RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11786521 \ CV EXPL 25-2081
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
uit [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: EBL Incasso,
tegen
de stichting STICHTING ROBIN HOED DEDEMSVAART,
uit Dedemsvaart,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Stichting,
procederend zonder gemachtigde.
1. Waar gaat deze zaak over?
[eiser] heeft aan de Stichting een aantal units in een bedrijfsruimte verhuurd. [eiser] heeft ook aan de Stichting een kantoorruimte en een bestelbus ter beschikking gesteld. In deze procedure vordert [eiser] betaling van de achterstallige huur en de servicekosten voor de units in de bedrijfsruimte, de servicekosten van de kantoorruimte als ook de motorrijtuigenbelasting en verzekering van de bestelbus. De Stichting is bereid de servicekosten van de kantoorruimte te betalen, maar is het met de overige posten niet eens. De Stichting stelt onder andere dat zij waterschade heeft geleden vanwege het lekkende dak van de bedrijfsruimte en zij stelt die schade te hebben verrekend met de vordering van [eiser]. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] gedeeltelijk toe en legt hierna uit waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van 1 juli 2025;
de conclusie van antwoord en het aanvullend antwoord;
de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier worden bewaard.
Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen.
3. De feiten
[eiser] is eigenaar van de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres].
In de bedrijfsruimte heeft de Stichting een aantal units gehuurd (hierna: het gehuurde). De Stichting had in het gehuurde een kringloopwinkel. In het gehuurde heeft de Stichting last gehad van lekkage afkomstig van het dak van de bedrijfsruimte.
[eiser] heeft de Stichting ook een kantoorruimte en een bestelbus ter beschikking gesteld.
Sinds 1 mei 2024 maakt de Stichting geen gebruik meer van de kantoorruimte.
Sinds 1 december 2024 is de huur voor het gehuurde geëindigd. De Stichting is verhuisd.
4. Het geschil
[eiser] vordert veroordeling van de Stichting tot betaling van € 38.715,38 aan achterstallige huur en servicekosten voor het gehuurde, de servicekosten van de kantoorruimte, de motorrijtuigenbelasting en verzekering van de bestelbus als ook wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] vordert verder de wettelijke handelsrente vanaf 24 juni 2025. Tot slot vordert [eiser] de proceskosten met daarover de wettelijke rente en vraagt zij de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Stichting is bereid de servicekosten van de kantoorruimte te betalen, maar is het met de overige posten niet eens. De Stichting stelt dat zij waterschade heeft geleden als gevolg van het lekkende dak van de bedrijfsruimte en die schade heeft zij verrekend met de vordering van [eiser].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, verder ingegaan.
5. De beoordeling
De vorderingen van [eiser]
vordert € 38.715,38. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 33.122,16, een post aan wettelijke handelsrente en een post aan buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter zal allereerst de hoofdsom beoordelen. Daaronder valt (i) de niet volledig betaalde huur uit 2022 en 2023, (ii) de kosten van de bestelbus, (iii) de afrekening van de servicekosten van de kantoorruimte en het gehuurde en (iv) de achterstallige huur van juni tot en met november 2024.
(i) De huur uit 2022 en 2023
[eiser] stelt dat de Stichting een deel van de huur van de maand april 2022 en juni 2022 tot en met januari 2023 van in totaal € 1.827,58 niet heeft betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] de onderliggende facturen en een overzicht overgelegd van wat de Stichting per factuur wel heeft betaald en wat niet. Uit de stukken blijkt dat het overzicht ook per e-mail met de Stichting is gedeeld. De Stichting betwist de facturen niet, maar stelt dat zij alle facturen die zij heeft ontvangen, heeft betaald. Zij heeft echter de betaalbewijzen niet in het geding gebracht en ook niet uitgelegd waarom er toch nog bedragen openstaan. Dat betekent dat de Stichting de onderbouwde stelling van [eiser] onvoldoende heeft tegengesproken en dat de kantonrechter de vordering van [eiser] tot betaling van € 1.827,58 zal toewijzen.
