RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/345642 / KG ZA 26-58
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[eiser], h.o.d.n. A. [bedrijf 1]
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W.H.R. van Boetzelaer,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M.J. Oudman.
1. De zaak in het kort
[eiser] verzoekt opheffing van ten laste van hem door [gedaagden] gelegde beslagen. Partijen hebben een geschil over de uitvoering van een aannemingsovereenkomst die zij met elkaar hebben gesloten. Deze overeenkomst ziet op de sloop en herbouw van de schuur aan de woning van [gedaagden] [eiser] vordert in een bodemprocedure primair betaling van openstaande facturen en subsidiair ook partiële ontbinding van de aannemingsovereenkomst, terwijl [gedaagden] in dezelfde procedure (vervangende) schadevergoeding vorderen. Aan die tegenvordering leggen [gedaagden] ten grondslag dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Ter verzekering van verhaal hebben [gedaagden] ten laste van [eiser] beslag gelegd op (on)roerende zaken en onder derden. [eiser] vordert primair opheffing van alle beslagen en subsidiair dat de beslagen beperkt blijven tot die op de onroerende zaken. [gedaagden] betwisten dat een grond bestaat voor opheffing van de gelegde beslagen.
De voorzieningenrechter wijst de subsidiaire vordering van [eiser] toe.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2026, waarbij de zaak is verwezen in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle;
- de dagvaarding van 7 april 2026 met 13 producties;
- de conclusie van antwoord met 11 producties;
- de nagezonden productie 14 van [eiser];- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, ter gelegenheid waarvan [eiser] spreekaantekeningen heeft overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
3. De feiten
Sinds mei 2020 voert [eiser] als eenmanszaak een bouwbedrijf.
Bij besluit van 12 mei 2020 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân aan [gedaagden] een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen van de aanbouw (schuur) van hun boerderijwoning.
Eind 2023 hebben partijen een aannemingsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [eiser] de schuur van [gedaagden] zal slopen en herbouwen aan de bestaande woning van [gedaagden] In de offerte van [eiser] van 30 september 2023 staat als onderdeel van het te verrichten werk, voor zover hier van belang, het volgende:
“Leveren en plaatsen van staalconstructie en gordingen volgens tekening, exclusief hoogwerker.”
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de aannemingsovereenkomst.
In opdracht van [gedaagden] heeft [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) de nieuwe schuur – wat betreft de fundering/vloer, de constructie/casco, de waterdichting/folie buitenzijde, de dakhelling en de binnenafwerking – visueel geïnspecteerd op eventuele bouwkundige gebreken. De bevindingen en conclusies van [bedrijf 2] zijn neergelegd in een rapport van 27 december 2024. Kort samengevat concludeert [bedrijf 2] dat sprake is van diverse (grote) bouwfouten.
In opdracht van [gedaagden] heeft [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) op 10 april 2025 een opname/quick scan van de constructies op locatie uitgevoerd, waarvan de volgende bevindingen en conclusies in een rapport van 11 april 2025 zijn neergelegd:
“ Beoordeling constructies
De hsb constructies
De gehele hsb dak en wand constructie maakt een zeer onprofessionele indruk.
Het lijkt erop dat dit alles zonder vooropgezet plan is aangebracht en ook niet constructief is doorgerekend.
De sterkte en de stijfheid van de aangebrachte dakgordingen is door middel van constructieberekeningen gecontroleerd. Deze blijkt niet te voldoen! (…).
Ook is er bij ons twijfel aan de sterkte van de samengestelde daksporen omdat er delen uit zijn gezaagd en ook is er twijfel over de sterkte van de aangebrachte verbindingen. Deze zijn door ons nog niet gecontroleerd.
De staalconstructies
De maatvoering van de staalconstructie strookt niet met de maatvoering van de bestaande schuur waardoor het nieuwe dak niet goed aansluit op het bestaande dak.
In de stalen spanten is een boutverbinding aangebracht tussen het spantbeen en de dakligger. Deze zit precies op de plek waar de krachten in het spant het grootst zijn. De toegepaste boutverbinding is door ons gecontroleerd maar deze blijkt onvoldoende te zijn. De toegepaste staalconstructies komen niet overeen met de constructieberekeningen zoals die zijn ingediend bij de vergunningaanvraag en die zijn goedgekeurd door de gemeente.
