[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Reg. Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 12 november 2024 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Het totaalbedrag van de aanslag inclusief naheffingskosten is € 79,43.
In de uitspraak op bezwaar van 20 november 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de auto met kenteken [kenteken]. Op 12 november 2024 om 11:11 stond deze auto geparkeerd aan de Verzetslaan te Deventer. Tijdens een controle op voornoemde datum is op dat tijdstip geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffing van € 79,43 opgelegd, bestaande uit € 2,73 aan sanctiebedrag en € 76,70 aan kosten voor de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Belanghebbende voert aan dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Zij stelt dat op 12 november 2024 parkeergeld is betaald. Het bedrag van € 5,90 is daadwerkelijk van de rekening afgeschreven. Een dag later (13 november 2024) heeft de bank het bedrag van € 5,90 retour gestort. Belanghebbende weet niet waarom dit is gebeurd. Belanghebbende heeft het betalingsverkeer onderbouwd met bankafschriften en diverse zogenoemde ‘overzichten transactiedetails Rabobank’. Belanghebbende stelt voorts dat de parkeerautomaat kennelijk niet goed functioneerde en dat dit niet voor haar rekening komt, te minder nu er op het scherm geen foutmelding is verschenen. Een bankafschrift is voldoende bewijs voor haar betaling en een reçu is dan ook overbodig. Verder voert belanghebbende aan dat het verweer van de heffingsambtenaar in bezwaar dat het geldbedrag gereserveerd zou zijn bij de bank, niet klopt.
6. De heffingsambtenaar stelt dat de transactie van € 5,90 op 12 november 2024 een onvolledige transactie betreft. Een onvolledige transactie kan verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld onvoldoende saldo op de betaalrekening, een slechte verbinding of en in de regel: het te vroeg wegnemen van de pinpas bij de contactloos lezer. De reden voor de onvolledige transactie wordt niet weergegeven op de parkeerautomaat en is dus ook in het geval van belanghebbende niet bekend. Op het moment dat iemand bezig is met het verrichten van een betaling bij de parkeerautomaat wordt een opdracht gestuurd naar de bank. De bank maakt dan een reservering op de betaalrekening. Wanneer de bank constateert dat de betaling niet kan plaatsvinden om welke reden dan ook, wordt de transactie afgebroken bij de parkeerautomaat en vervalt de reservering op de rekening van de parkeerder. Een melding van de mislukte betaaltransactie wordt weergegeven op het display van de parkeerautomaat. Als belanghebbende deze melding heeft gemist, dient dit voor eigen rekening en risico te blijven. Ter onderbouwing heeft de heffingsambtenaar verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag.
7. De rechtbank overweegt het volgende. Naheffing van parkeerbelasting is alleen mogelijk als de belasting die moet worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven (artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De bewijslast om aannemelijk te maken dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, rust op de heffingsambtenaar. Belanghebbende kan tegenbewijs leveren.
8. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken blijkt dat op 12 november 2024 om 09:07 uur een bedrag van € 5,90 is afgeschreven van de bankrekening (…[rekeningnummer]) van de zoon van belanghebbende. De naheffingsaanslag is op 12 november 2024 om 11:11 uur opgelegd. Op 13 november 2024 om 02:20 uur is een bedrag van € 5,90 op de rekening van de zoon van belanghebbende teruggeboekt/bijgeschreven/hersteld.
9. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde transactiedetails van de parkeerautomaat blijkt dat de transactie, hoe dan ook, is mislukt op 12 november 2024 om 09:06 uur. Belanghebbende heeft dientengevolge niet betaald. De door belanghebbende getoonde ‘betaling’ is na de mislukte betalingstransactie teruggestort/geredresseerd. Daarmee staat vast dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, zonder dat belanghebbende een begin van bewijs heeft geleverd dat dit euvel (i) is veroorzaakt door een defect van deze specifieke parkeerautomaat waarbij dan ook (ii) niet op het display de (bekende) melding zou zijn verschenen dat de betaling is mislukt.
10. Voor zover al sprake zou zijn geweest van ‘betaling’ door belanghebbende, heeft de bank de betaling gestorneerd en ongedaan gemaakt. Het ligt op de weg van belanghebbende om desgewenst bij de bank na te gaan wat maakt dat een gebruikelijke betaling van een zeer gering bedrag ‘zomaar’ wordt gestorneerd en teruggeboekt. Dat ligt in de risicosfeer van belanghebbende en dit niet betalen ligt niet in de risicosfeer van de heffingsambtenaar. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffing in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Oosterhaar, griffier. Uitgesproken en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.