(ii) De bestelbus
[eiser] stelt dat de Stichting de bestelbus mocht gebruiken, maar daarbij in februari 2021 mondeling is afgesproken dat de Stichting de motorijtuigenbelasting en verzekering van de bestelbus betaalt. Die kosten van € 1.530,50 heeft [eiser] met een factuur van 2 januari 2023 bij de Stichting in rekening gebracht.
De Stichting betwist dat afgesproken is dat zij vanaf februari 2021 de belasting en verzekering voor de bestelbus betaalt. Volgens de Stichting is dat pas in januari 2023 afgesproken, daarom heeft zij die kosten vanaf dat moment ook betaald, want eerder is nooit over deze kosten gesproken. De Stichting is het er niet mee eens dat zij achteraf ook nog de kosten moet betalen over de periode van februari 2021 tot januari 2023.
Gelet op de betwisting door de Stichting, had [eiser] haar stelling over de gemaakte afspraken meer moeten onderbouwen. Zij had concreet moeten maken wanneer de afspraak is gemaakt en onder welke omstandigheden dat is gebeurd. Dat heeft zij niet gedaan. Dat betekent dat zij op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan en dat niet is komen vast te staan dat partijen in februari 2021 zijn overeengekomen dat de Stichting vanaf dat moment al gehouden was om de motorijtuigenbelasting en verzekering van de bestelbus te betalen. Daarom zal de kantonrechter de vordering van € 1.530,50 afwijzen.
(iii) De afrekening van de servicekosten
[eiser] heeft aangevoerd dat zij anderhalf jaar lang de kantoorruimte om niet aan de Stichting ter beschikking heeft gesteld zodat de Stichting haar bedrijf kon opzetten, maar dat er gedurende die periode in de kantoorruimte werd gewoond. Daarom vordert zij € 2.769,27 aan servicekosten. De Stichting heeft erkend dat zij de kantoorruimte voor niets gebruikte en dat er iemand heeft gewoond. Zij heeft ook aangegeven bereid te zijn de gevorderde servicekosten van de kantoorruimte te betalen. De kantonrechter zal de vordering van € 2.769,27 dan ook toewijzen.
Voor het gehuurde vordert [eiser] € 10.656,45 aan servicekosten. De Stichting betwist dat zij deze kosten moet betalen. Ter onderbouwing van haar vordering, heeft [eiser] de facturen van de eindafrekening van de servicekosten overgelegd. De facturen, die betrekking hebben op de jaren 2021, 2022 en 2023, zijn allemaal op 8 april 2024 in rekening gebracht. De kantonrechter constateert dat de opbouw van die kosten niet inzichtelijk is gemaakt. [eiser] heeft de specificaties niet overgelegd en heeft ook op andere wijze de bedragen die zij met terugwerkende kracht in rekening heeft gebracht niet inzichtelijk kunnen maken.
Zoals [eiser] zelf heeft aangegeven, is zij een professionele verhuurder. Van haar mag dan ook worden verwacht dat zij haar vordering goed motiveert en van de nodige onderbouwing voorziet. In het bijzonder omdat de eindafrekeningen de al eerder in rekening gebrachte voorschotten voor de servicekosten fors overschrijden. Het had dan ook op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken waarom en op welke wijze de voorschotten niet voldoende bleken te zijn voor de dekking van de uiteindelijke servicekosten. Dat geldt des te meer nu zij de afrekening van de servicekosten van 2021, 2022 en 2023 pas in april 2024 bij de Stichting in rekening heeft gebracht. Dat [eiser] de facturen uit coulance niet eerder heeft toegestuurd, zoals zij heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Het heeft de Stichting juist belemmerd in het eerder kunnen uiten van haar eventuele bezwaren tegen de eindafrekeningen.
Tegen deze achtergrond heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van dit deel van haar vordering niet aan haar stelplicht voldaan. [eiser] heeft onvoldoende duidelijkheid geboden over de verwijten die zij de Stichting maakt, de vordering die daaruit voortvloeit en de (feitelijke) grondslagen die daaraan ten grondslag worden gelegd, met als gevolg dat de Stichting niet goed verweer heeft kunnen voeren. Daarom zal de vordering tot betaling van in totaal € 10.656,45 worden afgewezen.
