RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummers: 11810778 \ CV EXPL 25-1285 en 11810789 \ CV EXPL 25-1286
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAREN [eiser],
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,
tegen
(zaaknummer 11810778)
[gedaagde 1] ,
te [woonplaats 1],
gedaagde sub 1,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,
en
(zaaknummer 11810789)
[gedaagde 2] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde sub 2,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 februari 2026;- de akte van de VvE met producties;- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 17 februari 2026 kort gezegd geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn een parkbijdrage te betalen, ook al zijn zij geen lid van de VvE. Het ligt dan wel voor de hand dat hun parkbijdrage lager is dan de parkbijdrage die leden van de VvE betalen, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als niet-leden niet hoeven te betalen voor de zuivere lidmaatschapskosten van de VvE, en zij zelf zorgdragen voor het onderhoud van de tuin rondom hun bungalow. De VvE heeft zich bij akte uitgelaten over de hoogte van de parkbijdrage voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als niet-leden. Daarna hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij antwoordakte gereageerd.
Opmerkingen vooraf
De kantonrechter zal niet ingaan op alle (nieuwe) inhoudelijke punten die partijen (opnieuw) ter discussie hebben aangevoerd. Het is voor alle partijen van belang om de kwestie finaal tot een eind te brengen. Daarvoor is het niet bevorderlijk om over en weer te blijven strooien met verwijten. De kantonrechter heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] er in rechtsoverweging 5.9. van het tussenvonnis al op gewezen dat zij als niet leden van de VvE geen inspraak hebben in de besluiten die de VvE neemt over welke voorzieningen op het park al dan niet gemeenschappelijk zijn, en waar alle eigenaren – lid of geen lid – gezamenlijk voor moeten betalen. Bovendien wil de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erop wijzen dat zij behoren tot de kleine minderheid van eigenaren die de bungalows permanent bewonen en zij dus degenen zijn die de uitzondering op de regel vormen. Hierna gaat de kantonrechter over tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen zoals door de VvE in het petitum van de dagvaardingen is gevorderd.
De gevorderde verklaringen voor recht
De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht (onder I. in het petitum) toe, in die zin dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] als eigenaren van een bungalow op het park, gehouden zijn een jaarlijkse parkbijdrage aan de VvE te betalen voor het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke voorzieningen en infrastructuur van het park, ondanks het feit dat zij geen lid van de VvE zijn. Voor de motivering hiervan verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
Ook de andere verklaring voor recht (onder II. in het petitum) wordt toegewezen, in die zin dat de VvE de hoogte van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verschuldigde parkbijdrage jaarlijks vaststelt op een bedrag gelijk aan de door de overige eigenaren van het park verschuldigde parkbijdrage, maar onder aftrek van het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf te verzorgen tuinonderhoud, en onder aftrek van de zuivere lidmaatschapskosten van de VvE. Dat komt – overeenkomstig rechtsoverweging 5.7. van het tussenvonnis – neer op de volgende berekening:
- het bedrag aan parkbijdrage die leden van de VvE jaarlijks betalen, minus (-/-):
o het bedrag aan tuinonderhoud (het maaien van de gazons rondom de bungalows), en
o de zuivere lidmaatschapskosten van de VvE.
Het door de VvE te crediteren tuinonderhoud gaat (volgens rechtsoverweging 5.7. van het tussenarrest van het hof van 22 maart 2016 en rechtsoverweging 2.10. – in samenhang met de toegewezen verklaring voor recht in het dictum – van het eindarrest van het hof van 4 juli 2017 over: het maaien van het gras rondom de bungalows, dus niet alleen de achtertuin(en). Volgens de door de VvE ingebrachte offerte (productie 4 bij haar akte) gaat het dan om een bedrag van € 4.500,00 per jaar. Gedeeld door het aantal eigenaren (35) komt dat op een bedrag van € 128,57 aan tuinonderhoud per eigenaar per jaar.
Verder heeft de VvE in het concept van haar jaarrekening (productie 1 bij haar akte) verschillende posten staan die de kantonrechter kwalificeert als ‘zuivere lidmaatschapskosten’:
‘Administratie- en advieskosten’ (zoals accountantskosten),
‘Kantoorkosten’ (zoals contributies, abonnementskosten, KvK),
‘Verkoopkosten’ (zoals lunch- en dinerkosten, reclame en advertenties), en
‘Algemene kosten’ (zoals bankkosten, beveiliging, verzekeringen en belastingen).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoeven als niet-leden niet te betalen voor deze zuivere lidmaatschapskosten, zodat die – naast het bovenstaande tuinonderhoud – in mindering worden gebracht op hun jaarlijkse parkbijdrage.