Conclusies
De toegepaste constructies zijn onvoldoende sterk.
De constructies zoals ze nu zijn uitgevoerd zijn niet veilig.
Er zullen eerst constructieberekeningen van de toegepaste constructies gemaakt moeten worden. Vervolgens moeten de reeds aangebrachte constructies indien mogelijk worden versterkt of anders worden vervangen.”
Bij besluit van 28 april 2025 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân aan [gedaagden] een bouwstop opgelegd wegens het bouwen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Daarbij is onder meer overwogen dat de constructie van de schuur wezenlijk anders is uitgevoerd dan is vergund.
Op 28 mei 2025 heeft [bedrijf 3] een advies opgesteld over het vervolg van de werkzaamheden. Daarin staat onder meer:
“3) Vervolg mogelijkheden
De gemeente geeft 3 mogelijkheden om verder te gaan:
De bouwwerkzaamheden alsnog geheel overeenkomstig de verleende vergunningen uit te voeren.
Een nieuwe vergunning aanvragen voor de gewijzigde uitvoering. De gemeente vermeld hier ook direct dat dit weinig kans van slagen heeft omdat de gewijzigde uitvoering niet voldoet.
Onderzoeken of het mogelijk is om de gerealiseerde huidige uitvoering aan te passen opdat die wel voldoet waarbij dan eerst een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
4) Afweging vervolg mogelijkheden
Optie b) heeft geen kans van slagen dus valt af.
Optie c) Om isolatie op de huidige staalconstructie aan te brengen moet het buiten spouwblad naar buiten maar dat past niet op de fundering dus de staalconstructie moet naar binnen. Verder moet de dakhelling van de staalconstructie worden aangepast en de verbindingen moeten worden verstrekt. En alle houtconstructies moeten opnieuw gemaakt worden. Er zal dan zoveel aangepast dat dit niet meer loont. Er zal hiervoor dan ook nog een nieuwe vergunning aangevraagd moeten worden.
Optie a) Alle gemaakte constructies boven de begane grondvloer slopen en vanaf daar alles opnieuw opbouwen conform de verleende vergunning.”
Bij inleidende dagvaarding van 18 november 2025 heeft [eiser] een bodemprocedure gestart. [gedaagden] hebben daarop geantwoord en tegenvorderingen ingediend.
Bij beschikking van 13 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland aan [gedaagden] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [eiser] op (on)roerende zaken en onder derden, waarbij de vordering is begroot op € 227.626,31 (inclusief rente en kosten). Op 17 februari 2026 hebben [gedaagden] uit hoofde van deze beschikking beslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., [bedrijf 4] B.V. en B.V. [bedrijf 5] (opdrachtgevers van [eiser]), en op de woning, de loods en een landbouwvoertuig/tractor van [eiser]. Het bankbeslag en het beslag onder B.V. [bedrijf 5] hebben doel getroffen tot het bedrag van € 50.047,96 respectievelijk € 2.520,00.
[eiser], althans zijn advocaat, heeft [gedaagden] verzocht de beslagen op te heffen, dan wel met uitzondering van de beslagen op de onroerende zaken. [gedaagden], althans hun advocaat, hebben dit geweigerd.
[gedaagden] hebben inmiddels aan een derde partij de opdracht verstrekt de door [eiser] gerealiseerde constructie boven de grond te slopen en opnieuw op te bouwen.
4. Het geschil
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
(1) alle op grond van het beslagverlof van 13 februari 2026 gelegde conservatoire beslagen zal opheffen;
(2) met betrekking tot de beslagen op de onroerende zaken [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis aan [eiser] een verklaring van waardeloosheid ex artikel 3:28 BW af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of deel daarvan, met een maximum van € 100.000;
Subsidiair:
(3) alle op grond van het beslagverlof van 13 februari 2026 gelegde conservatoire beslagen zal opheffen, met uitzondering van die ten aanzien van de onroerende zaken;
Primair en subsidiair:
(4) [gedaagden] zal veroordelen in de proceskosten.
