RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 81.401854-24 (P)
Datum vonnis: 21 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Italië),
wonende aan de [woonplaats] (Italië).
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat in Middelburg, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
althans dieren van de soorten, genoemd in bijlage A en/of B bij de cites-basisverordening onder zich gehouden in een vervoermiddel met Italiaans kenteken [kenteken];
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 juli 2024 in Apeldoorn samen met een ander:
feit 1 : opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Wet dieren door de regels die voortvloeien uit de Europese Diergezondheidsverordening niet na te leven, nu hij landdieren van Nederland naar Italië aan het verplaatsen was, terwijl dit niet vergezeld ging van de daartoe benodigde diergezondheidscertificaten;
feit 2 : opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Omgevingswet door de regels die voortvloeien uit de CITES-basisverordening niet na te leven, nu hij beschermde diersoorten die genoemd staan in bijlage A en/of B van de CITES-basisverordening zonder de benodigde documenten heeft aangekocht, verworven voor commerciële doeleinden en/of in bezit heeft gehad/heeft vervoerd met het oog op verkoop (primair), dan wel onder zich heeft gehad (subsidiair);
feit 3 : opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Omgevingswet door de regels die voortvloeien uit de Europese Vogelrichtlijn niet na te leven, nu hij beschermde vogelsoorten die genoemd staan in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zonder de benodigde documenten heeft vervoerd en/of onder zich heeft gehad voor verkoop;
feit 4 : opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de Wet dieren door de regels die voortvloeien uit de Europese Transportverordening niet na te leven, nu hij dieren heeft vervoerd, terwijl hij niet in het bezit was van de daartoe benodigde vervoersvergunning voor lange transporten.
Voluit luidt de tenlastelegging, dat:
feit 1
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
heeft gehandeld in strijd met een met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop de Wet dieren van toepassing was,
immers was hij en/of was zijn mededader, andere gehouden landdieren dan die bedoeld in de punten a), b), en c) van lid 1 van artikel 143 Verordening (EG) 2016/429, aan het verplaatsen van Nederland naar Italië, althans naar een andere lidstaat, terwijl betrokken dieren niet vergezeld gingen van een overeenkomstig artikel 149, lid 1 Verordening (EG) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat;
feit 2 primair
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, terwijl het
ging om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval ging,
immers heeft gehandeld in strijd met artikel 8, eerste en vijfde lid en/of artikel 9 eerste en vierde lid van de CITES-Basisverordening (338/97)
immers heeft hij,
- vier, althans één of meer Aziatische kleinklauwotter(s) (Aonys cinereus),
althans specimens van de in bijlage A genoemde soorten aangekocht en/of verworven voor commerciële doeleinden en/of in het bezit gehad met het oog op verkoop en/of vervoerd met het oog op verkoop,
en/of heeft hij
- twee, althans één of meer Steppearend(en) (Aquila nipalensis) en/of
- twee, althans één of meer Roodrug buizerd(s) (geranoaetus polyosima) en/of
- twee, althans één of meer Falklandcaracara (Phalcoboenus australis) en/of
- twee, althans één of meer Blauwoogkaketoes (Cacatua ophthalmica) en/of
- twee, althans één of meer Rosé kakatoe (Eolophus roseicapilla),
althans specimens van de soorten genoemd in bijlage B, aangekocht en/of verworven voor commerciële doeleinden en/of in het bezit gehad met het oog op verkoop en/of vervoerd met het oog op verkoop,
terwijl ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat niet is aangetoond dat die specimens verkregen werden en/of zij niet uit de Gemeenschap afkomstig waren, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna;
feit 2 subsidiair
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, terwijl het ging om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval ging,
immers heeft hij
- vier, althans één of meer Aziatische kleinklauwotter(s) (Aonys cinereus) en/0f
- twee, althans één of meer Steppearend(en) (Aquila nipalensis) en/of
- twee, althans één of meer Roodrug buizerd(s) (geranoaetus polyosima) en/of
- twee, althans één of meer Falklandcaracara (Phalcoboenus australis) en/of
- twee, althans één of meer Blauwoogkaketoes (Cacatua ophthalmica) en/of
- twee, althans één of meer Rosé kakatoe (Eolophus roseicapilla),
feit 3
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet heeft verricht,
immers heeft hij 109, althans één of meer Canadese gans/zen, althans (een) levende vogel(s) van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, heeft vervoerd voor verkoop en of onder zich heeft gehad voor verkoop in een vervoermiddel met Italiaans kenteken [kenteken];
feit 4
hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
heeft gehandeld in strijd met een met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop de Wet dieren van toepassing was,
immers was hij en/of zijn mededader, als vervoerder niet in het bezit van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, of, voor lange transporten, overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) 1/2005 afgegeven vergunning.
