ECLI:NL:RBOVE:2026:2795

ECLI:NL:RBOVE:2026:2795

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer C/08/332709 / ES RK 25-2942
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Echtscheiding. Verdeling gemeenschap van goederen. Rechtbank bepaalt in dit specifieke geval niet dat één van partijen het gebruik van de woning en de inboedel mag voortzetten. Rechtbank acht het mogelijk dat partijen nog enige tijd samen in de woning wonen. Nominaal vergoedingsrecht door kwijtschelding en legaat met uitsluitingsclausule. Andere kwijtschelding heeft geen uitsluitingsclausule. Staat nadrukkelijk in tekst onderhandse akte en niet aannemelijk dat dit desondanks de bedoeling van de ouders van de man moet zijn geweest. Geen zaaksvervanging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo

team familie- en jeugdrecht

zaaknummers: C/08/332709 / ES RK 25-2942 (echtscheiding en nevenvoorzieningen)

C/08/338826 / ES RK 25-5975 (verdeling)

Beschikking van 20 mei 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats 1],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Cupido,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats 2],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.S.M. Oude Breuil.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 2 mei 2025;

het exploot van de betekening van 12 mei 2025, binnengekomen op 15 mei 2025;

het verweerschrift met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (met bijlagen), binnengekomen op 16 juli 2025;

het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 8 augustus 2025;

de brief van mr. Cupido (met bijlagen), binnengekomen op 5 maart 2026;

de brief van mr. Oude Breuil (met bijlagen), binnengekomen op 11 maart 2026 met daarin een aanvullend verzoek;

de brief van mr. Cupido (met bijlagen), binnengekomen op 16 maart 2026.

Het verzoek is besproken tijdens de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

op 25 maart 2026 de brief van mr. Cupido (met bijlage);

op 30 maart 2026 de brief van mr. Oude Breuil.

2. De feiten

De man en de vrouw zijn op 23 juni 1988 met elkaar getrouwd in gemeenschap van goederen in Hellendoorn.

De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit te spreken;

te bepalen dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding nog zes maanden in de woning aan de [adres] in [plaats] mag blijven wonen en het gebruik voortzetten van de zaken die bij de woning en tot de inboedel horen;

de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen zoals nog door de man nader aan te geven en te bepalen welk deel van het vermogen aan de man privé toekomt.

4. Het verweer en het (aanvullende) zelfstandig verzoek

De vrouw vindt dat, behalve het verzoek om de echtscheiding uit te spreken, de verzoeken van de man moeten worden afgewezen. De vrouw verzoekt (na aanvulling) de rechtbank om:

de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit te spreken;

te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding nog zes maanden in de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats] mag blijven wonen en het gebruik mag voortzetten van de zaken die bij de woning en tot de inboedel horen;

ten aanzien van de echtelijke woning:

de man te veroordelen om binnen acht dagen na de in deze te wijzen beschikking mee te werken aan het te koop aanbieden, de taxatie, verkoop en eigendomsoverdracht van de woning en de verdeling van de netto-opbrengst bij helfte daarvan door:

a. de ondertekening van een opdrachtbevestiging strekkende tot verkoop van voornoemde woning aan een derde door een door de rechtbank te benoemen makelaar, dit tegen de door de Nederlandse Vereniging van Makelaars gehanteerde gebruikelijke voorwaarden en bedingen en vervolgens onvoorwaardelijk in te stemmen met, en onvoorwaardelijk medewerking te geven aan, de levering van voornoemde woning aan die derde onder de bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gebruikelijke voorwaarden en bedingen;

b. het meewerken aan en betalen van de plaatsing van advertenties in de krant van de makelaar, een bord in de tuin en affiches op de ramen;

c. het meedoen met in ieder geval openhuizendagen en bezichtigingen door potentiële kopers;

d. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht;

e. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven om van de netto-opbrengst de opbrengst bij helfte tussen partijen te verdelen;

- te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de (resterende)

hypotheekschulden voortvloeiende uit de hypothecaire geldleningen bij Hypotrust

alsmede na aftrek van alle kosten verband houdende met de verkoop en levering van de woning (waaronder begrepen eventuele makelaars (taxatie)kosten en notariskosten), bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