Aan zijn vorderingen legt [eiser], samengevat, ten grondslag dat het door [gedaagden] ingeroepen recht ondeugdelijk is en/of dat het beslag onnodig is. Daarnaast stelt [eiser] dat voor de beslagen op (on)roerende zaken de vereiste vrees voor verduistering ontbreekt en dat [gedaagden] op dat punt artikel 21 Rv ernstig hebben geschonden.
[gedaagden] betwisten dat hun vordering op [eiser] summierlijk ondeugdelijk is en dat het beslag disproportioneel is. Volgens [gedaagden] hebben zij een zwaarwegend belang bij handhaving van alle beslagen. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter hierna ingaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil.
5. De beoordeling
Opheffingsgronden
Ingevolge artikel 705 Rv kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
Ondeugdelijke vordering van [gedaagden]?
Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of dat het beslag onnodig is (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 ). De voorzieningenrechter moet beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.
Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter kan op dit moment niet worden gezegd dat de vordering van [gedaagden] waarvoor zij het beslag hebben gelegd ondeugdelijk is. Daartoe geldt het volgende.
[gedaagden] stellen dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen [gedaagden] naar de rapporten van [bedrijf 3] en [bedrijf 2]. Volgens [gedaagden] blijkt daaruit dat de houtskeletbouw (hsb)-constructies en de staalconstructie ondeugdelijk (non-conform) zijn en dat er meerdere bouwfouten zijn gemaakt. Ook verwijzen [gedaagden] naar het aanvullend rapport van [bedrijf 3] van 28 mei 2025 waarin is geadviseerd om alle gemaakte constructies boven de begane grondvloer te slopen en vanaf daar alles opnieuw op te bouwen conform de verleende omgevingsvergunning.
[eiser] betwist dat hij is tekortgeschoten. Daartoe voert [eiser] aan dat (1) hij niet de ontwerpverantwoordelijkheid heeft, terwijl de ondeugdelijke uitvoering (voor zover daarvan sprake is) te wijten is aan door [gedaagden] als opdrachtgever verstrekte tekeningen, berekeningen en bestekken, dat (2) de vordering van [gedaagden] is gebaseerd op de ondeugdelijkheid van de staalconstructie, terwijl die geen onderdeel meer uitmaakte van de aannemingsovereenkomst en dat (3) de door [gedaagden] gestelde opdracht aan [eiser] met betrekking tot de uitvoering van het werk onmogelijk is. Ook betwist [eiser] dat sloop de enige mogelijkheid is.
Op basis van de stellingen van partijen, zoals die in de processtukken uitgebreid zijn verwoord en toegelicht ter zitting, stelt de voorzieningenrechter vast dat partijen een verschil van mening hebben over de (gang van zaken met betrekking tot de tekeningen van de) staalconstructie. [eiser] stelt dat de staalbouw aanvankelijk in de overeenkomst tussen partijen opgenomen was. [eiser] heeft aan onderaannemer [bedrijf 6] een offerte gevraagd voor een staalconstructie gebaseerd op de bestektekening van maart 2018 en een statische berekening van juni 2021, op basis van welke gegevens tekenbureau [bedrijf 8] een staaltekening gemaakt heeft. Later heeft [bedrijf 7] in opdracht van [gedaagden] een nieuwe statische berekening gemaakt en gedurende het werk hebben [gedaagden] besloten het werk te wijzigen, waarbij – samengevat – de staalconstructie naar buiten werd gebracht en in de isolatieschil geplaatst. [gedaagden] hebben de regie genomen over die wijziging. Daarbij is gebruik gemaakt van nieuw tekenwerk van [bedrijf 8] dat door [gedaagden] is goedgekeurd. [bedrijf 6] heeft op basis van die goedkeuring het staal geproduceerd en gemonteerd. De tekeningen van [bedrijf 8] wijken op onderdelen af van de tekeningen van [bedrijf 7], aldus [eiser]. Uit het voorgaande volgt volgens [eiser] dat [gedaagden] de ontwerpverantwoordelijkheid hadden en dat de staalconstructie geen onderdeel meer uitmaakt van de aannemingsovereenkomst. In verband met dat laatste wijst [eiser] erop dat [bedrijf 6] de rekening aan [gedaagden] geadresseerd heeft.