3. De bewijsmotivering
Inleiding
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld nadat op 1 juli 2024 in Apeldoorn diverse dieren in een voertuig met aanhanger met een Italiaans kenteken zijn aangetroffen, waarbij het vermoeden rees dat het zou gaan om verschillende beschermde zoogdieren en vogelsoorten.
[medeverdachte] en [verdachte], die van het voertuig gebruik maakten, zijn als verdachten aangemerkt. Het onderzoek heeft zich gericht op de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan het handelen in strijd met de Wet dieren en de Omgevingswet, als gevolg van het overtreden van de regels die voortvloeien uit de Europese Diergezondheidsverordening, de CITES-basisverordening, de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Transportverordening.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis worden de verdachten hierna met hun achternamen aangeduid.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, ingaan op de nadere standpunten van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat al hetgeen is aangetroffen op de telefoon van [verdachte] van het bewijs moet worden uitgesloten, nu de telefoon door de politie is onderzocht zonder voorafgaande machtiging daartoe van de rechter-commissaris, terwijl het niet gaat om een oppervlakkig onderzoek met een beperkte inbreuk op het persoonlijk leven. De verdediging heeft verder betoogd dat niet redelijkerwijs verondersteld kan worden dat een rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor een verdergaand onderzoek, gelet op de relatief beperkte inbreuk die het vermeende handelen van [verdachte] op de rechtsorde heeft gemaakt. Reeds daarom zou vrijspraak moeten volgen ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de verdediging subsidiair gesteld dat voor een deel van de dieren op de tenlastelegging wel degelijk voldoende is aangetoond dat zij een legale herkomst hadden. Voor zowel feit 2 als feit 3 heeft de verdediging daarnaast betoogd dat verdachte niet heeft gehandeld met opzet, zodat dat bestanddeel in ieder geval niet kan worden bewezen.
De verdediging heeft verder bepleit dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, ingaan op de nadere standpunten van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank
- Ten aanzien van feit 1: Vrijspraak
De rechtbank is op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt vast dat zowel [medeverdachte] als [verdachte] op de zitting hebben verklaard dat voor alle dieren vóór vertrek vanuit Nederland naar Italië een benodigde vergunning zou worden aangevraagd. De inhoud van deze verklaring wordt in ieder geval tot op zekere hoogte bevestigd door de getuigenverklaring die [getuige] ter terechtzitting heeft afgelegd en waaruit volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] op genoemde dag nog daadwerkelijk handelingen hebben verricht ten aanzien van een 21-daagse quarantaine van dieren met het oog op het verkrijgen van de benodigde diergezondheidscertificaten. Hoewel [medeverdachte] en [verdachte] deze diergezondheidscertificaten ten tijde van het aantreffen van de dieren op 1 juli 2024 in Apeldoorn nog niet hadden, kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat bij [verdachte] op dat moment al de intentie bestond om de dieren zonder de vereiste certificaten van Nederland naar een andere lidstaat te verplaatsen.
De rechtbank zal [verdachte] van het onder feit 1 ten laste gelegde vrijspreken.
- Ten aanzien van feit 4: Vrijspraak
De rechtbank is op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat het onder feit 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank overweegt het volgende.