- te bepalen dat indien de man zijn medewerking weigert aan het ondertekenen van de

koopovereenkomst en/of passeren van een akte strekkende tot juridische levering van voornoemde woning, de beschikking in plaats van de medewerking en/of noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man zal treden;

- te bepalen dat de verdere afwikkeling/verdeling van de gemeenschap van goederen

geschiedt volgens het als productie 4 overgelegde overzicht, althans deze verdeling vast te stellen zoals uw rechtbank zal vermenen te behoren;

- te bepalen dat de man en de vrouw beiden € 800,- ter zake de vaste lasten dienen

over te maken op de en/of rekening vanaf 1 april 2026 tot het moment dat de woning

door één van beide partijen wordt verlaten dan wel wordt verkocht, waarna het saldo

op de en/of rekening bij helfte dient te worden gedeeld.

5. Het verweer tegen de zelfstandige verzoeken

De man vindt dat, behalve het verzoek om de echtscheiding uit te spreken, de verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen.

Partijen hebben daarna hun standpunten nog gewijzigd. De rechtbank zal dat hierna in de beoordeling meenemen. Over de punten waar partijen alsnog afspraken met elkaar hebben gemaakt zal de rechtbank onder de beslissing “verstaan” dat partijen dit zijn overeengekomen.

6. De beoordeling

De echtscheiding

De rechtbank zal de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De man en de vrouw zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

Het voorgezet gebruik van de woning

De man en de vrouw hebben allebei om het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel verzocht.

De man vindt het niet langer wenselijk dat partijen samen in de woning wonen. Ze wonen al lang samen in de woning, terwijl het huwelijk niet goed is. De man woont al vier jaar alleen in de slaapkamer zonder verwarming. De man wil de woning niet verlaten. Hij heeft gedurende een periode van een aantal jaren met veel inspanning de woning verbouwd. Hij is aan de woning gehecht en hij (of de dochter) wil de woning overnemen. De vrouw wil de woning niet overnemen. Het ligt daarom voor de hand dat de vrouw de woning zal verlaten.

Volgens de vrouw zal de man niet in staat zijn haar “uit te kopen”. De vrouw heeft er belang bij dat de woning zo spoedig mogelijk wordt verkocht. Een uitsluitend gebruik van de woning door de man zal deze verkoop vertragen. De vrouw neemt zowel binnen als buiten de woning alle onderhoudswerkzaamheden voor haar rekening, omdat de man dit niet wil doen. De vrouw wil het huis en de tuin netjes houden voor de verkoop. Zij verwacht dat het verwaarloosd wordt als zij de woning verlaat. Voor de vrouw is het eventueel haalbaar, ook al is dit emotioneel zwaar, om de huidige situatie waarin partijen samen in de woning verblijven, nog even vol te houden tot de overname of verkoop van de woning.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man dat het een minder wenselijke situatie is dat partijen samen in de woning wonen. De vrouw vindt dat ook. De man heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom het niet mogelijk is om dit, voor een relatief korte periode, die te overzien is, voort te zetten. Dat had gelet op alle door de vrouw aangevoerde omstandigheden wel op zijn weg gelegen. Nu de vrouw te kennen heeft gegeven de huidige (gezamenlijke) woonsituatie nog voort te kunnen zetten, zal de rechtbank in dit specifieke geval daarom niet bepalen dat één van partijen het gebruik van de woning en de inboedel tot uiterlijk zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mag voortzetten. Beide partijen hebben gelijkwaardige argumenten om het gebruik van de woning voort te zetten en zij leven al geruime tijd op deze manier. Bovendien zal op korte termijn duidelijkheid komen wat er met de woning zal gebeuren. De rechtbank wijst de verzoeken van de man en de vrouw af.

De verdeling

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 2 mei 2025 ontbonden.Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet dragen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

De woning aan de [adres] in [plaats];

De hypothecaire geldleningen bij Hypotrust met leningnummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3];

De inboedel;

Het saldo op de bankrekeningen bij de Rabobank;

[rekeningnummer 1] en/of

[rekeningnummer 2] en/of

[rekeningnummer 3] op naam van de man

[rekeningnummer 4] op naam van de man

[rekeningnummer 5] op naam van de vrouw

[rekeningnummer 6] op naam van de vrouw;

De auto’s:

- merk Renault Twingo met kenteken [kenteken 1]

- merk Mini Clubman met kenteken [kenteken 2]

- de brandweercamper met kenteken [kenteken 3]

De Harley-Davidsonmotoren met de kentekens:

- [kenteken 4]

- [kenteken 5]

- [kenteken 6]

- [kenteken 7]

Motortrailer;

Shovel, twee oude tractoren, gereedschappen, tuingereedschappen, zitmaaier.

