RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/344968 / KG ZA 26-36
Vonnis in kort geding van 1 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.B. Beerentsen,
tegen
ABN AMRO BANK NV,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de mondelinge behandeling van 17 april 2025
het tegen gedaagde verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten, het geschil en de beoordeling
[eiser] en zijn toenmalige partner hebben in 2009 met ABN AMRO een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij zij aan ABN AMRO een hypotheekrecht op hun woning hebben verleend. Dit is vastgelegd in de notariële akte van 22 september 2009 (productie 3 [eiser]). [eiser] is op 3 juli 2012 in staat van faillissement verklaard, welk faillissement bij beschikking van 21 oktober 2014 is opgeheven (productie 2 [eiser]).
Op 9 juni 2021 heeft ABN AMRO executoriaal derdenbeslag gelegd onder de toenmalige werkgever van [eiser] (productie 3 [eiser]). Op 16 september 2025 heeft zij executoriaal derdenbeslag gelegd onder de huidige werkgever van [eiser] (productie 1 [eiser]). In de processen-verbaal ter zake is vermeld dat voormelde notariële akte bij exploot van
30 september 2016 aan [eiser] is betekend met bevel tot betaling.
[eiser] vordert dat ABN AMRO wordt bevolen het op 16 september 2025 onder zijn werkgever gelegde derdenbeslag opheft en opgeheven houdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vordert hij een verklaring voor recht dat de ten gevolge van het beslag van 9 juni 2021 en het beslag van 16 september 2025 onrechtmatig zijn ingehouden en vermeerderd met wettelijke rente aan hem moeten worden terug-/doorbetaald. Tot slot vordert hij dat ABN AMRO wordt veroordeeld in de proceskosten.
Aan het gevorderde legt [eiser] ten grondslag dat de vordering van ABN AMRO is verjaard. In de dagvaarding is vermeld:
Eiser kan niet exact aangeven wanneer de volledige hypotheekschuld opeisbaar is geworden en waardoor ook de verjaring van deze vordering is gaan lopen. Wel duidelijk is dat dit in ieder geval is gebeurd op 3 juli 2012, zijnde de datum van het faillissement.
Deze verjaring is niet gestuit, zodat de vordering op 3 juli 2017 is verjaard, aldus [eiser].
Gelet op het feit dat ABN AMRO niet is verschenen, is het gevorderde toewijsbaar tenzij een en ander de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dit laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Pas) als een hypotheekrecht teniet is gegaan, zoals door uitwinning van het verbonden goed, bestaat niet langer grond voor de bescherming die artikel 3:323 lid 3 BW de hypotheekhouder biedt. In dat geval geldt voor de restschuld dus niet de regel van
artikel 3:323 lid 3 BW, maar die van artikel 3:307 lid 1 BW. De verjaringstermijn van laatstgenoemd artikel loopt van de aanvang van de dag volgend op die waarop het hypotheekrecht is tenietgegaan.
Uit de door [eiser] gegeven summiere informatie kan niet worden opgemaakt wanneer de hypothecaire geldlening is opgeëist; het enige wat hij daarover stelt, is (zie onder 2.3) dat dit in ieder geval is gebeurd op 3 juli 2012. [eiser] weet wel dát de woning is verkocht, maar verdere details weet hij niet te geven.
Zelfs) als zou worden uitgegaan van een tenietgaan van het hypotheekrecht op de door [eiser] genoemde datum (3 juli 2012), zou de vordering van ABN AMRO op [eiser] tot betaling van de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst niet zijn verjaard. De verjaring van die rechtsvordering kan worden gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt (artikel 3:316 lid 1 BW).
In dit geval heeft, zo blijkt uit de door [eiser] overgelegde stukken, ABN AMRO op 30 september 2016 aanspraak gemaakt op betaling, herhaald (door het leggen van executoriaal derdenbeslag) in juni 2021 en september 2025. Dat voormelde handelingen geen stuitingshandelingen in de zin van artikel 3:316 lid 1 BW zouden zijn, is gesteld noch gebleken. Het beroep op verjaring slaagt dan ook niet.
Dit betekent dat het gevorderde, als ongegrond, niet voor toewijzing in aanmerking komt.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom zijn proceskosten dragen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten.
Dit vonnis is gewezen door E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. G.W.G. Wijnands op 1 mei 2026.