Hoewel de benodigde vervoersvergunning ten tijde van het aantreffen van de dieren op 1 juli 2024 in Apeldoorn niet tussen de documenten zat die door de opsporingsambtenaren in beslag zijn genomen, kan hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat [medeverdachte] als vervoerder daadwerkelijk niet in het bezit was van deze vergunning. De verdediging heeft op 16 november 2025 aan de rechtbank een door de Italiaanse autoriteiten (Regionale gezondheidsdienst van [plaatsen]) afgegeven verklaring overlegd. In dit document wordt bevestigd dat aan
[medeverdachte] als vervoerder een vervoersvergunning van type II (voor lange transporten) is afgegeven, evenals een certificaat van goedkeuring van het transportmiddel voor diervervoer, in dit geval het voertuig met kenteken [kenteken]. De vergunning en de certificaat zijn blijkens het overgelegde document afgegeven op 11 november 2020, met een geldigheid tot 11 november 2025. Ook volgt uit hetzelfde document van een geschiktheidscertificaat voor chauffeurs en veehouders dat is afgegeven op 18 september 2020, met een geldigheid tot 18 september 2030.
Het overgelegde document vormt een zeer sterke aanwijzing dat [medeverdachte] op 1 juli 2024 wel degelijk in het bezit was van de benodigde vervoersvergunning voor lange transporten zoals bedoeld in de Transportverordening. Op zijn minst kan niet buiten redelijke twijfel vastgesteld worden dat dit niet het geval was.
De officier van justitie heeft er terecht op gewezen dat de benodigde vervoersvergunning niet alleen moet zijn verleend, maar ook tijdens het transport aanwezig moet zijn. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de tekst van artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004), waarin staat vermeld: “Wanneer de dieren worden vervoerd, moet van de vergunning een kopie aan de bevoegde autoriteit worden afgegeven”, en uit de algehele doelstelling van deze verordening, namelijk dat de autoriteiten van een lidstaat moeten kunnen controleren of het vervoer van dieren aan de eisen van dierwelzijn voldoet. Of [medeverdachte] ten tijde van het transport deze vergunning wel of niet bij zich had, kan achteraf niet meer worden gereconstrueerd. De vergunning bevond zich niet tussen de in beslag genomen stukken, maar dat sluit op zichzelf niet uit dat [medeverdachte] (zoals hij zelf heeft verklaard) de vergunning elders bij zich had. De rechtbank kan uit de betreffende processen-verbaal bovendien niet opmaken dat [medeverdachte] ten tijde van het aantreffen van de dieren door de opsporingsambtenaren naar deze vergunning is gevraagd. Gezien het dossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat hij deze vergunning niet bij zich had.
De rechtbank heeft [medeverdachte] bij vonnis van heden van dit aan hem ten laste gelegde feit vrijgesproken. Dit brengt met zich dat dat de rechtbank ook [verdachte] van het onder feit 4 ten laste gelde zal vrijspreken.
- Ten aanzien van feit 2 en feit 3: Vormverzuim onderzoek telefoon (Landeck)
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat sprake van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de telefoon van [verdachte] niet zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris had mogen worden onderzocht. Dit vormverzuim dient volgens de verdediging in beginsel te leiden tot bewijsuitsluiting van alle informatie die op de telefoon is aangetroffen, omdat die informatie onrechtmatig is verkregen. Volgens de officier van justitie kan worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van voornoemd vormverzuim.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en de behandeling op de zitting vast dat de telefoon van [verdachte] met toestemming van de officier van justitie is onderzocht. Op deze telefoon zijn relevante gegevens aangetroffen, zoals chatgesprekken, die door de officier van justitie als bewijs voor het ten laste gelegde zijn voorgehouden.
De rechtbank overweegt dat uit het zogenoemde Landeck-arrest het volgende volgt. Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist.
