RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2610
gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
gemachtigde: mr. C. Lubberts.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het UWV eiser met ingang van 22 januari 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiser is daarbij 57,65% arbeidsongeschikt geacht.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
24 september 2025 heeft het UWV het beroep gegrond verklaard. Eisers mate van arbeidsongeschiktheid is alsnog vastgesteld op 58,67%.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser is vanaf 18 augustus 2003 werkzaam geweest als meewerkend voorman voor gemiddeld 40,21 uur per week in dienst van [bedrijf 1] B.V. bij [bedrijf 2]. Daarnaast is hij vanaf 29 augustus 2011 werkzaam geweest als schoonmaker/opruimer via een oproepcontract zonder opkomstplicht bij [bedrijf 2]. In totaal heeft eiser gemiddeld 48,42 uur per week gewerkt.
Op 24 januari 2022 heeft hij zich ziek gemeld. Eiser heeft het UWV verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.
Standpunten van partijen
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met zijn beperkingen nog in staat is functies te vervullen, waarmee hij 58,67% minder kan verdienen dan het loon dat hij verdiende in de maatgevende arbeid van schoonmaker/meewerkend voorman en schoonmaker/opruimer voor in totaal 48,42 uur per week. Het UWV heeft verwezen naar het rapport van 8 september 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 15 september 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen, die hij op mentaal gebied ervaart. De prikkelbaarheids- en boosheidsklachten van eiser komen niet tot uiting in de FML. Naast deze klachten ervaart eiser ook angstklachten en depressieve klachten. Ook deze komen niet voldoende tot uiting in de FML. De FML bevat ten onrechte geen beperking op de items 1.8.1 "afleiding door activiteiten van anderen', 1.8.2 'voorspelbare werksituatie', 1.8.3 'veelvuldige storingen en onderbrekingen', 1.8.5 'hoog handelingstempo', 2.7 'eigen gevoelens uiten', 2.9 'samenwerken' en 2.12 'voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid'. Ook had een urenbeperking aangenomen moeten worden. Eiser verwijst naar zijn medicatiegebruik en de als gevolg daarvan ontstane slaperigheid.
Verder is evident dat eiser rugklachten heeft. De verzekeringsarts heeft hem beperkt geacht voor zware fysieke arbeid en zware belasting van de rug. Met name de belasting in de functie lader/losser overschrijdt de vastgestelde belastbaarheid. In deze functie is sprake van veel lopen en staan. Dit zal een zware belasting voor eisers rug met zich meebrengen. Dit strookt niet met de conclusie van de verzekeringsarts. Er is daarom in ieder geval reden om de functie lader/losser te laten vervallen.
Voor een tweetal functies wordt een diploma-eis gesteld. Het gaat om functies met opleidingseis 2. Voor de functie lader/losser dient men in het bezit te zijn van op z'n minste een getuigschrift basisonderwijs. Dit geldt ook voor de functie productiemedewerker industrie. Men moet het basisonderwijs hebben voltooid en er moet tevens sprake zijn van een getuigschrift basisonderwijs. Eiser voldoet niet aan deze eis. Hij beschikt niet over een diploma/getuigschrift. Eiser heeft in zijn land van herkomst het basisonderwijs niet afgerond. Eiser is daarom van mening dat genoemde twee functies dienen te vervallen.
