RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.027451.24 (P)
Datum vonnis: 18 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie].
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 januari 2026, 30 maart 2026 en 4 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jansen, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
feit 2:
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
feit 2: met anderen grote hoeveelheden hard- en softdrugs heeft ingevoerd, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft gehad;
feit 3: met anderen geldbedragen heeft witgewassen, en daar een gewoonte van heeft gemaakt;
feit 4: met anderen de invoer en/of het verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van harddrugs heeft voorbereid en/of bevorderd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 27 november
2024 te Leiden en/of te Leiderdorp, althans in Nederland en/of elders, heeft
deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van
natuurlijke personen, te weten hem, verdachte, en/of [medeverdachte] en/of een
of meer ander (en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 2, 3 en/of 10a van de Opiumwet, en/of
- artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot
en met 27 november 2024 te Leiden, en/of te Leiderdorp, althans in Nederland,
en/of elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen,
althans eenmaal, (telkens)
- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in
artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en/of
- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende
cocaïne en/of morfine en/of heroïne en/of hash, althans (telkens) zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en wel (onder
andere):
- op of omstreeks 16 februari 2021 (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (ongeveer)
715,7 kilogram heroïne en/of 1940,3 kilogram hash (zaak 1), en/of
- op of omstreeks 27 januari 2021 een hoeveelheid van (ongeveer) 1574 kilogram
heroïne (zaak 2), en/of
- in of omstreeks de periode augustus/september 2020 een hoeveelheid van
(ongeveer) 1195 kilogram van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/of
morfine (zaak 3), en/of
- op of omstreeks 28 december 2020 een hoeveelheid van (ongeveer) 1600
kilogram cocaïne (zaak 4);
feit 3:
Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 27 november 2024 te Leiden en/of te Leiderdorp, althans in Nederland, en/of
elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en), te
weten:
€ 794.770,- op 22-08-2020, en/of
€ 100.000,- op 06-01-2021, en/of
€ 122.500,- op 09-01-2021, en/of
€ 50.000,- op 18-01-2021, en/of
€ 96.500,- op 27-01-2021, en/of
€ 70.000,- op 11-02-2021,
althans een of meerdere (zeer) grote geldbedrag(en),
(a.) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld
wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp (en) was en/of heeft verborgen
en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of
(b.) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van
voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)
geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit
enig (eigen) misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte
heeft/hebben gemaakt;
feit 4:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 27 november 2024 te
Leiden, en/of te Leiderdorp, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
en/of
- het opzettlijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren,
van (grote) hoeveelheden materialen bevattende cocaïne en/of heroïne,
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te
doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), of ernstige reden had(den) te
vermoeden, dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het hierboven bedoelde
feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in
vereniging met elkaar, althans ieder voor zich,
(telkens) opzettelijk,
- valse containerzegels ten behoeve van de invoer van verdovende middelen
gemaakt en/of bewerkt en/of verkocht, en/of voorhanden gehad, en/of
- contact onderhouden met andere betrokkenen inzake de verkenning en/of
invoer en/of lossing en/of logistieke en/of administratieve afhandeling van
verdovende middelen transporten.
3. De procesafspraken
De overeenkomst procesafspraken
Op 29 april 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak tegen verdachte. Verdachte is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.
De procesafspraken houden in dat verdachte:
recht op hoger beroep;
- de ondertekening van deze overeenkomst door verdachte houdt geen enkele erkenning in buiten het kader van de voorgestelde afdoening;
en dat het openbaar ministerie:
De beoordeling van de procesafspraken
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 4 mei 2026 zijn de hiervoor weergegeven procesafspraken uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Ook is besproken dat zijn rechten, waarvan hij afstand doet in de overeenkomst, herleven als de rechtbank niet in lijn beslist met de gemaakte procesafspraken. Dit begreep verdachte. Hij heeft te kennen gegeven volledig achter de procesafspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De procesafspraken komen daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.