Hoewel niet de gehele telefoon van [verdachte] is onderzocht, maar gericht onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een omvangrijke verdenking van economische delicten (meer specifiek: het opzettelijk overtreden van de Wet dieren en de Omgevingswet), is het onderzoek naar gebruikersgegevens, documenten en chatgespreksgeschiedenis zo breed geweest dat naar het oordeel van de rechtbank naar de maatstaven van het Landeck-arrest een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist was. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op. De rechtbank zal evenwel volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim en dus daaraan geen rechtsgevolg verbinden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van verdachte het hiervoor genoemde Landeck-arrest nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Bovendien zou een rechter-commissaris – indien om toestemming zou zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden – naar redelijke verwachting die toestemming zonder nadere beperkingen hebben gegeven. Het gaat immers om een omvangrijke verdenking van het opzettelijk overtreden van regels die voortvloeien uit de Europese Diergezondheidsverordening, de CITES-basisverordening, de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Transportverordening niet hebben nageleefd; regels die de illegale handel in beschermde dieren beogen tegen te gaan en ertoe strekken de belangen te beschermen die met zulke handel worden ondermijnd, zoals Europese volks- en diergezondheid, het dierenwelzijn en het behoud van zeldzame of bedreigde diersoorten. [verdachte] is daarom door het vormverzuim niet in relevante mate in zijn belangen geschaad. De verkregen gegevens uit de telefoon van [verdachte] zijn bruikbaar voor het bewijs.
- Ten aanzien van feit 2 en feit 3
De rechtbank komt op grond van redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Het juridisch kader
Bij de beoordeling van het onder feit 2 ten laste gelegde stelt de rechtbank het volgende juridisch kader voorop.
De (internationale) handel in beschermde dier- en plantensoorten is gereguleerd in de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES). Dit verdrag is in de Europese Unie (EU) uitgewerkt in de CITES-basisverordening (Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996). Het doel van de CITES-basisverordening is om in het wild levende dieren- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer overeenkomstig de bepalingen van de CITES-basisverordening. In de CITES-basisverordening zijn de dier- en plantsoorten aangewezen die Europees beschermd zijn. Hierbij zijn de soorten onderverdeeld in Bijlage A tot en met D, waarbij de bijlage A-soorten het strengst beschermd zijn.
De Nederlandse wetgever heeft deze Europese regelgeving neergelegd in de Omgevingswet en verder uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving. Krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, waaronder het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan. In artikel 11.93, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is neergelegd dat het verboden is te handelen in strijd met artikel 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en artikel 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de CITES-basisverordening.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de CITES-basisverordening is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van dieren van de in de bijlage A genoemde soorten verboden. In het vijfde lid is bepaald dat de in het eerste lid genoemde verbodsbepalingen ook gelden voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat de specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de EU afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. Wat betreft het vervoer van een dier van de in de bijlage A genoemde soort is ook toestemming vereist van de administratieve instantie (in Nederland: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) van de lidstaat waar het dier zich bevindt, aldus artikel 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de CITES-basisverordening.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is bovendien onder artikel 11.96 het verbod op het onder zich hebben (bezit) van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening opgenomen.
Bij de beoordeling van het onder feit 3 ten laste gelegde neemt de rechtbank verder het volgende juridisch kader als uitgangspunt.
De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG) heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de Europese lidstaten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming, het beheer en de regulering van die vogelsoorten. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt op grond van artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten. Onder het bereik van artikel 1 van de Vogelrichtlijn vallen alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is bovendien onder artikel 11.96 het verbod op het onder zich hebben (bezit) of verhandelen van gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren ervan. Dit verbod geldt niet voor zo’n vogel als die aantoonbaar gefokt is, mits voldaan wordt aan de nadere regels, aldus artikel 11.97, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. De vogel moet bijvoorbeeld zijn voorzien van een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels, zodat de legale herkomst van die vogel kan worden aangetoond.
De feiten en omstandigheden
Op 1 juli 2024 in Apeldoorn worden in het voertuig met aanhanger, met het Italiaanse kenteken [kenteken], onder meer de volgende levende dieren aangetroffen en daarna in beslag genomen: twee Aziatische kleinklauwotters (Aonys cinereus), twee steppearenden (Aquila nipalensis), twee roodrugbuizerds (Geranoaetus polyosima), twee falklandcaracara’s (Phalcoboenus australis), twee blauwoogkaketoes (Cacatua ophthalmica), twee rosé kaketoes (Eolophus roseicapilla) en 109 Canadese ganzen (Branta canadensis). De legale herkomst van deze dieren kan bij nader onderzoek niet worden aangetoond.