Zij zijn het er ook over eens dat de caravan (merk Hobby) niet tot de gemeenschap behoort.

De rechtbank zal, voordat deze posten worden besproken, eerst beoordelen of de varkenshouderij die de man van zijn ouders heeft overgenomen en de verkoopopbrengst daarvan, behoort tot de gemeenschap van goederen en of de man een vergoedingsrecht toekomt.

De varkenshouderij en het vergoedingsrecht

Inleiding / feiten

Uit de overgelegde notariële akte van 17 maart 1999 met specificatie volgt dat de man per 1 januari 1998 de varkenshouderij van zijn ouders heeft overgenomen. De koopsom bedroeg fl. 259.970,-. De rechtbank bespreekt eerst of de varkenshouderij privévermogen van de man is geworden. Daarvoor is van belang hoe de koopsom is voldaan.

Niet in geschil is dat een deel van de koopsom vanuit de gemeenschap van partijen is voldaan door een contante betaling van fl. 81.221,- en een deel door verrekening van fl. 25.749,-. De man is het resterende deel van de koopsom (fl. 153.000) schuldig gebleven aan zijn ouders wegens geleend geld.

Niet in geschil is dat van deze schuld een totaalbedrag van fl. 112.000,- aan de man is gelegateerd/kwijtgescholden met uitsluitingsclausule. Dit is de optelsom van:

het legaat aan de man uit het testament van de vader van de man van fl. 56.000,- (overlijdensdatum [overlijdensdatum] 2000);

de afstand om niet door de moeder van de man van fl. 47.500,- (onderhandse akte juli 2001);

de kwijtschelding door de moeder van de man van fl. 8.500 (onderhandse akte 2002).

Standpunt man

De man stelt dat naast deze fl. 112.000,- nog meer is kwijtgescholden met een uitsluitingsclausule, althans dat dat wel de bedoeling van zijn ouders is geweest. De man doelt daarbij, zo begrijpt de rechtbank, op de kwijtschelding in de overgelegde onderhandse akte van 17 maart 1999, die hoort bij genoemde notariële akte, waarin de ouders van de man afstand hebben gedaan van een deel van hun vordering op de man voor fl. 41.000,-. fl. 112.000,- + fl. 41.000,- is meer dan 50% van de aankoopsom waardoor er volgens de man sprake is van zaaksvervanging in de zin van artikel van artikel 1:124 lid 2 BW (oud). De man kan niet verklaren waarom in deze onderhandse akte geen uitsluitingsclausule is opgenomen (en ten aanzien van zijn broer en zus expliciet wel). De man vindt dit raar. De man heeft altijd alleen in de varkenshouderij gewerkt. Zijn ouders hebben altijd gewild en gezegd dat de varkenshouderij bij de man zou blijven en niet voor de helft naar de vrouw zou gaan als de relatie mis zou gaan. Zijn ouders hadden ook kritiek op de vrouw dat zij veel geld uitgaf. Vóór het tekenen van de akte hebben ze tegen de man gezegd dat ze de vrouw niet vertrouwden.

De man stelt verder dat als van de kwijtschelding van fl. 41.000,- niet komt vast te staan dat deze privé aan de man is toegekomen, er nog steeds meer dan 50% van de aankoopsom (als het ware) privé door hem is betaald. Hij berekent dit door de helft (zijn deel) van de schenkingen die in de gemeenschap van goederen vielen (fl. 259.970,- -/- fl. 112.000,- = ) fl. 148.000,- : 2 = fl. 74.000,-, bij de privéschenkingen op te tellen. Daardoor is er fl. 112.000,- + fl. 74.000,- = fl. 184.000,- (en dus meer dan 50%) privé door de man betaald. De man verzoekt de rechtbank om hier op deze manier rekening mee te houden.

