RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.340774.25 (P)
Datum vonnis: 12 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair: een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] );
subsidiair: door haar rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
meer subsidiair: ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan tegemoetkomende fietsers, waarbij letsel aan personen en/of goederen is ontstaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op of omstreeks 12 september 2025 te Steenwijk in de gemeente Steenwijkerland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende rijdende over de weg de H. van Swinderenstraat, gaande in de richting van de kruising H. van Swinderenstraat met de mr. Hillebrand van Tuttelstraat,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zij linksaf sloeg om de mr. Hillebrand van Tuttelstraat in te rijden en/of niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die (kruisende( weg(en) (de H. van Swinderenstraat met de mr. Hillebrand van Tuttelstraat) verkeer naderde, terwijl de laagstaande zon al enige tijd het zicht op het voor de verdachte gelegen weggedeelte belemmerde, althans in het gezicht van verdachte scheen, terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- met onverminderde snelheid naar links is afgeslagen teneinde de kruisende weg, de mr. Hillebrand van Tuttelstraat te vervolgen en/of in te slaan, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarbij hij, verdachte, een hem over de weg (H. van Swinderenstraat) een voor haar van rechts gezien (en/of tegemoetkomend) bestuurders van fietsers niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietsers en/of de bestuurders van die fietsers,
ten gevolge waarvan die bestuurders van die fietsers ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) aan ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 12 september 2025 te Steenwijk in de gemeente Steenwijkerland,
althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende rijdende over de weg de H. van Swinderenstraat, gaande in de richting van de kruising H. van Swinderenstraat met de mr. Hillebrand van Tuttelstraat,
terwijl verdachte bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl zij linksaf sloeg om de mr. Hillebrand van Tuttelstraat in te rijden en/of niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die (kruisende( weg(en) (de H. van Swinderenstraat met de mr.
Hillebrand van Tuttelstraat) verkeer naderde, terwijl de laagstaande zon al enige tijd het zicht op het voor de verdachte gelegen weggedeelte belemmerde, althans in het gezicht van verdachte scheen, terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- met onverminderde snelheid naar links is afgeslagen teneinde de kruisende weg, de mr. Hillebrand van Tuttelstraat te vervolgen en/of in te slaan, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarbij hij, verdachte, een hem over de weg (H. van Swinderenstraat) een voor haar van rechts gezien (en/of tegemoetkomend) bestuurders van fietsers niet voor heeft laten gaan en/of
- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was
en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietsers en/of de bestuurders van die fietsers, ten gevolge waarvan die bestuurders van die fietsers ten val is gekomen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 12 september 2025 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland als
bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande
weg, H. van Swinderenstraat, bij het afslaan naar links, teneinde mr. Hillebrand van
Tuttelstraat te rijden, een haar op dezelfde weg tegemoetkomende fietsers niet heeft
laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
3. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden als gevolg waarvan een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Op 12 september 2025 reed verdachte als bestuurster van een personenauto over de H. van Swinderenstraat te Steenwijk in de richting van de kruising met de mr. Hillebrand van Tuttelstraat. [slachtoffer 1] en haar zoon [slachtoffer 2] fietsten op dezelfde weg in tegenovergestelde richting. Verdachte stuurde zonder snelheid te minderen, linksaf de mr. Hillebrand van Tuttelstraat in waarbij de fietsers die het kruisingsvak al over waren werden geschept door de personenauto van verdachte. Als gevolg van de botsing heeft [slachtoffer 1] een zware hersenschudding opgelopen. Sinds het ongeluk kan ze haar werk niet verrichten en kan zij licht en geluid moeilijk verdragen en gebruikt zij pijnmedicatie. De vrees is dat het nog lang gaat duren voordat zij herstelt. [slachtoffer 2] heeft als gevolg van het ongeluk ernstig tandletsel opgelopen. Meerdere tanden zijn afgebroken en er is een langdurig traject gestart om de afgebroken tanden te behouden dan wel te herstellen.
Verdachte heeft verklaard dat zij beide fietsers niet heeft gezien. Zij heeft daarbij opgemerkt dat zij denkt dat zij te vluchtig heeft gekeken, terwijl zij ook last had van de laaghangende zon. Zij had geen zonnebril op en de zonneklep in haar auto niet naar beneden gedaan. Verdachte heeft verder verklaard dat zij bekend was met deze kruising en dat zij wist dat daar vaker sprake was van tegemoetkomend verkeer.
