indicatie voor een opname bij [locatie] weten te verkrijgen. [locatie] heeft verdachte geaccepteerd voor een behandeling, waarna of waarbinnen verdachte doorgeplaatst kan worden naar een kliniek in Duitsland. De wachttijd voor opname was op 9 april 2026 in elk geval drie maanden. Indien de voorlopige hechtenis zou eindigen voordat verdachte in [locatie] zou kunnen worden geplaatst, zou een overbruggingsplek gezocht worden.
De rechtbank houdt met dit alles rekening: met de ernst van de feiten, de verminderde toerekenbaarheid, de noodzaak van behandeling inclusief de geadviseerde verplichte medicatie en met het doel van terugkeer naar en verdere behandeling en resocialisatie in Duitsland. Maar de rechtbank dient ook oog te hebben voor de hoogte van straffen die doorgaans voor feiten als deze worden opgelegd. Als de door de officier van justitie gevorderde straf zou worden opgelegd, dan zou dit een nog langere detentie en een voorwaardelijke straf betekenen voor een verdachte die voor deze feiten al lang in voorarrest heeft doorgebracht. Hoe begrijpelijk de eis ook is om het doel (opname en daarmee zorg voor de verdachte) te bereiken. Daarmee is niet gezegd dat verdacht eerder dan nu is gebeurd in vrijheid had moeten worden gesteld. Er was immers een noodzaak om uitgebreid onderzoek door deskundigen te laten doen en dat onderzoek heeft door de lange wachttijden bij het NIFP onwenselijk lang geduurd.
De rechtbank is, dit alles in aanmerking nemende, van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Die straf is passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank onder de beraadslaging tot deze beslissing is gekomen, heeft zij bij beslissing van 9 april 2026 de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst per 20 april 2026 om 10:00 uur. Hoewel opheffing van de voorlopige hechtenis per die datum meer in de rede had gelegen is in deze bijzonder zaak voor schorsing gekozen opdat de reclassering en het Openbaar Ministerie voor overdracht naar Duitsland konden zorgdragen. Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven gelet op het bepaalde in artikel 72 Sv.
Aanhoudingsverzoek van de verdediging
De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak bij deze stand van zaken af.
7. De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.250,00 gevorderd.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.250,00 gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde de gevorderde immateriële schade van de benadeelde partijen kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade van de benadeelde partijen kan worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de gevolgen van het handelen van verdachte voor [slachtoffer 1] groot zijn. Rekening houdend met de omstandigheden van het geval en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank de toekenning van het gevorderde bedrag van € 1.250,00 billijk.
Vergoeding storten op spaarrekening met BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, zal de rechtbank bepalen dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule dient ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
De rechtbank zal verder bepalen dat de gemachtigde van de benadeelde partij binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het openbaar ministerie op de hoogte dient te brengen van de gegevens van deze te openen bankrekening.
[slachtoffer 2]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de (psychische) gevolgen van het handelen van verdachte voor haar groot zijn. Rekening houdend met de omstandigheden van het geval en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank de toekenning van het gevorderde bedrag van € 1.250,00 billijk.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met twaalf dagen gijzeling per maatregel, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
aanhoudingsverzoek
- wijst af het aanhoudingsverzoek;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
feit 2
het misdrijf: gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.250,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 12 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een op naam van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2012) te openen bankrekening met een BEM-clausule;
- bepaalt dat de gemachtigde van de benadeelde partij binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het openbaar ministerie op de hoogte dient te brengen van de gegevens van de ten behoeve van [slachtoffer 1] geopende bankrekening;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.250,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 12 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025199633. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1 en feit 2
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Op 30 april 2026 was ik in Enschede. Ik heb achterop een fatbike gezeten bij twee meisjes en hen vastgehouden.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 1 mei 2025, pagina’s 31 t/m 35, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:
Ik doe namens mijn dochter [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2012, aangifte van aanranding van haar op 30 april 2025 in Enschede. [slachtoffer 1] zat bij haar vriendin [slachtoffer 2] achterop de fatbike. Ineens hoorde ik [slachtoffer 1] schreeuwen en zag dat ze huilde. Ik zag dat die man haar vastpakte met zijn armen om haar heen. Ik hoorde van [slachtoffer 1] dat die man haar bij de borsten had vastgepakt en dat hij niet wilde loslaten. Ze zei tegen mij: "Mama hij heeft mij aan mijn borsten vastgehouden”.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 1 mei 2025, pagina’s 40 t/m 43, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Gisteravond, in Enschede, zat mijn vriendin [slachtoffer 2] voorop op de fatbike en ik zat achterop. Hij zat achterop mij op de fatbike. De man ging van achteren met zijn armen om mij heen en deed zijn handen op mijn beide borsten. Ik zei steeds: "Nein, Nein!", maar de man liet niet los. Ik voelde zijn handen en het deed pijn. Mijn vriendin sloeg met de armen naar achteren naar die man en zei steeds: "Laat haar los". Daarna kwamen twee jongens onze kant op en die zeiden tegen die man: "Laat die meiden los”. Hij had op een gegeven moment met een hand nog een borst van mij vast en met de andere hand ging hij naar mijn vriendin die voorop zat.
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 2 mei 2025, pagina’s 36 t/m 39, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:
Geboren: [geboortedatum 3] 2007
Ik ben 17 jaar.
Op 30 april in Enschede ging [slachtoffer 1] bij mij achterop de fatbike en wilden wij wegfietsen maar de man pakte [slachtoffer 1] vast bij haar tieten. Ik ging de man slaan, ik sloeg naar achteren totdat hij mij ook te pakken had. Bij mijn tieten. Hij betaste mij met zijn handen en kneep met zijn beide handen in mijn borsten.
5.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 30 april 2025, pagina’s 44 t/m 45, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Ik zag dat de man bij de meisjes achterop de fatbike ging zitten. Ik zag dat hij zijn armen om het meisje, dat achterop zat, heen sloeg en vervolgens kneep de man in de borsten van het meisje. Hij bleef de borsten van dit meisje vasthouden. Op een gegeven moment begon het meisje, dat voorop op de fatbike zat, te slaan tegen de man. Het duurde lang voordat hij de borsten los liet. Mijn vriend en ik hebben tegen de man geschreeuwd dat hij los moest laten en weg moest gaan.
6.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 30 april 2025, pagina’s 46 t/m , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:
Ik zag dat de man op de fatbike afliep en achterop ging zitten. Ik zag dat de man zijn armen om een van de twee meiden sloeg. Een van de meiden schreeuwde: “Nein nein nein”.