[gedaagden] brengen naar voren dat [bedrijf 7] in opdracht van hen statische berekeningen opgesteld heeft, waarbij een overzicht gevoegd was van de staalprofielen. Overeenkomstig die tekeningen diende [eiser] het werk uit te voeren. In overleg met [eiser] is de staalconstructie in de isolatieschil aangebracht voorafgaand aan het definitief goedkeuren van de offerte van [eiser]. De staalconstructie zou moeten blijven voldoen aan de tekeningen van [bedrijf 7]. Die tekeningen waren gedeeld met [eiser], maar [eiser] heeft blijkbaar nagelaten de tekeningen met [bedrijf 6] en [bedrijf 8], diens onderaannemer, te delen. [eiser] had aan de hand van het toestuurde berekeningen en tekeningen werktekeningen moeten maken. Die heeft [eiser] echter niet gemaakt en de tekeningen die [bedrijf 8] gemaakt heeft wijken af van de tekeningen van [bedrijf 7]. [gedaagden] betwisten dat zij verantwoordelijk zijn voor de ontwerptekeningen en eveneens dat de staalconstructie geen deel meer uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Voor zover [gedaagden] opdracht voor het maken van de staalconstructie gegeven zouden hebben heeft te gelden dat [eiser] had moeten waarschuwen voor onjuistheden in de tekening die [bedrijf 8] gemaakt heeft (artikel 7:754 BW). Tot slot twisten partijen over de vraag of de aanpassing van de staalconstructie te rijmen valt met de inhoud van de voor de werkzaamheden verleende omgevingsvergunning. [eiser] meent dat door de gewijzigde opdracht het vergunde werk niet meer kan worden uitgevoerd en dat het fysiek onmogelijk is om zowel het vergunde als het gewijzigde werk uit te voeren.
In de ogen van [gedaagden] is het hun zaak of de bouw met de isolatieschil in de staalconstructie past in de omgevingsvergunning.
Toetsing aan de opheffingsgrond van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht vereist een voorlopige inschatting van de rechtspositie van de beslaglegger. In dat kader kan, naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter, op basis van de stellingen van partijen niet worden uitgesloten dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Dit geldt met name als in de bodemprocedure komt vast te staan dat de staalconstructie inclusief de uitvoerings-/werktekeningen tot het aan [eiser] opgedragen werk behoorde en dit deel van het werk ondeugdelijk is uitgevoerd. Hoewel voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagden] betrokken waren bij het ontwerp van het werk en bij de aanpassing daarvan, betekent dat nog niet dat zij daarmee de volledige ontwerpverantwoordelijkheid op zich hebben genomen. Zo blijkt uit de e-mail van [bedrijf 9] BV van 12 oktober 2023 aan [eiser] dat “er gelijk gestart [kan] worden met het maken van het benodigde (werk)tekenwerk”. En in de notulen van de eerste bouwvergadering van 13 maart 2024 staat dat [eiser] met betrekking tot de staal- en kozijntekeningen actie zou ondernemen. Voorts volgt uit de e-mail van [bedrijf 8] van 23 februari 2026 dat er tijdens een bespreking ter plaatse op 24 juni 2024 controlemetingen zijn gedaan en wijzigingen doorgesproken, zoals het naar buiten (dus in de binnengevel) plaatsen van de spantpoten, en dat op 29 juli 2024 de aangepaste set tekeningen is gestuurd naar alle betrokken partijen ([bedrijf 6], [eiser] en [gedaagden]). [gedaagden] stellen dat het bij [eiser] duidelijk had moeten zijn dat voor het fabriceren van de werktekeningen het uitgangspunt zou moeten zijn de statische berekeningen van [bedrijf 7] van 1 mei 2024 en dat [eiser] heeft verzuimd om de door hem gebruikte (werk)tekeningen en berekeningen van de staalconstructie ter goedkeuring aan de gemeente voor te leggen. Voorts kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit het enkele feit dat [bedrijf 6] de rekening aan [gedaagden] gestuurd heeft niet afgeleid worden dat [gedaagden] de opdrachtgevers van [bedrijf 6] zijn. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] met zijn argument dat de gewijzigde aanpak van de staalconstructie niet past in de omgevingsvergunning lijkt te willen betogen dat hij het werk overeenkomstig de opdracht uitvoerde, maar dat strijdigheid met de omgevingsvergunning daar het gevolg van is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het argument van [eiser] niet leidt tot de slotsom dat op dit moment voldoende aannemelijk is dat hij in het geheel niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Daarvoor bevatten de hiervoor onder 3.5. tot en met 3.8. genoemde documenten immers te veel aanwijzingen dat ook andere gebreken dan het afwijken van de vergunning aan het werk kleven.