De overwegingen van de rechtbank
De mate van schuld
Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair ten laste gelegde dient sprake te zijn van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het moet daarbij gaan om een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid van verdachte. Het oordeel of hiervan sprake is, hangt af van het geheel van gedragingen, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte als bestuurder van een personenauto in strijd met de geldende verkeersregels geen voorrang heeft verleend aan de aan haar tegemoetkomende fietsers en dat zij vervolgens met hen in botsing is gekomen. Verdachte heeft verklaard dat zij wellicht te vluchtig heeft gekeken terwijl zij last had van de laagstaande zon en dat zij daardoor de fietsers niet heeft opgemerkt. Van een bestuurder mag in de gegeven omstandigheden van een laaghangende zon worden verwacht dat diegene voorzorgsmaatregelen treft. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het opzetten van een zonnebril, het uitklappen van de zonneklep en het verminderen van de snelheid. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hierin is tekortgeschoten. Uit de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier blijkt dat de zon al enige tijd op de voorruit van de auto van verdachte scheen terwijl zij op de kruising afreed. Van een plotselinge, onverwachte verblinding door de zon was dus geen sprake. Verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad om de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen en haar snelheid te verminderen voordat zij de manoeuvre om linksaf te slaan inzette. Verdachte was bovendien bekend met de kruising en wist dat daar, zeker op dat moment van de dag, andere weggebruikers aanwezig konden zijn. Ondanks deze wetenschap en ondanks het feit dat haar zicht kennelijk werd gehinderd door de zon heeft zij haar vaart niet verminderd en heeft zij zich ook niet op een andere manier vergewist van de aanwezigheid van tegemoetkomend verkeer.
Gelet op de bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en het verkeersongeval dan ook aan haar schuld te wijten is, zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994.
De aard van het letsel
Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of het letsel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door het ongeval hebben opgelopen, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Bij de beoordeling zijn de volgende gezichtspunten van belang: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 1] door het ongeval een zware hersenschudding heeft opgelopen. Zij heeft tot op de dag van vandaag moeite met het verwerken van prikkels zoals licht en geluid, gebruikt pijnmedicatie en zit volledig thuis. Het is nog onduidelijk hoelang het herstel zal duren en of ooit sprake zal zijn van volledig herstel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, het gebrek aan uitzicht en de duur van het herstel merkt de rechtbank het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer 2] heeft ernstig tandletsel (gebroken tanden) opgelopen als gevolg van het ongeval. Hij heeft in december 2025 een ingreep ondergaan aan zijn gebit en hij is nog steeds onder behandeling van een medisch specialist om te proberen zijn tanden te redden. Het is echter nog altijd de vraag of zijn tanden zullen afsterven. De noodzaak van medisch ingrijpen en de lange duur van het herstel maken dat de rechtbank ook dit letsel als zwaar lichamelijk letsel aanmerkt.
Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 12 september 2025 te Steenwijk in de gemeente Steenwijkerland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (personenauto),
rijdende over de H. van Swinderenstraat, gaande in de richting van de kruising H. van Swinderenstraat met de mr. Hillebrand van Tuttelstraat,
aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte bekend was met de verkeerssituatie en
terwijl zij linksaf sloeg om de mr. Hillebrand van Tuttelstraat in te rijden,
in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg heeft gekeken en is blijven kijken en zich in onvoldoende mate heeft overtuigd of over de H. van Swinderenstraat verkeer naderde,
terwijl de laagstaande zon al enige tijd het zicht op het voor verdachte gelegen weggedeelte belemmerde, althans in het gezicht van verdachte scheen,
terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd,
- met onverminderde snelheid naar links is afgeslagen teneinde de kruisende weg, de mr. Hillebrand van Tuttelstraat te vervolgen en in te slaan, in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarbij zij, verdachte, haar over de H. van Swinderenstraat tegemoetkomende fietsers niet voor heeft laten gaan en
- in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
in aanrijding is gekomen met die fietsers, ten gevolge waarvan die fietsers ten val zijn gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het
een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Op 12 september 2025 heeft verdachte een ernstig verkeerongeval veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] en haar negenjarige zoon [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij door haar verkeersgedrag de veiligheid van anderen in gevaar heeft gebracht. Ruim zes maanden na het ongeval ondervinden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog altijd forse lichamelijke klachten als gevolg van de aanrijding en het is nog altijd de vraag of zij volledig zullen herstellen.