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij hobbymatig zelfstandig fokker van dieren is. Hij heeft daar een grote locatie voor in Italië (alwaar hij wijn produceert en waar mensen kunnen kamperen en in de weekenden ook kunnen eten) waar hij inkomen uit ontvangt. [verdachte] heeft daar aldus zijn verklaring ongeveer 200 vogels. Hij ziet zichzelf als een verzamelaar. [verdachte] verklaart dat hij ongeveer vier of vijf keer per jaar met [medeverdachte] naar het buitenland reist (veelal Nederland) als hij nieuwe vogels voor nieuwe bloedlijnen wil kopen. Dit was ook nu het geval, toen hij en [medeverdachte] op 1 juli 2024 in Nederland waren. Volgens [verdachte] hadden hij en [medeverdachte] op vier plaatsen in Nederland dieren gekocht. De documenten van zijn dieren zaten samen met de documenten van de dieren van [medeverdachte] in de in beslag genomen map. [verdachte] verklaart de regelgeving te kennen.
[verdachte] heeft verder ter terechtzitting verklaard dat de twee falklandcaracara’s, de twee blauwoogkaketoes, de twee rosé kaketoes en de 109 Canadese ganzen van hem zijn. Hij heeft deze in Nederland gekocht voor “eigen gebruik”. Canadese ganzen worden volgens [verdachte] in Italië vrij verkocht, zonder pootringen. [verdachte] verklaart dat de door hem gekochte Canadese ganzen geen pootringen hadden.
[medeverdachte] heeft tegenover de opsporingsambtenaren van de NVWA verklaard dat hij al jaren hobbymatig fokt met dieren, deze koopt en verkoopt en in Italië een kleine dierentuin heeft.
Hij reist regelmatig met [verdachte] naar Nederland om vogels en andere dieren aan te kopen. Deze keer waren ze samen op verschillende plaatsen in Nederland geweest, waar hij meerdere vogels heeft gekocht, waaronder de in het voertuig aangetroffen roofvogels. Ook de otters waren van [medeverdachte]. [medeverdachte] verklaart dat hij van de otters geen documenten heeft die een legale herkomst van de otters aantonen. [medeverdachte] heeft verder verklaard dat hij bekend is met de CITES-wetgeving. De documenten in de in beslag genomen map zien zowel op de dieren van [verdachte] als op de zijne.
Overwegingen en oordeel
De rechtbank stelt op basis van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen het volgende vast.
[medeverdachte] en [verdachte] zijn samen voor de handel in dieren van Italië naar Nederland gegaan, zijn samen naar verkopers gegaan, vervoerden hun dieren in dezelfde voertuigcombinatie en hadden ook een gezamenlijke map met de documenten van de dieren. Daarom is de rechtbank – in tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd – van oordeel dat tussen [medeverdachte] en [verdachte] ten aanzien van alle ten laste gelegde dieren sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
De Aziatische kleinklauwotter is een beschermde diersoort die opgenomen is in bijlage A bij de CITES-basisverordening. Handel in een dergelijke soort is op grond van artikel 8, eerste lid, van de CITES-basisverordening verboden. De steppearend, de roodrugbuizerd, de falklandcaracara, de blauwoogkaketoe en de rosé kaketoe zijn vogelsoorten die vermeld staan in bijlage B bij de CITES-basisverordening. Handel in deze vogelsoorten is op basis van artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening slechts toegestaan, indien de vogel volgens de geldende wet- en regelgeving naar Nederland is gebracht of in Nederland is verkregen.