Op grond van het voorgaande maakt de voorzieningenrechter de gevolgtrekking dat onvoldoende gebleken is van beslag voor een kennelijk niet bestaande, verjaarde of anderszins al te zwakke vordering van [gedaagden] In dat kader geldt dat een (opheffings-) kort geding zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling van alle twistpunten tussen partijen en aansprakelijkheidsstelling. Daarvoor is een bodemprocedure aangewezen waarin ruimte is voor bewijslevering door onder meer getuigenverhoor.
In het licht van deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door [gedaagden] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.
Onnodig beslag?
[eiser] stelt ook dat het beslag disproportioneel is. Daartoe wijst hij op het bedrag van de vordering waarvoor het beslagverlof is verleend (€ 227.626,31) en de totale overwaarde van zijn woning en loods die volgens hem tenminste € 210.000,00 en in werkelijkheid zelfs ongeveer € 240.000,00 bedraagt. Volgens [eiser] volstaat daarom het beslag op de onroerende zaken en zijn de overige beslagen niet nodig.
[gedaagden] betwisten dit. Volgens [gedaagden] gaat [eiser] uit van de marktwaarde van de onroerende zaken, maar is niet duidelijk wat de executiewaarde van de onroerende zaken zou zijn, waarvan algemeen bekend is dat die substantieel lager ligt dan de marktwaarde. Bovendien hebben [gedaagden] ook rekening te houden met de situatie dat ook een andere partij beslag kan leggen op de onroerende zaken van [eiser]. Verder is het zo, aldus [gedaagden], dat het bankbeslag en het beslag onder B.V. [bedrijf 5] slechts doel heeft getroffen tot het bedrag van € 50.047,96 respectievelijk € 2.520,00, terwijl de vordering op [eiser] € 153.726,76 (voorschot herstelkosten) en € 21.370,40 (reeds gemaakte kosten) bedraagt. Volgens [gedaagden] blijkt hieruit dat alle beslagen nodig zijn om voldoende zekerheid te hebben. [gedaagden] stellen dat de vordering waarvoor beslag is gevraagd in verhouding staat tot de gelegde beslagen.
De voorzieningenrechter overweegt dat, als de schuldenaar voldoende verhaal biedt, en er geen verduistering te duchten is, of indien een aansprakelijkheid door een verzekeringspolis is gedekt, dan wel er op andere wijze zekerheid is voor het verhaal, een beslag als onnodig kan worden aangemerkt, na afweging van de belangen van partijen over en weer. De vraag of een conservatoir beslag onnodig/onrechtmatig is dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen.
