RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/330607 / FA RK 25-742
beschikking van 22 april 2026
in de zaak van
[de moeder] ,
verder te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y. Bruin,
en
William Schrikker Stichting JEUGDBESCHERMING & jeugdreclassering ,
verder te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 juli 2025 aan de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de raad, verzocht om onderzoek te doen naar de in de beschikking geformuleerde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft (de advocaat van) de moeder en de voogd in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het raadsrapport en aan de rechtbank te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in de procedure. De rechtbank heeft de beslissing over de omgangsregeling aangehouden. De omgangsregeling bleef daardoor zoals die was. Namelijk één uur per 4 weken onder begeleiding. De door de moeder verzochte verbetering van deze beschikking is bij beschikking van 17 september 2025 afgewezen.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
Een bericht van mr. Bruin met bijlage van 12 augustus 2026;
Een bericht van de GI met bijlage van 13 augustus 2026;
Een bericht van de GI van 18 augustus 2026;
Een bericht van de raad van 18 augustus 2026;
Een bericht van de raad met bijlage van 7 januari 2026;
Een F9-formulier van mr. Bruin van 7 januari 2026;
Het raadsonderzoek van 30 januari 2026;
Een bericht van de GI van 5 februari 2026;
Een F9-formulier met bijlagen van mr. Bruin van 19 februari 2026;
Een e-mail van mevrouw [naam 1] namens Pluryn van 17 maart 2026;
Een bericht van de raad van 17 maart 2026;
Een bericht van mr. Bruin van 17 maart 2026.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam 2] en [naam 3] namens de GI.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling. In het bericht van 17 maart 2026 laten weten dat de raad niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling. Mr. Bruin heeft via haar bericht van 17 maart 2026 laten weten dat zij behoefte heeft aan aanwezigheid van de raad bij de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft de raad en mr. Bruin bericht dat zij zich kan voorstellen dat de raad ervoor kiest om niet aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling gezien de personeelskrapte bij de raad en het feit dat er al correspondentie is geweest tussen mr. Bruin en de raad over het rapport. In datzelfde bericht heeft de rechtbank meegedeeld dat de bezwaren van de moeder tegen het rapport/advies zullen worden besproken op de mondelinge behandeling.
De rechter heeft op 18 maart 2026 met [kind 1] , de zoon van de moeder gesproken via Teams. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [kind 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren. [kind 2] is niet verschenen op het geplande gesprek met de rechter. Pluryn heeft [kind 2] afgemeld voor het gesprek en in dat bericht de mening van [kind 2] opgenomen.
2. De feiten
Voor de feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 3 juli 2025.
3. De beoordeling
De rechtbank dient nog een beslissing te nemen op het verzoek van de moeder over de omgangsregeling tussen met [kind 1] en [kind 2] .
De moeder stelt dat de vragen die de rechtbank bij de tussenbeschikking van 3 juli 2025 aan de raad heeft gesteld niet zijn beantwoord in het raadsrapport van 30 januari 2026. Zij vindt dit erg kwalijk. De moeder wenst daarom om aanvullende vragen te stellen aan de raad. De raad heeft namelijk geen duidelijk standpunt ingenomen over een verdere uitbreiding dan tot twee uur. Een verdere concrete uitbreiding heeft de raad neergelegd bij de GI. De moeder begrijpt niet waarom er niet meer dan deze uitbreiding mogelijk is. De moeder heeft namelijk regelmatig meer omgang met de kinderen. Bovendien is in de beschikking van 10 november 2023 in rechtsoverweging 5.8. overwogen dat het niet de bedoeling is om automatisch terug te vallen op de oude regeling van twee uur. Het is voor de moeder ook niet duidelijk waarom er begeleiding noodzakelijk is bij de omgang met de kinderen. De moeder stelt dat de raad niet per kind heeft gekeken terwijl dit wel had gemoeten omdat de ontwikkeling van de kinderen anders verloopt en zij op verschillende locaties opgroeien. [kind 1] heeft traumabehandeling gehad en eerder is de omgang teruggeschroefd omdat hij die behandeling nog moest krijgen. Dat omgang met de kinderen nu wel mogelijk is bij de moeder thuis verbaast de moeder omdat de moeder van de GI heeft gehoord dat dit geen goede omgeving was doordat hier het trauma bij de kinderen is ontstaan. De moeder zou graag zien dat er vaker omgang is dan een uur per vier weken. De moeder heeft een betere samenwerking met de GI, maar nog steeds is alle informatie niet overal bekend. De samenwerking met de gezinshuisouders is ook al een aantal maanden goed.