De kantonrechter zal hierna overgaan tot een berekening van de parkbijdrage voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de jaren 2024 en 2025 (waarvan onder III. in het petitum betaling is gevorderd). Diezelfde berekening dient de VvE te gebruiken als grondslag voor de vaststelling van de parkbijdrage voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het jaar 2026 en de (eventuele) daaropvolgende jaren.
De parkbijdrage over 2024
Voor de parkbijdrage over 2024 gaat de kantonrechter uit van de bedragen die de VvE noemt in haar jaarrekening 2025 zoals overgelegd met productie 1 bij de akte van de VvE. Dat ziet er schematisch als volgt uit:
[Afbeelding]
De gevorderde betaling van de parkbijdrage over 2024 voor zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] wordt voor een bedrag van € 965,97 toegewezen.
De parkbijdrage over 2025
De berekening van de parkbijdrage over 2025 ziet er op grond van voorgaande schematisch als volgt uit:
[Afbeelding]
De gevorderde betaling van de parkbijdrage over 2025 voor zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] wordt voor een bedrag van € 988,47 toegewezen.
In totaal moeten zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] allebei een bedrag van € 965,97 + € 988,47 = € 1.954,44 aan de VvE betalen.
Wettelijke rente
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn te laat geweest met het betalen van de parkbijdragen over 2024 en 2025. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW wordt daarom toegewezen vanaf dertig dagen na de factuurdata, zoals de VvE in het lichaam van de dagvaardingen heeft gevorderd, te rekenen tot aan de dag van volledige betaling. Voor [gedaagde 1] is de factuurdatum voor de parkbijdrage over 2024: 23 december 2023 en over 2025 is de factuurdatum: 22 december 2024. Voor [gedaagde 2] zijn de factuurdata 14 december 2023 respectievelijk 22 december 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
De VvE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
De VvE heeft aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom, omdat er een lager bedrag aan parkbijdrage wordt toegewezen dan is gevorderd. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. De VvE heeft overigens tegenover zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] buitengerechtelijke kosten gevorderd, maar uit de stukken blijkt niet dat de VvE de buitengerechtelijke kosten dubbelop heeft gemaakt. Daarom ziet de kantonrechter aanleiding om de buitengerechtelijke incassokosten maar één keer toe te wijzen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de betaling daarvan te veroordelen. Daarom zal een bedrag van € 354,73 inclusief btw worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien de zaken van de VvE tegen zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gevoegd zijn behandeld, ziet de kantonrechter met betrekking tot de proceskosten aanleiding om het bedrag aan salaris gemachtigde en de nakosten maar één keer toe te wijzen, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de betaling daarvan te veroordelen. De dagvaardingen zijn namelijk gelijkluidend en daarna zijn de proceshandelingen door de gemachtigde van de VvE tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk verricht. Daarnaast komt er maar één vonnis, waardoor de nakosten ook maar één keer worden toegewezen. De betekeningskosten van de dagvaarding zijn wel dubbel gemaakt, evenals het griffierecht, zodat die kosten wel afzonderlijk worden toegewezen.
De proceskosten van de VvE tegenover [gedaagde 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
514,00
Totaal
€
659,45
De proceskosten van de VvE tegenover [gedaagde 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
514,00
Totaal
€
659,45
De proceskosten van de VvE tegenover zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,50
(2,5 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
651,00
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2], als eigenaren van een (recreatie)bungalow gelegen op Bungalowpark [locatie], gehouden zijn tot het betalen van een jaarlijkse parkbijdrage aan de VvE voor het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke voorzieningen en infrastructuur van het park, ongeacht het al dan niet lidmaatschap van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] van de VvE,
verklaart voor recht dat de hoogte van de door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] verschuldigde parkbijdrage dient te worden vastgesteld op een bedrag gelijk aan de door de overige eigenaren van het park verschuldigde parkbijdrage, zoals jaarlijks vastgesteld door de VvE, onder aftrek van het in verband met het door [gedaagde 1] als [gedaagde 2] zelf te verzorgen tuinonderhoud en tevens onder aftrek van de zuivere lidmaatschapskosten van de VvE, een en ander conform de uitgangspunten die de kantonrechter in rechtsoverweging 2.4. heeft toegepast bij de berekening van de parkbijdrage voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de jaren 2024 en 2025,
veroordeelt zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] om allebei aan de VvE te betalen een bedrag van € 1.954,44, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf dertig (30) dagen na respectievelijke factuurdata zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.13., tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de VvE te betalen een bedrag van € 354,73 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 659,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 659,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 651,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet/voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordelingen uit dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.