4. De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 27 november
2024 in Leiden en/of in Leiderdorp, althans in Nederland en/of elders, heeft
deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van
natuurlijke personen, te weten hem, verdachte, en/of [medeverdachte] en/of een
of meer ander (en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 2, 3 en/of 10a van de Opiumwet, en/of
- artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
feit 2:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot
en met 27 november 2024 in Leiden, en/of in Leiderdorp, althans in Nederland,
en/of elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen,
althans eenmaal, (telkens)
- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in
artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en/of
- opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
- opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende
cocaïne en/of morfine en/of heroïne en/of hash, althans (telkens) zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en wel (onder
andere):
- op of omstreeks 16 februari 2021 (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (ongeveer)
715,7 kilogram heroïne en/of 1940,3 kilogram hash (zaak 1), en/of
- op of omstreeks 27 januari 2021 een hoeveelheid van (ongeveer) 1574 kilogram
heroïne (zaak 2), en/of
- in of omstreeks de periode augustus/september 2020 een hoeveelheid van
(ongeveer) 1195 kilogram van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne en/of
morfine (zaak 3), en/of
- op of omstreeks 28 december 2020 een hoeveelheid van (ongeveer) 1600
kilogram cocaïne (zaak 4);
feit 3:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 27 november 2024 in Leiden en/of in Leiderdorp, althans in Nederland, en/of
elders,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en), te
weten:
€ 794.770,- op 22-08-2020, en/of
€ 100.000,- op 06-01-2021, en/of
€ 122.500,- op 09-01-2021, en/of
€ 50.000,- op 18-01-2021, en/of
€ 96.500,- op 27-01-2021, en/of
€ 70.000,- op 11-02-2021,
althans een of meerdere (zeer) grote geldbedrag(en),
(a.) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld
wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp (en) was en/of heeft verborgen
en/of verhuld wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of
(b.) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van
voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)
geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit
enig (eigen) misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte
heeft/hebben gemaakt;
feit 4:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 27 november 2024 in
Leiden, en/of in Leiderdorp, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
en/of
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren,
van (grote) hoeveelheden materialen bevattende cocaïne en/of heroïne,
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te
doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,
waarvan hij en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), of ernstige reden had(den) te
vermoeden, dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het hierboven bedoelde
feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in
vereniging met elkaar, althans ieder voor zich,
(telkens) opzettelijk,
- valse containerzegels ten behoeve van de invoer van verdovende middelen
gemaakt en/of bewerkt en/of verkocht, en/of voorhanden gehad, en/of
- contact onderhouden met andere betrokkenen inzake de verkenning en/of
invoer en/of lossing en/of logistieke en/of administratieve afhandeling van
verdovende middelen transporten.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, 10, vierde lid, 10, vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde lid, 11, vierde lid, 11, vijfde lid van de Opiumwet
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 3
het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken
feit 4
het misdrijf:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
6. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
7. De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Verdachte heeft zich over een lange periode in georganiseerde vorm beziggehouden met grootschalige invoer en handel in hard- en softdrugs. Daarbij had de organisatie niet alleen de beschikking over (in totaal) duizenden kilo’s drugs, maar ook over grote geldbedragen. Uit het dossier blijkt dat verdachte geen leidinggevende rol heeft gehad, maar hij wel een cruciale, onmisbare en loyale schakel in de organisatie was.
Het op deze schaal invoeren en verhandelen van drugs ontwricht en schaadt de samenleving op het gebied van gezondheid en welzijn, maar ook in financieel opzicht betekent dit een aantasting van het financiële stelsel. Daarbij komt nog dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het witwassen van grote contante geldbedragen. Witwassen bedreigt eveneens de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder (in het buitenland) is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar gelet op het ruime tijdsverloop sindsdien zal de rechtbank daarmee geen rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.
Alles afwegende ziet de rechtbank aanleiding om verdachte conform het afdoeningsvoorstel
te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het de ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Buiten staat Mr. H.H. de Boef is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.