De GI kan zich vinden in het advies van de raad om de omgang twee uur per maand plaats te laten vinden. Daarbij merkt de GI op dat er op dit moment van de twee uur omgang nog slechts één uur wordt begeleid. De GI kan zich, desgevraagd, vinden in een aanhouding van het verzoek omdat de kinderen zich verder ontwikkelen. Over een tijdje zal er weer meer informatie bekend zijn. De omgang met de kinderen gaat goed. Nu [kind 1] en [kind 2] afzonderlijk van elkaar omgang hebben is er meer rust en hebben de kinderen één-op-één contact met de moeder. De kinderen laten nog wel veel spanning zien rond de omgang, maar hebben er ook veel zin in. De GI heeft in april een evaluatiemoment ingepland. De GI begrijpt niet waarom de omgang tussen de moeder en de kinderen in het verleden is verminderd. [kind 1] heeft zijn spel- en traumatherapie afgerond. Hij ontvangt op dit moment nog Sherborne-therapie en Video Interactie Begeleiding gericht op Gehechtheid (VIB-G). De Sherborne-therapie is met de gezinshuisouders, maar de GI zou willen dat dit later ook plaats kan vinden tussen [kind 1] en de moeder. [kind 2] staat nog op de wachtlijst voor diagnostiek. De GI wil proberen om de omgang tussen de moeder en [kind 1] plaats te laten vinden bij de moeder thuis nu [kind 1] dit wenst. Er is ook een mogelijkheid dat de omgang binnen het gezinshuis plaats gaat vinden. De GI hoopt dat [kind 1] dan gaat zien dat de moeder de woonplek van [kind 1] kan verdragen. De GI heeft een goede samenwerking met de moeder.
De raad adviseert in zijn rapport om een minimale omgangsregeling vast te stellen waarbij er sprake is van twee uur per maand begeleid contact en eenmaal per vier weken een videobelmoment tussen de moeder en de kinderen. Onder regie van de voogd is het wenselijk dat er elke drie maanden geëvalueerd wordt hoe het met de kinderen gaat. Elke zes maanden kan worden bekeken of de omgang kan of moet worden aangepast naar meer of minder uren en meer of minder begeleiding. Een eventuele uitbreiding hoeft voor beide kinderen niet gelijk op te lopen en moet per kind worden bekeken. De raad erkent dat er inmiddels al meerdere ‘extra’ omgangsmomenten hebben plaatsgevonden tussen [kind 2] en de moeder. Deze momenten zijn over het algemeen goed verlopen. Pluryn, de woonplek van [kind 2] , en de gezinshuisouders van [kind 1] hebben geadviseerd om de omgangsmomenten te verlengen naar twee uur per keer. De kinderen blijven nog spanningen ervaren rondom het contact met de moeder. Daarbij lijken de kinderen soms last te hebben van een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de plekken waar de kinderen wonen. De raad acht begeleiding nog nodig om de contacten te stabiliseren tussen de kinderen en de moeder. De mogelijkheid van onbegeleid contact valt of staat met de inzet van de moeder en in hoeverre zij in staat is om de kinderen niet te belasten in hun loyaliteit aan de plek waar ze wonen. De kinderen moeten kunnen voelen dat de moeder het goed vindt dat zij daar wonen.
De rechtbank zal de beslissing over de definitieve omgangsregeling aanhouden tot eind november/begin december 2026.
