RECHTBANK OVERIJSSEL
beslissing
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/347809 KG RK 26/241
Beslissing van 29 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking.
1. De procedure
Op 11 mei 2026 heeft verzoeker per mailbericht aan de administratie van team Familie en Jeugd een verzoek tot wraking gedaan van mr. H. Th. Pos, rechter in deze rechtbank en in de hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/347809 KG RK 26/241. De zaak houdt verband met een procedure betreffende meerdere kinderen. Verzoeker is de vader van deze kinderen.
Mr. Pos heeft niet berust in de wraking. Hij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Mr. Pos heeft uitgelegd dat verzoeker in hoger beroep kan gaan als hij het niet eens is met bepaalde beslissingen.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van verzoeker op 26 mei 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. Pos is niet verschenen en heeft dit ook op voorhand laten weten.
Bij de mondelinge behandeling heeft verzoeker aangegeven dat hij graag met mr. Pos in gesprek was gegaan. Het verzoek tot wraking was volgens verzoeker meer een laatste waarschuwing gericht aan mr. Pos. Hij was verbaasd dat het verzoek als wrakingsverzoek in behandeling werd genomen, maar hij handhaaft het wel. Verzoeker heeft kenbaar gemaakt dat hij geen ruzie wil, omdat hij weet dat hij mr. Pos nog nodig heeft in het belang van zijn kinderen en eigenlijk de voorkeur heeft voor een gesprek.
2. De beoordeling
De wrakingskamer moet beoordelen of de rechter partijdig is of dat de rechter die indruk heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet “geobjectiveerd” zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is of die schijn heeft gewekt. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn/haar aanstelling als rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoeker.
Verzoeker stelt dat door mr. Pos niet aan waarheidsvinding is gedaan. Mr. Pos zou de gecertificeerde instelling (GI) blindelings geloven en bewijzen van verzoeker bagatelliseren en negeren en dus naast zich neerleggen.
Verder stelt verzoeker dat de opmerkingen van mr. Pos over zijn postuur maken dat verzoeker in de veronderstelling is geraakt dat mr. Pos zijn oordeel al klaar had.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat mr. Pos partijdig is of die indruk heeft gewekt.
De wrakingskamer kan uit de stukken niet afleiden dat mr. Pos bevooroordeeld is en alleen luistert naar de GI. Dat mr. Pos in de ogen van verzoeker de wet onjuist toepast en verkeerde, en in de ogen van verzoeker misschien zelfs onbegrijpelijke beslissingen neemt, maakt nog niet dat mr. Pos als bevooroordeeld en partijdig moet worden aangemerkt. Het rechtsmiddel van hoger beroep is er om de beslissingen van mr. Pos aan te vechten, als verzoeker vindt dat die verkeerd zijn. De wrakingskamer is er niet voor om de beslissingen van mr. Pos inhoudelijk te beoordelen. Niet ter discussie staat dat mr. Pos in de richting van verzoeker een opmerking over zijn postuur en houding heeft gemaakt en deze opmerking is door verzoeker kennelijk als onprettig ervaren. Maar dit maakt naar het oordeel van de wrakingskamer onder de gegeven feiten en omstandigheden niet dat mr. Pos partijdig is of die schijn heeft gewekt. Het verzoek tot wraking is dan ook ongegrond.
3. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de rechters mr. A. van Holten, voorzitter, mr. F. Koster en C.W. Couperus-van Kooten, in tegenwoordigheid van L. Bakker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.