(iv) De huur van juni 2024 tot en met november 2024
[eiser] vordert € 16.338,36 aan achterstallige huur over de maanden juni 2024 tot en met november 2024. Ter onderbouwing van deze vordering heeft [eiser] de maandelijkse facturen overgelegd.
De Stichting heeft erkend dat zij met de betaling van de huur vanaf juni 2024 is gestopt. Op de mondelinge behandeling heeft de heer [naam 1] namens de Stichting uitgelegd dat de Stichting ‘helemaal klaar was’ met de aanhoudende lekkages (waarvan zij foto’s en video’s heeft overgelegd) en de schade die zij daardoor heeft geleden. Volgens de heer [naam 1] bedraagt die schade rond € 10.000,00 tot € 15.000,00. Het gaat daarbij onder meer om vele singles en langspeelplaten (LP’s) die verkocht zouden worden op twee platenbeurzen. Doordat ze nat en daarmee onverkoopbaar zijn geworden, is de Stichting inkomsten misgelopen. De schade bestaat volgens de heer [naam 1] ook uit de facturen voor het afvoeren van restafval en hout. Volgens hem zien deze afvoerkosten op de objecten in de kringloopwinkel die vanwege de waterschade niet meer verkocht konden worden. De heer [naam 1] stelt de volledige schade te hebben verrekend met de huur die [eiser] in rekening heeft gebracht en dat partijen vervolgens hebben afgesproken om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan.
[eiser] heeft erkend dat er lekkages zijn geweest, maar heeft ook toegelicht dat een dakdekkersbedrijf het dak heeft gerepareerd. Dit heeft weliswaar de problemen niet volledig opgelost, maar dat de schade van de Stichting door het lekkende dak komt, heeft [eiser] betwist. Volgens [eiser] worden er in het gehuurde ook auto’s gewassen en zouden de objecten in de staat zoals te zien is op de foto’s ook in die staat kunnen zijn ingeleverd bij de kringloopwinkel. Verder betwist [eiser] de omvang dat de schade.
Partijen zijn het erover eens dat er lekkage is geweest vanuit het dak van het bedrijfsruimte. De kantonrechter acht het ook aannemelijk dat de Stichting door de lekkages enige schade heeft geleden, maar anders dan de Stichting meent, is dat geen rechtsgeldige reden om te stoppen met het betalen van de maandelijkse huur. Verder is het onvoldoende duidelijk geworden wat de omvang van de schade is en of de schadeposten, zoals de afvoerkosten van restafval en hout, verband houden met de lekkage vanuit het dak. De kantonrechter overweegt dat van de Stichting verwacht mag worden dat zij haar schade goed documenteert en inzichtelijk maakt, in het bijzonder als zij stelt dat zij al vanaf het begin dat zij (van de voorganger van) [eiser] huurt, last heeft van lekkages. De Stichting heeft weliswaar foto’s en video’s in het geding gebracht, maar daaruit kan de kantonrechter niet afleiden wat de omvang van de schade is. De beelden bieden ook onvoldoende aanknopingspunten om de schade te schatten. Daarnaast is op de mondelinge behandeling gebleken dat partijen niet hebben afgesproken om ‘met gesloten beurzen uit elkaar te gaan’, maar dat de Stichting daarvan eenzijdig is uitgegaan nadat de heer [naam 1] tegen de heer [eiser] heeft gezegd: ‘Ik donder wel op, maar jij moet betalen.’ Er is dus geen afspraak tussen partijen om over en weer geen kosten meer van elkaar te vorderen. Dat betekent dat het verrekeningsverweer van de Stichting niet slaagt en zij de achterstallige huur moet betalen. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag van € 16.338,36 toewijzen.
Tussenconclusie
De tussenconclusie is dat de Stichting aan [eiser] totaal (€ 1.827,58 + € 2.769,27 + € 16.338,36 =) € 20.935,21 moet betalen.
