RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.071322.25
Datum vonnis: 13 mei 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde bedrijf] C.V.
gevestigd aan de [adres].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 106.629,69.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 30 april 2026. De heer
[naam], beherend vennoot van de commanditaire vennootschap, is op die terechtzitting verschenen en is namens de veroordeelde op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
3. De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2026 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1en feit 2, telkens het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van het met deze vordering samenhangende strafdossier.
De veroordeelde is veroordeeld voor het produceren van meer fosfaat in de kalenderjaren 2022 en 2023 dan het in die jaren op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De veroordeelde had ervoor moeten zorgdragen dat haar fosfaatproductie overeenkwam met de aan haar toegekende hoeveelheid fosfaatrechten, door fosfaatrechten te leasen of te kopen. Door dat na te laten heeft de veroordeelde kosten bespaard.
In 2022 heeft de veroordeelde 1.867,49 kilogram meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De berekende gemiddelde leaseprijs per kilogram afgeroomd fosfaatrecht 2022 met een leaseperiode van één jaar, na aftrek van onderhandelingskorting (hierna: afgeroomde leaseprijs) bedroeg in 2022 € 33,44. Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2022 € 62.448,87 hebben gekost.
In 2023 heeft de veroordeelde 1.885,97 kg meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De afgeroomde leaseprijs per kilogram fosfaat bedroeg in 2023 € 23,32. Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2023
€ 43.980,82 hebben gekost.
In het geval een landbouwer extra fosfaatrechten verwerft, moet dit gemeld worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hiervoor moet per transactie € 100,00 aan leges worden betaald.
Door na te laten fosfaatrechten te verwerven, heeft de veroordeelde de volgende kosten bespaard:
2022
Leasekosten
€ 62.448,87
Leges
€ 100,00
Totaal 2022
€ 62.548,87
2023
Leasekosten
€ 43.980,82
Leges
€ 100,00
Totaal 2023
€ 44.080,82
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 106.629,69.
De vaststelling van de betalingsverplichting
Namens de veroordeelde is verklaard dat het lastig zal zijn om het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen. Als de ontnemingsvordering wordt toegewezen, zal zij zich ter financiering moeten wenden tot een bank.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van de veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 106.629,69.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5. De beslissing
De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Buiten staat
Mr. A.F. Germs-de Goede is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.