De persoon van verdachte
Ter zitting is gebleken dat het ongeval en het opgelopen letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] veel indruk hebben gemaakt op verdachte. De rechtbank weegt de oprecht overkomende schuldbewustheid van verdachte mee bij het bepalen van de straf. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van artikel 6 WVW 1994. Als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval als het onderhavige geldt een taakstraf voor de duur van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om af te wijken van het oriëntatiepunt in die zin dat de rijontzegging geheel voorwaardelijk zal worden opgelegd, als waarschuwing aan verdachte om haar rijgedrag in de toekomst aan te passen aan de omstandigheden. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 120 uren en een geheel voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
7. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 179 WVW 1994 en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte:
2. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf door [naam 1] van 6 december 2025, pagina 5-8.
3. Het proces-verbaal van bevindingen door [naam 2] en [naam 3] van 28 november 2025, pagina 14.
4. Een schriftelijk bescheid, namelijk een brief van de Spoedeisende Hulp Isala van 15 september 2025, pagina 49 en 52.
5. Een schriftelijk bescheid, namelijk een brief van de Spoedeisende Hulp Isala van 15 september 2025, pagina 53-54.
6. Het proces-verbaal van bevindingen door [naam 1] van 28 februari 2026, uit het aanvullend proces-verbaal met nummer PL0600-2025440844-11, pagina 1.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het
een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze ontzegging in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
- de rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jaren zich schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025440844. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Ik reed op 12 september 2025 als bestuurder van een personenauto op H. van Swinderenstraat te Steenwijk. Ik was bekend met de kruising van deze straat met de Hillebrand van Tuttelstraat en ik wist dat daar vaker tegemoetkomend verkeer rijdt. Ik heb de fietsers die mij tegemoet kwamen rijden niet gezien. Ik had last van de laaghangende zon. Ik had de zonneklep niet naar beneden gedaan en droeg geen zonnebril. Ik denk dat ik te vluchtig heb gekeken voordat ik afsloeg. Ik heb ook niet geremd.
Het door verdachte [verdachte] bestuurde voertuig kwam uit de richting van de H van Swinderenstraat te Steenwijk. De fietsers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden ook op deze straat, maar dan in tegenovergestelde richting. De bestuurder van het voertuig wilde linksaf slaan, de Hillebrand van Tuttelstraat op rijden, maar zag hierbij de fietsers over hoofd. De fietsers wilden rechtdoor de H van Swinderenstraat volgen.
Op camerabeelden die waren verstrekt na het verkeersongeval van 12 september 2025 om 08:15:50 uur is te zien dat een witte personenauto (de rechtbank begrijpt: het door verdachte bestuurde voertuig) over de Harmen van Swinderenstraat rijdt, richting de kruising Harmen van Swinderenstraat – meester H. Tuttelstraat. Te zien is dat uit tegengestelde richting twee fietsen aan komen fietsen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ). Te zien is dat de witte personenauto zonder vertraging linksaf de meester H. Tuttelstraat in wil slaan. Te zien is dat de jongen en de dame op de fiets over het kruisingsvlak zijn en allebei geschept worden door de auto.
[slachtoffer 1] , aangereden op de fiets. Trauma capitis met laceratie achterhoofd. Daarbij flink commotioneel.
[slachtoffer 2] , 9-jarige patiënt komt na ongeluk fiets vs auto met hierbij tandletsel na trauma.
Op 13 februari 2026 heb ik [slachtoffer 2] benaderd, met de betrekking tot het letsel van zijn vrouw en zoon. Op 14 februari 2026 kreeg ik de volgende reactie:
Bij mijn vrouw gaat het, vrees ik, nog heel lang duren voordat zij normaal terug kan keren in de maatschappij. Zij zit nog steeds volledig thuis en ondervindt nog steeds heel veel hinder van de zware hersenschudding. Pijnmedicatie, slapen overdag, zonnebril en koptelefoon dicht bij de hand. Bij mijn zoon zijn tanden afgebroken en zijn we onder behandeling bij een specialist die probeert zijn tanden te herstellen. Dit proces gaat langzaam, in april moet hij weer terug om te onderzoeken of de ingreep die hij in december heeft gehad nut heeft gehad. Ook daar hebben we te maken met een langdurig traject omdat ze nu in eerste instantie proberen zijn tanden te redden, dat is nog maar zeer de vraag. Afhankelijk van of de tanden afsterven of niet moeten we tijdelijk of permanent gaan herstellen, aangezien hij nu rondloopt met gebroken tanden. Dit traject vergt ook veel tijd.