Rente
Onder het door [eiser] gevorderde bedrag van € 38.715,38 vallen ook twee bedragen aan wettelijke handelsrente. Ten eerste € 2.192,86 aan handelsrente berekend tot en met 15 november 2024 en ten tweede een bedrag van € 2.294,14 berekend tot en met 24 juni 2025. [eiser] vordert daarnaast de wettelijke handelsrente vanaf 24 juni 2025.
Omdat het in dit geval gaat om een huurovereenkomst, zijnde een overeenkomst betreffende de levering van goederen en diensten, tussen partijen die de huurovereenkomst zijn aangegaan in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf, is de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd als er te laat wordt betaald. [eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zij de rente heeft berekend. De kantonrechter zal daarom de gevorderde bedragen afwijzen. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 24 juni 2025 wijst de kantonrechter eveneens af. In plaats daarvan overweegt de kantonrechter ten aanzien van de wettelijke handelsrente het volgende.
[eiser] en de Stichting zijn in de betreffende huurovereenkomsten overeengekomen dat de huurbetaling vóór of op de eerste dag van de periode waarop de huurbetaling betrekking heeft, volledig moet zijn voldaan. Daarom zal de kantonrechter de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf de eerste dag van de betreffende huurtermijn. Ten aanzien van de factuur voor servicekosten van de kantoorruimte, oordeelt de kantonrechter dat de Stichting de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 30 dagen na aanvang van dag, volgend op de datum waarop zij de factuur heeft ontvangen. [eiser] heeft gesteld dat zij haar facturen per e-mail aan de Stichting heeft verzonden. De Stichting heeft niet tegengesproken dat zij de betreffende factuur heeft ontvangen. De kantonrechter zal dan ook de factuurdatum van 8 april 2024 als ontvangstdatum nemen en de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf 9 mei 2024.
Het voorgaande leidt ertoe dat de wettelijke handelsrente over de openstaande bedragen uit de volgende facturen als volgt zal worden toegewezen:
nota [nummer 1] waarvan nog € 229,98 is verschuldigd voor de huur van april 2022, vanaf 1 april 2022;
nota [nummer 2] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van juni 2022, vanaf 1 juni 2022;
nota [nummer 3] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van juli 2022, vanaf 1 juli 2022;
nota [nummer 4] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van augustus 2022, vanaf 1 augustus 2022;
nota [nummer 5] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van september 2022, vanaf 1 september 2022;
nota [nummer 6] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van oktober 2022, vanaf 1 oktober 2022;
nota [nummer 7] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van november 2022, vanaf 1 november 2022;
nota [nummer 8] waarvan nog € 200,00 is verschuldigd voor de huur van december 2022, vanaf 1 december 2022;
nota [nummer 9] waarvan nog € 200,00 is verschuldigd voor de huur van januari 2023, vanaf 1 januari 2023;
nota [nummer 10] van € 2.769,27 voor de afrekening van de servicekosten van het kantoor, vanaf 9 mei 2024;
nota [nummer 11] van € 2.723,06 voor de huur van juni 2024,
vanaf 1 juni 2024;
nota [nummer 12] van € 2.723,06 voor de huur van juli 2024, vanaf 1 juli 2024;
nota [nummer 13] van € 2.723,06 voor de huur van augustus 2024,
vanaf 1 augustus 2024;
- nota [nummer 14] van € 2.723,06 voor de huur van september 2024,
vanaf 1 september 2024;
- nota [nummer 15] van € 2.723,06 voor de huur van oktober 2024, vanaf 1 oktober 2024;
nota [nummer 16] van € 2.723,06 voor de huur van november 2024, vanaf 1 november 2024.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert een bedrag van € 1.106,22 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De wetgever gaat uit van een vaste vergoeding waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. De hoogte van de vergoeding die gevorderd kan worden, is op grond van het Besluit gerelateerd aan de hoogte van de hoofdsom.