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat de marktwaarde van zijn woning per 1 januari 2024 € 375.000,00 bedraagt en dat hierop een hypotheekrecht is gevestigd met een ingeschreven bedrag van € 255.242,00, waarvan de schuld per 1 januari 2026 nog € 166.106,95 is. Verder heeft [eiser] toegelicht dat hij de loods in 2024 heeft gekocht voor een bedrag van € 75.625 en dat dit object – anders dan [gedaagden] aanvoeren - onbezwaard is. Dat volgens het door [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling in het geding gebrachte informatie van het Kadaster (‘Hypotheekinformatie’) sprake is van een hypotheekhouder ([bedrijf 10] B.V.) met een op 22 juni 2022 ingeschreven bedrag van € 295.000,00 wijt [eiser] aan het feit dat deze inschrijving na zijn aankoop in 2024 ten onrechte niet is doorgehaald. Bovendien bevinden zich op hetzelfde adres meerdere loodsen. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan deze toelichting van [eiser] te twijfelen en is van oordeel dat [gedaagden] in ieder geval onvoldoende aannemelijk gemaakt hebben dat de loods tot zekerheid dient voor de aflossing van een door [eiser] geleend bedrag. Mede gelet op de prijsontwikkeling in de huidige woningmarkt, betekent dit dat de onroerende zaken van [eiser] op dit moment samen een overwaarde hebben van tenminste € 285.000,00. De vrees van [gedaagden] dat andere schuldeisers beslag leggen op de onroerende zaken, met wie zij de (eventuele) opbrengsten uit de executoriale verkoop moeten delen, is zonder verdere onderbouwing, die ontbreekt, niet aannemelijk. Dat [gedaagden] zich daarbij hebben gebaseerd op “informatie verkregen van een aantal personen uit Dronrijp, welke aan [gedaagde 2] kenbaar hebben gemaakt dat er procedures aanhangig zijn tegen [eiser]”, is in ieder geval onvoldoende. De voorzieningenrechter is evenwel niet van oordeel dat deze stelling, hoewel niet onderbouwd maar ook niet aantoonbaar onjuist, niet kan worden aangemerkt als een schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv. Aan de vraag of deze schending zou moeten leiden tot toewijzing van de vordering tot opheffing van de beslagen komt de voorzieningenrechter daarom niet toe. Net zoals de stelling dat andere schuldeisers beslag zouden kunnen leggen, mist de stelling van [gedaagden] dat niet vaststaat dat de hypotheekschuld in de toekomst verder afneemt en dat het zelfs denkbaar is dat deze schuld nog oploopt of dat in geval van executie van de woning door de hypotheekhouder kosten tot het inschrijvingsbedrag van € 255.242,00 verhaald worden uit de opbrengst van die executieverkoop, een onderbouwing.
Het voorgaande betekent dat het beslag beperkt kan blijven tot de onroerende zaken die voor [eiser] ook de minst bezwarende beslagobjecten zijn. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat [eiser] genoegzaam heeft toegelicht dat het bankbeslag en het beslag onder B.V. [bedrijf 5] extreem beknellend zijn voor zijn bedrijfsvoering als het gaat om de aanschaf van bouwmaterialen, de betaling van ingehuurde zzp’ers en het verkrijgen van opdrachten van Kuin (van wie [eiser] onderaannemer is). Daar komt bij dat het naar alle waarschijnlijkheid nog meerdere maanden zal duren voordat er in de bodemzaak een definitief oordeel zal komen, nu het niet is uitgesloten dat daarin (nadere) bewijslevering door getuigen en deskundigen nodig zal zijn.
Belangenafweging
De voorzieningenrechter dient om te kunnen beslissen op de vordering van [eiser] de wederzijdse belangen van partijen af te wegen. Hij moet beoordelen of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
Nu het belang van [eiser] met zich brengt dat hij kan beschikken over zijn bankrekeningen, terwijl aannemelijk is dat het beslag op de onroerende zaken, gezien de onbetwiste actuele WOZ-waarde van € 404.000,00 (waarvan [eiser] terecht stelt dat de marktwaarde in de regel hoger ligt), voldoende zekerheid biedt voor het verhaal van de vordering van [gedaagden], ziet de voorzieningenrechter aanleiding de subsidiaire vordering toe te wijzen. De beslagen op de onroerende zaken blijven aldus gehandhaafd. De voorzieningenrechter zal de overige beslagen opheffen.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
heft op alle op grond van het beslagverlof van 13 februari 2026 gelegde beslagen, met uitzondering van die ten aanzien van de onroerende zaken (woning en loods);
verklaart de beslissing onder 6.1 uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 7mei 2026. (PvdS)