Ten tijde van de koop en kwijtscheldingen was voor zaaksvervanging volgens de man bovendien nog niet vereist dat de kwijtscheldingen tegelijk met de levering moesten plaatsvinden. Ook heeft de Hoge Raad in het arrest van 19 maart 1982 bepaald dat rechtshandelingen binnen een periode van een jaar na aankoop onder omstandigheden kunnen worden gezien als één transactie. De man handhaaft daarom zijn standpunt dat de aankoopsom voor de varkenshouderij voor meer dan 50% met zijn privévermogen is voldaan en dat alle kwijtscheldingen als één transactie moeten worden gezien, zodat de varkenshouderij door zaaksvervanging privévermogen van hem is geworden.

De man beroept zich er verder op dat zijn vergoedingsrecht wordt vastgesteld volgens de beleggingsleer, zoals deze geldt vanaf 1 januari 2012. Dit omdat de varkenshouderij is verkocht in 2014. Het geld met betrekking tot het vorderingsrecht dat de man op de gemeenschap van goederen had ten aanzien van fl. 112.000,-, is derhalve na 2012 vrijgekomen, waardoor de man ook recht op de waardestijging.

De man heeft de fl. 112.000,- in de nieuwe woning van partijen gestoken (aflossing overbruggingshypotheek / verbouwingskosten). Een makelaar zal moeten taxeren welk deel van de huidige waarde van de woning is toe te rekenen aan die fl. 112.000,-.

Standpunt vrouw

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de varkenshouderij geen privévermogen van de man is geworden. De vrouw erkent dat tot een bedrag van fl. 112.000,- de legatering/schenkingen/kwijtscheldingen aan de man in privé zijn gedaan en dat de man recht heeft op een nominale vergoeding van dat bedrag. De vrouw maakt bezwaar tegen toepassing van de beleggingsleer.

Er is volgens de vrouw ook geen sprake van een samenstel van gelijktijdig verrichte rechtshandelingen waarbij meer dan 50% van de aankoopsom door de man privé is gedaan. Er heeft daarom geen zaaksvervanging in de zin van artikel 1:95 BW plaatsgevonden.

De vrouw kan zich niet herinneren hoe destijds het gesprek bij de notaris ten aanzien van de uitsluitingsclausule voor het bedrag van fl. 41.000,- is verlopen. Zij was toen nog jong en tekende “bij het kruisje”. De vrouw weet niet waarom er onderscheid is gemaakt bij haar en de man ten opzichte van de broer en zus van de man met betrekking tot de uitsluitingsclausule. Er werd niet over gesproken in de familie.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de kwijtschelding van fl. 41.000,- in de onderhandse akte van 17 maart 1999 met een uitsluitingsclausule is gedaan, althans dat dit wel de bedoeling van de ouders moet zijn geweest. Op de tweede pagina van deze onderhandse akte blijkt nadrukkelijk dat er geen uitsluitingsclausule is verbonden aan de giften aan de man en de vrouw (die in die akte vallen onder sub B): “dat de giften sub A en C alsmede de vruchten daarvan en datgene wat door zaaksvervanging overeenkomstig artikel 1:124 lid Burgerlijk Wetboek daarvoor in de plaats treedt, niet zullen vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of ooit gehuwd mocht zijn etcetera”. Dat de man het vreemd vindt dat dit onderscheid is gemaakt tussen de man, de vrouw en zijn broer en zus en gelet op hoe zijn ouders over de vrouw dachten, kunnen de tekst in deze akte en het verweer van de vrouw op dit punt, niet zondermeer opzijzetten. Het had op de weg van de man gelegen om dit nader te onderbouwen, hetgeen hij onvoldoende heeft gedaan.

Het is rechtbank verder onvoldoende gebleken dat de rechtshandelingen van de ouders van de man ten aanzien van de man dusdanig met elkaar samenhangen dat de ouders bedoeld hebben aan de kwijtschelding van fl. 41.000,- man een uitsluitingsclausule te verbinden, ook al is dat niet op schrift gesteld. In die onderhandse akte is namelijk ook een schenking (ook zonder uitsluitingsclausule) aan de vrouw opgenomen van fl. 41.221,-. De rechtbank acht het daardoor eerder aannemelijk dat de ouders van de man de giften aan partijen samen wilden laten toekomen, dan dat zij niets aan de vrouw wilden geven.