[medeverdachte] heeft aldus zijn verklaring twee Aziatische kleinklauwotters in Nederland gekocht voor zijn kleine dierentuin in Italië waaruit hij inkomen uit ontvangt en aldus ook verworven voor commerciële doeleinden. Dit geldt eveneens voor de twee steppearenden en de twee roodrugbuizerds die door hem in Nederland zijn aangeschaft. [verdachte] heeft twee falklandcaracara’s, twee blauwoogkaketoes en twee rosé kaketoes in Nederland gekocht voor zijn locatie in Italië (alwaar hij wijn produceert en waar mensen kunnen kamperen en in de weekenden ook kunnen eten) waaruit hij inkomen ontvangt. Dit maakt dat ook die dieren zijn verworven voor commerciële doeleinden, nu ook hier sprake is van een activiteit die gericht is op het genereren van winst. De legale herkomst van de dieren is niet aangetoond.
De Canadese gans is een vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handel in deze vogelsoort is slechts toegestaan als de vogel aantoonbaar is gefokt. Vaststaat dat de legale herkomst van de 109 Canadese ganzen, die door [verdachte] in Nederland zijn aangekocht, niet kon worden aangetoond. Gelet op de verklaring van [verdachte] dat deze vogelsoort in Italië vrij verkocht wordt, zonder pootringen, acht de rechtbank het aannemelijk dat [verdachte] de Canadese ganzen in het voertuig met aanhanger, met het Italiaanse kenteken [kenteken], heeft vervoerd en onder zich heeft gehad voor verkoop. Of de Canadese gans in Italië al dan niet zonder pootringen vrij mag worden verkocht, laat onverlet dat aan de Nederlandse regelgeving moet worden voldaan.
Het is de rechtbank niet gebleken dat [medeverdachte] en [verdachte] een omgevingsvergunning hadden om een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat [medeverdachte] en [verdachte] anderszins toestemming hebben gehad van de RVO om een diersoort te vervoeren die opgenomen is in bijlage A bij de CITES-basisverordening.
[verdachte] moet zich er op 1 juli 2024 van bewust zijn geweest dat hij en [medeverdachte] van de dieren die zij vervoerden de legale herkomst niet konden aantonen, temeer nu zij op structurele basis in dat soort dieren handelen en daartoe samen naar Nederland komen. Bovendien hebben [medeverdachte] en [verdachte] verklaard dat zij de regelgeving kennen. Door met onvolledige informatie, die een legale herkomst niet aantoonde, de dieren toch onder zich te nemen en te vervoeren heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank – anders dan de verdediging heeft betoogd – op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij handelde in strijd met de CITES-basisverordening en de Europese Vogelrichtlijn.
Het voorgaande brengt met zich dat het onder feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 2 primair
hij op 1 juli 2024 te Apeldoorn,
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, terwijl het
ging om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval ging,
immers heeft gehandeld in strijd met artikel 8, eerste en vijfde lid, en artikel 9, eerste en vierde lid, van de CITES-basisverordening (nr. 338/97)
immers heeft hij,
- twee Aziatische kleinklauwotters (Aonys cinereus),
specimens van de in bijlage A genoemde soorten aangekocht en verworven voor commerciële doeleinden
en heeft hij
- twee steppearenden (Aquila nipalensis) en
- twee roodrugbuizerds (Geranoaetus polyosima) en
- twee falklandcaracara’s (Phalcoboenus australis) en
- twee blauwoogkaketoes (Cacatua ophthalmica) en
- twee rosé kaketoes (Eolophus roseicapilla),
specimens van de soorten genoemd in bijlage B aangekocht en verworven voor commerciële doeleinden,
terwijl ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat niet is aangetoond dat die specimens verkregen werden en/of zij niet uit de Gemeenschap afkomstig waren, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna;
feit 3
hij op 1 juli 2024 te Apeldoorn, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, heeft verricht, immers heeft hij 109 Canadese ganzen, levende vogels van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, heeft vervoerd voor verkoop en of onder zich heeft gehad voor verkoop in een vervoermiddel met Italiaans kenteken [kenteken].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11.93, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het onder feit 3 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, in verband met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2 primair
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De motivering van de straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 25.000,--. Daarnaast eist de officier van justitie dat aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen strafmaatverweer.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
Verdachte en zijn mededader hebben ruim twee jaar geleden met hun handel in (beschermde) diersoorten de regels die voortvloeien uit het CITES-basisverordening en de Europese Vogelrichtlijn geschonden. Hiermee is de Omgevingswet overtreden, wat maakt dat sprake is van economische delicten. Handel in (beschermde) diersoorten brengt een verantwoordelijkheid met zich. Met de bescherming van inheemse diersoorten gaan ecologische en maatschappelijke belangen gemoeid. Om in het wild levende dieren te beschermen en in stand te houden, wordt het handelsverkeer in zulke dieren gecontroleerd. Sommige diersoorten worden in het wild bovendien met uitsterven bedreigd. Die diersoorten hebben een beschermde status gekregen. Handel in (beschermde) diersoorten gaat aldus gepaard met strikte regels die gericht zijn op het welzijn van de dieren te beschermen en risico’s voor verspreiding van ziekten te voorkomen. De regels om aan te tonen dat de in Nederland gekochte dieren een legale herkomst hebben, en dus afkomstig zijn uit kweek, heeft verdachte niet nageleefd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 23 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op wat verdachte ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard. Verdachte is alleenstaand en woont in Italië.