Het is voor de rechtbank op dit moment nog onduidelijk of een verdere uitbreiding van de omgang dan twee uur in het belang van [kind 1] en [kind 2] is. Gezien de trauma’s van de kinderen is het noodzakelijk om zorgvuldig te handelen. Om meer informatie te krijgen over een passende omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen houdt de rechtbank de beslissing over de definitieve omgangsregeling aan. In de komende maanden kan de GI met de moeder onderzoeken welke regeling het meest in het belang is van de kinderen. Daarvoor zal er structureel geëvalueerd moeten worden, elke drie maanden en in ieder geval eens per zes maanden zal er moeten worden beoordeeld of de omgang aangepast kan of moet worden, waarbij dit niet voor beide kinderen hetzelfde hoeft te zijn. In dit schema zouden er eind november/begin december 2026 dan drie evaluaties hebben plaatsgevonden. Hieronder wordt beschreven waar deze evaluaties betrekking op hebben. De rechtbank benadrukt dat deze evaluaties niet per definitie een uitbreiding teweegbrengen.
De rechtbank zal de GI en de moeder, via haar advocaat, in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de stand van zaken rond de omgangsregeling.
In de tussentijd zal de rechtbank een minimale, voorlopige omgangsregeling vaststellen. Die omgangsregeling houdt het volgende in:
De moeder heeft twee uur per maand omgang met [kind 2] en [kind 1] . De kinderen hebben afzonderlijk van elkaar omgang met de moeder;
Daarnaast heeft de moeder één keer per maand een belmoment met [kind 2] en [kind 1] . Ook dit vindt afzonderlijk van elkaar plaats;
Elke drie maanden zal er een evaluatie van de omgang plaatsvinden met de GI. Daarin worden ook de belmomenten en de begeleiding van de omgang meegenomen;
Eens per zes maanden wordt per kind bekeken of de omgang kan of moet worden aangepast.
De rechtbank vindt deze regeling voor nu het meest passend omdat de kinderen behoefte hebben aan meer contact met de moeder. Dat blijkt uit de e-mail van Pluryn, waarin de mening van [kind 2] is opgenomen. [kind 2] wil zijn moeder meer zien en in de weekenden ook naar haar toe. [kind 1] heeft tijdens het gesprek met de rechter gezegd dat hij vindt dat hij mama niet vaak genoeg ziet. Hij vindt het ook lang duren voordat hij haar weer ziet. Hij heeft ook gezegd dat hij graag weer eens naar zijn moeders huis zou willen. Hij kent de omgangsbegeleider goed en vindt dat fijn. Hij voelt zich fijn als hij zijn moeder heeft gezien en hij vindt het jammer dat hij zijn vader niet meer ziet. [kind 1] heeft ook gezegd dat hij het fijn vindt om in het gezinshuis te wonen.Beide kinderen zien de moeder op dit moment al wel twee uur. De belmomenten vinden één keer per maand plaats. Van de omgang tussen [kind 2] en de moeder, wordt één uur begeleid. De GI erkent dat dit goed gaat. De rechtbank ziet dan ook geen reden om dit advies van de raad niet vast te leggen en acht de hierboven genoemde omgangsregeling in het belang van de kinderen.
Het is niet in overeenstemming met de opdracht van de rechtbank dat de raad niet alle vragen heeft beantwoord die de rechtbank aan de raad heeft gesteld in de tussenbeschikking van 3 juli 2025. De beantwoording van deze vragen is belangrijk voor de rechtbank om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek. De raad heeft gesteld dat hij de vragen uit de beschikking niet als uitgangspunt heeft genomen omdat de situatie van de kinderen inmiddels is veranderd en dat alleen de vraag welke omgangsvorm, -duur en -frequentie met de moeder in het belang is van [kind 2] en [kind 1] . De rechtbank kan zich voorstellen dat beantwoording van de eerste en vierde vraag die de rechtbank heeft gesteld niet meer mogelijk of relevant is gelet op het tijdsverloop sinds het wijzigen van de omgang eind 2024/januari 2025 en de start van het onderzoek in november 2025, maar op de vragen:
Welke gevolgen heeft de omgang met de moeder voor de ontwikkeling van [kind 2] en [kind 1] ?