De rechtbank vindt verder dat er geen rechtsgrond bestaat, om het aandeel van de man in het gemeenschappelijk vermogen dat is gebruikt voor de aankoop, bij de privéinvesteringen van de man op te tellen, zoals hiervoor onder 6.16. verwoord. Een gemeenschapsgoed verschiet, kort gezegd, niet van kleur naar privé. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier op grond van de redelijkheid en billijkheid van af te wijken.

De conclusie van de rechtbank is dat zelfs als rekening zou worden gehouden met het totaal van het legaat en de kwijtscheldingen die onder uitsluiting (in totaal fl. 112.000,-) aan de man zijn voldaan, de man met minder dan 50% van zijn privévermogen in de varkenshouderij heeft geïnvesteerd. De rechtbank komt daardoor niet toe aan de beoordeling of in dit geval sprake zou zijn van een samenstel van gelijktijdige rechtshandelingen / toepassing van het arrest “Erven Bal” om zaaksvervanging aan te nemen.

De rechtbank zal bepalen dat aan de man een nominaal vergoedingsrecht toekomt van fl. 112.000,- (€ 50.823,-) zoals hierna bepaald. De vergoedingsrechten van de man zijn ontstaan voor 1 januari 2012 (zie hiervoor onder 6.14). Er dient dan te worden uitgegaan van de nominaliteitsleer, tenzij zich zeer bijzondere feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan het naar maatschappelijke normen bezien het onaanvaardbaar is dat de man slechts aanspraak kan maken op de nominale vergoeding. Het had gelet hierop en de betwisting door de vrouw op de weg van de man gelegen om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Dat het goed waarin is geïnvesteerd, later dan het moment van de kwijtschelding of het legaat, te gelde wordt gemaakt en er opnieuw wordt geïnvesteerd, maakt niet dat van de hoofdregel moet worden afgeweken.

De woning en de hypothecaire geldleningen (post a en b)

De man heeft te kennen gegeven de woning te willen overnemen, waar de vrouw op zich geen bezwaar tegen heeft. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van de woning en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Tegelijkertijd is niet duidelijk of de man de woning tegen de taxatiewaarde zal kunnen overnemen. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten op de wijze als in het dictum omschreven.

Partijen zijn overeengekomen dat zij [bedrijf] de opdracht geven om de woning bindend te taxeren, omdat de man moet kunnen onderzoeken of hij de woning kan overnemen en de vrouw kan doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dan wel om de verkoop aan een derde te begeleiden.

Partijen hebben tijdens de zitting hun verzoeken gewijzigd in die zin dat deze makelaar de taxatiewaarde en de bied- en laatprijs bindend kan vaststellen als partijen er in onderling overleg niet uitkomen. Ook zijn beide partijen ermee akkoord dat de rechtbank de wijze van verdeling vaststelt in de vorm van een stappenplan (spoorboekje) dat geldt voor beide partijen ten aanzien van de verdeling dan wel verkoop van de woning.

Dat de man tijdens de zitting heeft gezegd dat hij, als hij de woning niet kan overnemen, het liefst zou willen dat de dochter van partijen de woning kan overnemen (en dan “niet voor de hoofdprijs”), is geen onderdeel van deze procedure maar van het eventueel onderling overleg tussen partijen.

De inboedel van de woning (post c)

Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen hen in onderling overleg is of wordt verdeeld, zonder nadere verrekening.

De saldi op de bankrekeningen (post d)

De verdeling van de bankrekeningen bij helfte per peildatum is niet in geschil tussen partijen, behalve met betrekking tot de Rabobankrekeningen eindigende op .[rekeningnummer 6] en .[rekeningnummer 5].

Het geschil met betrekking tot de Rabobankrekening eindigende op .[rekeningnummer 5] is zo gering, dat de rechtbank het saldo per peildatum op de zitting in redelijkheid op € 1.489,- heeft bepaald.