Hij is zelfstandig fokker van dieren is. Verdachte heeft in Italië een grote locatie (alwaar hij wijn produceert en waar mensen kunnen kamperen en in de weekenden ook kunnen eten) waar hij inkomen uit ontvangt.
De strafoplegging
De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan de door de officier van justitie gevorderde straf als uitgangspunt en houdt vervolgens rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt als die de officier van justitie aan zijn strafeis ten grondslag heeft gelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De aard en de ernst van het bewezen verklaarde maken naar het oordeel van de rechtbank dat in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke geldboete. De rechtbank houdt er strafmatigende zin rekening mee dat er aanwijzingen zijn dat een aantal dieren een legale herkomst heeft. Om – als stok achter de deur – zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat verdachte in de toekomst de regels met betrekking tot de handel in (beschermde) dieren zal (blijven) naleven, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke geldboete op zijn plaats.
De rechtbank acht het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een geldboete van € 25.000,--, waarvan € 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Dit betekent dat verdachte het voorwaardelijk gedeelte van de geldboete nu niet hoeft te betalen, op voorwaarde dat hij binnen drie jaren niet nogmaals een strafbaar feit pleegt.
7. De in beslag genomen dieren
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de onder verdachte in beslag genomen Canadese ganzen, blauwoogkaketoes, falklandcaracara’s, rosé kaketoes en de verschillende soorten parkieten verbeurd worden verklaard, dan wel aan het verkeer worden onttrokken, omdat de legale herkomst van de dieren niet is aangetoond.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen dieren aan verdachte moeten worden teruggeven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen dieren (zoals deze op de beslaglijst staan vermeld: 109 Canadese ganzen, twee blauwoogkaketoes, twee falklandcaracara’s en twee rosé kaketoes) op grond van artikel 36b in samenhang bezien met artikel 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer en zij zal dit dan ook beslissen. De bewezen verklaarde feiten zijn met betrekking tot deze dieren begaan. Omdat de legale herkomst van de dieren niet is vastgesteld, zijn deze dieren van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank is van oordeel dat de overige vogels die onder verdachte in beslag zijn genomen (zoals deze op de beslaglijst staan vermeld) niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring. Omdat de overige gronden voor inbeslagneming uit artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering niet langer aan de orde zijn en het belang van strafvordering zich dus niet tegen teruggave verzet, gelast de rechtbank de teruggave van de in beslag genomen tien parkieten en twee bleekkoprosella’s aan de rechthebbende: zijnde verdachte.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47 en 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2 primair
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 25.000,--,
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 141 (honderdéénenveertig) dagen;
- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 10.000,-- niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de volgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de in beslag genomen dieren
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen Canadese ganzen (109 stuks), blauwoogkaketoes (twee stuks), falklandcaracara’s (twee stuks) en rosé kaketoes (twee stuks);
- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen parkieten (10 stuks) en bleekkoprosella’s (twee stuks).
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Buiten staat
Mr. Van Eerde en mr. Van Bruggen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.