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
De medische grondslag
4. De belastbaarheid van eiser op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De primaire arts heeft in zijn rapport van 29 mei 2024 vastgesteld dat eiser zich ziek heeft gemeld wegens een liesbreuk operatie. Hiervan is eiser hersteld, maar in het ziektebeloop kwam er een verergering van de al bekende chronische rugklachten. In het vervolg kwamen er psychische klachten opspelen wegens stagnatie in herstel en re-integratie. Eiser vertelt verschillende belemmeringen te hebben op fysiek en psychisch gebied. De bedrijfsarts heeft een expertise onderzoek door Ergatis ingezet, waarbij er onder andere consultatie is geweest van medische specialisten. De neuroloog van Ergatis diagnosticeert een chronisch lumbago met pseudoradiculaire uitstraling. Deze diagnose sluit aan bij wat er gedurende lichamelijk onderzoek door de primaire arts werd geconstateerd: er waren geen duidelijke aanwijzingen voor radiculaire prikkeling. Wel werd een hypertonie van de onderrug geconstateerd. Daarnaast kon eiser bewegingen met betrekking tot de wervelkolom uitvoeren. Dit komt overeen met het belastbaarheidsonderzoek van Ergatis. Wel wekte eiser een pijnlijke indruk wanneer hij weer tot een neutrale stand kwam en de pijn zat in de onderrug en de benen. Op basis hiervan is wel een onderliggende kwetsbaarheid te benoemen op basis van de aanwezige lumbago. Verder diagnosticeert de psychiater van Ergatis een somatische symptoomstoornis, met als differentiële diagnose een depressieve stoornis, angststoornis. Bij het psychisch onderzoek heeft de primaire arts vastgesteld dat sprake is van onderliggende psychische kwetsbaarheid, de symptomen kunnen passen bij het bovenstaande. De klachtenpresentatie is niet geheel consistent omdat er diagnosen gesteld zijn en de geclaimde klachten door eiser ernstiger worden aangegeven dan hetgeen vanuit medisch perspectief verklaard kan worden. De beschreven discrepantie in het expertiserapport komen overeen met hetgeen tijdens het spreekuur werd geobjectiveerd. Er zijn daarom lichtere medische beperkingen aan de orde dan in de door eiser geclaimde mate. De primaire arts acht eiser per datum einde wachttijd vanuit de rugproblematiek beperkt voor zware fysieke arbeid en zware belasting van de rug. Daarnaast acht de primaire arts eiser licht beperkt voor psychische belasting wegens de bijkomende psychische problematiek. Er is geen indicatie om een beperking in de duurbelastbaarheid op te leggen, noch vanuit de rug- noch vanuit de psychische problematiek. De primaire arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 september 2025 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om de primaire beoordeling niet te handhaven. De ingebrachte inlichtingen van de psycholoog werpen geen wezenlijk nieuw licht op de vaststelling van de belastbaarheid. De primaire arts is bij de beoordeling immers uitgegaan van dezelfde diagnostiek als genoemd wordt in deze ingebrachte inlichtingen. Ook sluit deze diagnostiek aan bij eerder psychiatrisch onderzoek in het kader van de expertise door Ergatis, uitgevoerd in opdracht van de bedrijfsarts. Voorts blijkt uit het rapport van de primaire arts dat de behandeling door de psycholoog en het beloop zijn besproken en meegewogen. Uit zowel de expertise van Ergatis, de inlichtingen van de psycholoog als de bevindingen van de primaire arts komt naar voren dat de stemmingsklachten van eiser hoofdzakelijk gezien worden als reactief op de ervaren chronische pijn. Aanwijzingen voor ernstige stemmingsproblematiek zijn er echter niet. Concrete redenen om aanvullende beperkingen aan te nemen voor het persoonlijk en sociaal functioneren zijn er dan ook niet. Ook de bevindingen/observaties bij onderzoek in bezwaar wijzen er niet op dat het handelingstempo van eiser beperkt is of dat er sprake is van cognitieve problematiek. Ook geeft de mentale problematiek geen aanleiding om een urenbeperking vast te stellen. Evenmin vloeit deze voort uit de genoemde slaapproblematiek. Er zijn immers geen aanwijzingen dat hier aan een objectiveerbare medische aandoening ten grondslag ligt. Eerder blijkt juist uit de bevindingen van de primaire arts dat de nachtrust van eiser was verbeterd met medicatie, omdat hij minder vaak wakker wordt door pijnklachten. Bijkomend blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat de klachten van eiser leiden tot een verhoogde recuperatienoodzaak.