Met betrekking tot Rabobankrekening eindigende op .[rekeningnummer 6] op naam van de vrouw geldt het volgende. Voor de waarde van de bankrekeningen is het moment van ontbinding van de gemeenschap bepalend. Zoals hiervoor is besproken, is dat het moment van indiening van het verzoekschrift. Daarom moeten partijen de op 2 mei 2025 aanwezige saldi op de bankrekeningen met elkaar verdelen. Het saldo op deze rekening was op dat moment € 31.000,60. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw van deze rekening veel bestedingen heeft gedaan waar hij het niet mee eens was en hij niet in de vermindering van dat saldo wil delen. Er heeft oorspronkelijk € 90.000,- op die rekening gestaan, net als op de rekening van de man, terwijl de man hier heel zuinig mee is omgegaan. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de vrouw zijn er allerlei uitgaven van haar rekening betaald, waaronder een auto. Bovendien zou de man dan net zo goed verantwoording moeten afleggen over zijn rekening. Het had naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het verweer van de vrouw, op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat niet van het saldo van de bankrekening op de peildatum moet worden uitgegaan, nader te onderbouwen. De bestedingen zijn gedaan binnen het huwelijk en liggen grotendeels ver voor de peildatum. De rechtbank ziet geen rechtsgrond of anderszins aanleiding voor het afwijken van de verdeling bij helfte van het saldo op de peildatum.

Partijen hebben overeenstemming dat de saldi van de overige bankrekeningen bij helfte worden verdeeld. De saldi zijn: [rekeningnummer 1] en/of saldo € 4,-

[rekeningnummer 2] en/of saldo € 818,-

[rekeningnummer 3] op naam van de man, saldo € 30.852

[rekeningnummer 4] op naam van de man, saldo € 99.766,-

Partijen hebben verder overeenstemming over dat de rekeningen op naam van de man aan hem worden toebedeeld, de rekeningen op naam van de vrouw aan haar en dat de en/of rekeningen (te zijner tijd) worden opgeheven. Dit betekent voor de rekening eindigende op .094, waarop partijen nog bedragen zullen storten voor de gemeenschappelijke lasten, dat niet het saldo van € 818,- zal worden gedeeld maar het saldo op datum opheffing.

De auto’s (post e)

Partijen zijn het erover eens dat de auto Renault Twingo met kenteken [kenteken 1] moet worden toebedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde. Partijen stellen de waarde vast op € 4.867,-, zodat de man de helft hiervan (€ 2.434,-) moet vergoeden aan de vrouw.

Partijen zijn het er ook over eens dat de auto Mini Clubman met kenteken [kenteken 2] moet worden toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de waarde. De waarde is in geschil tussen partijen. De vrouw stelt dat de waarde op € 16.069,- (handelswaarde) en de man stelt de waarde op € 19.022,- (het gemiddelde van de handelswaarde en de aankoop adviesprijs (€ 21.975,-).

De rechtbank volgt de man en stelt de waarde, net als de Renault Twingo, in redelijkheid vast op het gemiddelde van de handelswaarde en de aankoop adviesprijs, te weten € 19.022,-. De vrouw dient de helft hiervan ad € 9.511,- te vergoeden aan de man.

Partijen zijn het erover eens dat de brandweercamper met kenteken [kenteken 3] moet worden toebedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde. Partijen stellen de waarde vast op € 5.000,-, zodat de man de helft hiervan ad € 2.500,- moet vergoeden aan de vrouw.

Na de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het feit dat de caravan niet verdeeld hoeft te worden. De caravan staat op naam van de dochter van partijen en behoort niet tot de gemeenschap van goederen. De rechtbank hoeft dit daarom verder niet te bespreken.

De motoren (post f)

Partijen zijn het erover eens dat binnen een maand na de zitting de vier Harley-Davidsonmotoren moeten worden getaxeerd door (zo begrijpt de rechtbank) Oude Monnink Motors. Partijen regelen dit in onderling overleg. Partijen hebben overeenstemming dat daarna de Harley-Davidsonmotor met kenteken [kenteken 4] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de waarde, en de Harley-Davidsonmotoren met de kentekens [kenteken 5], [kenteken 6] en [kenteken 7] aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde.

Motortrailer (post g)

Partijen hebben ter zitting de afspraak gemaakt dat de man in overleg met de vrouw de motortrailer zal verkopen en dat partijen de verkoopopbrengst bij helfte zullen delen.