Heeft de locatie van de omgang (op een neutrale locatie of thuis bij de moeder) effect op de wijze waarop [kind 2] en [kind 1] de omgang ervaren? En welke gevolgen heeft dit voor de ontwikkeling van [kind 2] en [kind 1] ?
had de rechtbank in ieder geval wel antwoord verwacht.
Nu deze vragen niet zijn beantwoord heeft de rechtbank onvoldoende informatie om een (opbouw naar een) definitieve omgangsregeling vast te leggen. De rechtbank is blij dat de samenwerking tussen de GI en de moeder verbeterd is en dat de GI aandacht heeft voor een passende omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen. Zo onderzoekt de GI op dit moment welke omgangslocatie het meest in het belang is van de kinderen. Daarnaast is de GI al begonnen met de driemaandelijkse evaluatie. Op deze manier kan de informatie die door het onderzoek van de raad niet naar boven is gekomen toch door de GI worden gegeven. Hieraan heeft bijgedragen dat de voogdij nu door andere jeugdbeschermers wordt uitgevoerd en er bereidheid is om de omgangsregeling uit te breiden, als dat in het belang van de kinderen is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aanvullend verzoek door de raad op dit moment niet meer noodzakelijk is.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er
hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt dan totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De beslissing(en) die hiervoor door de rechtbank zijn genomen, worden hierna
opgesomd. De rechtbank gebruikt de begrippen uit de wet.
De rechtbank verzoekt de moeder om aan [kind 2] te vertellen wat de beslissing is.
Nu [kind 1] tegen de rechter heeft gezegd dat hij graag in een brief te horen wil krijgen wat de beslissing is, heeft de rechter [kind 1] de volgende brief geschreven:
Beste [kind 1] ,
Een tijd geleden hebben wij via de computer een gesprekje met elkaar gehad. Jij hebt toen tegen mij gezegd dat je mama wel vaker wilde zien en dat je ook graag weer eens naar mama’s huis wil.
Ik kan je nu vertellen welke beslissing ik heb genomen. Daarom stuur ik je deze brief, zoals jij mij vroeg.
De beslissing is dat het nu nog even blijft zoals het is. Je ziet mama dus iedere maand twee uur. Maar mama en de voogd gaan om de drie maanden bekijken of je mama langer kunt zien en waar dat dan zal zijn. Daarbij zal ook bekeken worden of je eens naar mama’s huis kunt gaan.
Ik vind het belangrijk dat het in kleine stapjes gaat. Want het is niet goed als het tegenvalt hoe het gaat of als je daar achteraf last van hebt.
Dit is nog niet de eindbeslissing. Die neem ik aan het eind van het jaar. Dan kunnen de voogd en je moeder tegen mij zeggen hoe het dit jaar is gegaan. En dan kan ik beter een eindbeslissing nemen.
Ik wens je het allerbeste.
4. De beslissing
De rechtbank:
stelt de volgende minimale, voorlopige omgangsregeling vast:
De moeder heeft twee uur per maand begeleide omgang met [kind 2] en [kind 1] , waarbij de omgang met [kind 2] slechts gedurende één uur wordt begeleid. De omgang vindt afzonderlijk van elkaar plaats;
Daarnaast heeft de moeder één keer per maand een belmoment met [kind 2] en [kind 1] . Ook dit vindt afzonderlijk van elkaar plaats;
Elke drie maanden zal er een evaluatie van de omgang plaatsvinden met de GI. Daarin worden ook de belmomenten en de noodzaak van (volledige) begeleiding meegenomen;
Eens per zes maanden wordt per kind bekeken of de omgang kan of moet worden aangepast.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing met betrekking tot het verzoek van de moeder aan tot een nog nader te bepalen mondelinge behandeling eind november/begin december 2026. De belanghebbenden die een afschrift van deze beschikking ontvangen, zullen worden opgeroepen voor het bijwonen van deze mondelinge behandeling;
verzoekt de GI en de moeder, via haar advocaat, zich uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling of zoveel eerder als mogelijk, schriftelijk uit te laten over het verloop van de omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van M.E. Sijnstra, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.