nRECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12234768 \ CV EXPL 26-1464
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de verstekverlening tegen [gedaagde].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Ontruiming
Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend.
De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van het volgende.
De termijn voor de ontruiming zal niet worden bepaald op 48 uur na betekening, zoals gevorderd, maar op drie dagen na betekening van dit vonnis, gelet op het bepaalde in artikel 555 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
€
967,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de door hem gebruikte kamer, zijnde kamer [nummer] in het pand aan de [adres], alsmede de door hem gebruikte gemeenschappelijke ruimten te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 500,00 per maand aan [eiser], althans een evenredig gedeelte daarvan voor een gedeelte van een maand, vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop [gedaagde] het gehuurde volledig heeft ontruimd en verlaten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 967,02, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. J.M. Marsman op 28 mei 2026.