Shovel, twee oude tractoren, gereedschap, tuingereedschap, zitmaaier (posten onder h)

Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de shovel, de twee oude tractoren, de zitmaaier, het gereedschap en het tuingereedschap, met uitzondering van de Stihl grasmaaier en rugmaaier met accu’s, aan de man worden toebedeeld en de Stihl grasmaaier en rugmaaier met accu’s worden toebedeeld aan de vrouw en dat de man uit hoofde van overbedeling aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 2.000,-.

Termijn voor het voldoen van de vorderingen over en weer

De rechtbank zal bepalen dat de vorderingen van partijen over en weer uiterlijk bij de notariële verdeling/levering van de woning dienen te worden voldaan.

Gemeenschappelijke kosten

Partijen hebben ter zitting afgesproken dat ieder van hen vanaf 1 april 2026 tot de datum van levering/toedeling van de woning, telkens op de 24ste of 25ste van de maand, € 800,- per maand overmaakt op de daarvoor tot op heden gebruikte bankrekening voor het betalen van gemeenschappelijke lasten (.[rekeningnummer 2]). Onder deze lasten wordt verstaan de kosten voor: hypotheek (Achmea), energie (Vattenval), Vitens, KPN, verzekeringspremies die betrekking hebben op de woning (inboedel- en opstalverzekering) (Bloemendal Assurantiën), Zorgverzekering (VGZ), afvalheffing, gemeentelijke belastingen, Rabobank en Postcodeloterij.

De vrouw heeft ter zitting haar verzoek om betaling van de achterstanden aan de zijde van de man ingetrokken, zodat de rechtbank dit niet verder hoeft te bespreken.

Pensioenrechten

Het ligt op de weg van partijen al dan niet uitvoering te doen geven aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) voor wat betreft ouderdoms- en/of nabestaandenpensioen(en) en dit binnen twee jaar aan de verzekeraars te berichten. Partijen hebben ter zitting afgesproken dit over en weer te zullen doen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

Proceskosten

De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

7. De beslissing

De rechtbank:

in zaaknummer C/08/332709 / ES RK 25-2942

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op 23 juni 1988 in Hellendoorn;

in zaaknummer C/08/338826 / ES RK 25-5975

stelt de verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen als volgt vast / gelast de navolgende wijze van verdeling van de wettelijke gemeenschap van goederen:

a. ten aanzien van de woning aan de [adres] in [plaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij Hypotrust:

partijen geven binnen acht dagen na de datum van deze beschikking [bedrijf] de opdracht om de woning bindend te taxeren tegen de actuele waarde;Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;

ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;

de man krijgt gedurende twee maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde, waarbij:

o de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij Hypotrust geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;

o de man de helft van de ‘overwaarde’ van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire schulden op het moment van de notariële overdracht, waarna eerst het vergoedingsrecht van € 50.823,- aan de man toekomt, aan de vrouw zal vergoeden;

indien de man tijdig te kennen geeft de woning toegedeeld wenst te krijgen, wordt deze aan hem toegedeeld, onder de opschortende voorwaarde dat hij aan de vrouw de helft van de hierna te noemen ‘overwaarde’ vergoedt en zorgdraagt voor haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire leningen

indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de man plaats te vinden binnen één maand, nadat de man de vrouw binnen de termijn van twee maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;

de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van partijen;

indien binnen of na verloop van de periode van twee maanden blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet binnen naar nogmaals een periode van een maand niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde;

partijen zullen dan uiterlijk binnen twee weken na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen twee weken nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht;

indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;

partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;

na verkoop moeten met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldleningen worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald;

van het restant komt uiterlijk op het moment van de notariële overdracht aan de man eerst toe het vergoedingsrecht van € 50.823,-;

het restant dat daarna overblijft moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;

ten aanzien van de inboedel:

verstaat dat de inboedel (behoudens hetgeen hierna wordt vermeld) in onderling overleg tussen partijen is of wordt verdeeld, zonder nadere verrekening;

ten aanzien van de bankrekeningen:

verstaat dat partijen overeenstemming hebben over het verdelen van de bankrekeningen bij helfte per peildatum, waarbij de rechtbank:

het saldo per peildatum van Rabobankrekening eindigende op .[rekeningnummer 5] op naam van de vrouw vaststelt op € 1.489,-; de vrouw dient daarvan de helft ad € 744,50 aan de man te betalen;