Met betrekking tot de fysieke klachten van eiser wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat uit het neurologisch onderzoek in het kader van de expertise door Ergatis naar voren kwam dat sprake was van chronische lage rugklachten met pseudoradiculaire uitstraling, waarbij herhaald neurologisch onderzoek en beeldvormend onderzoek geen neurologische afwijkingen liet zien. Ook de beeldvormende diagnostiek uit Turkije werd geëvalueerd, waarbij geen verklaring werd gevonden. Uit belastbaarheidsonderzoek van Ergatis kwam naar voren dat bij eiser sprake is van stijfheid, deconditionering en bewegingsangst. Voorts werd geobserveerd dat eiser bij zittend uitvoeren van testen, ongemerkt langer bleef zitten. Al met al is geen sprake van medisch objectiveerbare problematiek waardoor eiser beperkt is voor zitten. Ook ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen redenen om te stellen dat de fysieke belastbaarheid op andere items is onderschat door de primaire arts.
Dat eiser zwaardere beperkingen zegt te hebben, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat eiser ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De FML bevat beperkingen en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat bij de vaststelling van de beperkingen grote waarde is toegekend aan het rapport van Ergatis naar aanleiding van een expertise onderzoek. De in het rapport van Ergatis aangegeven beperkingen zijn grotendeels overgenomen door de verzekeringsartsen. Eiser heeft geen medische informatie in geding gebracht, waaruit moet worden geconcludeerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de brieven van 24 oktober 2023 en 18 juli 2024 van psycholoog N. Keni en GZ-psycholoog I. Altin in bezwaar betrokken in zijn beoordeling.
Het UWV mocht voor de vaststelling van eisers mate van arbeidsongeschiktheid dan ook uitgaan van de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 29 mei 2024.
De arbeidskundige grondslag
5. Uitgaande van de FML van 29 mei 2024 is het aannemelijk dat eiser met ingang van
22 januari 2024 in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van lader, losser (SBC-code 111220), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) te vervullen.
In het rapport van 15 september 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiser op de in geding zijnde datum.
Naar aanleiding van wat er in beroep is aangevoerd heeft het UWV er in het verweerschrift op gewezen dat uit de FML blijkt dat eiser een half uur achtereen kan staan en zo nodig gedurende de helft van de werkdag. Hij kan ook een half uur achtereen lopen en zo nodig gedurende de helft van de werkdag. In de functie lader/losser vindt lopen plaats gedurende ongeveer 3 uren, namelijk tijdens 8 werkuren 10 maal ongeveer 1 minuut achtereen en tijdens 8 werkuren 5 maal ongeveer 2 minuten achtereen. Dit valt ruimschoots binnen de vastgestelde belastbaarheid in de FML. Dit geldt ook voor het onderdeel staan. Dat vindt plaats gedurende ongeveer 4 uren, namelijk tijdens 8 werkuren 1 maal ongeveer 15 minuten achtereen (bij het inpakken) en tijdens 8 werkuren 3 maal ongeveer 5 minuten achtereen. Er is sprake van voldoende afwisseling van de houdingen, zodat eiser niet te lang achtereen hoeft te staan of lopen. Ook de totaalbelasting past binnen de vastgestelde belastbaarheid. Gelet op deze nadere toelichting, ziet de rechtbank geen aanleiding eraan te twijfelen dat eiser met zijn beperkingen in staat moet worden geacht tot het vervullen van de functie lader, losser (SBC-code 111220).
Voor hetgeen eiser heeft aangevoerd over de diploma-eis voor de functies lader/losser (SBC-code 111220) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), heeft het UWV verwezen naar het rapport van 4 december 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend toegelicht dat eiser het basisonderwijs heeft voltooid en ten minste op dat niveau heeft gefunctioneerd. Daarmee voldoet eiser aan de opleidingseis in deze functies.
Uit het vorenstaande volgt dat eiser met ingang van 22 januari 2024 in staat moet worden geacht met zijn beperkingen de hem voorgehouden functies te vervullen.
Conclusie en gevolgen
6. Het voorgaande betekent dat het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per
22 januari 2024 terecht heeft vastgesteld op 58,67%.
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding het UWV te veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.