[eiser] heeft de incassokosten berekend aan de hand van de gevorderde hoofdsom van € 33.122,16. Omdat de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat aan hoofdsom € 20.935,21 zal worden toegewezen, moeten de buitengerechtelijke incassokosten in lijn met de staffel en het tarief zoals bepaald in het Besluit worden berekend aan de hand van die (lagere) hoofdsom. De kantonrechter zal daarom het bedrag van € 1.106,22 afwijzen en het toepasselijke tarief van € 984,35 toewijzen.
De proceskosten
Omdat de Stichting in deze procedure ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om deze procedure te voeren. De kantonrechter zal daarbij geen gemachtigdensalaris toekennen. Het uitsluitend uitbrengen van de dagvaarding zoals EBL Incasso heeft gedaan, is daarvoor immers onvoldoende en [eiser] heeft niet gesteld dat zij zich in deze procedure door EBL Incasso heeft laten bijstaan. Dat betekent dat ook geen vergoeding van de nakosten (de kosten die [eiser] maakt om de Stichting ertoe te brengen aan dit vonnis te voldoen) zal worden toegekend voor zover deze betrekking hebben op het gemachtigdensalaris. De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
1.461,00
Totaal
€
1.583,35
Als de Stichting niet binnen veertien dagen na dit vonnis aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend, moet zij ook de kosten van betekening aan [eiser] betalen.
De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de kantonrechter toewijzen zoals hierna in het dictum vermeld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordelingen zullen, zoals [eiser] heeft gevorderd en waartegen de Stichting geen verweer heeft gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als de Stichting niet aan de veroordelingen voldoet, ook als door een van de partijen hoger beroep tegen dit vonnis zou worden ingesteld (artikel 233 Rv).
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de Stichting om € 20.935,21 aan [eiser] te betalen;
veroordeelt de Stichting om de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW aan [eiser] te betalen, te berekenen over het openstaande bedrag van iedere nota die hieronder is opgenomen, vanaf de daarbij genoemde datum, tot de dag van volledige betaling:
nota [nummer 1] waarvan nog € 229,98 is verschuldigd voor de huur van april 2022, vanaf 1 april 2022;
nota [nummer 2] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van juni 2022, vanaf 1 juni 2022;
nota [nummer 3] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van juli 2022, vanaf 1 juli 2022;
nota [nummer 4] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van augustus 2022, vanaf 1 augustus 2022;
nota [nummer 5] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van september 2022, vanaf 1 september 2022;
nota [nummer 6] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van oktober 2022, vanaf 1 oktober 2022;
nota [nummer 7] waarvan nog € 199,60 is verschuldigd voor de huur van november 2022, vanaf 1 november 2022;
nota [nummer 8] waarvan nog € 200,00 is verschuldigd voor de huur van december 2022, vanaf 1 december 2022;
nota [nummer 9] waarvan nog € 200,00 is verschuldigd voor de huur van januari 2023, vanaf 1 januari 2023;
nota [nummer 10] van € 2.769,27 voor de afrekening van de servicekosten van het kantoor, vanaf 9 mei 2024;
nota [nummer 11] van € 2.723,06 voor de huur van juni 2024,
vanaf 1 juni 2024;
nota [nummer 12] van € 2.723,06 voor de huur van juli 2024, vanaf 1 juli 2024;
nota [nummer 13] van € 2.723,06 voor de huur van augustus 2024,
vanaf 1 augustus 2024;
- nota [nummer 14] van € 2.723,06 voor de huur van september 2024,
vanaf 1 september 2024;
nota [nummer 15] van € 2.723,06 voor de huur van oktober 2024, vanaf 1 oktober 2024;
nota [nummer 16] van € 2.723,06 voor de huur van november 2024, vanaf 1 november 2024;
veroordeelt de Stichting om € 984,35 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen;
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 1.583,35, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Stichting niet binnen die veertien dagen betaalt en het vonnis vervolgens is betekend en te vermeerderen met de wettelijke rente in artikel 6:119 BW over € 1.583,35 vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en over het bedrag van de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening, tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.