bepaalt dat ten aanzien van Rabobankrekening eindigende op .[rekeningnummer 6] op naam van de vrouw dat ook deze rekening moet worden verdeeld per peildatum; het saldo per peildatum bedraagt € 31.000,60; de vrouw dient daarvan de helft ad € 15.500,30 aan de man te betalen;

verstaat dat het saldo per peildatum van en/of bankrekening [rekeningnummer 1] € 4,- bedraagt; aan ieder van partijen komt de helft ad € 2,- toe;

verstaat dat het saldo per peildatum van en/of bankrekening [rekeningnummer 2] € 818,- bedraagt en bepaalt dat het saldo bij opheffing bij helfte moet worden verdeeld;

verstaat dat het saldo per peildatum van bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van de man, € 30.852 bedraagt; de man dient daarvan de helft ad € 15.426,- aan de vrouw te betalen;

verstaat dat het saldo per peildatum van bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van de man € 99.766,- bedraagt; de man dient daarvan de helft ad € 49.883,- aan de vrouw te betalen;

verstaat dat de rekeningen op naam van de man aan hem worden toegedeeld, de rekeningen op naam van de vrouw aan haar en dat de en/of rekeningen (te zijner tijd) worden opgeheven;

ten aanzien van de auto van het merk Renault Twingo met kenteken [kenteken 1]:

deelt deze toe aan de man en veroordeelt de man om ter zake een bedrag van € 2.434,- aan de vrouw te betalen;

ten aanzien van de auto van het merk Mini Clubman met kenteken [kenteken 2]:

deelt deze toe aan de vrouw en veroordeelt de vrouw om ter zake een bedrag van € 9.511,- aan de man te betalen;

ten aanzien van de brandweercamper met kenteken [kenteken 3]:

deelt deze toe aan de man en veroordeelt de man om ter zake een bedrag van € 2.500,- aan de vrouw te betalen;

ten aanzien van de Harley-Davidsonmotor met kenteken [kenteken 4]:

deelt deze toe aan de vrouw en veroordeelt de vrouw om ter zake een bedrag van p.m. aan de man te betalen;

ten aanzien van de Harley-Davidsonmotoren met de kentekens [kenteken 5], [kenteken 6] en [kenteken 7]:

deelt deze toe aan de man en veroordeelt de man om ter zake een bedrag van p.m. aan de vrouw te betalen;

i. verstaat dat partijen ten aanzien van de motortrailer zijn overeengekomen dat de man deze zal verkopen en dat partijen de verkoopopbrengst ieder voor de helft delen;

verstaat dat partijen zijn overeengekomen dat de man de shovel, twee oude tractoren, de zitmaaier, het gereedschap en het tuingereedschap, met uitzondering van de Stihl grasmaaier en rugmaaier met accu’s, krijgt toegedeeld en de vrouw de Stihl grasmaaier en rugmaaier met accu’s krijgt toegedeeld en dat de man uit hoofde van overbedeling aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 2.000,-.

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat ieder van partijen vanaf 1 april 2026 tot de datum van levering/toedeling van de woning, telkens op de 24ste of 25ste van de maand, € 800,- per maand overmaakt op de daarvoor tot op heden gebruikte bankrekening voor het betalen van de gemeenschappelijke lasten;

veroordeelt de vrouw om uiterlijk op het moment van de notariële levering van de woning een bedrag aan de man te voldoen wegens overbedeling van € 744,50 + € 15.500,30 + € 9.511,- + p.m.;

veroordeelt de man om uiterlijk op het moment van de notariële levering van de woning aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling een bedrag van € 15.426,- + € 49.883,- + € 2.434,- + € 2.500,- + € 2.000,- + p.m.;

bepaalt dat ten aanzien van bankrekeningnummer .687 aan ieder van partijen € 2,- toekomt;

bepaalt dat uiterlijk op het moment van de notariële levering van de woning het vergoedingsrecht van € 50.823,- aan de man dient te worden uitgekeerd;

veroordeelt partijen over en weer na te komen hetgeen zij onderling zijn overeengekomen;

In beide zaaknummers

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, mr. H.M. Jongebreur, mr. C. Waanders, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Waanders

Griffier

  • mr. A.H. Wiersma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand